id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.876 Rolnummer: A. 132592/VII-28946 Zaak: Arrest 189876 - Milieuvergunningen - 29/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-09 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 15:42 Fiche Arrest nr 189.876 van 29 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.876 van 29 januari 2009 in de zaak A. 132.592/VII-28.946. In zake : de NV ALUMETAL, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-84. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV ALUMETAL op 3 februari 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 6 december 2002 waarbij haar aanvraag tot het verkrijgen van de toelating om voor haar inrichting, gelegen aan de H. Henneaulaan 12 te Zaventem, af te wijken van artikel 5.29.0.9, 3/,
- b)en 5.29.0.9, 3/, c), v), van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), geweigerd wordt; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 22 maart 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; VII-28.946-1/15 Gelet op de beschikking van 6 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. VALKENIERS die, loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. VANDENDAEL die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De verzoekende partij baat een inrichting uit waar aluminiumprofielen geanodiseerd worden. Voor deze inrichting wordt een exploitatievergunning afgegeven op 1 juli 1966. Een nieuwe exploitatievergunning wordt afgegeven bij ministerieel besluit van 6 mei 1996 voor een periode eindigend op 9 november 2015. Bij ministerieel besluit van 17 december 1997 wordt aan de verzoekende partij een wijziging van de bestaande vergunning verleend. 1.2. Op 24 december 1999 vraagt de verzoekende partij met betrekking tot voornoemde inrichting een "afwijking van de sectorale voorwaarden met betrekking tot de opbouw van de behandelingsbaden". Het gaat meer bepaald om een aanvraag om met toepassing van artikel 1.2.2.1 van Vlarem II een individuele afwijking te verkrijgen van artikel 5.29.0.9, 3/,
- b)en c), v), van Vlarem II. Die bepalingen bevatten voorschriften die inrichtingen opgenomen in rubriek 29.5.5, 29.5.6 en 29.5.7 van Vlarem II in acht moeten nemen. Artikel 5.29.0.9, 3/, b), van Vlarem II bepaalt dat de kuipen derwijze moeten worden opgesteld dat een gemakkelijk toezicht en onderhoud ervan mogelijk is. Artikel 5.29.0.9, 3/, c), v), van Vlarem II bepaalt dat maatregelen getroffen zijn om de verspreiding van accidenteel uit de kuipen ontsnappende vloeistoffen te beperken en dat te dien einde VII-28.946-2/15 de kuipen geplaatst zijn binnen een voor de opgeslagen vloeistoffen dichte inkuiping die zodanig verwezenlijkt is dat ze gemakkelijk en veilig gereinigd kan worden. In de rubriek "technische redenen die de afwijking motiveren" zet de verzoekende partij uiteen dat bij verplichte reorganisaties in het verleden een aantal baden die op één lijn opgesteld staan, buiten werking gesteld zijn, dat de baden van een binnenbekleding voorzien zijn en dat, in geval alle baden in een inkuiping geplaatst moeten worden, de baden zouden verkleinen en de onderneming voor de duur van de werken stilgelegd zou moeten worden, hetgeen economisch niet haalbaar is. Zij betoogt dan : "Vandaar dat geopteerd werd om de bestaande structuur te behouden en zo veel mogelijk aan te passen aan de hedendaagse vereisten. Dit wil zeggen dat in de vernieuwde betonnen kuip de nodige beschermingslagen werden aangebracht en dat dit geheel als behandelingsbaden fungeert bij de n.v. Alumetal. Dit heeft echter tot gevolg dat de behandelingsbaden op zich niet zo gemakkelijk te controleren en te onderhouden zijn zoals bedoeld wordt in de bepalingen van artikel 5.29.0.9 van Vlarem II. Vermits de inkuiping één geheel vormt met het behandelingsbad is een gemakkelijke en veilige reiniging alsook een inspectie van de inkuiping niet mogelijk zonder dat het behandelingsbad wordt verwijderd". Zij wijst er dan op dat haar werkwijze overeenstemt met de Beste Beschikbare Technieken (hierna : BBT). 