← België

Arrest 189880 - Milieuvergunningen - 29/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.880 Rolnummer: A. 130691/VII-28598 Zaak: Arrest 189880 - Milieuvergunningen - 29/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-09 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 15:43 Fiche Arrest nr 189.880 van 29 januari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.880 van 29 januari 2009 in de zaak A. 130.691/VII-28.

  1. In zake : Carl VAN MELLE, die woonplaats kiest bij advocaat R. MITTENAERE, kantoor houdende te KORTRIJK, Residentie Isis, Peter Benoitstraat 7, bus 8 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE, J. COLPAERT en F. VINCKE, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E V O O R Z I T T E R V A N D E VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Carl VAN MELLE op 18 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 16 oktober 2002 waarbij het beroep ingesteld door de Vlaamse Landmaatschappij tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 11 april 2002, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan verzoeker om een landbouwbedrijf, gelegen aan de Reigerbeekstraat 2 te Aalter, te veranderen door wijziging, uitbreiding en toevoeging, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing deels wordt gewijzigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 12 december 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-28.598-1/14 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 maart 2008 waarbij wordt bepaald dat de zaak met toepassing van artikel 90, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, door één lid van de kamer wordt behandeld; Gelet op de beschikking van 3 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 december 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. MITTENAERE, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat F. VINCKE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Verzoeker is exploitant van een landbouwinrichting, onder meer aan de Reigerbeekstraat 2 te Aalter. 1.
  5. Op 21 februari 1991 wordt hem akte verleend voor een landbouw- bedrijf, gelegen aan de Reigerbeekstraat 2 te Aalter, met 58 grote zoogdieren, 800 gespeende varkens en de opslag van 440 m3 dierlijke mest, voor een termijn verstrijkend op 2 april
  6. 1.
  7. Op 6 juli 1998 wordt hem een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een vervangingsvarkensstal en een landbouwloods. VII-28.598-2/14 1.
  8. Op 10 december 2001 dient hij voor de genoemde inrichting een milieuvergunningsaanvraag in met als voorwerp "de wijziging, uitbreiding en toevoeging van een bestaand en vergund landbouwbedrijf". De milieuvergunningsaanvraag heeft betrekking op het wijzigen en de toevoeging van stallen voor 800 mestvarkens en 58 runderen, de uitbreiding met een opslag van 1.000 liter mazout in een bovengrondse houder en de wijziging, uitbreiding en toevoeging met een opslag van 350 m3 dierlijke mest. 1.
  9. Op 14 februari 2002 geeft de Vlaamse Landmaatschappij (hierna : VLM) een ongunstig advies. In dat advies wordt gesteld dat er uitgaande van de mestbankaangiftes gekend bij de Mestbank nog slechts een vergunning is voor het houden van 300 mestvarkens. 1.
  10. Op 11 april 2002 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de gevraagde milieuvergunning. In het vergunningsbesluit wordt onder meer het volgende overwogen : "Gelet op het horen door de Provinciale Milieuvergunningscommissie van de vertegenwoordiging van het bedrijf die kennis neemt van de vaststellingen van de commissie en bij dit horen inzonderheid de volgende elementen vermeldt : - In 1994 en 1995 werden geen dieren aangegeven. Toen werd samen aangifte gedaan van de vestingen te Aalter en te Sint-Baafsvijve. In 1997 controleerde de VLM het bedrijf en werden uitgesplitste aangiften gedaan. Op 4 april 1997 waren 800 varkens en 58 runderen aanwezig (vaststelling VLM) . De vergunning van Sint-Baafsvijve vermeldt de globale vergunde mestproductie voor beide entiteiten samen. De vertegenwoordigster toonde een kopie van deze vergunning; (...) Overwegende dat de aanvraag de herschikking omvat van de vergunde veestapel enerzijds, en anderzijds de uitbreiding van de mestopslagcapaciteit en de opslag van 1.000 liter mazout in een bovengrondse houder; Overwegende dat de situatie van de stallen het volgende omvat :
  11. vroegere situatie (cfr. plan gevoegd bij de vergunning van 21-02-1991) : • stal 1 : 50 runderen en 80 m3 mestopslag; • stal 2 : 500 mestvarkens en 200 m³ mestopslag; • stal 3 : 300 mestvarkens en 100 m³ mestopslag; • stal 4 : 8 kalveren; • een vaste mestopslag van 60 m³. Totaal : 800 mestvarkens, 58 runderen en 440 m³ mestopslag.
