← België

Arrest 189871 - Milieuvergunningen - 29/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.871 Rolnummer: A. 130235/VII-28506 Zaak: Arrest 189871 - Milieuvergunningen - 29/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-09 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 15:40 Fiche Arrest nr 189.871 van 29 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.871 van 29 januari 2009 in de zaak A. 130.235/VII-28.506. In zake : de NV GALVACOAT, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAES, kantoor houdende te HASSELT, Herkenrodesingel 4, bus 1 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-84. tussenkomende partij : de stad DIEST, die woonplaats kiest bij advocaat H.-K. CARÊME, kantoor houdende te HEVERLEE, Industrieweg 4, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV GALVACOAT op 6 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 5 oktober 2002 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 28 maart 2002, houdende het verlenen aan de verzoekende partij van de milieuvergunning voor het exploiteren van een inrichting voor de oppervlaktebehandeling van metalen, gelegen aan de Engelbeek- straat te Diest, gegrond worden verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan de verzoekende partij de gevraagde vergunning wordt geweigerd; Gelet op het arrest nr. 120.483 van 12 juni 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-28.506-1/16 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 26 augustus 2003 ingediend door de stad DIEST; Gelet op de beschikking van 5 september 2003 die de tussenkomst van de stad DIEST toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 12 februari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij en de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 27 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. GORIS die, loco advocaat K. VAES verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat P. VANDENDAEL die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat H.-K. CARÊME, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-28.506-2/16 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Op 31 januari 2001 weigert de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw aan de verzoekende partij een vergunning voor de exploitatie van een inrichting voor de oppervlaktebehandeling van metalen, gelegen aan de Engelbeekstraat te Diest. Het annulatieberoep dat de verzoekende partij tegen die weigeringsbeslissing heeft ingediend is verworpen bij het arrest van de Raad van State nr. 174.247 van 6 september 2007 omdat de verzoekende partij na de ontvangst van het auditoraatsverslag waarin voorgesteld werd het beroep te verwerpen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging had ingediend. 1.2. Op 28 november 2001 dient de verzoekende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een milieu- vergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een inrichting voor de oppervlaktebehandeling van metalen. De aanvraag omvat in concreto : - het lozen van maximaal 1 m3/u en 5 m3/dag huishoudelijk afvalwater in een ingebuisde gracht; - het gebruik van 1 verzinkingsbad; - een pneumatische poedercabine met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 130 kW; - 1 moffeloven en 1 doorloopdroger met een inwendig volume van respectievelijk 245 m3 en 60 m3; - de opslag van 30 ton poederverven; - 1 transformator met een individueel nominaal vermogen van 900 kVA en een elektrische inductie met een transfo met een individueel nominaal vermogen van 1.500 kVA; - een stalplaats voor 3 vrachtwagens en 20 opleggers; - 2 compressoren met elk een vermogen van 37 kW; - de opslag van 600 liter zuurstof, acetyleen en argon en van 400 liter propaan in gasflessen; - de opslag van 36.000 liter propaan in een ondergrondse opslagtank; - de opslag van 15 ton metaalbehandelingschemicaliën (passivator); - de opslag van 100.000 liter zoutzuur in 4 bovengrondse opslaghouders van elk 25.000 liter en de opslag van 11 ton metaalbehandelingschemicaliën voor de gebruikte baden (voornamelijk beitsmiddelen); VII-28.506-3/16 - de opslag van 