← België

Arrest 190134 - Tucht (openbaar ambt) - 03/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.134 Rolnummer: A. 189448/IX-6023 Zaak: Arrest 190134 - Tucht (openbaar ambt) - 03/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-10 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 16:17 Fiche Arrest nr 190.134 van 3 februari 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.134 van 3 februari 2009 in de zaak A. 189.448/IX-

  1. In zake : Steven THOEYE, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de lokale politiezone “Kouter”, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Steven THOEYE op 26 augustus 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 23 juni 2008 van het politiecollege van de lokale politiezone “Kouter” waarbij hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 15 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-6023-1/15 Gehoord het eensluidende advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  3. Op het ogenblik van het bestreden besluit is de verzoeker inspecteur van politie bij de lokale politiezone Kouter, die de gemeenten Gistel, Oudenburg, Jabbeke, Ichtegem en Torhout omvat. 1.
  4. Op 14 augustus 2007 zendt de korpschef van de politiezone Kouter naar de procureur des Konings te Brugge twee gerechtelijke dossiers die door de dienst “intern toezicht Kouter” ten laste van de verzoeker zijn samengesteld. 1.
  5. Met een nota van 8 oktober 2007 deelt de korpschef, in zijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid, aan de verzoeker mee dat, vermits er een opsporingsonderzoek werd ingesteld met betrekking tot deze beide dossiers, overeenkomstig artikel 56, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de Politietucht- wet), de termijn van zes maanden voor de kennisgeving van het inleidende verslag over de desbetreffende feiten zal aanvangen op de dag dat hij door de gerechtelijke overheid in kennis zal worden gesteld dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen, dat het dossier werd geseponeerd of dat de strafvordering is vervallen. Het eerste gerechtelijke dossier wordt in de nota van de korpschef als volgt omschreven: “Op woensdag 6.6.2007 (dag van de Korpschef - verlofdag) wordt het onthaal van de wijkpolitie Gistel waargenomen door inspecteur Thoeye Steven. Het onthaal wordt ingevuld tussen 08.00 en 12.00 uur en tussen 13.30 en 17.00 uur. Dit betreft, conform de korpsrichtlijnen, een minimale bezetting op een verlofdag. Tijdens de uitoefening van vermelde dienst, ontvangt inspecteur Thoeye Steven van de ‘dienst verloren voorwerpen’- stadsbestuur Gistel - een handtasje met daarin een geldbeugel en een mp-3 speler. Inspecteur Thoeye Steven maakt hieromtrent een ISLP-melding aan en doet initieel alle vermeldingen. Hij maakt de gevonden voorwerpen met uitzondering van de mp-3 speler terug over aan de ‘dienst verloren voorwerpen’ Gistel. IX-6023-2/15 Wanneer hij gewezen wordt op de afwezigheid van de mp-3 speler, wijzigt hij de initiële melding, waarbij geen gewag meer wordt gemaakt van betrokken toestel.” Het tweede gerechtelijke dossier geeft geen aanleiding tot een tuchtvervolging. Het is voor de voorliggende zaak dan ook niet relevant. 1.
  6. Eveneens op 8 oktober 2007, vraagt de korpschef aan de procureur des Konings te Brugge een machtiging om het gerechtelijke dossier te raadplegen en een afschrift ervan te verkrijgen, alsook hem in kennis te stellen van het gevolg dat aan dit dossier zal worden gegeven. 1.