  12. bestaande nieuwe situatie : • stal 1 : is afgebroken; • stal 2 : 330 mestvarkens en 200 m3 mestopslag; • stal 3 : 150 mestvarkens en 100 m3 mestopslag; • stal 4 : is afgebroken; • stal 5 : 320 mestvarkens en 450 m3 mestopslag; • stal 6 : 58 runderen en 40 m3 mestopslag. Totaal: 800 mestvarkens, 58 runderen en 790 m3 mestopslag; VII-28.598-3/14 dat uitgaande van de vroegere situatie

(1991)en de bestaande nieuwe situatie blijkt dat de exploitant twee nieuwe stallen heeft gebouwd zonder te beschikken over de milieuvergunning voor deze omvorming (stal nr. 5 + nr. 6); dat door een herschikking van de varkens uit de bestaande stallen er 320 mestvarkens gehuisvest werden in de nieuwe stal (nr. 5); dat de nieuwe rundveestal een open frontstal is waarbij de dieren worden gekweekt in boxen op stro (cfr. een betonnen vloer) en met een beperkte mestopslag van 40 m3; Overwegende dat luidens het advies van de VLM en uitgaande van de mestbankaangiftes gekend bij de Mestbank (...) er slechts nog een vergunning (zou) zijn voor het houden van 300 mestvarkens; dat van de exploitant is vernomen dat de mestbankaangifte niet altijd correct werd(
  1. en)ingevuld, dat steeds dieren werden gehouden op de inrichting, maar dat wegens het overlijden van zijn schoonvader in 1993 wat minder runderen en varkens gedurende de jaren 94, 95 en 96 werden gehouden; dat uit de mestbankaangiftes van de aanslagjaren 2000 en 2001 blijkt dat er in het aanslagjaar 2000 36 runderen en 750 mestvarkens werden gekweekt, terwijl voor 2001 deze cijfers respectieve- lijk 13 runderen en 703 mestvarkens bedragen; dat het kleine aantal runderen verklaard wordt doordat in deze periode de nieuwe rundveestal werd gebouwd; (...) Overwegende dat door een herschikking van de vergunde dieren de vergunde mestproductie niet zal stijgen; dat bijgevolg wordt voldaan aan art. 33 ter § 1, 1/,
  2. c)van het Mestdecreet". 1.7. Op 29 april 2002 wordt aan verzoeker een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het wijzigen van de loods in een rundveestal. 1.8. Op 16 mei 2002 tekent de VLM administratief beroep aan tegen de genoemde beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 11 april 2002 tot verlening van de milieuvergunning.1 In het beroepschrift wordt onder meer het volgende overwogen : "Uitgaande van de Mestbankaangifte van deze inrichting kan gesteld worden dat minstens gedurende 3 opeenvolgende jaren geen runderen en slechts 300 varkens werden gehouden (worden) op deze inrichting. In het advies van de VLM horende bij de aanvraag dd. 14/02/1996 staat vermeld dat er gedurende 3 opeenvolgende jaren aangifte gedaan werd van maximaal 300 varkens en dat de varkensstal voor het houden van de resterende 500 varkens en de rundveestal voor het houden van 58 runderen reeds meer dan 2 jaar niet in exploitatie zijn. Deze aanvraag werd achteraf ingetrokken. Voor de stal van 500 varkens werd een bouwvergunning verleend dd. 06/07/1998 doch de bijhorende milieuvergunning werd niet aangevraagd en derhalve niet verleend. Derhalve kan deze stal niet worden meegerekend ter bepaling van de vergunde standplaatsen. Derhalve is er krachtens artikel 46 van VLAREM I slechts een vergunning meer voor het houden van in totaal 300 varkens en dat voor een vergunningster-
(1)Mijnheer kamervoorzitter, in het administratief dossier ontbreken de stukken 1, 2, 6, 8 en 9 : zijn deze misschien nog bij u? VII-28.598-4/14 mijn eindigend op 31/08/2011. Dit komt overeen met een vergunde mestpro- ductie van 1.599 kg P2O5 en 3.900 kg N, overeenkomstig 300 andere varkens. (...) Op basis van de normen vermeld in artikel 33bis van het bovengenoemde wijzigingsdecreet bedraagt de gewenste vergunde mestproductie van deze inrichting 5.612 kg P2O5 en 14.626 kg N overeenkomstig 14 runderen jonger dan 1 jaar, 14 runderen van 1 tot 2 jaar, 30 'andere runderen' en 800 'andere varkens'. Uitgaande van de in punt 1 bepaalde vergunde productie, komt de aanvraag derhalve neer op een verandering met stijging van de vergunde productie. De beslissing voldoet niet aan de bepalingen van artikel 33ter, §1, 1/, van het Mestdecreet aangezien - geen vergunningen kunnen verleend worden die een verhoging van de vergunde mestproductie tot gevolg hebben". 1.9. De volgende adviezen worden hierop gegeven : (
  1. a)op 20 juni 2002 adviseert de VLM ongunstig voor de vergunning; (