30.000 liter mazout in 2 bovengrondse houders met respectievelijk een inhoudsvermogen van 25.000 liter en 5.000 liter; - 1 verdeelinstallatie voor diesel; - de opslag van maximaal 5.000 liter onderhoudsproducten, smeermiddelen en reinigingsmiddelen; - verschillende metaalbewerkingstoestellen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 10 kW; - 1 moffeloven en een droogoven met een totaal thermisch vermogen van 2.000 kW; - 15 metaalbehandelingsbaden met een gezamenlijk inhoudsvermogen van 792.000 liter; - een verzinkingsbad met een verwerkingscapaciteit van 10 ton ruwstaal per uur; - een verzinkingsbad met een inhoudsvermogen van 65.000 liter; - 6 verbrandingsinstallaties met een totaal warmtevermogen van 2.350 kW. De verzoekende partij verzoekt tevens om via de milieu- vergunning te mogen afwijken van artikel 5.4.4.2, § 7, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) waarin gesteld wordt dat rustverstorende werkzaamheden verboden zijn op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen. 1.3. Op 28 maart 2002 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde vergunning voor een termijn van twintig jaar. Op het verzoek om te mogen afwijken van de sectorale milieuvoorwaarde van artikel 5.4.4.2, § 7, van Vlarem II wordt evenwel niet ingegaan. 1.4. Tegen voormeld besluit van 28 maart 2002 wordt bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw beroep ingesteld door : - het college van burgemeester en schepenen van de stad DIEST; - negen inwoners van de stad Diest die zeggen rechtstreekse hinder te zullen ondervinden door de geplande exploitatie. VII-28.506-4/16 1.5. In het kader van de beroepsprocedure worden verschillende adviezen uitgebracht : - op 17 juni 2002 door de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen : gedeeltelijk gunstig; - op 19 juni 2002 door de Vlaamse Milieumaatschappij : voorwaardelijk gunstig; - op 21 juni 2002 door de afdeling Milieuvergunningen : ongunstig; - op 24 juni 2002 door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie : ongunstig over de aanvraag, met voorstel om de beroepen beslissing op te heffen en de gevraagde vergunning te weigeren. 1.6. Met het thans bestreden besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 5 oktober 2002 worden de beroepen tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 28 maart 2002 gegrond verklaard en wordt aan de verzoekende partij de gevraagde vergunning geweigerd. Het besluit bevat volgende overwegingen : "Gelet op het feit dat de inrichting volgens het gewestplan Aarschot-Diest goedgekeurd bij koninklijk besluit van 7 november 1978, gelegen is in een agrarisch gebied; Gelet op de ligging van de inrichting in het bij ministerieel besluit van 1 juni 1987 goedgekeurde BPA 'Kelbergen', met volgende voorschriften : - het gebouw in aanvraag ligt in een 'zone voor bedrijven', - de verharding ligt deels in deze 'zone voor bedrijven', en deels in een 'reservezone voor uitbreiding van bedrijven'; Gelet op het feit dat de inrichting gelegen is op een afstand van : - 250 m van een woongebied met landelijk karakter, - 900 m van een woongebied, - 180 m van een natuurgebied; Gelet op het feit dat binnen een straal van 500 meter zich bevindt : - ten noorden : een landschappelijk waardevol agrarisch gebied en natuurgebied, - ten zuiden : een agrarisch gebied, - ten westen : een agrarisch gebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied, - ten oosten: een agrarisch gebied en woongebied met landelijk karakter; Overwegende dat de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen in haar voormeld advies het volgende stelt : (...); Overwegende dat bijgevolg vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, slechts gedeeltelijk verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat het voorwerp van onderhavige aanvraag een nieuwe inrichting betreft voor de oppervlaktebehandeling van metalen; dat het bedrijf twee activiteiten verenigt, namelijk verzinken en lakken; Overwegende dat het openbaar onderzoek volgens het proces-verbaal van sluiting, opgemaakt op 24 januari 2002, het volgende resultaat opleverde : een