  7. Met een brief van 12 oktober 2007 bezorgt de procureur des Konings een afschrift van het dossier aan de korpschef “voor behandeling op tuchtgebied”. Hij vermeldt dat hij het strafonderzoek heeft geseponeerd. Het toegezonden dossier bevat onder meer het proces-verbaal van een verhoor dat op 5 oktober 2007 van de verzoeker werd afgenomen. Tijdens dat verhoor heeft de verzoeker bekend dat hij de gevonden mp3-speler heeft verduisterd. Hij verklaarde dat hij aanvankelijk alle gegevens omtrent de gevonden voorwerpen in het ISLP-systeem had ingebracht. Na het afdrukken van de meldingsfiche, besliste hij echter om de mp3-speler aan de zoon van zijn vaste vriendin te geven. Vervolgens paste hij de reeds opgestelde meldingsfiche aan, in die zin dat hij de vermelding “een mp3-speler” wegliet, en drukte hij de aangepaste meldingsfiche af. Nadien stelde hij het vereenvoudigde proces-verbaal inzake de gevonden voorwerpen op, waarin hij de mp3-speler niet vermeldde. Ten slotte legde hij, per vergissing, de eerst opgestelde meldingsfiche, tezamen met de gevonden voorwerpen, op de desk van het onthaal van de gemeente Gistel en de laatst opgestelde meldingsfiche in een kartonnen doos waarin papieren documenten ter vernietiging worden gedeponeerd. 1.
  8. Met een nota van 9 november 2007 aan de voorzitter van het politiecollege, adieert de korpschef de hogere tuchtoverheid -te dezen het politiecollege- op grond dat “de feiten mogelijks, gelet op hun aard en hun ernstig karakter, een zware tuchtstraf kunnen genereren”. IX-6023-3/15 1.
  9. Op 21 januari 2008 besluit het politiecollege tegen de verzoeker een tuchtprocedure in te leiden “waarbij een zware straf wordt voorgesteld”. 1.
  10. Het op 21 januari 2008 gedateerde inleidende verslag wordt op 28 januari 2008 ter post aangetekend naar de verzoeker gezonden. Het maakt melding van de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten, zoals ze eerder al door de kopschef waren geformuleerd, en stelt onder meer dat de hogere tuchtoverheid deze feiten op grond van het dossier bewezen acht en dat ze volgens de hogere tuchtoverheid een tuchtvergrijp uitmaken dat aan de verzoeker kan worden toegerekend. Het vermeldt voorts dat de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt voorgesteld. 1.
  11. Op 31 januari 2008 verklaart de syndicale afgevaardigde, die door de verzoeker is gemachtigd om in de tuchtprocedure op te treden als zijn verdediger, dat hij een kopie heeft ontvangen van alle stukken die op dat ogenblik deel uitmaken van het tuchtdossier. 1.
  12. Op 11 februari 2008 dient de verdediger van de verzoeker een verweerschrift in, waarin hij onder meer aanvoert dat het gerechtelijke dossier heropend zou zijn voor aanvullend onderzoek. Hij vraagt dat de bevindingen van dit aanvullend onderzoek bij het tuchtdossier zouden worden gevoegd, evenals een uittreksel van het blad der tuchtstraffen van de verzoeker. Hij vraagt tevens te worden gehoord. 1.
  13. Op 12 februari 2008 bezorgt de procureur des Konings te Brugge aan de korpschef van de politiezone Kouter een afschrift van de stukken betreffende het aanvullende gerechtelijke onderzoek. De conclusie van de procureur is evenwel: “het dossier blijft geseponeerd”. Uit de bedoelde stukken blijken onder meer de volgende feitelijke gegevens: - op 5 november 2007 deelt commissaris Caenepeel, officier van gerechtelijke politie en hulpofficier van de procureur des Konings, aan de procureur des Konings mee dat hij op 31 oktober 2007 vanwege de verzoeker een brief heeft ontvangen in verband met de verdwenen mp3-speler. Hij wacht eventuele opdrachten van de procureur des Konings af; IX-6023-4/15 - in die op 22 oktober 2007 gedateerde brief deelt de verzoeker mee dat hij tijdens het verhoor dat op 5 oktober 2007 werd afgenomen niet de volledige waarheid kon vertellen, “gezien [hij] dacht hiermee personen aan het gerecht bloot te stellen die [hem] zeer nauw aan het hart liggen” en vermits hij, vooraleer de thans gegeven informatie te verstrekken, “eerst zelf onderzoek diende te voeren naar de waarheid en vervolgens raad wenste te zoeken betreffende de