  2. b)op 20 juni 2002 adviseert de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van de AROHM gunstig voor de vergunning; (
  3. c)op 20 juni 2002 adviseert de afdeling Milieuvergunningen het beroep van de VLM in te willigen voor wat de 58 runderen betreft; in dit advies wordt onder meer het volgende gesteld : "Overwegende dat deze aanvraag de wijziging, uitbreiding en toevoeging beoogt van een bestaand en vergund landbouwbedrijf; dat het in feite gezien moet worden als een regularisatie van een bestaande toestand; dat nu een vergunning gevraagd wordt voor de bijgebouwde stallen en de opslag van stookolie; dat er een herschikking gebeurd is van dieren uit bestaande en vergunde stallen naar nieuwe stallen; dat de nieuwe mestvarkensstal voor 320 dieren
(3a)een roosterstal is, met verluchting via de open nok en mestopslag in mestkelders; dat de nieuwe rundveestal een open frontstal
(4)is waarbij de dieren gekweekt worden in boxen op stro (op een betonnen vloer) en met een beperkte mestopslag van 40 m3; dat de in de vergunning aang- evraagde toestand dus al volledig gerealiseerd is; Overwegende dat het kleine aantal runderen dat in de jaren 2000 en 2001 gehouden werd te verklaren is door het bouwen van de nieuwe stal tijdens deze jaren; dat er toch steeds dieren werden gehouden op de inrichting; dat de nieuw gebouwde stallen (stallen 3a en 4) geen vergunde standplaatsen bevatten; dat er echter ook twee stallen afgebroken zijn (stallen 3a en 3b); dat na herschik- king het totale aantal dieren gelijk blijft met de vergunning van 1991; Overwegende dat de toestand als volgt samen te vatten is : Bestaande toestand (volgens plan bij vergunning dd. 21/02/1991) : • stal 1 : 300 mestvarkens en 100 m3 mestopslag; • stal 2 : 500 mestvarkens en 200 m3 mestopslag; • stal 3a en 3b : 58 runderen en 80 m3 mestopslag; • stal 4 : rundveestal; • een vaste mestopslag van 60 m3; Totaal : 800 mestvarkens, 58 runderen en 440 m3 mestopslag. Toestand na omvorming : • stal 1 : 150 mestvarkens en 100 m3 mestopslag; • stal 2 : 330 mestvarkens en 200 m3 mestopslag; • stal 3a : 320 mestvarkens en 450 m3 mestopslag; • stal 4 : 58 runderen en 40 m3 mestopslag; VII-28.598-5/14 de oorspronkelijke stallen 3a en 3b zijn afgebroken en vervangen door 3a; Totaal : 800 mestvarkens, 58 runderen en 790 m3 mestopslag. Overwegende dat uit dit overzicht blijkt dat de vergunning voor de 58 runderen gekoppeld is aan de afgebroken stallen 3a en 3b en dat deze vergunning daardoor dus eigenlijk vervallen is; Overwegende dat luidens het advies van de VLM en uitgaande van de mestbankaangiftes gekend bij de Mestbank (...) er slechts nog een vergunning (zou) zijn voor het houden van 300 mestvarkens; dat bij het horen door de Provinciale Milieuvergunningscommissie door de vertegenwoordiging van het bedrijf toegegeven werd dat er in 1994 en 1995 geen dieren aangegeven werden aangezien deze samen gedaan werd voor de vestigingen te Aalter en te Sint- Baafsvijve; dat op 4 april 1997 door de VLM 800 varkens en 58 runderen op het bedrijf vastgesteld werden; dat de aangifte bij de Mestbank nooit gecorri- geerd werd, hoewel reeds in 1996, bij een advies over éen later ingetrokken vergunningsaanvraag door de VLM dit advies gegeven werd; dat het dus reeds in 1996 bekend was dat de vergunning voor de 58 runderen en 500 varkens vervallen was en enkel de vergunning voor 300 varkens overbleef; Overwegende dat de huidige aanvraag een poging tot regularisatie is van de nieuwe stallen; dat de bouwvergunning voor het bouwen van de stal en loods echter reeds op 6 juli 1998 bekomen werd en dat op 8 november 2001 een bouwaanvraag werd ingediend voor het wijzigen van de loods in een rundvee- stal; dat deze wijziging van de vergunning dus al veel eerder aangevraagd diende te worden; Overwegende dat het beroep dus kan bijgetreden worden en dat er dus niet wordt voldaan aan art. 33ter, §1, 1/,
  1. c)van het Meststoffendecreet"; (
  2. d)op 21 juni 2002 adviseert de Cel Monumenten en Landschappen van de AROHM gunstig voor de vergunning; (