mondeling bezwaar namens het actiecomité Vleugt, een petitie met VII-28.506-5/16 751 handtekeningen en meer dan 200 bezwaarschriften, een negatief advies van de GMINA- raad en een negatief advies van de Landbouwraad; Overwegende dat de bezwaren onder meer handelden over de inplanting van de inrichting in oorspronkelijk agrarisch gebied te midden van woon-, landbouw- en natuurfuncties, de aantasting van de open ruimte, de ongeschiktheid van het wegennet voor zwaarverkeer, verkeersonveiligheid; Overwegende dat onderhavige aanvraag in grote lijnen vergelijkbaar is met de vergunningsaanvraag die bij besluit van de bestendige deputatie van 24 augustus 2000 werd geweigerd omwille van (het) feit dat de aanvrager niet inging op het verzoek van de bestendige deputatie om bijkomende informatie te verstrekken over onder andere de emissies en het in- en uitrijden van de vrachtwagens; dat in beroep (bij besluit met kenmerk AMV/00074623/1001B van 31 januari 2001) de vergunningsaanvraag opnieuw geweigerd werd; dat deze weigering als volgt gemotiveerd werd : (...); Overwegende dat het verschil van de huidige aanvraag ten opzichte van de eerder ingediende aanvraag zich situeert op het vlak van de wijzigingen van de inplanting, de propaangas opslag, de toepassing van vereenvoudigde en milieu- vriendelijkere technologie, de afwezigheid van een grondwaterwinning en de realisatie van de nullozing van bedrijfsafvalwater; dat in voorliggende aanvraag de problematiek echter zoals reeds werd aangegeven deze van de verkeerssituatie is; Overwegende dat een verkeersstudie werd toegevoegd aan de huidige aanvraag, getiteld 'actuele en toekomstige verkeersbelasting van het bedrijventerrein Kelbergen', uitgevoerd door de NV D+A Consult; dat hierin wordt geconcludeerd : (...); Overwegende dat in de verkeersstudie geconcludeerd wordt dat de vestiging van Galvacoat verantwoord is op het gebied van verkeersbelasting, daar het zwaarst belastende aandeel van het verkeer op de route Engelbeekstraat - Kelbergenstraat - Vleugtstraat niet bepaald wordt door het verkeer van en naar het bedrijventerrein 'Kelbergen'; dat een inplantingsplaats voor een nieuwe inrichting echter niet louter op het vlak van verkeersbelasting moet worden beoordeeld, maar ook op het vlak van verkeersveiligheid; dat de vorige aanvraag overigens net in hoofdzaak geweigerd werd omwille van de achteruitgang van de verkeersveiligheid ten gevolge van de inplanting van Galvacoat; dat het aspect verkeersveiligheid slechts zeer summier aan bod komt in de verkeersstudie en er voornamelijk wordt ingegaan, op de verkeersintensiteiten en capaciteitsberekeningen; dat in de verkeersstudie niettegenstaande wordt bevestigd dat de enige mogelijke aan- en afvoerroute (Engelbeekstraat - Kelbergenstraat - Vleugtstraat) problematisch is op het gebied van verkeersveiligheid, in het bijzonder voor fietsers; dat wordt gesteld dat bijkomende maatregelen moeten worden genomen en dat snelheidsremmende maatregelen absoluut noodzakelijk zijn; dat de inplanting van de inrichting een dagelijkse bijkomende stroom tot 180 personenautobewegingen (90 personeelsleden) en 20 vrachtwagen- bewegingen (10 vrachtwagens) zou veroorzaken, waarvan een minderheid tijdens de ochtend- en avondspits; dat het probleem van verkeersveiligheid echter niet enkel verbonden is aan de ochtend- en avondspits maar integendeel een continu en infrastructuurgebonden probleem is; Overwegende dat de vergunningverlenende overheid bij het verlenen van een milieuvergunning, mits motivering, bijzondere vergunningsvoorwaarden kan opleggen met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu (artikel 20, laatste lid Milieuvergunningsdecreet 28 juni 1985, artikel 3.3.0.1, §1 van titel II van het Vlarem); VII-28.506-6/16 dat als bijzondere voorwaarden in de bestreden beslissing het binnen een termijn van 6 maanden uitwerken van een verkeersplan voor vrachtvervoer (met voorstel van de meest veilige verkeersafwikkeling en verkeersleefbaarheid ten aanzien van de omliggende gebieden) en een bedrijfsvervoerplan voor voertuigbewegingen van personenwagens (met herleiden van het aantal voertuigbewegingen tot maximaal de helft van de voertuigbeweginigen van het geheel van de personeelsleden) werd opgelegd; dat echter in onderhavig geval de noodzakelijk geachte voorwaarden op het vlak van verkeersveiligheid, namelijk de vermelde adviezen in de verkeers- studie (benodigde infrastructuurwerken), buiten de bevoegdheid van de (