manier en tijdstip waarop deze informatie best zou vrijgegeven worden”. Hij verklaart in dat verband wat volgt: hij is niet onmiddellijk kunnen overgaan tot het aanmaken van de meldingsfiche door de drukte op en rond het onthaal, waardoor de gevonden voorwerpen geruime tijd onbeheerd zijn achtergebleven aan de open balie. Na de middagpauze kreeg hij bezoek van zijn partner. Kort na haar vertrek ging hij over tot de opmaak van de meldingsfiche, met vermelding van alle elementen (mp3- speler, geldbeugeltje met inhoud, handtas). Na het afdrukken van de fiche stelde hij vast dat de mp3-speler niet meer op zijn plaats lag en begon hij in de overtuiging te geraken dat het toestel gestolen was door iemand die de balie bezocht had, zonder enig vermoeden naar zijn vriendin toe. Uit angst dat dit feit hem als een nalatigheid zou worden aangerekend, nam hij dan de verkeerde beslissing om de meldingsfiche aan te passen door de vermelding van de mp3- speler weg te laten. Tijdens een opkuis in de zomermaanden zag hij tussen het speelgoed van het zoontje van zijn vriendin een mp3-speler liggen die goed leek op het toestel dat op 6 juni 2007 was verdwenen. Hij was zinnens zijn vriendin en haar zoontje, die dag niet thuis, hierover aan te spreken, maar vergat het onderwerp verder aan te snijden. Pas tijdens zijn verhoor op 5 oktober 2007 begon hij ervan overtuigd te geraken dat het toestel dat hij tussen het speelgoed had zien liggen wel eens de bewuste mp3-speler zou kunnen zijn. Indien hij op dat ogenblik de waarheid zou hebben verteld en het toestel effectief bij hem thuis zou worden gevonden en geïdentificeerd, zou zijn vriendin ingevolge zijn verklaring als dader zijn aangewezen, wat hij haar niet kon aandoen. Hij zag dan ook geen enkele andere mogelijkheid dan te verklaren dat hij zelf de dader was. Onmiddel- lijk na zijn verklaring confronteerde hij zijn vriendin met de zaak. Zij ontkende ten stelligste de mp3-speler te hebben meegenomen. Haar zoontje verklaarde dat hij het toestel dat tussen zijn speelgoed was aangetroffen, ergens op straat had gevonden, maar inmiddels weer was kwijtgeraakt. Het enige andere scenario dat de verzoeker nu nog kan bedenken is dat iemand effectief het toestel van de tafel achter de open balieruimte heeft gegrist terwijl hij aan het werk was; - op 8 november 2007 vraagt de procureur des Konings een verder onderzoek in verband met de brief van de verzoeker; IX-6023-5/15 - op 4 januari 2008 wordt de vriendin van de verzoeker gehoord. Zij verklaart dat de verzoeker volgens haar de waarheid heeft gezegd in zijn brief van 22 oktober
  14. - op 4 januari 2008 wordt de verzoeker opnieuw gehoord. Hij blijft bij de inhoud van zijn brief van 22 oktober
  15. 1.
  16. Met een nota van 18 februari 2008 deelt de voorzitter van het politiecollege aan de verdediger van de verzoeker “de beschouwingen van de hogere tuchtoverheid” met betrekking tot het eerste verweerschrift mee, alsook de beslissing van het politiecollege om de stukken van het aanvullende gerechtelijke onderzoek en een kopie van het blad der tuchtstraffen ter beschikking te stellen van de verdediger. Voorts deelt hij nog mee dat de verzoeker op 3 maart 2008 zal worden gehoord. 1.
  17. Op 20 februari 2008 verklaart de verdediger van de verzoeker dat hij een kopie heeft ontvangen van alle stukken die deel uitmaken van het dossier vanaf 1 februari
  18. 1.
  19. Op 21 februari 2008 dient de verdediger van de verzoeker een tweede verweerschrift in, waarin hij vraagt naar een vertaling van de verklaring die de vriendin van de verzoeker op 4 januari 2008 in het Frans heeft afgelegd. Die vertaling wordt hem ook bezorgd. 1.
  20. Op 3 maart 2008 wordt de verdediger van de verzoeker door het politiecollege gehoord. De verzoeker zelf is niet aanwezig. De verdediger legt schriftelijke besluiten neer, alsook een brief van 29 februari 2008 van de verzoeker aan de leden van het politiecollege. Tijdens deze zitting besluit het politiecollege voor te stellen om de verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dezelfde dag nog wordt dit voorstel aan de verzoeker betekend. 1.