  3. e)op 24 juni 2002 adviseert de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, na de aanvrager te hebben gehoord, het beroep van de VLM in te willigen voor wat de 58 runderen betreft; in dit advies wordt onder meer het volgende gesteld : "Gelet op het horen op 24 juni 2002 door de Gewestelijke Milieuvergun- ningscommissie van de aanvrager, die bij dit horen inzonderheid de argumenten van beroeper poogt te weerleggen: • de aanvraag is in eerste aanleg gunstig behandeld; • er zijn steeds 58 rundveeplaatsen en 800 varkensplaatsen geweest; • er zijn 2 vestigingen van het bedrijf: 1 in Aalter (Poeke) en 1 in St. Baafsvijve; in het besluit van de bestendige deputatie over de vestiging in St. Baafsvijve citeert de bestendige deputatie uit een gunstig advies van de Mestbank over de vestiging in Aalter; • de varkensstallen waar het hier over gaat waren oorspronkelijk vergund voor 300 en 500 varkens; deze plaatsen (en dus de oorspronkelijk vergunde toestand) zijn nu nog steeds aanwezig; • eind 1998, begin 1999 werd begonnen met het ombouwen van de rundvee- stal in een varkensstal; de runderen werden tot begin 1999 in deze stal gehouden; de stal is dus minder dan 2 jaar buiten gebruik voor runderen; • de bouwvergunning voor de omvorming van de loods naar een rundveestal is verkregen; • het verspreiden van de varkens over 3 stallen en een grotere oppervlakte heeft te maken met het verbeteren van het dierenwelzijn en het feit dat het dan niet meer nodig is de jonge dieren op een bepaald ogenblik te verzetten naar een andere stal; VII-28.598-6/14 • in de stal voor 300 dieren zou men op de verdieping geen dieren meer willen stallen, zodat daar maar 150 varkens meer kunnen geplaatst worden; (...) Overwegende dat deze aanvraag de wijziging, uitbreiding en toevoeging beoogt van een bestaand en vergund landbouwbedrijf; dat het in feite gezien moet worden als een regularisatie van een bestaande toestand; dat nu een vergunning gevraagd wordt voor de bijgebouwde stallen en de opslag van stookolie; dat er een herschikking gebeurd is van dieren uit bestaande en vergunde stallen naar nieuwe stallen; dat de nieuwe mestvarkensstal voor 320 dieren
(3a)een roosterstal is, met verluchting via de open nok en mestopslag in mestkelders ; dat de nieuwe rundveestal een open frontstal
(4)is waarbij de dieren gekweekt worden in boxen op stro (op een betonnen vloer) en met een beperkte mestopslag van 40 m3; dat de in de vergunning aang- evraagde toestand dus al volledig gerealiseerd is; Overwegende dat het kleine aantal runderen dat in de jaren 2000 en 2001 gehouden werd te verklaren is door het bouwen van de nieuwe stal tijdens deze jaren; dat er toch steeds dieren werden gehouden op de inrichting; dat de nieuw gebouwde stallen (stallen 3a en 4) geen vergunde standplaatsen bevatten; dat er echter ook twee stallen afgebroken zijn (stallen 3a en 3b); dat na herschik- king het totale aantal dieren gelijk blijft met de vergunning van 1991; Overwegende dat de toestand als volgt is samen te vatten : * vergunde toestand (volgens plan bij de vergunning dd. 21 februari 1991) : • stal 1 : 50 runderen ( vroegere stal 3a op plan) en 80 m3 mestopslag; • stal 2 : 500 mestvarkens en 200 m3 mestopslag; • stal 3 : 300 mestvarkens en 100 m3 mestopslag; • stal 4 : 8 kalveren (vroegere stal 3b op plan); • een vaste mestopslag van 60 m3; totaal : 800 mestvarkens, 58 runderen en 440 m3 mestopslag; * toestand na omvorming : • stal 1 : afgebroken ( vroegere stal 3a op plan); • stal 2 : 330 mestvarkens en 200 m3 mestopslag; • stal 3 : 150 mestvarkens en 100 m3 mestopslag (nu stal 1 op plan); • stal 4 : afgebroken (vroegere stal 3b op plan); • stal 5 : 320 mestvarkens en 450 m3 mestopslag (nu als stal 3a op plan); • stal 6 : 58 runderen en 40 m3 mestopslag (nu als stal 4 op plan); de oorspronkelijke stallen 1 en 4 zijn afgebroken en vervangen door de nieuwe stallen 5 en 6; totaal: 800 mestvarkens, 58 runderen en 790 m3 mestopslag; dat uit voormeld overzicht blijkt dat de vergunning voor de 58 runderen gekoppeld is aan de vroeger vergunde dierplaatsen van de afgebroken stallen 1 en 4 (oorspronkelijk 3a en 3b op plan); dat de vergunning voor de 58 runderen daardoor bijgevolg is komen te vervallen; dat daarentegen de varkensstallen 2 en 3 in stand zijn gehouden; dat de vergunning voor 800 mestvarkens bijgevolg wel nog geldig is; Overwegende dat luidens het advies van de Vlaamse Landmaatschappij en uitgaande van de mestbankaangiftes gekend bij de Mestbank er nog slechts een vergunning zou zijn voor het houden van 300 mestvarkens; dat bij het horen door de Provinciale Milieuvergunningscommissie door de vertegenwoordiger