← België

Arrest 189936 - Penitentiair recht - 29/01/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.936 Rolnummer: A. 191197/IX-6192 Zaak: Arrest 189936 - Penitentiair recht - 29/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-16 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 15:52 Fiche Arrest nr 189.936 van 29 januari 2009 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.936 van 29 januari 2009 in de zaak A. 191.197/IX-

  1. In zake : Marcel VERVLOESEM, die woonplaats kiest bij advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Marcel VERVLOESEM op 23 januari 2009 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van de gevangenis te Brugge van 22 januari 2009 waarbij hem een tuchtstraf wordt opgelegd; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 26 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 januari 2009, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. JESPERS, die verschijnt voor de verzoeker, en van attaché V. ARICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 31 oktober 2008, in zijn eensluidend advies; IX-6192-1/11 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
  2. De verzoeker is opgesloten in de strafinrichting te Brugge. Op het ogenblik van de feiten verbleef hij op een cel van de ziekenafdeling. Hij werd er medisch verzorgd, en was onder meer verbonden met een baxter. Op 19 januari 2009 wil hij met zijn baxter naar de rookzaal gaan. Door een penitentiair beambte wordt hij erop gewezen dat de rookzaal er enkel is voor rokers, terwijl de verzoeker niet rookt. De verzoeker wordt naar zijn cel teruggestuurd. De verzoeker dreigde daarop zijn baxter uit te trekken en te stoppen met zijn medische behandeling. Teruggekeerd in zijn cel, trok hij zijn baxter inderdaad uit, en vroeg hij om een formulier “einde medische behandeling”. Over dit incident werd te 9.10 uur een rapport aan de directeur opgesteld. Toen de beambte hem meedeelde dat zij een rapport aan de directeur had opgesteld, ontstond er een hevige woordenwisseling. Volgens een tweede rapport aan de directeur, opgesteld te 9.45 uur, zou de verzoeker gevraagd hebben om zijn advocaat te zien, zou hij gebruld hebben dat het niet de eerste keer was en dat hij de beambte wel zou weten te vinden, en zou hij gezegd hebben het incident op het internet te vermelden. Op 20 en 21 januari 2009 wordt door de directeur van de gevangenis beslist om een tuchtprocedure op te starten, gelet op de twee rapporten die tegen de verzoeker zijn opgesteld. Op de hoorzitting, gehouden op 22 januari 2009, herinnert de directeur de verzoeker aan de ten laste gelegde feiten, vermeld in de genoemde rapporten aan de directeur . De verzoeker verdedigt zich op het punt van het incident in verband met de rookzaal. Zijn raadsman brengt ook de problematiek van de medische verzorging in Brugge aan. IX-6192-2/11 Dezelfde dag, op 22 januari 2009, neemt de directeur van de gevangenis een beslissing waarbij een tuchtstraf wordt opgelegd. Deze beslissing is gemotiveerd als volgt: “Na onderzoek komen wij tot de conclusie dat de feiten vermeld in het rapport aan de directeur als bewezen beschouwd worden voor de volgende tuchtrechtelijke inbreuken: niet opvolgen van de regelgeving, bedreigen. Betrokkene verblijft op de beddenafdeling van het medisch centrum. Het medisch centrum is een gesloten sectie, d.w.z. dat er geen polyvalente ontspanningszaal is. Uit hoofde van veiligheid (brandgevaar) is er voor de rokers een rookzaal voorzien op het medisch centrum, aangezien er uiteraard op de kamers (bezet door 3 personen) niet mag gerookt worden. Het zijn dan ook enkel de rokers die zich aldaar voor een korte periode mogen begeven. Betrokkene wordt opmerkzaam gemaakt dat hij niet rookt en dat hij aldus niet naar de rookzaal mag gaan. Hierop dreigt hij [ermee] zijn baxter uit te trekken. De beambte blijft verder de toegang naar de rookzaal weigeren, wat inderdaad eindigt in het uittrekken