  21. Op 18 maart 2008 dient de verdediger van de verzoeker bij de tuchtraad een verzoek tot heroverweging in. IX-6023-6/15 1.
  22. Op 13 mei 2008 stelt de inspecteur-generaal van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie zijn deskundigenverslag over de zaak op. Luidens dat verslag acht de inspecteur-generaal het niet bewezen dat de verzoeker zich de gevonden mp3-speler heeft toegeëigend, vermits de betrokkene daarvan twee totaal verschillende versies heeft gegeven en er geen directe getuigen en/of materiële bewijzen zijn. Voorts is de inspecteur-generaal van mening dat de terugzetting in weddeschaal een gepaste straf is voor de feiten die wél bewezen en aan de verzoeker toerekenbaar zijn. Volgens hem is de tuchtoverheid er onvoldoende in geslaagd aan te tonen dat de vertrouwensband met de verzoeker in die mate is geschonden dat in de toekomst geen samenwerking meer mogelijk is. 1.
  23. Op 14 mei 2008 worden de partijen, in afwezigheid van de verzoeker maar in aanwezigheid van zijn verdediger, door de tuchtraad gehoord. De afgevaardigde van de inspecteur-generaal legt diens deskundigenverslag neer. De verdediger van de verzoeker legt een verweerschrift neer. 1.
  24. Op 11 juni 2008 geeft de tuchtraad zijn advies. Hij stelt voor de kwalificatie van de aan de verzoeker te laste gelegde feiten als volgt te formuleren: “INP Thoeye heeft de eer en de waardigheid van het ambt in het gedrang gebracht door in dienst: Op 6 juni 2007, belast met dienst onthaal aan de balie - een verloren voorwerp, in casu een mp3-speler, dat hem door de vinder werd overhandigd, af te wenden van zijn bestemming en dit voorwerp te behouden om erover te beschikken als eigenaar; - het vereenvoudigde proces-verbaal en de meldingsfiche te vervalsen door het voorwerp, in casu een mp3-speler, er niet op te vermelden; Op 07 juni 2007, - bewust verkeerde informatie te hebben verstrekt aan een personeelslid belast met het beheer van de verloren voorwerpen om te verbergen dat hij een mp3-speler had verduisterd.” In tegenstelling tot de inspecteur-generaal, acht de tuchtraad het ten laste gelegd feit dat de verzoeker de mp3-speler heeft behouden om erover te beschikken als eigenaar, bewezen. De tuchtraad stelt dat de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege streng is, maar gerechtvaardigd en noodzakelijk, en dat zij evenredig is tot de ernst van de begane feiten. IX-6023-7/15 1.
  25. Op 23 juni 2008 besluit het politiecollege de verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege met ingang van 1 augustus 2008 op te leggen. Dit besluit maakt het voorwerp uit van de voorliggende vordering. 1.
  26. Het bestreden besluit wordt met een op 2 juli 2008 ter post aangetekend verzonden brief aan de verzoeker betekend. Grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing
  27. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Ernstig middel 2.1.
