← België

Arrest 190179 - Milieuvergunningen - 05/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.179 Rolnummer: A. 144857/VII-31156 Zaak: Arrest 190179 - Milieuvergunningen - 05/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-16 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 16:30 Fiche Arrest nr 190.179 van 5 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.179 van 5 februari 2009 in de zaak A. 144.857/VII-31.156. In zake : de NV TARDEL, die woonplaats kiest bij advocaat A. COOLSAET, kantoor houdende te ANTWERPEN, Arthur Goemaerelei 69 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-84. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV TARDEL op 3 december 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 29 september 2003 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 27 maart 2003, houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan de verzoekende partij om een bedrijf voor textielveredeling, gelegen aan de Rode Mutslaan 103 te Ronse, te veranderen, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd, voor zover het bestreden besluit : "- de weigering inhoudt van de vergunning aan verzoekster om haar exploitatie te veranderen als volgt: de uitbreiding met een grondwaterwinning van 150.000 m³/jaar uit de putten 7, 8 en 9 op dieptes van respectievelijk 434 m, 426 m en 426 m uit de Paleozoïsche sokkel; toevoeging van het perceel 596/b, - in artikel 3, §3 van het besluit van de bestendige deputatie de bijzondere milieuvoorwaarden 21 h en i oplegt luidende als volgt:

  1. h)De put 8 dient te worden omgebouwd tot peilput in de Sokkel. Dit dient te gebeuren zoals voorzien in de brochure 'Verlaten grondwaterwinningen' van de AMINAL-afdeling water.
  2. i)Alle andere diepe putten 1, 2b, 3, 4, 5, 6, 7 en 9, zoals aangeduid op het liggingsplan opgemaakt door landmeterexpert Jos Dumoulin op 20 augustus 2002 met referentie: 1995/1265/07a, dienen te worden afgedicht zoals voorzien in de brochure 'Verlaten grondwaterwinningen' van de AMINAL-afdeling water"; VII-31.156-1/23 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 21 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 december 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. COOLSAET die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat P. VANDENDAEL die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij exploiteert een textielveredelingsbedrijf aan de Rode Mutslaan in Ronse. Op 14 november 2002 dient zij een milieuvergunningsaanvraag in voor het veranderen van haar inrichting. Het gaat om een hele reeks veranderin- gen, maar in voorliggend annulatieberoep betreft het een uitbreiding van de grondwaterwinning. Het gaat om een situatie die gedeeltelijk reeds enige tijd bestaat, aanvankelijk met vergunningen voor proefboringen, die evenwel inmiddels verstreken zijn. VII-31.156-2/23 De verzoekende partij wenst een vergunning om in totaal 295.000 m³ grondwater per jaar op te pompen : - 20.000 m³ uit de bestaande put 1 (Landeniaan), of een uitbreiding met 8.000 m³; - 150.000 m³ uit de diepe putten 7, 8 en 9 (paleozoïsche Sokkel); - 125.000 m³ uit 80 ondiepe putten, waarvan er 34 nog moeten worden geboord. 1.2. Op 27 maart 2003 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de uitbreiding van de winning uit put 1 tot 20.000 m³ per jaar, en weigert zij ook de winning van 150.000 m³ uit de putten 7, 8 en 9. De winning van 125.000 m³ uit 80 ondiepe putten wordt wel vergund. Er wordt een reeks voorwaarden opgelegd : de reeds eerder vergunde winning van 12.000 m³ moet voortaan gebeuren uit put 2a in plaats van uit put 1 (artikel 3, § 3, 21, a), put 8 moet worden omgebouwd tot peilput (artikel 3, § 3, 21,
  3. h)en de diepe putten 1, 2b, 3, 4, 5, 6, 7 en 9 moeten worden afgedicht (artikel 3, § 3, 21, i). De verzoekende partij tekent administratief beroep aan, met als voorwerp : "(...) Het niet verlenen van een vergunning voor a. De uitbreiding van een grondwaterwinning in het Landeniaan van 12.000 m³/j tot 20.000 m³/j. b. Een grondwaterwinning in de Sokkel van 150.000 m³/jaar. (...) Art. 3, §3 Bijzondere voorwaarde 21 h en i. Het afdichten van de putten 1, 7 en 9 en het ombouwen tot peilput van put 8". 1.3. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen verleend : (