door betrokkene van zijn baxter en het stoppen met zijn medische behandeling. De beambte heeft een correcte opmerking gemaakt ten aanzien van betrokkene. De gedetineerde moet de voorschriften van het huishoudelijk reglement eerbiedigen en de bevelen of instructie opvolgen van het personeel met betrekking tot de handhaving van de orde en de veiligheid en tot de uitvoering van de reglementen (Basiswet, art.106 § 2). De gedetineerden moeten gehoorzamen aan de personeelsleden en alles volbrengen wat dezen hun opleggen om de orde te handhaven en de reglementen uit te voeren (art. 77 Algemeen Reglement Strafinrichtingen). Betrokkene zegt dat de rookzaal het enige contact is dat hij heeft, dat hij niet naar de wandeling kan enz. Betrokkene verblijft op een kamer van 3 personen, beschikt er gratis over een tv, krijgt de gelegenheid om te wandelen, maar gaat effectief niet wandelen. Het is zeker medisch gezien mogelijk voor betrokkene om te gaan wandelen. De beperkingen die hij zichzelf oplegt kunnen moeilijk de gevangenis aangerekend worden. Daarenboven dient met betrekking tot contacten gezegd te worden dat betrokkene ziek is en hiervoor precies op de beddenafdeling van het medisch centrum verblijft. Dat verblijf houdt inderdaad een aantal klinisch verantwoorde beperkingen in. Betrokkene haalt aan dat hij altijd naar de rookzaal ging. Uit onderzoek blijkt dat hij inderdaad een aantal maal naar de rookzaal is gegaan, waarbij de beambte van dienst wellicht niet op de hoogte was of betrokkene een roker was of niet. In elk geval diende betrokkene op dat moment de correcte richtlijn van de beambte op te volgen. Hij kan uit het feit dat hij toch een aantal malen naar de rookzaal geweest is niet bogen op een beginsel van vertrouwen. Trouwens betrokkene is hier toegekomen op 4 november 2008, verbleef een tijdje in een externe kliniek en verbleef ook al op een gewone cel in plaats van in het medisch centrum. Het is dus onjuist dat betrokkene elke dag naar de rookzaal ging. Betrokkene voert aan dat er bij bepaalde beambten een zekere tolerantie bestond ten aanzien van het IX-6192-3/11 effectief overtreden van de gestelde onderrichtingen. Zelfs in de veronderstelling dat het bestaan van de aangehaalde tolerantie zou bewezen zijn, vloeit hieruit nog niet voort dat betrokkene erop mocht vertrouwen dat hij altijd en in alle omstandigheden de toelating had om naar de rookzaal te gaan. Betrokkene trok dus, bij de genoemde weigering tot bezoek aan de rookzaal, zijn baxter uit en zette alsdan zijn medische behandeling stop. In feite maakt hij hier misbruik van de medische zorgen die hem hier aangeboden worden, die trouwens ook volledig door de Staat betaald worden. Wanneer de beambte betrokkene gaat melden dat hij uit hoofde van zijn effectief uitvoeren van zijn dreiging nl. baxter uittrekken en weigeren van medische zorgen, een rapport gekregen heeft, gaat betrokkene uit de bol. Hij zegt dat hij klacht zal indienen, ‘brult’ dat hij de beambte wel zal vinden en dat hij ‘het op het internet zou zetten’. Hier gaat het om bedreigingen en met zijn stem ongepast te verheffen probeert hij de beambte te intimideren. Eerst dreigt hij met een klacht. In feite probeert hij hier de beambte in haar professionaliteit te treffen, in de hoop dat ze ‘zal plooien’. Verder voegt hij er een effectieve dreiging aan toe: ‘hij zou haar weten te vinden’. De gevangene die zich schuldig maakt aan bedreigingen, beledigingen of gewelddaden hetzij tegen het personeel van de strafinrichtingen, hetzij tegen andere gevangenen, wordt strenger bewaakt of afgezonderd (art. 614 Wetboek van Strafvordering). Het dreigen met agressie naar het personeel is een provocatief gedrag dat in een gevangenis niet kan getolereerd worden. De fysieke en psychische integriteit van derden wordt in het gedrang gebracht en de orde van de inrichting wordt erdoor verstoord. Het gaat bovendien niet om de daadwerkelijke agressie, maar om de verklaringen