  1. de)vergunningverlenende overheid vallen; dat bijgevolg de inplanting van de nieuwe inrichting dient te worden beoordeeld op basis van de huidige verkeerssituatie; dat dient geconcludeerd te worden dat een verhoging van de verkeersintensiteit ter plaatse niet wenselijk is, gezien de huidige verkeersonveiligheid en dat er te weinig garanties worden geboden die hieraan zouden kunnen verhelpen; dat de hogervermelde motivering om de vorige vergunningsaanvraag te weigeren niet weerlegd wordt met huidige aanvraag; Overwegende dat de bezwaren aangehaald door de beroepindieners als volgt kunnen worden geëvalueerd : - het verkeersaspect werd besproken in voorgaande overwegingen; - de inrichting is deels verenigbaar met de van toepassing zijnde voorschriften inzake ruimtelijke ordening; - de te verwachten hinder op het vlak van geur en emissies zou kunnen beperkt worden tot een aanvaardbaar niveau mits naleving van aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden, gelet op de afstand tot het woongebied en de woningen; - de richtwaarden voor het specifieke geluid in open lucht van als hinderlijk ingedeelde inrichtingen (bijlage 4.5.4 van titel II van het VLAREM) verwijzen telkens naar de bestemming; gelet op de ligging in een 'zone voor bedrijven' volgens het BPA zijn de geluidsnormen voor kleine en middelgrote ondernemingen van toepassing; Overwegende dat het op basis van hogervermelde gegevens aangewezen is de gevraagde vergunning voor een nieuwe inrichting voor het verzinken en lakken van metalen te weigeren (...)". 2. De grond van de zaak 2.1.1. In het eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), van artikel 52, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) en van het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het middel is opgesplitst in vijf onderdelen. VII-28.506-7/16 2.1.1.1. In het eerste onderdeel voert zij aan dat het voor haar volkomen onduidelijk is welke adviezen de verwerende partij gevolgd heeft. Bovendien had de verwerende partij moeten motiveren waarom de adviezen die voor haar gunstig waren toch niet gevolgd werden. 2.1.1.2. In het tweede onderdeel voert zij aan dat de verwerende partij krachtens artikel 52, 3/, van Vlarem I en artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet uitspraak moet doen over de bezwaren, dat zij op haar vraag gehoord is door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie en dat zij daar in een nota de argumenten van de beroepers weerlegd heeft, maar dat de verwerende partij geen aandacht meer besteed heeft aan haar uiteenzetting. 2.1.1.3. In het derde onderdeel stelt zij dat de weigering van de vergunning steunt op de problematiek van de verkeersveiligheid, maar dat dat motief niet draagkrachtig is en dat de verwerende partij er slechts is kunnen toe komen mits schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Immers, de verwerende partij heeft de verkeerssituatie zelf niet laten onderzoeken en geen van de adviesorganen heeft daarover een advies verleend. Bovendien is het argument van de verkeersveiligheid opgeworpen door de tussenkomende partij, die in eerste instantie toch zelf verantwoordelijk is voor het garanderen van het veilig verkeer op de wegen en voor de veilige bereikbaarheid van een industriezone op haar grondgebied. Het motief van de verkeersveiligheid is aldus bezien ook kennelijk onredelijk. In ieder geval wordt nergens uiteengezet waarom de verkeersveiligheid concreet in het gedrang is, noch welke voorwaarden er dan wel vervuld zouden moeten zijn. 2.1.1.4. In het vierde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de verwijzing naar de omstandigheid dat de aangevraagde vergunning gedeeltelijk onverenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften, evenmin volstaat om de vergunning te weigeren. Zij had immers zelf reeds in de loop van het besluitvormingsproces aangegeven dat het perceel nr. 435b niet meer tot het voorwerp van haar aanvraag behoorde en dus kon de verwerende partij de aanvraag niet meer weigeren omdat er een gedeeltelijke onverenigbaarheid met de planologische voorschriften zou bestaan. 