  4. a)de Vlaamse Milieumaatschappij bevestigt op 23 juni 2003 haar in eerste aanleg verleende gunstig advies, dat niet de grondwaterwinning als voorwerp heeft; (
  5. b)de afdeling Water adviseert op 24 juni 2003 ongunstig; (
  6. c)de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert op 26 juni 2003 deels gunstig, en deels ongunstig, omdat één van de drie nieuwe diepe putten in bosgebied is gesitueerd; (
  7. d)de afdeling Milieuvergunningen adviseert op 30 juni 2003 ongunstig; (
  8. e)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert ten slotte op 1 juli 2003 ongunstig. 1.4. Op 29 september 2003 wordt het bestreden besluit genomen : het beroep wordt verworpen; VII-31.156-3/23 2. Ten gronde 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van artikel "52, c, 2" van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van de formele motiveringsplicht zoals neergelegd in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), van de materiële motiverings- plicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het rechtszekerheidsbeginsel, doordat in het bestreden besluit onvoldoende rekening is gehouden met haar argumenten in het raam van het hoger beroep aangevoerd, doordat op deze beroepsgrieven geen afdoende antwoord is verstrekt, doordat een aantal feiten zonder meer worden genegeerd en, daarenboven, doordat zonder rekening te houden met de feitelijke omstandigheden, bijkomende voorwaarden worden opgelegd waardoor wordt teruggekomen op een eerder vergunde toestand; dat de verzoekende partij de geschonden geachte rechtsnormen als volgt toelicht : "Terwijl: art. 52, c, 2 van Vlarem I bepaalt dat de uitspraak in beroep een gemotiveerde beslissing moet omvatten over de aanspraken en bezwaren die door de indiener van het beroep worden gesteld; dat daarenboven aanvullend de formele motiveringsplicht oplegt in de beslissing zelf afdoende motieven op te nemen die de beslissing verantwoorden en de materiële motiveringsplicht vereiste dat de aangewende motieven deugdelijk zijn, juist zijn in feite en van aard de beslissing te kunnen staven en dat de motieven steun vinden in het dossier; terwijl de zorgvuldigheidsplicht en het redelijkheidsbeginsel zich ertegen verzetten dat op een niet gefundeerde wijze bijkomende voorwaarden worden opgelegd die daarenboven terugkomen op een eerder vergunde toestand. In art. 52, c, 2 van titel I van het Vlarem is een bijzonder strenge motive- ringsplicht opgenomen door te bepalen dat een uitspraak moet worden gedaan over de bezwaren en de aanspraken van de beroepsindiener. Een afdoende motivering vereist dat een antwoord wordt gegeven op de argumenten, aangevoerd in het beroepschrift en aangebracht voor de gewestelijke milieuver- gunningscommissie, waaruit moet blijken dat het weigeringsmotief geen steek houdt. Er is ook sprake van een schending van de motiveringsplicht wanneer in een weliswaar gemotiveerde beslissing wordt voorbijgegaan aan een aantal elementen die het betoog van beroeper ondersteunen (...)"; dat zij vervolgens uiteenzet op welke wijze deze rechtsnormen door het bestreden besluit werden geschonden : "In casu is deze motiveringsplicht manifest geschonden. In het beroepschrift wordt uitvoerig aangegeven waarom de beslissing van de bestendige deputatie gebrekkig is en moet worden hervormd. Aan de hand van proeven is aang- etoond dat het in hoofde van de bestendige deputatie zo belangrijke argument van de kwaliteit van het grondwater geen steek houdt: er is immers aangetoond dat er geen negatieve invloed is op het niveau van de grondwatertafel en dat VII-31.156-4/23 tijdens het pompen het niveau van de grondwatertafel boven het dak van de Sokkel blijft. Er zijn zelfs meetcontroles uitgevoerd die aantonen dat de kwaliteit van het grondwater niet wordt aangetast. Verzoekster kan dit duidelijk aantonen daar de aangevraagde vergunningssituatie