die subjectief als provocatief en bedreigend worden ervaren. Het is niet de eerste maal dat betrokkene op die manier het personeel van het medisch centrum aanpakt. We verwijzen naar de observatieverslagen d.d. 18 november 2008 en d.d.16 december 2008, die bij het dossier gevoegd worden. Ook daar dreigde betrokkene. We kunnen hier zelfs stellen dat de verpleegkundige die het ontoelaatbaar gedrag van betrokkene diende te ondergaan, reeds een maand met ziekte thuis is. Dergelijke aanhoudende ontoelaatbare houding en aanhoudend ontoelaatbaar gedrag kan in de gevangenis niet getolereerd worden. Betrokkene dreigt om alles op het internet te zetten. Inderdaad betrokkene heeft een blog op internet. Bij het consulteren van deze blog constateren wij dat betrokkene inderdaad nominatim mensen en in het bijzonder de behandelende dokters op de meest leugenachtige en lasterlijke wijze aan de kaak stelt. Ook de verpleging moet het ontgelden. Vroegere gesprekken met betrokkene om minstens binnen de termen van eerlijkheid en welvoeglijkheid te blijven op deze blog, leverden alleen maar het tegenovergestelde [op]. Betrokkene is inderdaad reeds overgegaan tot het aanklagen op zijn blog van het rapport aan de directeur dat tegen hem is opgemaakt. IX-6192-4/11 Ter zitting durft de verdediging zelfs in aansluiting hierop beweren dat de dokters alhier betrokkene enkel maar ‘oplappen’, wat een aanfluiting is van de dagelijkse inzet van deze mensen voor betrokkene. De Directeur heeft de dwingende plicht om de orde en de veiligheid o.a. ten aanzien van het personeel, gedetineerden en goederen te handhaven (cfr. art. 105 § 2 van de Basiswet 12 januari 2005). De gedetineerde heeft tot plicht er zorg voor te dragen dat hij door zijn gedrag ten opzichte van het personeel, medegedetineerden en andere personen de orde en de veiligheid niet in gevaar brengt of verstoort (art. 106 § 1 van de Basiswet 12 januari 2005) De directeur is dus ook verantwoordelijk voor de psychische en professionele integriteit van zijn medewerkers. Hij kan dus niet toelaten dat betrokkene, ondanks vorige aanmaningen o.a. door Directeur V. P., door Dr.P. en door Directeur V., hij verder het personeel van de gevangenis lasterlijk aan de kaak stelt op de blog. Dat de schriftelijke invulling van de blog door iemand anders gebeurt, doet niets af aan de verantwoordelijkheid van betrokkene die effectief voor alle informatie zorgt en die in casu er opnieuw mee dreigt en reeds tot uitvoering is overgegaan. Er dringen zich dus ook maatregelen op om de aanhoudende lasterlijke aantijgingen op internet tegen te gaan.” De aan de verzoeker opgelegde straf wordt omschreven als volgt: “- 1 maand strikt regime, nl. glasbezoek, geen binnenhuisbezoek, geen bezoek zonder toezicht, individuele wandeling, uitsluiting van elke gemeenschappelijke activiteit voor dezelfde duur geen werk, eredienst op cel en telefoon beperkt tot raadsman en ombudsman. - 1 maand briefwisseling open afgeven. - 1 maand bezoek beperkt tot de personen voorzien in art. 31 van het Algemeen Reglement.” Deze beslissing vormt het voorwerp van de voorliggende vordering. Onderzoek van de vordering
  3. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. IX-6192-5/11
  4. In verband met de uiterst dringende noodzakelijkheid stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dateert van 22 januari 2009, dat ze dezelfde dag aan de verzoeker ter kennis is gebracht, en dat de opgelegde maatregel uitwerking heeft gedurende één maand, met ingang van dezelfde dag. De verzoeker heeft met een op 23 januari 2009 per fax verstuurd verzoekschrift de voorliggende vordering ingesteld. Uit deze chronologie kan worden afgeleid dat de verzoeker zich terecht beroept op de uiterst dringende noodzakelijkheid om de voorliggende vordering in te stellen, en dat hij de vordering ook met de vereiste spoed heeft ingesteld. De verwerende partij betwist de uiterst dringende noodzakelijkheid trouwens niet. 4.
