← België

Arrest 189872 - Milieuvergunningen - 29/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.872 Rolnummer: A. 125210/VII-27521 Zaak: Arrest 189872 - Milieuvergunningen - 29/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-09 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-29 15:40 Fiche Arrest nr 189.872 van 29 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.872 van 29 januari 2009 in de zaak A. 125.210/VII-27.521. In zake : Greta SERESIA, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-84. tussenkomende partij : de NV PURATOS GROUP, die woonplaats kiest bij advocaten J. BOUCKAERT en J. GORIS, kantoor houdende te BRUSSEL, Loksumstraat 25. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Greta SERESIA op 9 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 11 april 2002 waarbij de beroepen ingesteld door omwonenden tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 6 september 2001, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de NV PURATOS GROUP voor het veranderen van een inrichting voor de productie van grondstoffen voor de voedingsnijverheid, gelegen aan de Industrialaan 25 te Dilbeek, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 118.721 van 28 april 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-27.521-1/15 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoekster; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 4 augustus 2003 ingediend door de NV PURATOS GROUP; Gelet op de beschikking van 8 september 2003 die de tussenkomst van de NV PURATOS GROUP toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 1 februari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 27 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. J. VERVOORT die, loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor verzoekster, van advocaat P. VANDENDAEL die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. BOUCKAERT, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-27.521-2/15 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De NV PURATOS en de NV BELDEM, beide dochteronderne- mingen van de NV PURATOS GROUP, de tussenkomende partij, exploiteren aan de Industrialaan 25-28 te Dilbeek een inrichting voor de productie van grondstoffen voor de bakkerij- en patisseriesector en de catering, alsook van emulgatoren voor de voedingsindustrie. De huidige basisvergunning voor de inrichting werd verleend bij besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant van 24 september 1981. Zij loopt tot 24 september 2011. Nadien zijn nog verschillende vergunnin-gen tot uitbreiding van de bestaande inrichting verleend. 1.2. Op 5 februari 2001 dient de tussenkomende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een aanvraag in voor de verandering van de bestaande inrichting. In een inleidende beschouwing bij de vergunningsaanvraag wordt uiteengezet dat het doel van de aanvraag erin bestaat "de vergunning in overeen- stemming met de VLAREM te brengen", ze "aan te passen aan de reële situatie met inbegrip van de in de komende 3 jaren te realiseren investeringen" en "duidelijkheid te brengen tussen de activiteiten van PURATOS en van BELDEM". Voorts wordt bij de rubriek met betrekking tot de beoogde startdatum van de exploitatie het volgende vermeld : "Onmiddellijk : regularisatie Enkele investeringen voor de verdere uitbreidingen van de huidige activiteit zullen binnen de drie jaar na het verlenen van de vergunning (gebeuren). Deze uitbreidingen zijn specifiek aangeduid in de bijlagen 5 en 6 en hebben betrekking op het vervangen van transformatoren, het plaatsen van een nieuw(