1.3. Op 23 mei 2002 verleent de afdeling Milieuvergunningen van de administratie Milieu-, Natuur- Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur een ongunstig advies waarin onder meer het volgende wordt gesteld : "(...) Overwegende dat de aanvrager-exploitant in zijn voormelde afwijkingsaanvraag volgende maatregelen voorstelt die van aard zouden moeten zijn gelijkwaardige waarborgen te bieden voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de milieuvoorwaarden waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken : - in de betonnen kuipen werden de nodige beschermlagen aangebracht; - er zijn lekbakken aan de zijkant van de kuipen voorzien; - de vloer van de ruimte waarin de baden opgesteld staan werd behandeld met een epoxybekleding; - de baden worden nooit gevuld tot op de rand, om overlopen te vermijden; - voor de baden die in lijn zijn opgesteld is een overloopgoot voorzien die uitkomt in de venturi; - slechts twee baden zijn corrosief, meer bepaald de baden 4 en 11; de andere baden zijn hoofdzakelijk spoelbaden, waar slechts minieme hoeveelheden natriumhydroxide of zwavelzuur aanwezig zijn; VII-28.946-3/15 (...) EVALUATIE EN BEOORDELING : Overwegende dat het hier een inrichting betreft voor het anodiseren van aluminiumprofielen; Overwegende dat de algemene toestand van de inrichting erg onderkomen aandoet, reeds van buiten af door de nog steeds niet herstelde schade aan de buitenmuren, afkomstig van verzakkingen bij riolerings- of wegenwerken reeds in 1995; dat sindsdien het stutten van de gevel noodzakelijk is, in afwachting van schadevergoeding en herstelling; dat de binnenruimte buitengewoon rommelig lijkt; Overwegende dat reeds bij het binnengaan in de ruimte waar de anodisatie plaatsvindt de zure atmosfeer opvalt, die door de afzuiging blijkbaar onvoldoende kan weggezogen worden; dat ook deze ruimte rommelig en vuil is; dat er regenwater binnenlekt en plassen vormt op de vloer; dat de ruimte naast de baden zodanig beperkt is dat 2 personen elkaar moeilijk kunnen kruisen; dat hierdoor eventuele interventies in het geval van brand of ander ongeval moeilijk worden; Overwegende dat de baden zelf in cascade opgesteld zijn; dat hierin van boven af profielen worden gedompeld; dat er aan één zijkant opvangbakken zijn opgesteld waarin gemorste vloeistof opgevangen wordt; dat deze vloeistoffen volgens de exploitant terug in de baden gebracht worden; dat deze lekbaden niet gemakkelijk te reinigen zijn; dat de binnenbekleding van de betonnen bakken niet echt een degelijke indruk maakt; Overwegende dat gezien de algehele toestand van het bedrijf en de ruimte waarin de baden staan opgesteld in het bijzonder en de ligging van het bedrijf de risico's reeds behoorlijk groot zijn; dat het nodig is dit bedrijf aan te passen aan de huidige technieken en methoden; dat de voorgestelde alternatieve maatregelen niet van aard zijn gelijkaardige waarborgen te bieden als een dubbele inkuiping die gemakkelijk te reinigen en controleren is". 1.4. Op 27 mei 2002 verleent de Gewestelijke Milieu- vergunningscommissie een ongunstig advies waarin de bovenstaande overwegingen uit het advies van de afdeling Milieuvergunningen worden overgenomen. 1.5. Op 6 december 2002 weigert de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw de gevraagde afwijkingen van titel II van Vlarem. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt gesteld : "(...) Gelet op de ligging van de inrichting in gebied voor ambachtelijke bedrijven of voor kleine en middelgrote ondernemingen volgens het gewestplan van Halle-Vilvoorde-Asse, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 7 maart 1977; Gelet op het feit dat de inrichting gelegen is op een afstand van : - circa 150 m van een woonuitbreidingsgebied; - volledig omringd door (dichtbebouwd) woongebied ander dan woongebied met landelijk karakter; - circa 50 m van een parkgebied; Gelet op het feit dat zich binnen een straal van 100 m. een twintigtal woningen bevinden, en aan de overkant van de straat een rusthuis staat; dat de op het gewestplan aangegeven KMO-zone enkel deze inrichting bevat; dat er geen bufferzone voorzien (