  5. De verzoeker roept onder meer een tweede middel in, waarin hij de schending aanvoert van de hoorplicht en van de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 inzake de tuchtprocedure tegen een gedetineerde. De verzoeker voert aan dat hij het recht heeft om gehoord te worden door de verwerende partij, wanneer deze overweegt een tuchtmaatregel tegen hem uit te spreken. Zulks houdt in dat hij de gelegenheid krijgt om nuttig voor zijn belangen op te komen. Het horen heeft slechts zin wanneer hij een deugdelijke kennis heeft van de essentiële gegevens die het bestuur in de besluitvorming wil betrekken. De verzoeker verwijt aan de bestreden beslissing dat ze is genomen zonder dat vooraf aan hem is meegedeeld welke tuchtsancties overwogen werden en zonder dat de tenlasteleggingen hem vooraf werden meegedeeld. Voorts gaat de bestreden beslissing in op feiten waarvan zelfs geen gewag wordt gemaakt in de rapporten aan de directeur en die noch vóór de hoorzitting, noch op de hoorzitting zelf ter sprake zijn gekomen. De verzoeker ontwikkelt dit middel door in het bijzonder te wijzen op de volgende schendingen van de hoorplicht: - de bestreden beslissing verwijst naar observatieverslagen van 18 november 2008 en 16 december
  6. Die verslagen en een beschrijving van de gevolgen van de daarin vermelde feiten voor de betrokken verpleegkundige waren niet opgenomen in het dossier. Zoals in de bestreden beslissing wordt gesteld, zijn de genoemde observatieverslagen bij het dossier gevoegd nadat de hoorzitting heeft plaatsgevonden; IX-6192-6/11 - in de bestreden beslissing wordt overwogen dat de verzoeker ermee dreigt om alles op het internet te zetten, waarna opmerkingen worden gemaakt over leugenachtige en lasterlijke verklaringen op verzoekers blog op het internet. Er wordt ook kritiek geleverd op de verklaring van de raadsman van de verzoeker over de medische behandeling van de verzoeker. Van de tenlastelegging in verband met de blog is geen enkel spoor terug te vinden in het dossier. De uitlatingen op het blog zijn trouwens niet van zijn hand. De raadsman van de verzoeker heeft voorts niet de woorden uitgesproken die hem in de mond worden gelegd, en in elk geval mag een standpunt geuit in het kader van de verdediging in een tuchtprocedure niet beschouwd worden als een bezwarend element. 4.
  7. Ter zitting antwoordt de verwerende partij dat de rapporten aan de directeur enkel gaan over het incident van 19 januari 2009, en dat de mededeling dat een tuchtprocedure wordt ingezet enkel naar die rapporten verwijst. Op de hoorzitting is de verzoeker enkel over die feiten gehoord. Ten slotte verwijst de bestreden beslissing naar die feiten. De verzoeker heeft aldus de gelegenheid gehad om zich te verdedigen tegen de feiten die hem ten laste werden gelegd en die in de bestreden beslissing als bewezen worden beschouwd. Weliswaar is in de bestreden beslissing ook sprake van beschouwingen in verband met het internet. Volgens de verwerende partij gaat het echter om overbodige overwegingen. Eventuele onregelmatigheden in verband met die overwegingen maken de beslissing niet onwettig. 4.3.