  1. e)productielijn en tanks voor de opslag in bulk van goederen". 1.3. Tijdens het openbaar onderzoek dat naar aanleiding van de vergunningsaanvraag plaatsvindt, worden 599 bezwaarschriften, waarvan 597 identieke, ingediend. 1.4. Op 5 juli 2001 neemt de bestendige deputatie van de provincie- raad van Vlaams-Brabant een beslissing waarbij de behandelingstermijn van de aanvraag met twee maanden wordt verlengd. De verlenging van de behandelingster- mijn is ingegeven door de noodzaak om een bijkomend onderzoek uit te voeren naar VII-27.521-3/15 "de verenigbaarheid van de aanvraag met de bepalingen van het BPA Roekhout (20.02.1994)". 1.5. Met een besluit van 6 september 2001 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde vergunning voor een termijn die samenvalt met de geldigheidsduur van de basisvergunning. De vergunning wordt afhankelijk gesteld van de naleving van een aantal bijzondere voorwaarden die betrekking hebben op de datum van ingebruikname van de biologische waterzuiveringsinstallatie, de lozing van het bedrijfsafvalwater dewelke vanaf 1 juni 2002 dient te gebeuren in de Maalbeek (na zuivering in de waterzuive- ringsinstallatie), de toepasselijke lozingsnormen voor het bedrijfsafvalwater, het uitvoeren van een studie met betrekking tot de volledige afkoppeling van het hemelwater van de riolering en het in gesloten circuit brengen van het koelwater en het afleiden van het bluswater naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie. 1.6. Tegen voormeld besluit van 6 september 2001 wordt een vijftal beroepen ingesteld bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw : (
  2. a)met een schrijven, door de afdeling Milieuvergunningen ontvangen op 12 november 2001, stelt Jean FANIEL-GOUDER DE BEAUREGARD, eigenaar van een appartement in het "Breughel Park" te Zellik, beroep in. In zijn beroepschrift beklaagt voornoemde er zich over dat het openbaar onderzoek geen volle maand heeft geduurd; (
  3. b)een gelijkaardig beroepschrift wordt ingediend door Elsa DE CUYPER, wonende te Dilbeek, Roekhout, 39; (
  4. c)in naam en voor rekening van de mede-eigenaars van Paviljoen 16, 17 en 18 van het "Breughel Park" en voor de NV VERIMASS, syndicus, wordt beroep ingesteld door Hugo STROOBANTS. In het beroepschrift wordt gesteld dat noch het gewestplan, noch het Bijzonder Plan van Aanleg (hierna : BPA) voorzien in "vervuilende of milieubelastende industrieën". Tevens wordt gewezen op het brandgevaar van de vergunde inrichting; (
  5. d)met een brief van 12 november 2001 wordt beroep ingesteld door Antoine HEYMANS. In dat beroepschrift wordt onder meer gesteld : "Het industriegebied waarin Puratos is gelegen is geen gebied waarin een dergelijk gevaarlijk bedrijf mag worden gevestigd. Reeds bij de totstandkoming van het industriegebied werd rekening gehouden met de bewoning die er reeds was en deze die er nog zou komen. Noch het gewestplan, noch het Bijzonder Plan van Aanleg vastgelegd door de gemeente Dilbeek, voorzien zulke gevaarlijke, vervuilende en milieubelas- tende bedrijven"; VII-27.521-4/15 (
  6. e)op 13 november 2001 stelt Antoine D’HONDT, woonachtig aan de Th. Coppensstraat 241 te Asse-Zellik, eveneens beroep in. Hij zet uiteen dat de bestendige deputatie ten onrechte en op ongemotiveerde wijze de voorschriften van het geldende BPA buiten toepassing gelaten heeft, dat de inrichting niet verenigbaar is met dat BPA en dat de inrichting ten onrechte verenigbaar is bevonden met het gewestplan en met het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. 1.7. In het kader van de beroepsprocedure worden verschillende adviezen uitgebracht : (
  7. a)op 29 november 2001 deelt de afdeling Natuur mee dat "de exploitatie van de inrichting naar alle waarschijnlijkheid geen significante gevolgen heeft op natuurwaarden waarvan de wijzigingen vergunningsplichtig (zijn) of op natuurgebieden die in uitvoering van het gewestelijk beleid als prioritair te beschermen beschouwd worden"; (
  8. b)de Gezondheidsinspectie verleent op 19 december 2001 gunstig advies over de aanvraag; (
  9. c)de Vlaamse Milieumaatschappij brengt op 24 december 2001 een gunstig advies uit over de bij de vergunningsaanvraag betrokken lozingsaspecten; (