- is)tussen de inrichting en het aangrenzende woongebied; dat één woning op 2 meter en één op ca. 4 m van de inrichting staat; VII-28.946-4/15 Overwegende dat het hier een inrichting betreft voor het anodiseren van aluminiumprofielen; Overwegende dat de algemene toestand van de inrichting erg onderkomen is, reeds van buiten af door de nog steeds niet herstelde schade aan de buitenmuren, afkomstig van verzakkingen bij riolerings- of wegenwerken reeds in 1995; dat sindsdien het stutten van de gevel noodzakelijk is, in afwachting van schadevergoeding en herstelling; dat de binnenruimte buitengewoon rommelig is; Overwegende dat reeds bij het binnengaan in de ruimte waar de anodisatie plaatsvindt de zure atmosfeer opvalt, die door de afzuiging blijkbaar onvoldoende kan weggezogen worden; dat ook deze ruimte rommelig en vuil is; dat er regenwater binnenlekt en plassen vormt op de vloer; dat de ruimte naast de baden zodanig beperkt is dat 2 personen elkaar moeilijk kunnen kruisen; dat hierdoor eventuele interventies in het geval van brand of ander ongeval moeilijk worden; Overwegende dat de baden zelf in cascade opgesteld zijn; dat hierin van boven af profielen worden gedompeld; dat er aan één zijkant opvangbakken zijn opgesteld waarin gemorste vloeistof opgevangen wordt; dat deze vloeistoffen volgens de exploitant terug in de baden gebracht worden; dat deze lekbaden niet gemakkelijk te reinigen zijn; dat de binnenbekleding van de betonnen bakken geen degelijke indruk maakt; Overwegende dat gezien de algehele toestand van het bedrijf en de ruimte waarin de baden staan opgesteld in het bijzonder en de ligging van het bedrijf de risico's reeds behoorlijk groot zijn; dat het nodig is dit bedrijf aan te passen aan de huidige technieken en methoden; dat de voorgestelde alternatieve maatregelen niet van aard zijn gelijkaardige waarborgen te bieden als een dubbele inkuiping die gemakkelijk te reinigen en te controleren is; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de gevraagde toelating tot afwijking te weigeren". 2. De grond van de zaak 2.1. In een enig middel voert de verzoekende partij de schending aan van Vlarem II, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het redelijkheids- en het motiveringsbeginsel en verwijst zij naar de toepassing van artikel 159 van de Grondwet. In een eerste onderdeel richt zij zich tegen het motief waarin verwezen wordt naar de behoorlijk grote risico's verbonden met de algehele toestand en de ligging van het bedrijf en met de ruimte waarin de baden opgesteld staan en tegen het motief waarin de toestand van de anodisatieruimte beschreven wordt. Volgens haar kan de verwerende partij krachtens artikel 1.2.2.1 van Vlarem II individuele afwijkingen verlenen op de sectorale milieuvoorwaarden, maar moet dergelijke beslissing wel steunen op juiste feitelijke gegevens. In dit geval is tussen de vaststellingen, gedaan tijdens het plaatsbezoek van 29 maart 2000 en de adviezen van 23 en 27 mei 2002, meer dan twee jaar verstreken en zijn in die periode verschillende aanpassingen gebeurd. Zo is midden 2001 een vorm van inkuiping VII-28.946-5/15 voorzien door het aanbrengen van een betonnen wand rond de bestaande baden. Zo is ook het probleem van de waterinsijpeling in de werkruimte opgelost en is de afzuigcapaciteit en het aanzicht van de ruimte in die tussentijd volledig veranderd. Er is nu een breedte van 2,85 meter naast de baden, de inrichting werkt met water en er heeft zich nog nooit een ongeval voorgedaan, maar met al die gegevens heeft de verwerende partij geen rekening gehouden. De verwerende partij heeft gewoonweg de adviezen gevolgd, zonder zelf na te gaan of de feitelijke gegevens die haar waren voorgelegd correct waren. In een tweede onderdeel richt de verzoekende partij zich tegen het motief dat de algemene toestand van de inrichting erg onderkomen is, maar dat zulks niet meer is dan een indruk waaruit geen concrete gevolgen worden gehaald. De verwerende partij toont in het bestreden besluit niet aan op welke wijze deze indruk in rechte een invloed heeft kunnen hebben op