2.1.1.5. In een vijfde onderdeel ten slotte wordt een tegenstrijdigheid in de motivering aangeklaagd, doordat de verwerende partij overweegt dat zij geen bijzondere voorwaarden kan opleggen met betrekking tot de verkeersveiligheid maar VII-28.506-8/16 dan toch de vergunning weigert om redenen die te maken hebben met de verkeersveiligheid. 2.1.2. De verwerende partij beantwoordt het middel als volgt : 2.1.2.1. - wat betreft het eerste onderdeel : Er is wel een gunstig advies van de Vlaamse Milieumaatschappij en een stilzwijgend gunstig advies van de afdeling Preventie en Sociale Gezondheidszorg, maar geen van beide is terzake relevant aangezien het eerste enkel de lozing van afvalwater betreft en het tweede geen inhoud heeft. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de bestreden weigeringsbeslissing steunt op de bijgevallen adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Geen reglementaire bepaling verplicht het bestuur in een besluit uitdrukkelijk aan te geven of een welbepaald advies wordt bijgevallen of niet. Aangenomen dat zulks nuttig zou kunnen zijn wanneer een bepaald advies aan de basis ligt van de weigering van de vergunning, dient te dezen toch vastgesteld te worden dat de vergunning geweigerd is wegens de bezwaren op het vlak van de verkeersveiligheid. Uit de overgelegde negatieve adviezen blijkt dat deze problematiek daarin besproken werd. 2.1.2.2. - wat betreft het tweede onderdeel : Het middel mist feitelijke grondslag, want in het bestreden besluit wordt uitvoerig stilgestaan bij de problematiek van de verkeersveiligheid. De argumentatie van de verzoekende partij, die in wezen een repliek is op de argumenten van de beroepers, is in het bestreden besluit terdege beantwoord. 2.1.2.3. - wat betreft het derde onderdeel : Het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie gaat uitvoerig in op het probleem van de verkeersveiligheid. Zo is de commissie van oordeel dat de door de verzoekende partij voorgelegde studie eerder betrekking heeft op de verkeersintensiteit en op capaciteitsberekeningen dan op de verkeersveiligheid. Ook in het bestreden besluit zelf wordt stilgestaan bij die problematiek. De verzoekende partij spreekt de gemaakte feitelijke vaststellingen overigens niet tegen, maar wijst enkel op de verantwoordelijkheid van de tussenkomende partij, maar daarmee toont zij de kennelijke onredelijkheid van het motief niet aan. VII-28.506-9/16 2.1.2.4. - wat betreft het vierde onderdeel : Het middel mist feitelijke grondslag, want de vergunning is niet geweigerd wegens miskenning van de planologische voorschriften, maar wel om milieuhygiënische redenen, met name de verkeershinder en de verkeersveiligheid. 2.1.2.5. - wat betreft het vijfde onderdeel : Het kan niet ernstig betwist worden dat een milieuvergunning geweigerd kan worden wegens verkeerstechnische problemen, zoals de verkeersonveiligheid die voor de omwonenden ontstaat. Maar dat betekent nog niet dat de vergunningverlenende overheid met betrekking tot die problemen bijkomende voorwaarden aan de vergunning zou kunnen verbinden, want deze is niet bevoegd om daarover beslissingen te treffen. 2.1.3. In haar repliek brengt de verzoekende partij nog volgende argumenten aan : - de verwerende partij erkent dat de voor haar gunstige adviezen niet hebben meegespeeld bij de beoordeling van de aanvraag; - redenen van verkeersveiligheid zijn geen milieuhygiënisch motief op grond waarvan een vergunning geweigerd kan worden. Verkeer komt in het milieuhygiënerecht enkel ter sprake in het kader van lawaaihinder en luchtverontreiniging en niet wat de verkeersveiligheid betreft; het is onregelmatig om op grond van dergelijk motief de milieuhygiënische motieven van de adviesorganen -zoals het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij- terzijde