  10. d)op 15 januari 2002 verleent de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen het volgende advies : "Volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (K.B. van 7 maart 1977) is de inrichting gelegen in een industriegebied (artikel 7.2. van het K.B. dd. 28 december 1972). Voor de plaats in kwestie bestaat het bijzonder plan van aanleg 'Roekhout', dat volgens de gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften betreffende de industriële bouwzone, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 28 mei 1996, volgende bestemming voorziet : 1. Bestemming der zone : stapelplaatsen, bureaus en lichte niet schadelijke industrie met uitsluiting van alle industrie met volgende nadelen : onaangename reuken, schadelijke of stankverspreidende uitwasemingen, overvloedige rook- of stofverspreiding, groot brand- of ontploffingsgevaar, oorverdovend en voortdurend lawaai; Woningen worden toegelaten in de vorm van een appartement of villa voor huisbewaarder of bestuurder met als maximum één woning per kavel. Wat de waterzuiveringsinstallatie betreft is artikel 6 van de gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften van toepassing, oppervlaktewater en afvalwater : Indien afvalwater, ander dan normaal huisafvalwater geloosd wordt, zal dit voor de lozing in de openbare riolering gezuiverd worden via een op het bouwplan weergegeven waterzuiveringsinstallatie (door bezinking, biologische filtering, rietvelden, enz.). VII-27.521-5/15 Gelet op de verenigbaarheid van de inrichting met de voor het terrein geldende planologische voorschriften, wordt over de aanvraag een gunstig advies uitgebracht. Het voorstellen van de voorwaarden, nodig om de hinder van de inrichting te beperken tot een voor de omgeving aanvaardbaar niveau, behoort tot de bevoegdheid van de Afdeling Milieuvergunningen"; (
  11. e)in het advies van 16 januari 2002 van de afdeling Milieuvergunningen wordt geadviseerd de ingestelde beroepen ongegrond te verklaren en de beroepen beslissing te bevestigen; (
  12. f)door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 21 januari 2002 eveneens voorgesteld om de beroepen ongegrond te verklaren en om de beroepen beslissing te bevestigen. Tijdens de zitting van voormelde commissie heeft de aanvrager van de vergunning een juridische nota neergelegd waarin onder andere uitvoerig wordt ingegaan op de verenigbaarheid van de inrichting met de bepalingen van het BPA "Roekhout". 1.8. Met een besluit van 11 april 2002 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, dat het voorwerp vormt van onderhavig beroep, worden de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 6 september 2001, ongegrond verklaard en wordt de beroepen beslissing integraal bevestigd. In het kader van onderhavig geding zijn volgende motieven van belang : "(...) Gelet op de ligging van de inrichting in een industriegebied volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977; Gelet op het feit dat voor de plaats in kwestie het bijzonder plan van aanleg 'Roekhout' bestaat, dat volgens de gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften betreffende de industriële bouwzone, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 28 mei 1996, volgende bestemming voorziet: 1. bestemming der zone: stapelplaatsen, bureaus en licht niet schadelijke industrie met uitsluiting van alle industrie met volgende nadelen: onaangename reuken, schadelijke of stankverspreidende uitwasemingen, overvloedige rook- of stofverspreiding, groot brand- of ontploffingsgevaar, oorverdovend en voortdurend lawaai; dat woningen worden toegelaten in de vorm van een appartement of villa voor huisbewaarder of bestuurder met als maximum één woning per kavel; dat wat de waterzuiveringsinstallatie betreft artikel 6 van de gewijzigde stedenbouw- kundige voorschriften ('oppervlaktewater en afvalwater') van toepassing is: indien afvalwater, ander dan normaal huisafvalwater geloosd wordt, zal dit voor de lozing in de openbare riolering gezuiverd worden via een op het bouwplan weergegeven waterzuiveringsinstallatie (door bezinking, biologische filtering, rietvelden, enz.); VII-27.521-6/15 Gelet op het feit dat de inrichting gelegen is op een afstand van circa: • 450 m van een woongebied ander dan woongebied met landelijk karakter; • 350 m van een woongebied met landelijk karakter; • 300 m van een woonuitbreidingsgebied; • 500 m van een parkgebied; Gelet op het feit dat er zich binnen een straal van 100 m rond het bedrijfster- rein circa 10 woningen en 2 appartementsgebouwen bevinden; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de