reeds twee jaar operationeel is in de vorm van proefpompingen. Op deze belangrijke argumenten van het beroepschrift wordt in de bestreden beslissing niet afdoende geantwoord. Een eerste motief uit de bestreden beslissing omvat in essentie het zoge- naamde stand-still principe (actie 70 van het Mina-plan), waarbij wordt gesteld dat in Oost- en West-Vlaanderen dit erop neerkomt dat 75% van de huidige vergunningen in de Sokkel en het Landeniaan moet worden afgebouwd. De bestreden beslissing verwijst vervolgens naar het advies van de afdeling Water waarin o.m. wordt gesteld dat het toekennen van de aangevraagde vergunning zal leiden tot een daling in de peilen van de Sokkel. Dit aspect wordt onder- steund door tal van theoretische technisch-wetenschappelijke beschouwingen waaruit zou moeten blijken dat de aangevraagde grondwaterwinning nefast zou zijn voor het peil van de grondwaterlagen en daardoor ook de kwaliteit van het grondwater. Er wordt hierbij niet ingegaan op de basisstelling van verzoekster zoals aangevoerd in het beroepschrift, met name dat de aangevraagde grondwaterwinning in de praktijk duidelijk geen nefaste invloed zal hebben op het peil van de grondwaterlagen en de kwaliteit van het grondwater. Dit is aangetoond met cijfermateriaal na metingen in het beroepschrift, wat mogelijk was daar de aangevraagde vergunningssituatie reeds twee jaar operationeel is via proefpompingen. De recente verhogingen van het door verzoekster opgepompte debiet hebben geen invloed op het algemene rustniveau van het Sokkelwater ter hoogte van het terrein van verzoekster en kennelijk ook niet ter hoogte van de meetnetpeilbuis van de afdeling Water van Aminal, daar hiervan anders wel gewag zou zijn gemaakt. Volgens het advies van de afdeling Water - dat de bestreden beslissing zich eigen maakt - zou ook de technische afwerking van de putten een belangrijke bedreiging vormen voor de grondwaterkwaliteit. De recent uitgevoerde peilbuizen die hier worden geviseerd hebben nochtans dezelfde technische uitvoering als de vroeger vergunde peilbuizen, zodat het rechtszekerheidsbegin- sel zich ertegen verzet dat deze nu in vraag worden gesteld. Ook de argumenten in verband met de beluchting van de diverse grondlagen en de zogenaamde kortsluiting houden geen steek. In het beroepschrift werd de huidige chemische kwaliteit van het grondwater vergeleken met de vroegere chemische kwaliteit. Na ongeveer 10 jaar pompen werd geen enkele kwaliteits- verslechtering vastgesteld. Op al deze pertinente argumenten werd in de bestreden beslissing niet afdoende geantwoord. Zij tonen nochtans aan dat de motieven van de bestreden beslissing niet deugdelijk zijn, want puur theoretisch en hypothetisch en tegengesproken door de feiten en de praktijk. De gehanteerde motieven vinden geen steun in de werkelijkheid, zijn niet gebaseerd op objectieve gegevens of stukken en zijn dus geenszins afdoende om een weigeringsbeslissing en een beslissing om als voorwaarde op te leggen dat bepaalde putten worden afgesloten, te kunnen schragen. Met betrekking tot het door verzoekster in haar beroepschrift aangereikte alternatief worden in de bestreden beslissing dezelfde kwalitatieve en kwantitatieve bezwaren in verband met het grondwater geuit. Hierboven is reeds aangetoond dat dit motief niet deugdelijk is. De beweringen zijn daarenboven foutief; het voorgestelde alternatief laat wel degelijk een winning toe, zij het uiteraard met een lager rendement. Verzoekster doet hiermee een belangrijke stap in de richting van het door de overheid voorgehouden voorzorgsbeginsel (art. 1.2.1. §2 Decreet 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid). Ter onderbouwing van haar stelling heeft VII-31.156-5/23 verzoekster daarenboven een studie toevertrouwd aan de Universiteit Gent, Laboratorium voor Toegepaste Geologie en Hydrogeologie (...). Daarnaast moet worden vastgesteld dat op een aantal argumenten aang- evoerd in het beroepschrift en tijdens de hoorzitting voor de gewestelijke milieuvergunningscommissie in het geheel niet wordt geantwoord in de bestreden