  28. De verzoeker voert in een derde middel de schending aan van artikel 57, tweede lid, van de Politietuchtwet “in relatie tot een schending van de materiële motiveringsplicht”. De verzoeker laat gelden dat het bestreden besluit een motivering opbouwt die zijn “voortdurend laakbare houding” beoogt aan te tonen en daarvoor twee “voorgaanden” in aanmerking neemt, namelijk enerzijds de lichte tuchtstraf van de blaam die hem in 2006 is opgelegd en anderzijds de lichte tuchtstraf van de blaam die hem ook in 2004 is opgelegd. Overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van de Politietuchtwet is de laatstgenoemde tuchtstraf echter van ambtswege uitgewist op het blad der tuchtstraffen, zodat ze “geen referentie voor beoordeling of motivering meer [kan] uitmaken” en de hogere tuchtoverheid ze te dezen niet bij haar beoordeling van zijn tuchtzaak kan betrekken. De verzoeker merkt “voor zoveel als nodig” op dat het argument van de “voortdurend laakbare houding” geen steek houdt, nu ter staving daarvan wordt verwezen naar twee afzonderlijke feiten die slechts van aard waren telkens het opleggen van een lichte tuchtstraf te verantwoorden en de enige tuchtstraf die IX-6023-8/15 op zijn tuchtblad nog kan zijn vermeld, werd opgelegd op grond van feiten die zich hebben voorgedaan tijdens een periode van non-activiteit en hoegenaamd geen uitstaans hebben met de dienst. De verzoeker betoogt voorts dat het opvallend is “in welk mate de hogere tuchtoverheid heeft gepoogd om de geschiedenis te herschrijven en zichzelf poogt voor te houden dat de verzoeker ‘voortdurend’ laakbaar gedrag vertoont”. Dit blijkt volgens de verzoeker uit het feit dat de hogere tuchtoverheid in haar voorstel tot het opleggen van de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege tevens melding maakte van een op 3 april 2006 door de korpschef ten aanzien van de verzoeker genomen maatregel van inwendige orde. Een dergelijke maatregel heeft evenwel geen bestraffend karakter en het gaat dan ook niet op uit een dergelijke maatregel een “voortdurend laakbaar gedrag” af te leiden. Voor zover de Raad van State zou aannemen dat de hogere tuchtoverheid wel degelijk de van ambtswege uitgewiste tuchtstraf mee in haar beoordeling mocht betrekken, wenst de verzoeker “in subsidiaire orde” te laten gelden dat die tuchtstraf “de toets en het onderzoek naar [...] ‘voortdurend laakbaar gedrag’ niet [kan] doorstaan” en derhalve ook geen deugdelijke materiële grondslag aan het bestreden besluit kan verlenen. 2.1.
  29. De verwerende partij repliceert vooreerst dat het middel feitelijke grondslag mist voor zover het ervan uitgaat dat de strafmaat mede is gebaseerd op een verwijzing naar tuchtstraffen die uitgewist zouden moeten zijn. Zij argumenteert dat bij de appreciatie van de feiten weliswaar is verwezen naar vroegere handelingen van de verzoeker, maar daardoor is het aan de verzoeker ten laste gelegde tuchtfeit “als zodanig in perspectief gesteld ten aanzien van de reeds lang laakbare houding van de verzoeker”. Dit wordt door niets belet en het getuigt integendeel van een correcte en zorgvuldige oordeelsvorming dat de tuchtoverheid oog heeft voor het geheel. De verwerende partij betwist voorts het standpunt van de verzoeker dat de vroegere tuchtstraffen in zijnen hoofde geen laakbare houding zouden kunnen aantonen. Zij stelt dat zij in redelijkheid kon verwijzen naar de vroeger bestrafte tuchtfeiten -“die niet horen voor te komen bij een correct handelend politieman”- om een laakbare houding aan te tonen. IX-6023-9/15 Volgens de verwerende partij kan de verzoeker in het kader van de voorliggende vordering niet meer op een dienstige wijze kritiek uiten op een vroegere verwijzing naar een maatregel van inwendige orde, vermits enkel de motieven van het laatst genomen besluit, nadat het interne beroep werd doorlopen, het voorwerp van kritiek kunnen zijn voor de Raad van State. Ten slotte laat de verwerende partij gelden dat het bestreden besluit hoe dan ook wordt geschraagd door de beoordeling van de feiten op zich. Zij stelt dat enkel bij een politieman die steeds correct heeft gehandeld, overwogen zou moeten worden, of een eenmalige, maar “vrij fundamentele” misstap, als dewelke in de tuchtzaak van de verzoeker aan de orde is, het opleggen van de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege zou kunnen verantwoorden. Te dezen is echter duidelijk aangegeven en gemotiveerd dat het in hoofde van de verzoeker niet om een eenmalige misstap ging, maar om een misstap die in het perspectief van een voortdurend laakbare houding kon worden geplaatst. 2.1.3.