aanvraag uitgaat van twee juridisch onafhankelijke ondernemingen (NV Puratos en NV Beldem, dochterondernemingen van de Puratos Group) die als één milieutechnische eenheid dienen beschouwd te worden; dat ze betrekking heeft op de verandering van een bestaand bedrijf voor de productie van grondstoffen voor de bakkerij- en patisseriesector, catering en van emulgatoren voor de voedingsindustrie; Overwegende dat de lozing van afvalwater in de openbare riolering wordt gevraagd met een maximum debiet van 30 m³/uur - 200 m³/dag - 100.000 m³/jaar; dat de lozing van koelwater wordt gevraagd met een. maximum debiet van 20 m³/uur - 80 m³/dag - 20.000 m³/jaar; dat de lozing van huishoudelijk afvalwater wordt gevraagd met een debiet van maximum 10 m³/uur - 50 m³/dag - 11.000 m³/jaar; dat er momenteel een waterzuiverings- installatie wordt gebouwd die tegen 1 juni 2002 in gebruik zou worden genomen; dat na de ingebruikname van de zuiveringsinstallatie de lozing wordt gevraagd van 11.000 m³/jaar huishoudelijk, 100.000 m³/jaar bedrijfsafvalwater en van 20.000 m³/jaar koelwater; Overwegende dat van de 8 transformatoren er twee bestaande en reeds vergunde askerel-transformatoren zijn; dat deze zullen vervangen worden door droge types, zodat er na 2003 geen enkel toestel op basis van askarel op het bedrijf aanwezig zal zijn; Overwegende dat de koelinstallaties, de airconditioneringsinstallatie en de luchtcompressoren worden uitgebreid van 332 kW naar 1350 kW; dat voor het koelen en verwarmen van producten gewerkt wordt met warmtewisselingssyste- men; Overwegende dat de opslag van gas (helium, argon, propaan, ammoniak, CO2, acetyleen en zuurstof) in flessen verhoogt van 1000 l naar 6300 l; dat de opslag van samengeperste gassen wordt verminderd van 52 250 l stikstof en 3000 l propaan tot 36 300 1 stikstof en 5000 1 CO2; Overwegende dat de oxiderende schadelijke en corrosieve en irriterende stoffen worden uitgebreid van 197.000 kg tot 300.000 kg (o.a. 184 m³ azijnzuur en azijnzuuranhydride in 4 dubbelwandige tanks van 46 m³) ; dat de opslag van zeer licht en licht ontvlambare vloeistoffen van 100 l in kannen van 25 1 wordt gevraagd (in een beschermd solventenhuis); dat de opslag van gas- en stookolie wordt verminderd tot 110.000 l in ingegraven houders; dat de afvalolie in (een) bovengrondse houder van 1500 1 en smeerolie in 5 vaten van 200 l worden opgeslagen; dat de opslag van plantaardige en dierlijke olie uitbreidt tot 906 000 1; dat de opslagtanks ingekuipt zijn en voorzien van overvulbeveili- ging; Overwegende dat in artikel 5.17.1.2 van titel II van het VLAREM afstands- regels zijn bepaald, onder meer minimum 100 m tot woongebied voor in de 1e klasse ingedeelde inrichtingen voor andere dan P-vloeistoffen; dat in dit geval de opslag volgens rubriek 17.3.3 (oxiderende, schadelijke, corrosieve en irriterende stoffen) in klasse 1 is ingedeeld (300 ton gevraagd; klasse 1 drempel is 50 ton); dat de afstandsregels van artikel 5.17.1.2. niet van toepassing zijn op bestaande bedrijven, voor zover ze minder dan 100 % uitbreiden; dat huidige VII-27.521-7/15 aanvraag inderdaad een uitbreiding van minder dan 100 % betekent voor rubriek 17.3.3; dat dit niet wegneemt dat het risico aanvaardbaar moet blijven; Overwegende dat de werkelijke afstand tussen de gebouwen van de NV Puratos en het dichtbijgelegen appartementsgebouw 150 m bedraagt; dat er zich tussen de gebouwen van Puratos en het woongebied nog een parking van het bedrijf bevindt; Overwegende dat de opslag van azijnzuur (en azijnzuuranhydride) recent werd aangepast, om een grotere veiligheid te garanderen (dubbelwandig, met de nodige beveiligingen); dat de opslag van azijnzuur en azijnzuuranhydride (silopark 4) op meer dan 200 m afstand van het woongebied is ingeplant; Overwegende dat verwezen wordt naar een brand die het bedrijf circa 20 jaar geleden heeft getroffen; dat bij de huidige aanvraag geen grote hoeveelheden ontvlambare vloeistoffen zijn aangevraagd; dat maatregelen zijn genomen voor een efficiënte brandvoorkoming en -bestrijding (sprinklers, branddetectie, compartimentering, overleg met de brandweer); dat de afstand tot het