de beslissing over de aanvraag tot afwijking. Overigens mag de kaduke staat van de gevels niet aan haar aangerekend worden, want de gemeente is verantwoordelijk voor de schade die het gevolg is van werken aan de straat. In een derde onderdeel stelt de verzoekende partij dat het bestreden besluit verwijst naar de niet-gemakkelijk te reinigen lekbaden, maar dat haar aanvraag dan toch geweigerd wordt omdat er geen gelijkwaardig alternatief geboden wordt, terwijl de aanleg van lekbaden overeenstemt met het voorstel van de afdeling Milieuvergunningen. Met andere woorden, de beslissing zelf vermeldt een gelijkwaardig alternatief voor de vereiste "dubbele inkuiping" en zodoende is de motivering contradictorisch door eerst toe te geven dat de opvangbakken de lekkende vloeistof opvangen en dan te beweren dat zulks niet dezelfde waarborgen biedt als de dubbele inkuiping. In het vierde onderdeel van het middel stelt de verzoekende partij dat het bestreden besluit overweegt dat "de binnenbekleding van de betonnen bakken geen degelijke indruk maakt", maar dat dit een pure hypothese is, want er is nooit nagegaan of de stalen binnenbekleding van de baden niet voldoet. In het vijfde onderdeel ten slotte wordt aangevoerd dat de verwerende partij de aanvraag tot afwijking enkel getoetst heeft aan artikel 1.2.2.2, §1, 1/ tot 3/, van Vlarem II, terwijl zij verplicht was alle sectorale voorschriften in haar beoordeling te betrekken. De aanvraag had onder meer betrekking op het bepaalde in artikel 5.29.0.9, 3/, c), maar onder littera
- d)van hetzelfde artikel van VII-28.946-6/15 Vlarem II is bepaald dat de inkuiping vervangen mag worden door een andere inrichting die een "gelijkwaardige veiligheid" waarborgt. Met andere woorden, de verwerende partij moest eerst nagaan of de voorgestelde oplossing beantwoordde aan de eis gesteld in littera d). De controle van die "gelijkwaardige veiligheid" - die enkel de vraag oproept naar een valabel alternatief - maakte een onderzoek op grond van de veel strengere regeling vervat in artikel 1.2.2.2 van Vlarem II -waarin sprake is van "technische redenen", van "maatregelen die (...) gelijkwaardige waarborgen (...) bieden voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu" en van het voldoen aan de "beste beschikbare technieken"- overbodig. De veiligheidswaarborg opgelegd door artikel 5.29.0.9, 3/, d), van Vlarem II strekt ertoe accidenteel vloeistofverlies op te vangen, maar in het bestreden besluit staat nergens te lezen waarom de alternatieve oplossing die de verzoekende partij hanteert niet voldoet aan die gelijkwaardigheidsregel. 2.2. De verwerende partij beantwoordt de verschillende onderdelen van het middel als volgt : - De adviesverlenende organen - waarbij de verwerende partij zich uiteindelijk aangesloten heeft - hebben de zaak beoordeeld op grond van de gegevens die blijken uit het dossier en uit het plaatsbezoek. Uit de aanvraag van de verzoekende partij bleek dat er toen reeds aanpassingen aan de baden uitgevoerd waren -het aanbrengen van beschermingslagen in de vernieuwde betonnen kuipen, waardoor de betonnen structuur te beschouwen is als de inkuiping voor het nieuwe binnenbad-. Zo de verzoekende partij in 2001 een nieuwe inkuiping aangebracht zou hebben die essentieel verschilde van deze welke op het ogenblik van de aanvraag bestond, dan had zij het bestuur daarvan moeten verwittigen. Door dat niet te doen heeft de verwerende partij enkel rekening gehouden met de gegevens van de aanvraag en het plaatsbezoek. - De verwijzing naar de onderkomen toestand van de inrichting in het algemeen is geen indruk maar een vaststelling die gemaakt is tijdens het plaatsbezoek van 29 maart 2000. Bovendien vormt het geen zelfstandig weigeringsmotief, maar illustreert het dat met de milieuhygiënische bedrijfszorg niet nauw omgesprongen wordt. Het dragende motief van het besluit ligt in de vaststellingen in verband met de ruimte waarin de baden opgesteld staan en met de ligging van het bedrijf, die behoorlijk grote risico's met zich brengen, terwijl het voorgestelde alternatief geen gelijkwaardige