te schuiven; - de verwerende partij heeft in haar besluit de argumenten vermeld in de nota neergelegd bij de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie enkel aangehaald, maar niet weerlegd; - waar de verwerende partij de verkeersstudie die zij voorgelegd heeft als niet volledig heeft afgewezen, had zij in het kader van haar zorgvuldigheids- verplichting zelf een nader onderzoek over de verkeersveiligheid -en de garanties die terzake dienden geboden te worden- moeten bevelen; overigens betreft deze verkeersonveiligheid een bestaand probleem ter plaatse en is dit de volledige verantwoordelijkheid van de tussenkomende partij; - het verkeer kan in het kader van een milieuvergunningsaanvraag alleen een beoordelingselement zijn op het vlak van de hinder die daaruit kan volgen, met name lawaaihinder of luchtverontreiniging, maar daarover gaat de bestreden beslissing niet: zij gaat enkel over de verkeersveiligheid en dat is in elk geval onvoldoende onderzocht. VII-28.506-10/16 2.1.4. De tussenkomende partij stelt in essentie het volgende : het middel is onduidelijk gesteld. Het bestreden besluit steunt op de dreigende verkeers- onveiligheid en beantwoordt terdege de bemerkingen die de verzoekende partij te dien aanzien had geformuleerd. Het is niet kennelijk onredelijk een milieuvergunning te weigeren om redenen van dreigende verkeersonveiligheid. De verwerende partij heeft ook niet onzorgvuldig gehandeld. De verwerende partij kan, binnen de ruime discretionaire bevoegdheid die zij terzake bezit, bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag steunen op motieven die verband houden met de invloed van de inrichting op de omgeving -hier de verkeersveiligheid- en aldus de risico's voor de volksgezondheid in haar besluitvormingsproces betrekken. 2.1.5. Uit de motieven van het bestreden besluit blijkt onbetwistbaar dat de weigeringsbeslissing in essentie -de weigering voor het perceel nr. 435b, die steunt op de planologische onverenigbaarheid, daargelaten- steunt op de verkeerssituatie op de plaats van de geplande inrichting en met name op de negatieve invloed van de aangevraagde vestiging op de verkeersveiligheid. De wettigheid van het bestreden besluit moet met inachtneming van dat dragend motief onderzocht worden. 2.1.5.1. Wat de formele motiveringsverplichting betreft, is het noodzakelijk maar ook voldoende dat de verzoekende partij uit het besluit zelf kan opmaken waarom haar vergunningsaanvraag geweigerd is. Op grond van die motivering kan zij dan zelf beredeneren of dat motief de weigeringsbeslissing terdege schraagt, mede in acht genomen de uitgebrachte adviezen. Het besluit is niet onregelmatig omdat er niet formeel in aangeduid wordt welk advies aan de grondslag ligt van het determinerend motief. Het bestuur moet ook niet uitdrukkelijk aanduiden waarom het bepaalde adviezen, die voor de verzoekende partij gunstig zijn maar die niets te maken hebben met dat motief, niet bijvalt. Het eerste onderdeel van het middel is niet gegrond. 2.1.5.2. Het bestreden besluit bevat een samenvatting van de bemerkingen die de verzoekende partij ter kennis van de Gewestelijke Milieu- vergunningscommissie gebracht heeft als reactie op de grieven die de beroepers in hun beroepschrift tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant hadden uiteengezet. De verzoekende partij betwist niet dat deze uiteenzetting niet waarheidsgetrouw zou zijn. Los daarvan wordt in het bestreden besluit omstandig uiteengezet -zoals ook de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie voordien reeds had gedaan- dat in dezen de VII-28.506-11/16 problematiek van de verkeerssituatie centraal staat, dat de studie die de verzoekende partij bij het dossier gevoegd heeft al te zeer ingaat op de verkeersbelasting, terwijl het aspect van de verkeersveiligheid slechts "summier aan bod komt" en wordt uiteengezet dat de actuele verkeerssituatie onveilig is voor de fietsers en dat snelheidsremmende maatregelen noodzakelijk zijn. Aldus heeft de verwerende partij oog gehad voor de bezwaren die de verzoekende partij in de beroepsprocedure heeft doen gelden en heeft zij die bezwaren ook in haar beoordeling betrokken. Het bestreden besluit geeft duidelijk blijk van de redenen waarom de verkeerssituatie onveilig wordt geacht en welke maatregelen deze verkeersonveiligheid zouden kunnen verhelpen Het tweede onderdeel van het middel is niet gegrond. 