  8. Het algemeen beginsel betreffende het recht van verdediging in tuchtzaken houdt in dat een tuchtstraf pas kan worden opgelegd nadat de betrokkene de gelegenheid heeft gekregen zich nuttig te verdedigen ten aanzien van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen. Ook een gedetineerde kan zich op dat beginsel beroepen. Het middel dient allicht zo begrepen te worden dat daarin ook een schending van dat beginsel wordt aangevoerd. 4.3.
  9. Het algemeen beginsel betreffende het recht van verdediging houdt onder meer in dat een tuchtrechtelijk vervolgde persoon kennis krijgt van al hetgeen in verband met zijn zaak aan de beslissende overheid ter kennis wordt gebracht, en dat het over de tenlastelegging tegenspraak kan voeren. Dit IX-6192-7/11 veronderstelt dat de tuchtoverheid haar beslissing slechts steunt op gegevens die aan de tegenspraak van de betrokkene zijn onderworpen. Te dezen blijkt uit de rapporten aan de directeur en uit de mededelingen dat tegen de verzoeker een tuchtprocedure wordt gestart, dat de tuchtvervolging steunde op het incident van 19 januari 2009, met name de reactie van de verzoeker op het verbod om naar de rookzaal te gaan. Op de hoorzitting is door de directeur aan die tenlastelegging herinnerd. De verzoeker heeft zich tegen die tenlastelegging verdedigd. De bestreden beslissing stelt in de eerste plaats dat de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten bewezen zijn, en dat die feiten tuchtrechtelijk strafbaar zijn. Vervolgens wordt opgemerkt dat het niet de eerste maal is dat de verzoeker het personeel van het medisch centrum op een dreigende manier aanpakt. Daarbij wordt verwezen naar de observatieverslagen van 18 november 2008 en 16 december 2008, “die bij het dossier gevoegd worden”. De directeur voegt hieraan toe “dat de verpleegkundige die het ontoelaatbaar gedrag van de betrokkene diende te ondergaan, reeds een maand met ziekte thuis is”. Ten slotte wordt erop gewezen dat de verzoeker dreigt “om alles op het internet te zetten”. De directeur merkt in dit verband op dat de verzoeker een blog heeft. Na consultatie daarvan komt hij tot de vaststelling dat de verzoeker daarop “nominatim mensen en in het bijzonder de behandelende dokters op de meest leugenachtige en lasterlijke wijze aan de kaak stelt”, en dat “ook de verpleging [...] het [moet] ontgelden”. Na een uitweiding over de plicht van de directeur om de integriteit van zijn medewerkers te beschermen, besluit deze: “Er dringen zich dus ook maatregelen op om de aanhoudende lasterlijke aantijgingen op internet tegen te gaan.” In zoverre de directeur eerdere incidenten, vermeld in de observatierapporten van 18 november 2008 en 16 december 2008, als verzwarende omstandigheden in aanmerking neemt, gaat het om gegevens die niet tot het tuchtdossier behoorden op het ogenblik dat de verzoeker zich tegen de tenlastelegging kwam verdedigen. Van de opmerking van de directeur in verband met de gevolgen van het gedrag op de gezondheidstoestand van de betrokken verpleegster blijkt zelfs helemaal niets uit het dossier. In zoverre de directeur de lasterlijke aantijgingen op de blog van de verzoeker onaanvaardbaar acht, gaat het om een gegeven waarvan geen sprake IX-6192-8/11 is in de tenlastelegging en dat ook op de hoorzitting niet ter sprake gekomen is. Weliswaar wordt in het tweede rapport aan de directeur vermeld dat de verzoeker ermee dreigt om het verbod om naar de rookzaal te gaan “op internet [te] plaatsen”, maar daarbij gaat het om de houding die de verzoeker op dat ogenblik aanneemt jegens de betrokken penitentiair beambte, niet om de inhoud zelf van de mededeling die eventueel later op het internet geplaatst zou worden. In elk geval is noch in de rapporten aan de directeur, noch in de mededelingen dat een tuchtprocedure wordt gestart, noch in het verslag van de hoorzitting sprake van de blog van de verzoeker en van het bestaan van lasterlijke aantijgingen daarop. Aldus lijkt uit het dossier naar voor te komen dat de verzoeker tuchtrechtelijk gestraft is, mede op grond van feiten en tenlasteleggingen waartegen hij zich niet heeft kunnen verdedigen. In zoverre de bestreden beslissing steunt op die feiten en die tenlasteleggingen, lijkt ze genomen te zijn met miskenning van het recht van verdediging. 4.3.