  30. Artikel 57 van de Politietuchtwet luidt als volgt: “De tuchtstraffen die ter kennis van de betrokkene werden gebracht, worden zonder verwijl op het blad der tuchtstraffen ingeschreven. Onverminderd hun uitvoering, worden de tuchtstraffen bedoeld in artikel 4, 1/ en 2/, na een termijn van twee jaar van ambtswege op het blad der tuchtstraf- fen uitgewist voor zover er binnen die termijn geen nieuwe tuchtstraf werd uitgesproken. Onverminderd hun uitvoering worden de zware tuchtstraffen, na een termijn van vijf jaar van ambtswege op het blad der tuchtstraffen uitgewist voorzover er binnen die termijn geen nieuwe tuchtstraf werd uitgesproken. De in het tweede en derde lid vastgestelde termijnen lopen vanaf de datum waarop de tuchtstraf definitief wordt uitgesproken.” De uitwissing van tuchtstraffen, die door deze wetsbepaling wordt geregeld, beoogt te vermijden dat een opgelegde tuchtstraf voor onbepaalde tijd op de loopbaan van het betrokken personeelslid blijft wegen. Ze lijkt dan ook te impliceren dat met een uitgewiste tuchtstraf in de toekomst geen rekening meer mag worden gehouden, óók niet wanneer de betrokkene, na de uitwissing te hebben bekomen, opnieuw een tuchtvergrijp begaat. De uitwissing van de vroeger opgelegde tuchtstraf, staat er dan aan in de weg dat bij de beoordeling en de daarop gesteunde bestraffing van de nieuwe tuchtfeiten nog rekening wordt gehouden met die tuchtstraf. IX-6023-10/15 2.1.3.
  31. Krachtens artikel 57, tweede lid, van de Politietuchtwet wordt de lichte tuchtstraf van de blaam na een termijn van twee jaar van ambtswege op het blad der tuchtstraffen uitgewist, voor zover er binnen die termijn geen nieuwe tuchtstraf werd uitgesproken. Het wordt niet betwist dat de op 19 mei 2004 aan de verzoeker oplegde lichte tuchtstraf van de blaam van ambtswege op zijn blad der tuchtstraffen was uitgewist toen de tuchtprocedure die tot het bestreden besluit heeft geleid, tegen de verzoeker werd ingeleid. De hogere tuchtoverheid mocht deze uitgewiste tuchtstraf dan ook niet meer bij haar beoordeling van de nieuwe tuchtvordering ten laste van de verzoeker betrekken. 2.1.3.
  32. Uit de stukken van het administratief dossier dat door de verwerende partij bij de Raad van State werd neergelegd, blijken te dezen de volgende gegevens: - in het inleidende verslag van 21 januari 2008 van de hogere tuchtoverheid wordt overwogen “dat de handelingen van [de verzoeker] een nieuwe inbreuk uitmaken op zijn laakbare houding als politie-inspecteur, ten aanzien van zijn ambtsplichten en de waardigheid van het ambt; dat het aan te bevelen is om onderhavig dossier eveneens te plaatsen in het perspectief van feiten uit het verleden; dat bij besluit van de korpschef op 3.4.2006 een maatregel van inwendige orde wordt opgelegd [...]; dat hij door de politierechtbank te Brugge in zitting van 16.3.2006 wordt veroordeeld uit hoofde van strafbare alcoholintoxicatie [...], dat als gevolg van die feiten een lichte straf wordt opgelegd m.n. een ‘blaam’, dat betrokken politie- inspecteur op 19.5.2004 een lichte tuchtstraf ‘blaam’ wordt opgelegd uit hoofde van diverse interne laakbare feiten (toepassen van regels)”; - in zijn verweerschrift van 11 februari 2008 vraagt de verdediger van de verzoeker dat een uittreksel van het blad der tuchtstraffen van de verzoeker aan het dossier zou worden toegevoegd; dat blad der tuchtstraffen vermeldt enkel een op 31 augustus 2006 opgelegde blaam; - in zijn ter gelegenheid van de hoorzitting van 3 maart 2008 voor de hogere tuchtoverheid neergelegde besluiten merkt de verdediger van de verzoeker op dat het inleidende verslag verwijst naar een lichte tuchtstraf die op 19 mei 2004 aan de verzoeker werd opgelegd, dat met die inmiddels uitgewiste tuchtstraf echter IX-6023-11/15 geen rekening mag