2.1.5.3. Het is onjuist dat de problematiek van de verkeersonveiligheid niet reeds door de geraadpleegde adviesorganen behandeld werd. Zo verwijst de afdeling Milieuvergunningen in haar advies van 21 juni 2002 formeel enerzijds naar de eerdere weigering van een milieuvergunning en anderzijds naar de verkeersstudie die de verzoekende partij heeft voorgelegd, maar stipt zij aan dat er nog geen verkeersplan voor vrachtvervoer en geen bedrijfsvervoerplan voor personenwagens bestond, dat de studie geen rekening houdt met de te verwachten verkeerssituatie en dat de studie wel snelheidsremmende maatregelen voorstelt maar dat er te dien aanzien geen enkele garantie bestaat. De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie harerzijds wijst op de leemte die de verkeersstudie vertoont op het vlak van de - actuele - verkeersonveiligheid. Afgaand op die adviezen beschikte de verwerende partij over een deugdelijke grondslag om de aanvraag zonder verder eigen onderzoek te weigeren. De verzoekende partij wijst erop dat de problematiek van de verkeersonveiligheid aangebracht is door de tussenkomende partij, terwijl deze stad als wegbeheerder toch zelf verantwoordelijk is voor de veiligheid en de nodige beslissingen dienaangaande moet treffen. De mogelijke verantwoordelijkheid van de tussenkomende partij als beheerder van de weg die de inrichting bedient, heeft evenwel geen consequenties ten aanzien van de zorgvuldigheidsverplichting waarmee het bestuur een milieuvergunningsaanvraag moet onderzoeken. De omstandigheid dat de verkeersonveiligheid ter plaatse reeds bestaat mag voor de vergunningverlenende overheid geen reden zijn om toch de vergunning, die de problemen nog zal doen toenemen, toe te kennen. Het derde onderdeel van het middel is niet gegrond. VII-28.506-12/16 2.1.5.4. Uit de lezing van het bestreden besluit blijkt duidelijk dat de bestreden weigering niet steunt op de strijdigheid van de inrichting met de planologische voorschriften, maar substantieel op de verkeersonveiligheid die de uitbating teweegbrengt. Het vierde onderdeel van het middel is niet gegrond. 2.1.5.5. Het bestreden besluit steunt op de verkeersonveilige situatie ter plaatse. De verwerende partij zou haar bevoegdheid te buiten gaan indien zij, onder de vorm van een bijzondere uitbatingsvoorwaarde van de vergunning, derden zou verplichten om bepaalde infrastructuurwerken op het openbaar domein uit te voeren. Maar de omstandigheid dat de vergunningverlenende overheid institutioneel niet bevoegd is om de problemen die zij vaststelt op te lossen, belet niet dat zij daarin een grondslag kan vinden om de vergunning te weigeren. Door die vaststellingen te maken geeft het bestreden besluit geen blijk van een tegenstrijdige motivering. Het vijfde onderdeel van het middel is niet gegrond. 2.1.6. Het eerste middel is niet gegrond. 2.2.1. In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 19, § 6, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van de artikelen 2 en 12 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, van het beginsel "patere legem quam ipse fecisti" en van het rechtszekerheids- en het continuïteitsbeginsel. In het eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de vergunning wordt geweigerd wegens stedenbouwkundige overwegingen, met name de voorziene verkeersonveiligheid, maar dat er voor de localisatie een Bijzonder Plan van Aanleg (hierna : BPA) bestaat waarmee de overheid voor zichzelf een beleidslijn uitgetekend heeft die de vestiging van industriële inrichtingen ter plaatse mogelijk maakt en dat het bestuur die eigen regeling nu ook moet naleven. Zij voegt daaraan toe dat in het verleden de NV ALCOAT en de NV METALIX toch een vergunning verkregen hebben. In het tweede onderdeel van het middel stelt de verzoekende partij dat