van het bedrijf toegegeven werd dat er in 1994 en 1995 geen dieren aangegeven werden aangezien deze gezamenlijk gedaan werd voor de vestigingen te Aalter en te Sint-Baafsvijve; dat bij een plaatsbezoek op 4 april 1997 door de Vlaamse Landmaatschappij 800 varkens en 58 runderen op het bedrijf werden vastge- steld; dat er mogelijk wel verwarring geweest is met de aangiften van de twee bedrijven tesamen; dat in elk geval niet is aangetoond dat de varkensstallen gedurende twee opeenvolgende jaren niet werden geëxploiteerd; dat er VII-28.598-7/14 bijgevolg geen verval van rechtswege is van de vergunning voor deze varkensstallen met toepassing van artikel 46 van titel 1 van het VLAREM; Overwegende dat de huidige aanvraag een regularisatie beoogt van de nieuwe stallen ; dat de bouwvergunning voor het bouwen van de stal en loods reeds op 6 juli 1998 bekomen werd en dat op 8 november 2001 een bouwaan- vraag werd ingediend voor het wijzigen van de loods in een rundveestal; dat deze bouwvergunning werd toegekend op 29 april 2002; dat wat de varkens betreft, de 2 bestaande stallen 2 en 3 behouden blijven en een nieuwe stal 5 (stalnummer 3a op nieuw plan) wordt voorzien; dat de capaciteit van de bestaande stal 2 wordt ingeperkt van 500 tot 330 plaatsen om reden van dierenwelzijn; dat de capaciteit van de bestaande stal 3 (stalnummer 1 op nieuw plan) wordt gehalveerd van 300 tot 150 plaatsen door het buiten dienst stellen van de bovenverdieping ervan; dat de nieuwe situatie, voor wat de varkensstallen betreft, er als volgt uitziet : • stal 1 (op nieuw plan) 150 mestvarkens en 100 m3 mestopslag; • stal 2 (op nieuw plan) : 330 mestvarkens en 200 m3 mestopslag; • stal 3a (op nieuw plan) : 320 mestvarkens en 450 m3 mestopslag; • stal 4 (op nieuw plan) : 40 m3 mestopslag; totaal : 800 mestvarkens en 790 m3 mestopslag; dat dit impliceert dat de exploitatie van de bovenverdieping van de bestaande stal 1 (nieuw plan, nummer 3 volgens oud plan) definitief buiten gebruik wordt gesteld". 1.10. Op 16 oktober 2002 wordt het bestreden besluit genomen. De vergunning wordt verleend voor 800 mestvarkens en geweigerd voor 58 runderen. In dit besluit wordt onder meer overwogen : "Overwegende dat deze aanvraag de wijziging, uitbreiding en toevoeging beoogt van een bestaand en vergund landbouwbedrijf; dat het in feite gezien moet worden als een regularisatie van een bestaande toestand; dat nu een vergunning gevraagd wordt voor de bijgebouwde stallen en de opslag van stookolie; dat er een herschikking gebeurd is van dieren uit bestaande en vergunde stallen naar nieuwe stallen; dat de nieuwe mestvarkensstal voor 320 dieren
(3a)een roosterstal is, met verluchting via de open nok en mestopslag in mestkelders; dat de nieuwe rundveestal een open frontstal
(4)is, waarbij de dieren gekweekt worden in boxen op stro (op een betonnen vloer) en met een beperkte mestopslag van 40 m3; dat de in de vergunning aang- evraagde toestand dus al volledig gerealiseerd is; Overwegende dat het kleine aantal runderen dat in de jaren 2000 en 2001 gehouden werd te verklaren is door het bouwen van de nieuwe stal tijdens deze jaren; dat er toch steeds dieren werden gehouden op de inrichting; dat de nieuw gebouwde stallen geen vergunde standplaatsen bevatten; dat er echter ook twee stallen afgebroken zijn; dat na herschikking het totale aantal dieren gelijk blijft met de vergunning van 1991; Overwegende dat de toestand als volgt is samen te vatten : * vergunde toestand (volgens plan bij de vergunning van 21 februari 1991) : stal 1 : 50 runderen (vroegere stal 3a op plan) en 80 m3 mestopslag; stal 2 : 500 mestvarkens en 200 m³ mestopslag; stal 3 : 300 mestvarkens en 100 m³ mestopslag; stal 4 : 8 kalveren (vroegere stal 3b op plan); een vaste mestopslag van 60 m3; totaal : 800 mestvarkens, 58 runderen en 440 m3 mestopslag; * toestand na omvorming : stal 1 : afgebroken (vroegere stal 3a op plan); VII-28.598-8/14 stal 2 : 330 mestvarkens en 200 m³ mestopslag; stal 3 : 150 mestvarkens en 100 m³ mestopslag (nu stal 1 op plan); stal 4 : afgebroken (vroegere stal 3b op plan); stal 5 : 320 mestvarkens en 450 m3 mestopslag (nu als stal 3a op plan); stal 6 : 58 runderen en 40 m3 mestopslag (nu als stal 4 op plan); de oorspronkelijke stallen 1 en 4 zijn afgebroken en vervangen door de nieuwe stallen 5 en 6; totaal: 800 mestvarkens, 58 runderen