  10. Weliswaar voert de verwerende partij aan dat de desbetreffende overwegingen ten overvloede gegeven zijn, en dat de bestreden beslissing verantwoord is door de overwegingen die verband houden met de tenlastelegging die wel ter kennis van de verzoeker is gebracht en waarover hij zich heeft kunnen verdedigen. Uit de bewoordingen zelf van de bestreden beslissing lijkt echter afgeleid te kunnen worden dat de beschouwingen in verband met de lasterlijk geachte aantijgingen op het internet, die aan de verzoeker worden toegeschreven, niet louter ten overvloede zijn gegeven, maar integendeel van doorslaggevend belang zijn. De directeur merkt immers uitdrukkelijk op dat zich maatregelen opdringen om de lasterlijke aantijgingen tegen te gaan. De opgelegde straf lijkt goed aan te sluiten bij die gedachte: het strikte regime, de censuur van de briefwisseling en het beperkte bezoekrecht zijn allemaal maatregelen die op het eerste gezicht goed passen bij de bedoeling om de verzoeker gedurende een zekere tijd de mogelijkheid te ontzeggen om informatie naar de buitenwereld te sturen, met als gevolg dat de blog van de verzoeker in die periode niet gevoed wordt. De grief, afgeleid uit de schending van het recht van verdediging, kan in die omstandigheden voorshands niet onontvankelijk verklaard worden bij gebrek aan belang. IX-6192-9/11 4.3.
  11. Het middel is in de besproken mate ernstig. 5.
  12. Wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, voert de verzoeker in de eerste plaats aan dat hij omwille van de opgelegde isolatie geen normaal contact kan onderhouden met andere medemensen (gevangenen), noch met andere personen dan directe familieleden. Gelet op zijn gezondheidstoestand, gaat het om een mensonwaardige behandeling. De verzoeker voert voorts aan dat de beslissing zo breed geformuleerd is dat de elementaire vertrouwelijkheid van de briefwisseling tussen de verzoeker en zijn advocaat niet meer verzekerd is. 5.
  13. De bestreden beslissing houdt in dat de verzoeker in de eerste plaats onderworpen wordt aan één maand strikt regime. In dat regime zal hij ernstige beperkingen ondergaan in zijn mogelijkheden tot communicatie met medegevangenen en met de buitenwereld. Die beperkingen worden versterkt door de maatregelen in verband met de censuur van zijn uitgaande briefwisseling en in verband met de personen die hem mogen bezoeken. Ook al heeft geen van de opgelegde maatregelen tot gevolg dat de verzoeker daardoor in “isolatie” wordt gebracht, toch maakt hij aannemelijk dat het gaat om maatregelen die, zeker in het geval van een gedetineerde die kampt met gezondheidsproblemen, een ernstig nadeel opleveren. Gelet op de aard van de genomen maatregelen, gaat het bovendien om een nadeel dat moeilijk te herstellen is. Die vaststelling volstaat om te concluderen dat de bestreden beslissing een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel berokkent. Het is niet nodig in te gaan op de vraag of de censuur van de briefwisseling ook slaat op de briefwisseling met de advocaat van de verzoeker, kwestie die het voorwerp uitmaakt van één van de middelen en waaromtrent de partijen van mening verschillen.
  14. Er is voldaan aan de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. IX-6192-10/11 OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
  15. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de directeur van de gevangenis te Brugge van 22 januari 2009 waarbij aan Marcel VERVLOESEM een tuchtstraf wordt opgelegd. Artikel
  16. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 29 januari 2009, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-6192-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.936 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.