het motief aangaande de verkeersveiligheid en inzonderheid de situatie van fietsers en voetgangers, ingaat tegen het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel en dat de verwijzing naar de onbevoegdheid van de vergunningverlenende overheid om problemen van verkeersveiligheid op te lossen "geen steek houdt". VII-28.506-13/16 2.2.2. De verwerende partij antwoordt dat de weigering van de vergunning voornamelijk steunt op de verkeersonveiligheid die de exploitatie zal veroorzaken. Dat is een milieuhygiënische reden, temeer daar de gebouwen conform zijn met de planologische bestemming van het gebied. De omstandigheid dat de vestigingsplaats gelegen is in een gebied dat bestemd is voor bedrijven, verplicht de overheid die een milieuvergunning verleent niet om elke aanvraag in te willigen. Voorts wordt in het besluit enkel gesteld dat de werken om de verkeersveiligheid te realiseren niet door de vergunningverlenende overheid opgelegd kunnen worden. 2.2.3. De verzoekende partij herhaalt in haar repliek dat de weigering steunt op een stedenbouwkundige reden en geen milieuhygiënische reden, zodat er ingegaan wordt tegen het betreffende BPA. Zij stelt ook dat de verkeersonveiligheid ter plaatse reeds bestaat, zodat de tussenkomende partij zich in feite op haar eigen fout beroept. Bovendien hebben reeds twee vennootschappen in het betrokken BPA een vergunning verkregen en mocht zijzelf er ook op betrouwen een vergunning te krijgen. De verwerende partij erkent dat zij door middel van een milieuvergunning geen bijkomende infrastructuurwerken kan opleggen; zij erkent daarmee niet bevoegd te zijn voor de verkeersveiligheid en kan zich dan ook daarop niet steunen om de vergunning te weigeren. Zij kon enkel weigeren op milieuhygiënische gronden en dat is hier niet het geval. 2.2.4.1. De milieuvergunning is aan de verzoekende partij niet geweigerd omdat de geplande inrichting onverenigbaar zou zijn met de geldende stedenbouwkundige voorwaarden. Zij is geweigerd wegens de hinder die de inrichting op het vlak van de verkeersveiligheid zal teweegbrengen voor de nabijgelegen woonkernen. Die problematiek heeft betrekking op het leefmilieu in de omgeving van de inrichting en kan betrokken worden bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag. Dat er, wegens het vigerende BPA, planologisch geen bezwaar is tegen de geplande inrichting verplicht de overheid die beslist over de milieuvergunningsaanvraag niet om de milieuvergunning te verlenen en verhindert haar niet om de vergunning toch op goede gronden -zoals te dezen de effecten van de vergunde inrichting op het verkeer in de omgeving en met name de verkeersveiligheid- te weigeren. De omstandigheid dat andere bedrijven in dezelfde zone in het verleden wel een milieuvergunning verkregen hebben, betekent niet dat de verwerende partij de aanvraag van de verzoekende partij niet mocht weigeren. Het bestuur moet immers bij iedere beoordeling van een vergunningsaanvraag concreet en met inachtneming van alle gegevens die op dat ogenblik beschikbaar zijn -met name ook de hinder die het gevolg is van de uitbating van eerder vergunde VII-28.506-14/16 inrichtingen- nagaan of de hinder binnen aanvaardbare grenzen blijft. Het eerste onderdeel van het middel is niet gegrond. 2.2.4.2. Het tweede onderdeel van het tweede middel valt samen met het vijfde onderdeel van het eerste middel. Er weze bovendien opgemerkt dat het redelijkheids- noch het vertrouwensbeginsel geschonden kan zijn door een weigeringsbeslissing die steunt op de vaststelling dat de vergunningverlenende overheid zelf de maatregelen niet kan treffen die de vergunning in de weg staan. Het tweede onderdeel van het middel is niet gegrond. 2.2.5. Het tweede middel is niet gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-28.506-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting op negenentwintig januari tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-28.506-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.871 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.120.483 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.