en 790 m3 mestopslag; dat uit voormeld overzicht blijkt dat de vergunning voor de 58 runderen gekoppeld is aan de vroeger vergunde dierplaatsen van de afgebroken stallen 1 en 4 (oorspronkelijk 3a en 3b op plan); dat de vergunning voor de 58 runderen daardoor bijgevolg is komen te vervallen; dat daarentegen de varkensstallen 2 en 3 in stand zijn gehouden; dat de vergunning voor 800 mestvarkens bijgevolg wel nog geldig is; Overwegende dat luidens het advies van de Vlaamse Landmaatschappij en uitgaande van de mestbankaangiftes gekend er nog slechts een vergunning zou zijn voor het houden van 300 mestvarkens; dat bij het horen door de Provinciale Milieuvergunningscommissie door de vertegenwoordiger van het bedrijf toegegeven werd dat er in 1994 en 1995 geen dieren aangegeven werden aangezien deze gezamenlijk gedaan werd voor de vestigingen te Aalter en te Sint-Baafsvijve; dat bij een plaatsbezoek op 4 april 1997 door de Vlaamse Landmaatschappij 800 varkens en 58 runderen op het bedrijf werden vastge- steld; dat er mogelijk wel verwarring geweest is met de aangiften van de twee bedrijven tesamen; dat in elk geval niet is aangetoond dat de varkensstallen gedurende twee opeenvolgende jaren niet werden geëxploiteerd; dat er bijgevolg geen verval van rechtswege is van de vergunning voor deze varkensstallen met toepassing van artikel 46 van titel 1 van het VLAREM; Overwegende dat de huidige aanvraag een regularisatie beoogt van de nieuwe stallen; dat de bouwvergunning voor het bouwen van de stal en loods reeds op 6 juli 1998 bekomen werd en dat op 8 november 2001 een bouwaan- vraag werd ingediend voor het wijzigen van de loods in een rundveestal; dat deze bouwvergunning werd toegekend op 29 april 2002; dat wat de varkens betreft, de 2 bestaande stallen 2 en 3 behouden blijven en een nieuwe stal 5 (stalnummer 3a op nieuw plan) wordt voorzien; dat de capaciteit van de bestaande stal 2 wordt ingeperkt van 500 tot 330 plaatsen om reden van dierenwelzijn; dat de capaciteit van de bestaande stal 3 (stalnummer 1 op nieuw plan) wordt gehalveerd van 300 tot 150 plaatsen door het buiten dienst stellen van de bovenverdieping ervan; dat de nieuwe situatie, voor wat de varkensstallen betreft, er als volgt uitziet : stal 1 (op nieuw plan): 150 mestvarkens en 100 m3 mestopslag; stal 2 (op nieuw plan) : 330 mestvarkens en 200 m3 mestopslag; stal 3a (op nieuw plan) : 320 mestvarkens en 450 m3 mestopslag; stal 4 (op nieuw plan) : 40 m3 mestopslag; totaal : 800 mestvarkens en 790 m³ mestopslag; dat dit impliceert dat de exploitatie van de bovenverdieping van de bestaande stal 1 (nieuw plan, nummer 3 volgens oud plan) definitief buiten gebruik wordt gesteld";
  1. Ten gronde 2.1.
  2. Overwegende dat verzoeker zich in een eerste middel beroept op de schending van artikel 28, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de VII-28.598-9/14 milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet); dat hij uiteenzet dat de vergunning voor de rundveestal van 58 runderen wordt geweigerd op grond van de overweging dat de vroegere stallen 1 en 4 waaraan de vergunning voor 58 runderen gekoppeld was, afgebroken werden, dat de loutere afbraak van de voorheen vergunde stallen geen verval van de vergunning meebrengt, dat immers volgens artikel 28, § 1, van het milieuvergunningsdecreet er slechts van rechtswege verval van de vergunning is "wanneer zij betrekking heeft op een inrichting : 1/ die niet in gebruik werd genomen binnen de krachtens artikel 17 bepaalde termijn; 2/ die vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie van de inrichting; 3/ die gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd; 4/ die door de exploitant op vrijwillige basis volledig en definitief is stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en regels, bedoeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoe- ringsbesluiten ervan", dat ook artikel 46 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) in dezelfde zin luidt, dat het duidelijk is dat de afbraak van de vroegere, ouderwetse en bedrijfseconomisch niet meer verantwoorde stallen niet onder één van de gevallen bedoeld in het milieuvergunningsdecreet en Vlarem I ressorteert, dat de weigering van de vergunning dan ook geen grond vindt in het milieuvergunningsdecreet noch in Vlarem I, en derhalve steunt op "een onwettig motief"; 2.1.