waarborgen biedt. - De opstelling van lekbakken betekent nog niet dat deze bakken gemakkelijk en veilig gereinigd kunnen worden, hetgeen de verzoekende partij niet betwist. De VII-28.946-7/15 verzoekende partij bewijst overigens niet dat het alternatief conform is aan een voorstel van een ambtenaar. - De verwijzing naar de situatie van de binnenbekleding van de bakken is niet hypothetisch, maar steunt op een vaststelling en ligt in de lijn van de overige overwegingen. - Het bestuur heeft nagegaan of de door de verzoekende partij uitgevoerde inkuipingswerken (bekleden met inox- en zinkplaten van de binnenwand van de betonnen bakken; aanbrengen van lekbakken) een gelijkwaardige veiligheid boden als het procédé van de inkuiping. Er is bij het plaatsbezoek geoordeeld dat er slechts aan één kant opvangbakken aangebracht zijn, dat de bakken moeilijk te reinigen zijn en dat de binnenbekleding weinig of niet vakkundig aangebracht is. Heeft de verzoekende partij nadien bijkomende werken uitgevoerd, dan had zij een nieuwe afwijkingsaanvraag moeten indienen of minstens de diensten daarvan moeten inlichten teneinde het bestuur toe te laten de gelijkwaardigheid van het aangeboden alternatief te beoordelen. 2.3. In haar repliek stelt de verzoekende partij : - Gelet op het tijdsverloop tussen het plaatsbezoek en de beslissing, had de ver- werende partij wel degelijk rekening moeten houden met de uitgevoerde aanpassingswerken. Eigenlijk had de verwerende partij binnen de drie maanden over haar aanvraag tot afwijking een beslissing moeten nemen. Het betreft wel een termijn van orde, maar het wijst toch op de noodzaak om snel een beslissing te nemen. De verwerende partij moet zich niet permanent informeren, maar zij moet wel nagaan of haar informatie nog relevant is. Feitelijke vaststellingen van meer dan twee jaar oud kunnen niet meer als zorgvuldige feitenvinding beschouwd worden. - De verwerende partij bewijst niet dat de verwijzing naar de vervallen toestand van de inrichting en van de baden meer is dan een indruk. Uit de exploitatievergunningen die zij in het verleden gekregen heeft blijkt dat de verwijzing naar de ligging van de inrichting niet problematisch is en het is dan ook niet redelijk nu te stellen dat haar alternatief geen gelijkwaardige waarborgen biedt als de inkuiping van de baden, zeker nu de verwerende partij nog bijkomende voorwaarden had kunnen opleggen. - Er wordt zonder enige vorm van bewijs gesteld dat de lekbakken niet gemakkelijk gereinigd kunnen worden. Er wordt niet uiteengezet wat onder "gemakkelijk te reinigen" wordt verstaan en de praktijk toont aan dat deze reiniging zonder ongelukken kan gebeuren. De lekbakken zijn overigens conform de geldende regeling en de instructies van het bestuur, dat in de brief van 23 maart 1999 VII-28.946-8/15 gevraagd heeft naar maatregelen om te beletten dat gemorste vloeistoffen via lekken in de vloer de riolering kunnen bereiken. - De verwijzing naar de binnenbekleding van de baden steunt eveneens op een indruk die niet hardgemaakt wordt. - De afwijking was gevraagd op de sectorale voorwaarden vermeld in artikel 5.29.0.9, 3/, van Vlarem II. Het betrof dus een specifieke vraag en de verwerende partij moest de vraag dus onderzoeken in het licht van die bepaling en niet in het licht van het algemene artikel 1.2.2 van Vlarem II. De verwerende partij heeft evenwel nooit onderzocht of het voorstel van de verzoekende partij overeenstemde met artikel 5.29.0.9, 3/, d), van Vlarem II. 2.4. In haar laatste memorie beklemtoont de verzoekende partij nog dat de motivering van het bestreden besluit in haar geheel moet worden beoordeeld, dat de klemtoon aldus ligt bij de "algehele toestand van het bedrijf en de ruimte waarin de baden opgesteld staan" en bij de planologische ligging van het bedrijf. Maar die gegevens, die overigens van lang geleden dagtekenen en die eigenlijk betrekking hebben op de vraag of er een milieuvergunning gegeven kan worden, zijn niet draagkrachtig om te besluiten of een afwijking van een specifieke exploitatievoorwaarde verantwoord is. Er wordt ook niet