woon- gebied voldoende groot is om overslag te vermijden; dat de opgeslagen gevaarlijke stoffen (o.a. azijnzuur) niet van die aard zijn dat ze aanleiding zouden geven tot vorming van grote hoeveelheden schadelijke gassen bij brand; Overwegende dat 6 stoomgeneratoren zullen uitgerust worden met hoogrendementsbranders met economisers; dat de 10 stookinstallaties met een totaal vermogen van 21 000 kW onderworpen worden aan een jaarlijkse meetcampagne in het kader van de bepalingen van hoofdstuk 5.43 van titel II van het Vlarem; dat de emissieverslagen ter inzage liggen op het bedrijf; dat voor stookinstallaties uiteraard o.m. de bepalingen van afdeling 5.43.3 van titel II van het Vlarem gelden (voor middelgrote installaties 3-maandelijkse of continue metingen); Overwegende dat het verpakkingsafval selectief gestockeerd wordt en door een erkend ophaler verwijderd; dat de residu’s van de voedingsmiddelen, opgehaald worden door een erkend verwerker voor recyclage als grondstof voor diervoeding; Overwegende dat het bedrijf momenteel voor één installatie een studie laat uitvoeren over het risico op stofexplosies voor de eigen werknemers; dat dit risico naar buiten voor de omwonenden verwaarloosbaar klein is; Overwegende dat het argument inzake de termijn van het openbaar onderzoek op basis van de elementen in het dossier als niet gegrond wordt geëvalueerd, gezien de aanplakking is gebeurd op 30 april 2001 en het openbaar onderzoek liep tot 29 mei 2001; dat trouwens talrijke omwonenden een bezwaar indienden, en enkelen ook beroep instelden; dat de inspraak dus voldoende gegarandeerd is geweest; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden, tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen". 2. De grond van de zaak 2.1. In het eerste middel voert verzoekster de schending aan van de artikelen 29, 2/ en 3/, en 52, 3/, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van VII-27.521-8/15 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Zij stelt dat de verwerende partij de gevraagde vergunning toekent op grond van de vaststelling dat de inrichting verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, maar dit is -in het licht van de vaststelling dat het BPA "Roekhout" een specifieke bestemming aan de betrokken zone geeft en in het licht van de grieven van de bezwaarindieners- slechts een stijlformule. Diezelfde stijlformule komt, ondanks de uitvoerige juridische nota van de aanvrager, ook voor in het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie en het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen stelt ook "bijzonder kort" dat de inrichting verenigbaar is met de voor het terrein geldende planologische voorschrif- ten. In die omstandigheden bevat de bestreden beslissing geen gemotiveerde uitspraak over de aanspraken en de bezwaren die door de beroepers naar voren werden geschoven, wat strijdig is met artikel 52, 3/, b), van Vlarem I, en steunt de beslissing op een advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie waarin, in strijd met artikel 29, 2/ en 3/, van Vlarem I, evenmin een gemotiveerde beoordeling van de stedenbouwkundige bezwaren opgenomen is. 2.2. De verwerende partij wijst erop dat het beroep gericht is tegen een beslissing van de minister waartegen de schending van artikel 29, 2/, van Vlarem I niet aangevoerd kan worden. De argumentatie van verzoekster mist ook feitelijke grondslag, want de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie heeft in haar advies gewezen op de zeer beperkte impact die het bedrijf op de omgeving zal hebben "onder meer" ingevolge de te nemen maatregelen die zij opsomt. Uit die uiteenzet- ting konden de omwonenden opmaken waarom de commissie de inrichting verenigbaar acht met de omgeving en daarmee is terdege uiteengezet waarom de inrichting beantwoordt aan de goede ruimtelijke ordening ter plaatse. Het bestreden besluit zelf maakt melding van de vijf ingediende beroepen, de verschillende bezwaren worden er samengevat en er wordt opnieuw verwezen naar de verschillen- de maatregelen die opgelegd worden. Daarmee geeft de minister duidelijk aan dat er voldoende garanties bestaan om de geurhinder, schadelijke uitwasemingen en ontploffingsgevaar te vermijden en kon zij met recht stellen dat de inrichting ingepast kon worden in de geldende stedenbouwkundige voorschriften. Zij heeft daarmee de essentiële bezwaren terdege beantwoord. 