  3. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht; dat hij uiteenzet dat de verwerende partij de plicht heeft om over te gaan tot een nauwkeurige feitenbevinding teneinde een naar recht en redelijkheid gemotiveerde beslissing te nemen, dat de verwerende partij de milieuvergunning voor de 58 runderen niet kan weigeren op grond van de loutere overweging dat verzoeker de vroegere stallen heeft afgebroken, aangezien uit de voorgelegde stukken en toelichting blijkt dat verzoeker op de exploitatiezetel aan de Reigerbeekstraat 2 te Aalter steeds én onafgebroken runderen heeft gehouden, dat uit die stukken immers blijkt dat verzoeker reeds sedert 21 februari 1991 over een exploitatievergunning beschikt voor het houden van 58 runderen te Aalter en dat volgens de jaarlijkse aangiften bij de Mestbank er sedert 1996 ieder jaar 58 standplaatsen voor runderen aangegeven zijn op de exploitatiezetel te Aalter, ook tijdens het optrekken van de nieuwe stal in 1999, dat de bezetting van de standplaat- sen er in de loop van die jaren als volgt uitzag : in 1996 27 runderen, in 1997 VII-28.598-10/14 58 runderen, in 1998 39 runderen, in 1999 36 runderen, in 2000 13 runderen, in 2001 28 runderen en in 2002 30 runderen, dat de verwerende partij dan ook niet naar recht en redelijkheid de milieuvergunning voor het houden van 58 runderen op de exploitatiezetel te Aalter vermocht te weigeren, zodat het bestreden besluit op dat punt feitelijke grondslag mist; 2.
  4. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de vergunningsaanvraag van verzoeker in feite dient te worden gezien als een regularisatie van een bestaande toestand en dat de in de vergunning aangevraagde toestand reeds volledig gerealiseerd is, dat uit de gegevens gekend bij de Mestbank met betrekking tot de inrichting van verzoeker blijkt dat minstens gedurende drie opeenvolgende jaren geen runderen werden gehouden op de inrichting zodat "men ervan zou kunnen uitgaan dat, wat de runderen betreft, de vergunning was komen te vervallen", dat verzoeker terecht stelt dat de loutere afbraak van de voorheen vergunde stallen niet in de artikelen 28, § 1, van het milieuvergunningsdecreet en 46 van Vlarem I is omschreven als één van de gevallen dewelke een verval van de vergunning meebrengen, dat de naar aanleiding van de verleende bouwvergunning gebouwde nieuwe stallen (3a en 4) echter geen vergunde standplaatsen bevatten, zodat indien een vergunning zou worden verleend voor het exploiteren van stallen voor 58 runderen dit een stijging van de vergunde mestproductie zou meebrengen en bijgevolg in strijd is met artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, dat aangezien de vergunning voor 58 runderen gekoppeld was aan de vroeger vergunde dierplaatsen van de afgebroken stallen 1 en 4, het geen betoog behoeft dat aangezien de stallen werden afgebroken, de vergunning voor de 58 runderen bijgevolg is komen te vervallen, dat de weigering van de vergunning bijgevolg niet op een onwettig motief berust, dat sedert het aanslagjaar 1995 wel 58 standplaatsen aangegeven zijn, doch dat deze in de beginjaren niet ingevuld waren en dat er pas voor het aanslagjaar 1997 een bezetting is geweest van 27 runderen, dat er dus geenszins "steeds en onafgebroken" runderen zijn gehouden, dat "bij het horen door de Provinciale Milieuvergunningscommissie door de vertegenwoordiger van het bedrijf toegegeven werd dat er in 1994 en 1995 geen dieren aangegeven werden aangezien deze gezamenlijk gedaan werd voor de investeringen te Aalter en te Sint-Baafsvijve; dat bij een plaatsbezoek op 4 april 1997 door de Vlaamse Landmaatschappij 800 varkens en 58 runderen op het bedrijf werden vastgesteld; dat er mogelijk wel verwarring is geweest met de aangiften van de twee bedrijven tesamen"; dat de verwerende partij verder citeert uit de bestreden beslissing om te besluiten dat deze afdoende is gemotiveerd; VII-28.598-11/14 2.