aangeduid bij welk advies de verwerende partij zich aansluit. Er had moeten worden uitgemaakt of het voorgestelde alternatief evenwaardig was aan de sectoraal gestelde voorwaarde en dat is hier niet gebeurd. De beschrijving van de bestaande situatie van de lekbakken -overigens slechts één aspect van de motivering- levert die motivering ook niet, want het is slechts een stijlformule en in ieder geval is de moeilijke reinigingsmogelijkheid geen redelijke reden om de vraag tot afwijking te weigeren, want de reiniging is slechts een van de vele voorwaarden die opgelegd worden in artikel 5.29.0.9 van Vlarem II. 2.5. De voor deze zaak relevante bepalingen van Vlarem II luiden als volgt : - Artikel 1.2.2.1 : "§1. De Vlaamse minister kan bij gemotiveerd besluit individuele afwijkingen toestaan op de milieuvoorwaarden uit dit besluit, mits de aanvrager het bepaalde in het art. 4.1.2.1. naleeft. In zoverre de bepalingen waarop de afwijking betrekking heeft tevens zijn opgelegd in de milieuvergunning, geldt ze ook voor deze vergunningsvoorwaarden. (...)". VII-28.946-9/15 VII-28.946-10/15 - Artikel 1.2.2.2 : "§1. De in art. 1.2.2.1. bedoelde individuele afwijking moet schriftelijk worden aangevraagd door de exploitant van de inrichting. De aanvraag moet volgende elementen omvatten: 1/ de vermelding van de voorwaarden en de artikelen waarvoor de afwijking wordt aangevraagd; 2/ de technische redenen die de afwijking motiveren; 3/ een voorstel van maatregelen die van aard zijn gelijkwaardige waarborgen te bieden voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de voorwaarden waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken; 4/ een nota waarin wordt aangetoond dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan de beste beschikbare technieken. §2. De Vlaamse minister doet binnen een termijn van drie maanden na de indiening ervan, uitspraak over de afwijkingsaanvraag. Voorafgaand aan deze uitspraak wint de minister het advies in van de Afdeling Milieuvergunningen en van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Wordt de afwijking toegestaan, dan maakt het besluit melding van de na te leven voorwaarden die van aard zijn gelijkwaardige waarborgen te bieden voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de voorwaarden waarvan de afwijking wordt toegestaan". - Artikel 4.1.2.1 : "§1. De exploitant moet als normaal zorgvuldig persoon steeds de beste beschikbare technieken toepassen ter bescherming van mens en milieu, en dit zowel bij de keuze van behandelingsmethodes op het niveau van de emissies, als bij de keuze van bronbeperkende maatregelen (aangepaste produktietechnieken en -methoden, grondstoffenbeheersing en dergelijke meer). Deze verplichting geldt eveneens voor wijzigingen aan ingedeelde inrichtingen, alsook voor activiteiten die op zichzelf niet vergunnings- of meldingsplichtig zijn. §2. De naleving van de voorwaarden in dit besluit en/of de milieuvergunning wordt geacht overeen te stemmen met de verplichting uit §1". - Artikel 5.29.0.9 : "Met betrekking tot het elektrolytisch of chemisch behandelen, het bedekken en/of ontvetten van voorwerpen uit metaal, als bedoeld in de subrubrieken 29.5.5, 29.5.6 en 29.5.7 van de indelingslijst, dienen de volgende voorschriften in acht genomen: 1/ de kuipen met baden voor elektrolytisch of chemisch behandelen, het bedekken en/of ontvetten van voorwerpen uit metaal, dienen opgesteld in een uitsluitend daartoe bestemd lokaal dat van andere lokalen gescheiden is door volkomen dichte wanden en deuren, behalve voor inrichtingen welke werken met het 'in lijn'- of 'lopende band'-principe; de zijwanden van het lokaal moeten tot tenminste één meter hoogte van een waterdichte bekleding voorzien zijn die inert is aan de zich in de kuipen bevindende stoffen; 2/ de kuipen zijn ontworpen en gebouwd overeenkomstig een code van goede praktijk, rekening houdend met de eigenschappen van de produkten die ze bevatten; de gebruikte materialen hebben een voldoende mechanische en chemische weerstand; 3/ de kuipen dienen derwijze opgesteld dat:
- a)de stabiliteit van de kuipen onder alle omstandigheden is gewaarborgd; de ondersteuning van de kuipen is derwijze dat de belasting geen ongelijke VII-28.946-11/15 inzakkingen of overmatige spanningen kan veroorzaken, die een gevaar voor kantelen of breuk inhouden;
- b)een gemakkelijk toezicht en onderhoud ervan mogelijk is;
- c)maatregelen zijn getroffen om de verspreiding van accidenteel uit de kuipen ontsnappende vloeistoffen te beperken; te dien einde zijn ze geplaatst binnen een voor de opgeslagen vloeistoffen dichte inkuiping, die aan de volgende voorschriften voldoet:
- i)de wanden hebben een voldoende mechanische weerstand om de eventueel aanwezige vloeistoffen te weerhouden;
- ii)de wanden en de bodem zijn voldoende chemisch inert ten overstaan van deze vloeistoffen; iii) de nuttige inhoud is ten minste gelijk aan de inhoud van de grootste erin geplaatste kuip;
- iv)elke rechtstreekse verbinding tussen een inkuiping en een besterfput, een openbare riolering, een waterloop of om het even welke verzamelplaats van oppervlaktewateren is verboden;
- v)de inkuiping is zodanig verwezenlijkt dat ze gemakkelijk en veilig kan gereinigd worden;
- d)de in sub
- c)bedoelde inkuiping mag vervangen worden door andere vloeistofopvanginrichtingen indien deze een gelijkwaardige veiligheid waarborgen". 2.6. Met het middel wil de verzoekende partij vastgesteld zien dat, afgaande op de redenen die in het bestreden besluit vermeld zijn, de verwerende partij niet regelmatig haar vraag tot afwijking kon weigeren. Bij het onderzoek van die rechtsvraag gaat de Raad van State niet na of het bestuur concreet geantwoord heeft op alle argumenten die de verzoekende partij in haar aanvraag naar voren gebracht heeft, maar onderzoekt hij of het bestuur de aanvraag correct beoordeeld heeft en met name of de weigeringsbeslissing steunt op overwegingen die teruggaan naar correcte feitelijke gegevens die ook in rechte een deugdelijke grondslag kunnen geven aan de genomen beslissing en of de verwerende partij op grond van die gegevens en met inachtneming van de argumenten die de betrokkene onder de aandacht gebracht heeft, naar recht en redelijkheid de aanvraag heeft kunnen afwijzen. 2.7. Bij het treffen van een beslissing over een aanvraag tot afwijking van de sectorale voorwaarden moet de verwerende partij nagaan of de voorgestelde maatregel op het vlak van de bescherming van de mens en het leefmilieu, gelijkwaardige waarborgen biedt als de voorwaarde waarvan de afwijking wordt gevraagd. Die beoordeling verschilt niet van de beoordeling die het bestuur moet maken wanneer het in het kader van de toepassing van artikel 5.29.0.9, 3/, d), van Vlarem II - een bepaling die een alternatief voor een sectorale vergunnings- voorwaarde mogelijk maakt en die aldus aan de orde is bij het verlenen van een vergunning of bij de controle van de inrichting - moet beslissen of een inrichting VII-28.946-12/15 voldoet aan de sectorale voorwaarden doordat het aangebrachte alternatief gelijkwaardig is aan de inkuiping van de baden. In dit geval heeft de verwerende partij de aanvraag tot afwijking precies afgewezen omdat het voorgestelde alternatief geen gelijkwaardige waarborgen bood als de dubbele inkuiping. Aangezien deze beslissing tot gevolg heeft dat het door de verzoekende partij vooropgestelde alternatief door het bestuur niet wordt aanvaardt omdat het niet dezelfde waarborgen biedt als de inkuiping van de baden, maakt het voor de verzoekende partij geen verschil of de verwerende partij tot dat besluit gekomen is in toepassing van artikel 1.2.2.2 van Vlarem II dan wel in toepassing van artikel 5.29.0.9, 3/, d), van Vlarem II. Daargelaten de vaststelling dat zij zelf de procedure van de afwijking op gang gebracht heeft, heeft de verzoekende partij er geen belang bij vastgesteld te zien dat de verwerende partij verkeerdelijk toepassing gemaakt heeft van artikel 1.2.2.1 van Vlarem II. 2.8. De bestreden beslissing wijst het alternatief van de verzoekende partij af omdat de algemene toestand van de inrichting onderkomen is en de eigenlijke werkruimte tekenen van verval vertoont en hulpinterventies er moeilijk zijn, omdat de aangebrachte lekbakken niet gemakkelijk te reinigen zijn terwijl ook de binnenbekleding van de baden geen degelijke indruk maakt. De verwerende partij is van oordeel dat die situatie, rekening houdend ook met de ligging van het bedrijf, reeds "behoorlijk grote" risico's oplevert en dat het bedrijf een aanpassing nodig heeft aan de huidige technieken en methoden. Om die redenen wordt besloten dat het voorgestelde alternatief geen gelijkwaardige waarborgen biedt als de inkuiping. 