2.3. Verzoekster repliceert dat de minister de verplichting heeft een antwoord te geven op de aanspraken en bezwaren die door de indieners van het beroep aangevoerd zijn. Er was bij haar aangebracht dat de vergunningsaanvraag niet verenigbaar is met de bepalingen van het BPA "Roekhout" en de minister had VII-27.521-9/15 dus moeten uiteenzetten waarom de aanvraag niet strijdig was met dat BPA, inzonderheid gelet op de omstandigheid dat de inrichting geurhinder teweegbrengt, dat er schadelijke uitwasemingen van chemische producten zijn en dat er een groot brand- en ontploffingsgevaar bestaat wegens de actuele en toekomstige opslag van enorme hoeveelheden ontvlambare stoffen. De minister beperkt zich in het bestreden besluit evenwel tot het aanduiden van de inhoud van het BPA, zij verwijst naar de afstand tussen de inrichting en de omliggende bestemmingsgebieden en poneert dan in een stijlformule dat de inrichting voldoet aan de geldende stedenbouwkundige voorschriften. De hinder waarover verzoekster zich beklaagt -en die zij zeer aannemelijk maakt- wordt niet concreet weerlegd. De voorafgaande adviezen bevatten dat antwoord ook niet: de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie heeft zich beperkt tot de toetsing van de aanvraag aan het gewestplan en de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen verwijst wel naar het BPA maar zet niet uiteen waarom de inrichting toch ingepast kan worden in de beperkende planologische voorschriften. Overigens moet zij vaststellen, enerzijds, dat de minister de overeenstemming van de inrichting met het BPA zelfs niet kon onderzoeken -zij kon zelfs niet nagaan welk segment van het meermaals gewijzigde BPA te dezen van toepassing was-, aangezien zij niet beschikte over het aanvraagdossier en de stedenbouwkundige plannen die daarbij hoorden en, anderzijds, dat de verschillende bouw- en milieuvergunningen waarnaar de verwerende partij verwijst in het licht van het geldende BPA manifest onwettig zijn. 2.4. Volgens de tussenkomende partij is de bestreden beslissing wel terdege en draagkrachtig gemotiveerd. De minister heeft tal van factoren in aanmerking genomen om zich een oordeel te vormen over de verenigbaarheid van de inrichting met de goede plaatselijke ordening. Aldus heeft zij rekening gehouden met de afstand van de woningen in de omgeving en verwezen naar de afscheiding tussen de inrichting en het woongebied; zij wijst op de verplichting om het afvalwater te zuiveren vooraleer het te lozen in de openbare riolering, zodat er geen geurhinder kan ontstaan. Zij heeft de verschillende factoren die aanleiding kunnen geven tot hinder onderzocht en besloten dat deze hinder mits naleving van de voorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt. Op grond van al die argumenten komt zij tot het besluit dat de inrichting verenigbaar is met het BPA en dat zij past in de goede plaatselijke ordening, waaruit zij concludeert dat de inrichting overeenstemt met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige inzichten. Er is dan ook geen sprake van een stijlclausule. De minister heeft de hinder onderzocht en zij heeft besloten dat hij niet van aard is om de vergunning niet te verlenen. VII-27.521-10/15 Wat betreft het beantwoorden van de aangevoerde bezwaren, merkt de tussenkomende partij eerst op dat het middel niet ontvankelijk is, aangezien verzoekster zelf geen beroep ingediend heeft tegen het besluit van de bestendige deputatie en zij de verwerende partij niet kan verwijten niet te antwoor- den op bezwaren van derden. In ieder geval heeft de minister wel degelijk geantwoord op de bezwaren die haar waren voorgelegd: zij acht het BPA toepasse- lijk; door na te gaan welke hinder de inrichting zou kunnen veroorzaken en op grond daarvan te besluiten dat de hinder tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht wanneer de opgelegde voorwaarden worden