id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.964 Rolnummer: A. 184701/XIV-29675 Zaak: Arrest 189964 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-19 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 16:00 Fiche Arrest nr 189.964 van 30 januari 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.964 van 30 januari 2009 in de zaak A. 184.701/XIV-29.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 6 augustus 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van het arrest nr. 586 van 5 juli 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 1181 van 23 augustus 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 9 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 december 2007; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat S. VAN ROSSEM verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. DECROOS, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen; XIV-29.675-1/4 Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van de motiveringsverplichting opwerpt en aanvoert dat zij zich niet met de motivering kan verzoenen waarom zij niet wordt erkend als vluchteling en haar de subsidiaire beschermings- status uiteindelijk wordt geweigerd nadat deze laatste haar met een eerder arrest van 26 juli 2007 werd toegekend, dat een verbeteringsarrest naar aanleiding van een materiële vergissing kan worden gewezen, dat het geen vergissing omtrent het recht mag zijn en niet de beoordeling mag betreffen die de rechter aan de feiten heeft gegeven, dat het in casu een vergissing omtrent het recht betreft, met name de subsidiaire beschermingsstatus, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het eerdere arrest niet zomaar kon verbeteren en met het bestreden arrest zijn bevoegdheden te buiten is gegaan, dat de verzoekende partij immers bescherming vraagt omdat zij niet naar het land van herkomst kan terugkeren, dat de partijen minstens hadden moeten worden gehoord alvorens de beslissing dienaangaande te wijzigen, dat de verzoekende partij niet inziet waarom zij niet voor de erkenning als vluchteling, minstens voor de subsidiaire beschermingsstatus, in aanmerking komt, dat de voorwaarden totaal verschillend zijn, dat men derhalve ook wanneer de betrokkene niet als vluchteling wordt erkend, moet motiveren waarom men de subsidiaire beschermingsstatus niet toekent, dat men de toekenning niet kan intrekken zonder de betrokkene zelfs maar te horen, dat zulks machtsoverschrijding vormt en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een rechtsorgaan is dat niet zomaar een materiële vergissing met dergelijke impact kan rechtzetten;
- Overwegende dat het bestreden arrest een verbeterend arrest is waarin, luidens de motivering, een materiële vergissing in het eerdere arrest nr. 403 van 25 juni 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt rechtgezet; Overwegende dat de rechtzetting van een materiële vergissing slechts rechtsgeldig is wanneer zij in overeenstemming is met de geest van de beslissing die zij beoogt te verbeteren; dat uit de te verbeteren beslissing onmiskenbaar moet blijken wat zij heeft beslist over het punt dat moet worden verbeterd; dat geen nieuwe uitspraak over de eigenlijke grond van de zaak mag worden gedaan; dat de materiële vergissing zich evenwel ook in het beschikkend gedeelte van een uitspraak kan bevinden en met een verbeterende uitspraak mag worden hersteld; XIV-29.675-2/4 Overwegende dat de verzoekende partij zich richt tegen haar niet- erkenning als vluchteling; dat daarover met het bestreden arrest geen uitspraak wordt gedaan en ook geen verbetering in het voornoemde arrest nr. 403 wordt aangebracht; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat in het voornoemde arrest nr. 403 aangaande de subsidiaire beschermingsstatus het volgende wordt overwogen: “
- Tenslotte meent verzoeker dat hij aanspraak kan maken op de subsidiaire bescher- mingsstatus gelet op het feit dat hij bij een terugkeer het gevaar loopt op ernstige schade omwille van het willekeurig gebruikte geweld tegen burgers en jongeren in het bijzonder in zijn regio van herkomst. 4.
- Verzoeker heeft zijn asielrelaas niet aannemelijk kunnen maken omwille van de tegenstrijdigheden en inconsistenties in zijn verklaringen. Dienvolgens kan er evenmin geloof worden gehecht aan de door verzoeker aangehaalde vrees voor vervolging overeenkomstig de criteria van het vluchtelingenverdrag waardoor hij zich zodoende ook niet langer kan steunen op de elementen aan de basis van zijn relaas teneinde aannemelijk te maken dat hij in geval van een terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico op ernstige schade zou lopen zoals bedoeld in artikel 48/4 van de vreemdeling- enwet van 15 december 1980.”; Overwegende dat artikel 2 van hetzelfde arrest nr. 403 als volgt luidt: “De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij toegekend.”; Overwegende dat uit de hierboven geciteerde motivering duidelijk blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat de subsidiaire bescher- mingsstatus niet kan worden toegekend; dat de toekenning in artikel 2 van het beschikkend gedeelte van het arrest nr. 403 kennelijk een vergissing vormt door het weglaten van het woordje "niet"; dat in het bestreden arrest duidelijk wordt aangegeven waaruit de te herstellen materiële vergissing bestaat en hoe deze wordt rechtgezet, zodat aan de vereisten van de motiveringsplicht voor jurisdictionele beslissingen is voldaan; dat het onmiskenbaar de rechtzetting van een materiële vergissing en geen nieuwe uitspraak over de grond van de zaak betreft, zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn bevoegdheid niet heeft overschreden; dat het middel in die mate ongegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, XIV-29.675-3/4 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig januari tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-29.675-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.964 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.