  5. Overwegende dat verzoeker repliceert dat uit de motivering van de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat de verwerende partij de vergunning voor de 58 runderen uiteindelijk geweigerd heeft op grond van de afbraak van de stallen 1 en 4 en dat die weigering bijgevolg "kennelijk" berust op een onwettig motief, aangezien de afbraak van de stallen wettelijk als dusdanig geen reden is om de vergunning te weigeren en dat zulks door de verwerende partij wordt erkend, dat haar betoog in haar memorie van antwoord dan ook in se tegenstrijdig is waar zij laat gelden dat de vergunning voor de 58 runderen is komen te vervallen, vermits zij gekoppeld was aan de vroeger vergunde dierplaatsen van de afgebroken stallen, dat in tegenstelling met wat de verwerende partij beweert, het hier wel degelijk gaat om vergunde standplaatsen, zoals de VLM eerder gesteld heeft naar aanleiding van de afgifte van de exploitatievergunning van 27 augustus 1997, dat voorts de verwerende partij de milieuvergunning voor de 58 runderen niet kon weigeren op grond van de loutere overweging dat verzoeker de oorspronkelijke stallen heeft afgebroken, dat de verwerende partij daarenboven helemaal geen rekening heeft gehouden met het vaststaand feit dat verzoeker steeds - en dus ook voor de aanslagjaren 1994 tot en met 1996 - runderen heeft gehouden op de entiteit in Poeke en dan ook de "realiteit miskend (heeft) door zich enkel te baseren op de mestbankaangiften, wanneer uit verschillende stukken van het dossier blijkt dat verzoeker aanvankelijk alleen over een mestbanknummer in SINT-BAAFS-VIJVE beschikte en alle runderen in de jaren voor 1997 aangegeven heeft op het beslag van SINT-BAAFS-VIJVE"; 2.
  6. Overwegende dat artikel 28, § 1, van het milieuvergunningsde- creet als volgt luidt : "De vergunning vervalt van rechtswege wanneer zij betrekking heeft op een inrichting : (...) 3/ die gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd"; dat de VLM in haar beroepschrift heeft aangevoerd dat uitgaande van de mestbank- aangifte van deze inrichting gesteld kan worden dat tenminste gedurende drie opeenvolgende jaren geen runderen gehouden werden in de inrichting; dat de bestreden beslissing dienaangaande overweegt dat de Provinciale Milieuvergun- ningscommissie van verzoeker heeft vernomen dat er in 1994 en 1995 geen dieren aangegeven werden aangezien dit gezamenlijk gedaan werd voor de vestigingen te Aalter en te Sint-Baafsvijve en dat bij een plaatsbezoek op 4 april 1997 door de VLM 800 varkens en 58 runderen op het bedrijf werden geteld, dat er mogelijk wel verwarring geweest is met de aangiften van de twee bedrijven tesamen, dat in elk geval niet is aangetoond dat de varkensstallen gedurende twee opeenvolgende jaren VII-28.598-12/14 niet werden geëxploiteerd en dat er bijgevolg geen verval van rechtswege is van de vergunning voor deze varkensstallen met toepassing van artikel 46 van Vlarem I; dat aldus niet blijkt dat de bestreden beslissing het standpunt van de VLM met betrekking tot de runderen heeft overgenomen; dat zij wel met betrekking tot die dieren vaststelt dat de vergunning voor de 58 runderen gekoppeld is aan de vroeger vergunde dierplaatsen van de afgebroken stallen 1 en 4 en "dat de vergunning voor de 58 runderen daardoor bijgevolg is komen te vervallen", terwijl daarentegen "de varkensstallen 2 en 3 in stand zijn gehouden", zodat "de vergunning voor 800 mestvarkens (...) wel nog geldig is"; dat ofschoon het slopen van de voor exploitatie bestemde gebouwen een aanwijzing kan zijn dat een inrichting niet meer wordt geëxploiteerd, in dezen nochtans wordt vastgesteld dat uit het enkele gegeven dat de oorspronkelijke stal voor de 58 runderen werd afgebroken, niet zomaar kan worden afgeleid dat de inrichting gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd, aangezien uit de bestreden beslissing blijkt dat een stedenbouw- kundige vergunning werd verleend voor een nieuwe stal voor 58 runderen en terwijl de bestreden beslissing de Raad van State volkomen in het ongewisse laat over de tijdsduur tussen de afbraak van de oude stal en het in gebruik nemen van de nieuwe stal; dat ten slotte de loutere omstandigheid dat er geen milieuvergunning voorhanden is voor de standplaatsen in de nieuwe stal, geen van de in artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet voorzien geval is dat tot het verval van rechtswege van de vergunning aanleiding geeft; dat de middelen gegrond zijn, BESLUIT: Artikel
  7. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 16 oktober 2002 waarbij het beroep ingesteld door de Vlaamse Landmaatschappij tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 11 april 2002, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Carl VAN MELLE om een landbouwbedrijf, gelegen aan de Reigerbeekstraat 2 te Aalter, te veranderen door wijziging, uitbreiding en toevoeging, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing deels wordt gewijzigd. VII-28.598-13/14 Artikel
  8. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig januari tweeduizend en negen, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-28.598-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.880 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.