worden gehouden en dat de verwijzing ernaar tot gevolg heeft dat het tuchtdossier zwaarder lijkt dan het eigenlijk is; - in het voorstel van zware tuchtstraf van 3 maart 2008 van de hogere tuchtoverheid wordt overwogen dat de vermelding van een lichte tuchtstraf, “zelfs al is die verjaard”, duiding geeft over het tuchtrechtelijke verleden van de verzoeker, dat de tuchtoverheid met de vroeger bestrafte inbreuken op de tucht rekening mag houden, niet om de betrokkene een tweede maal te straffen, vermits dit in strijd zou zijn met het rechtsbeginsel “non bis in idem”, maar om eruit af te leiden dat de nieuwe inbreuk de uiting is van een voortdurende laakbare houding van de betrokkene, dat het bovendien niet verboden is een tuchtprocedure te plaatsen in het perspectief van feiten uit het verleden, zonder evenwel die feiten bij het dossier te betrekken, dat er derhalve geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de eenmaligheid van tuchtfeiten en de overweging dat die feiten de uiting zijn van een voortdurend laakbaar gedrag, dat de tuchtoverheid, in die context, bij het bepalen van de straf wel rekening mag houden met eerder bestrafte inbreuken op de tucht en dat in diezelfde context ook melding is gemaakt van een andere lichte tuchtstraf welke thans nog niet verjaard is; - in de besluiten die de verdediger van de verzoeker naar aanleiding van de hoorzitting van 14 mei 2008 van de tuchtraad heeft neergelegd, verzet hij zich opnieuw tegen het feit dat de hogere tuchtoverheid met de uitgewiste lichte tuchtstraf rekening houdt om een voortdurende laakbare houding van de verzoeker aan te tonen en dit ook doet om de strafmaat te bepalen; - in zijn advies van 11 juni 2008 stelt de tuchtraad onder een rubriek betreffende “de uitwissing”: “De uitwissing heeft tot gevolg dat geen rekening meer kan gehouden worden met de uitgewiste lichte tuchtstraf bij het beslissen over de tuchtstraf die voor een later tuchtvergrijp wordt opgelegd. Dat belet de tuchtover- heden niet om na te gaan of het tuchtvergrijp waar zij kennis van nemen al dan niet kadert in een terugkerend of in een persisterend gedrag”. - onder een rubriek betreffende “het advies nopens de tuchtstraf” vermeldt de tuchtraad vooreerst dat het aangewezen is in de definitieve beslissing niet te verwijzen naar de genomen maatregel van inwendige orde. Voorst stelt de tuchtraad dat de tuchtoverheid “wel een juiste toepassing [maakt]” wanneer zij stelt dat zelfs naar een uitgewiste tuchtstraf mag worden verwezen om erop te wijzen dat de betrokkene hervalt in laakbaar gedrag en om aldus de feiten die de betrokkene thans worden toegerekend juist te plaatsen, maar dat met een uitgewiste tuchtstraf geen rekening mag worden gehouden als “verzwarende omstandigheid van niet specifieke recidive” die aan de betrokkene wordt IX-6023-12/15 opgelegd. Ten slotte vermeldt de tuchtraad dat terecht als verzwarende omstandig- heid wordt verwezen naar de niet uitgewiste lichte tuchtstraf van de blaam van 31 augustus
  33. - in het bestreden besluit wordt overwogen “dat de handelingen van [de verzoeker] een nieuwe inbreuk uitmaken op zijn laakbare houding als politie-inspecteur, ten aanzien van zijn ambtsplichten en de waardigheid van het ambt; dat het aan te bevelen is om onderhavig dossier eveneens te plaatsen in het perspectief van feiten uit het verleden: dat hij door de politierechtbank te Brugge in zitting van 16.3.2006 wordt veroordeeld uit hoofde van strafbare alcoholintoxicatie gepleegd op 1.5.2005 [...], dat als gevolg van die feiten een lichte straf wordt opgelegd, met name een ‘blaam’ (uitspraak 31.8.2006), dat betrokken politie-inspecteur op 19.5.2004 een lichte tuchtstraf ‘blaam’ wordt opgelegd uit hoofde van diverse interne laakbare feiten (toepassen van regels)”. 2.1.3.