nageleefd, heeft de minister aangegeven dat de inrichting verenigbaar is met het BPA en met het gewestplan; dat de inrichting past in de goede plaatselijke ordening onderbouwt de minister met de verwijzing naar de afstand tot de naastliggende woningen en naar de verplichte waterzuivering. Het bestreden besluit verwijst naar het BPA en de uiteenzetting die op de desbetreffende overweging volgt toont aan dat de inrichting geen bovenmatige hinder veroorzaakt en derhalve thuishoort in dat BPA. Aldus houdt het bestreden besluit rekening met het BPA en bevat het een gemotiveerde uiteenzetting over de verenigbaarheid met het bestemmingsgebied. De tussenkomende partij zet ten slotte ook nog uitvoerig uiteen -zij herneemt daarbij de juridische nota die zij aan de Gewestelijke Milieuvergun- ningscommissie voorgelegd heeft- waarom de inrichting volgens haar geen overmatige of overdreven hinder veroorzaakt en zij dus wel degelijk een plaats heeft binnen het BPA "Roekhout". 2.5. Krachtens artikel 29, 2/ en 4/, van Vlarem I moet de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie in haar advies enerzijds een gemotiveerde beoordeling geven van de verenigbaarheid van de inrichting met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening en anderzijds een gemotiveerde beoordeling van de aanspraken en de bezwaren geformuleerd door de indieners van het beroep. Krachtens artikel 52, 3/, b), van Vlarem I moet het besluit waarbij de minister uitspraak doet over het beroep tegen een beslissing van de bestendige deputatie, een gemotiveerde beslissing omvatten over de aanspraken en bezwaren die door de indieners van het beroep gesteld werden. Laatstgenoemde aan de minister opgelegde motiveringsverplichting vormt de concretisering van de voorschriften van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandeling- en, die het bestuur verplicht om in zijn besluiten zelf de redenen te vermelden die het tot een bepaalde beslissing gebracht hebben. Een besluit waarbij een administra- VII-27.521-11/15 tief beroep verworpen wordt, moet de beroeper in staat stellen te begrijpen waarom zijn argumentatie niet bijgevallen wordt. 2.6. In het kader van het onderzoek dat de Raad van State verricht naar de correcte motivering van een beslissing genomen krachtens artikel 52 van Vlarem I, is het van geen belang dat de verzoeker niet zelf bezwaar ingediend heeft tegen het besluit van de bestendige deputatie. De minister komt immers zijn reglementaire verplichtingen slechts na wanneer zijn beslissing een antwoord bevat op alle bezwaren en argumenten die ter kennis van het bestuur waren. Zodoende kan verzoekster in de procedure voor de Raad van State nuttig aanvoeren dat de verwerende partij niet afdoende geantwoord heeft op een argument dat eerder door een derde bij het dossier was gevoegd. Het middel is wel degelijk ontvankelijk. 2.7. Het staat buiten betwisting dat de minister, wat de ruimtelijke inplanting van het bedrijf van de tussenkomende partij betreft, rekening moest houden met de bepalingen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse -waarop de plaats ingekleurd is als industriegebied- en met de bepalingen van het op 20 juni 1995 door de gemeenteraad van Dilbeek aangenomen en op 28 mei 1996 goedgekeurde BPA "Roekhout", dat voor de betrokken zone volgende bestemming vaststelt: "stapelplaatsen, bureaus en lichte niet schadelijke industrie met uitsluiting van alle industrie met volgende nadelen: onaangename reuken, schadelijke of stankverspreidende uitwasemingen, overvloedige rook- of stofverspreiding, groot brand- of ontploffingsgevaar, oorverdovend en voortdurend lawaai". 