2.9. Dergelijke motivering is duidelijk en voor de betrokkenen goed begrijpbaar. Zij steunt op de vaststellingen gemaakt door de afdeling Milieuvergunningen, die ook betrekking hebben op de algemene situatie van de inrichting. De verwerende partij heeft al deze gegevens in haar beslissing overgenomen en de afwijking geweigerd omdat het voorgestelde alternatief, mede in het licht van de algehele situatie van de inrichting, geen gelijkwaardige waarborgen biedt als de dubbele inkuiping. Dat de lekbaden niet gemakkelijk te reinigen zijn en dat de binnenbekleding van de betonnen bakken geen degelijke indruk maakt, vormen op zich onmiskenbaar een reden om te besluiten dat het alternatief niet dezelfde bescherming biedt voor de mens en het leefmilieu. Het is ook niet kennelijk onredelijk om bij de beoordeling van de gevraagde afwijking, die op zich reeds niet beantwoordt aan de gestelde vereisten, eveneens rekening te houden met de algemene situatie waarin de inrichting zich bevindt. VII-28.946-13/15 2.10. De verzoekende partij bekritiseeert de feitelijke vaststellingen waarop het bestreden besluit steunt, te dezen de bevindingen van de afdeling Milieuvergunningen. In wezen stelt zij dat zij in de loop van de procedure bepaalde verbeteringswerken uitgevoerd heeft waarmee de verwerende partij vervolgens geen rekening gehouden heeft, dat het besluit steunt op indrukken - het vervallen onderkomen enerzijds, het uitzicht van de binnenbekleding van de bakken anderzijds - die niet met concrete bewijzen gestaafd worden en dat de aanpassingswerken die zij verricht heeft, en die nu bekritiseerd worden, uitgevoerd werden in overleg met of op voorstel van een ambtenaar van de verwerende partij. 2.11. Terecht antwoordt de verwerende partij dat zij nooit in kennis gesteld is van de verbeteringswerken waarvan de verzoekende partij gewag maakt en dat zij daar dan ook geen rekening mee kon houden. Gewis is er geruime tijd verstreken tussen de aanvraag en de bestreden beslissing, maar de verzoekende partij kan zich daarachter niet verschuilen om haar eigen nalatigheid inzake de mededeling van de wijzigingen te verdoezelen en bij gebrek aan dergelijke mededeling moest de verwerende partij zelf geen initiatief nemen om de zaak opnieuw te onderzoeken. 2.12. De feitelijke gegevens waarop het advies van de afdeling Milieuvergunningen gebaseerd is, betreffen vaststellingen van de ambtenaren van deze dienst, gemaakt tijdens een plaatsbezoek dat de verzoekende partij niet betwist. De verzoekende partij levert te dien aanzien geen enkel tegenbewijs en legt ook geen gegevens voor die de juistheid van de bevindingen van de ambtenaren aan het wankelen brengen. Er is geen reden om de vaststellingen gemaakt door de terzake bevoegde ambtenaren te negeren, ook niet waar zij verwijzen naar hun persoonlijke beoordeling van bepaalde feiten. 2.13. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat het bestuur zijn goedkeuring betuigd had met bepaalde aanpassingswerken. Overigens kan een bepaald advies dat de verzoekende partij van een ambtenaar gekregen zou hebben met betrekking tot het uitvoeren van bepaalde aanpassingswerken, niet resulteren in de verplichting voor de verwerende partij om de afwijking toe te staan. 2.14. Het aangevoerde middel is in geen van zijn onderdelen gegrond, VII-28.946-14/15 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig januari tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-28.946-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.876 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div