  34. Uit de voormelde gegevens kan worden afgeleid dat de hogere tuchtoverheid, in navolging overigens van de tuchtraad, naar wiens advies het bestreden besluit mede verwijst, bij de beoordeling en de bestraffing van de aan de verzoeker ten laste gelegde tuchtfeiten wel degelijk ook rekening heeft gehouden met de uitgewiste lichte tuchtstraf van de blaam. De uitwissing van de op 19 mei 2004 aan de verzoeker opgelegde lichte tuchtstraf van de blaam staat er echter aan in de weg dat de tuchtoverheid die tuchtstraf op enige wijze bij haar beoordeling van verzoekers tuchtzaak betrekt, noch om “duiding [te geven] naar het tuchtrechtelijke verleden van [de verzoeker]” of “eruit af te leiden dat de nieuwe inbreuk duidt op een voortdurende laakbare houding van betrokken personeelslid”, noch om “na te gaan of het tuchtvergrijp [...] kadert in een terugkerend of in een persistent gedrag” of “onderhavig dossier eveneens te plaatsen in het perspectief van feiten uit het verleden”. Nu zij dat toch heeft gedaan, lijkt de uitgewiste lichte tuchtstraf van de blaam de bestreden tuchtmaatregel van het ontslag van ambtswege mede te hebben bepaald. De verwerende partij kan in de huidige stand van de rechtspleging dan ook niet worden bijgevallen in haar standpunt dat het middel feitelijke grondslag mist voor zover het ervan uitgaat dat de strafmaat mede is gebaseerd op een verwijzing naar een uitgewiste tuchtstraf. IX-6023-13/15 Integendeel lijkt zij, door bij het opleggen van de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege aan de verzoeker rekening te houden met een uitgewiste lichte tuchtstraf, niet alleen artikel 57, tweede lid, van de Politietuchtwet te hebben geschonden, maar ook het bestreden besluit mede op een onwettig motief te hebben gesteund. Het derde middel is derhalve ernstig. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel 2.2.
  35. De verzoeker voert aan dat hij ingevolge het bestreden besluit de hoedanigheid van personeelslid van de lokale politie verliest, waardoor hij een ernstig moreel en materieel nadeel lijdt. Het ernstige morele nadeel bestaat erin, aldus de verzoeker, dat hij, enerzijds, ingevolge de zware tuchtstraf die hem in een ongunstig daglicht stelt, de arbeidsmarkt onder bijzonder ongunstige voorwaarden moet betreden en, anderzijds, hij de tuchtstraf als een persoonlijke schande ervaart, die zwaar is om te dragen. De verzoeker stelt ook een materieel nadeel te lijden, doordat hij ingevolge het bestreden besluit zonder inkomen valt en zo in een zeer bestaansonzekere en sociaal problematische situatie terechtkomt. De verzoeker wijst voorts op de rechtspraak van de Raad van State volgens dewelke een beslissing als het ontslag van ambtswege, omwille van de morele en sociale druk die eraan verbonden is, uit zichzelf een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent. 2.2.
  36. De verwerende partij repliceert dat te dezen enkel kan worden vastgesteld dat er aan de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is voldaan. 2.2.
  37. De Raad van State neemt aan dat, behoudens bijzondere omstandigheden die te dezen niet voorhanden zijn, een tuchtmaatregel waarbij een ambtenaar uit het bestuur wordt verwijderd, op de betrokkene een dusdanig odium legt dat er evident sprake is van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. 2.
  38. Aan de beide grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing is dan ook voldaan. IX-6023-14/15 OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
  39. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 23 juni 2008 van het politiecollege van de lokale politiezone “Kouter” waarbij Steven THOEYE de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. Artikel
  40. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 3 februari 2009, door : de HH. B. THYS, staatsraad, wnd kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. B. THYS. IX-6023-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.134 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.816 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.