2.8. Te dezen hebben de bezwaarindieners gewezen op de onverenig- baarheid van de vergunning met de stedenbouwkundige voorschriften en met name met de bepalingen van het BPA. De verplichte stedenbouwkundige toetsing van de milieuvergun- ningsaanvraag houdt in dat de verwerende partij moest nagaan of het bedrijf, dat reeds ter plaatse gevestigd is en over een milieuvergunning beschikt, met de aangevraagde veranderingen nog ingepast kan worden in de bestemming als bepaald in het BPA. De vergunning kan slechts verleend worden in zoverre de concrete gegevens van het dossier aantonen dat de aangevraagde activiteit geen hinder zal veroorzaken die de grenzen, gesteld door het BPA, overtreft. Uit het bestreden besluit en uit het door het bestuur gevoerde onderzoek moet blijken dat de verwerende partij de overeenstemming met het BPA van de gewijzigde inrichting terdege onderzocht heeft en dat de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten VII-27.521-12/15 dat de aangevraagde inrichting toelaatbaar is omdat de uitbating de limieten, bepaald in het BPA, niet te buiten gaat. 2.9. Het bestreden besluit verwijst, wat de eigenlijke stedenbouwkun- dige toetsing betreft, naar het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse en naar de bestemmingsvoorschriften van het BPA "Roekhout". Het verwijst voor het overige -zoals de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie in haar advies gesteld had- enkel naar de ligging van de inrichting ten opzichte van de nabijgelegen bestem- mingsgebieden van het gewestplan en naar de densiteit van de bewoning in een straal van 100 meter rond het bedrijfsterrein. Er worden op dat niveau derhalve geen redenen vermeld die de conformiteit van de aanvraag met het BPA kunnen aantonen. 2.10. Het bestreden besluit bevat voorts ook wel een aantal overwegin- gen met betrekking tot de milieuhygiënische beoordeling van de aanvraag. Er kan aangenomen worden dat deze elementen in dit geval bij de beoordeling van de stedenbouwkundige conformiteit worden betrokken, aangezien het BPA de vestiging van bedrijven in de betrokken zone precies koppelt aan de hinder die zij veroorza- ken. 2.11. Bij nader toezien blijken deze overwegingen evenwel geen beoordeling te bevatten van de concrete hinder die de inrichting, zoals zij na de vergunning zal functioneren, voor de omgeving zal teweegbrengen, inzonderheid in het licht van de beperkte mogelijkheden die het BPA ter plaatse toelaat. Uit het aan de Raad van State voorgelegde dossier blijkt zelfs niet dat het bestuur onderzocht heeft in welke mate de aangevraagde wijzigingen aan de milieuvergunning de hinder, veroorzaakt door de actuele uitbating, beïnvloeden en in welke mate deze wijzigin-gen zouden kunnen leiden tot de overschrijding van de maximale hinder, die de omwonenden volgens de bepalingen van het BPA moeten aanvaarden. De minister heeft zich beperkt tot het weergeven van de aanpassingen die het bedrijf wenst door te voeren. Zij voegt daar hooguit een commentaar aan toe die betrekking heeft op de grotere veiligheid van de exploitatie -beveiliging van de opslagtanks van plantaardige en dierlijke olie, veranderde opslag van azijnzuur, brandbeveiliging- of de gunstige effecten van bepaalde maatregelen op het milieu in het algemeen - de nieuwe waterzuiveringsinstallatie, het plaatsen van hoogrendementsbranders-. Bij gebrek aan verduidelijking aangaande de impact van de aangevraagde wijzigingen op de beoordeling van de hinder, blijft het voor de VII-27.521-13/15 bezwaarindieners gissen naar de redenen waarom de verwerende partij de inrichting ook na de aangebrachte wijzigingen toch nog verenigbaar vindt met het BPA. 2.12. De verwerende partij heeft, in weerwil van de bij haar ingediende bezwaren, de vergunningsaanvraag niet onderzocht in functie van de beperkingen die het BPA "Roekhout" oplegt. Het eerste middel is gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 11 april 2002 waarbij de beroepen ingesteld door omwonenden tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 6 september 2001, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de NV PURATOS GROUP voor het veranderen van een inrichting voor de productie van grondstoffen voor de voedingsnijverheid, gelegen aan de Industrialaan 25 te Dilbeek, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-27.521-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig januari tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-27.521-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.872 Gerelateerde publicatie(
  13. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.118.721 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.