beslissing, hoewel ze nochtans bijzonder pertinent zijn en niettegen- staande de bijzondere motiveringsplicht door art. 52, c, 2 van titel I van het Vlarem opgelegd. Zo is de motivering van de bestreden beslissing hoofdzakelijk opgebouwd rond de vermeende schadelijke gevolgen voor het peil en de kwaliteit van de diverse grondwaterlagen. De bestreden beslissing gaat echter niet in op het feit dat ingevolge de weigering van de uitbreiding van de grondwaterwinning, verzoekster als enig alternatief op korte termijn aangewezen is op water bedeeld via het openbaar distributienet of aangekocht water afkomstig uit een privé-winning uit Wallonië. Dit water is echter afkomstig uit dezelfde grondwaterlagen, met name de Landiaan en de Paleozoïsche Sokkel als wanneer het bij verzoekster zelf zou gewonnen worden. Voor de toestand van deze grondwaterlagen is er dus geen enkel verschil. Door op dit argument niet in te gaan, erkent de bestreden beslissing dat haar motieven niet houdbaar zijn. Hiermee hangt samen het argument van verzoekster dat de aanvullende grondwaterwinning slechts voor een beperkte duur vereist is van ongeveer drie jaar. Zoals in het beroepschrift aangehaald zullen er tegen dan immers alternatieven uitgewerkt kunnen worden, die overigens, blijkens de bestreden beslissing, op de instemming van de vergunningverlenende overheid kunnen rekenen en waarvoor gedeeltelijk reeds de nodige bouw- en milieuvergunning- en werden bekomen. Nu is aangetoond dat er de voorbije tien jaar zeker geen kwaliteitsvermindering is vast te stellen, zullen de bijkomende drie jaren geenszins tot gevolg hebben dat er plots wel een kwaliteitsaantasting zou komen. Verzoekster heeft ook aangevoerd dat uit art. 5.53.4.3. van Vlarem II volgt dat de peilmetingen voor grondwater dienen te gebeuren in een centraal gelegen peilput en niet in de pompput zelf. In strijd hiermee heeft de administratie de situatie steeds beoordeeld vanuit de metingen in de pompput, wat een verkeerd beeld geeft. Op dit argument is ook geen antwoord gekomen in de bestreden beslissing"; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord van oordeel is dat de verzoekende partij in feite de schending van artikel 52, 3/, b), van Vlarem I bedoelt en dat zij over de draagwijdte van voornoemd artikel het volgende opmerkt : "Het komt de verwerende partij voor dat de in de aangehaalde reglementaire bepaling omschreven motiveringsplicht afgebakend is door de aanspraken en de bezwaren die in het beroepschrift zijn opgenomen. Aanspraken en bezwaren die voor het eerst worden geformuleerd tijdens de hoorzitting dienen derhalve niet beantwoord te worden in de uitspraak over het beroep. Dit lijkt voor de hand liggend al was het maar omdat in voorkomend geval de adviesverlening zou uitgehold worden. Bovendien kan enkel een beroepindiener die ook aanvrager van de milieuvergunning is vragen om door de gewestelijke milieuvergunningscommissie gehoord te worden. Dit blijkt alleszins uit de bewoordingen van artikel 28, §4, van titel 1 van het Vlarem. VII-31.156-6/23 Het voorwerp van de in dit middel geuite kritiek is dan ook beperkt tot de vraag of het bestreden besluit op afdoende wijze de in het beroepschrift opgenomen bezwaren en aanspraken heeft tegemoetgekomen"; dat de verwerende partij vervolgens het administratief beroep samenvat en als volgt verder gaat : "In de bestreden beslissing wordt uitvoerig verwezen naar het advies van de afdeling Water dd. 24 juni 2003. Op de pagina's 11, 12 en 13 wordt het determinerend gedeelte van dit advies geciteerd. De lezing van dit citaat toont duidelijk aan dat de opgeworpen beroepsbe- zwaren op afdoende wijze in de bestreden beslissing werden beantwoord. Met betrekking tot het bezwaar aangaande de grondwaterpeilen verwijst de bestreden beslissing naar een publicatie van de Belgische Geografische Dienst. Zij motiveert verder 'In de jaren 1910-1920 zijn in het Landeniaan peilen rond 20 tot 30 mTAW gemeten, rond 1975 is 0 mTAW gemeten volgens deze BGD publicatie. Ondertussen is het Landeniaanpeil ter hoogte van NV Tardel gezakt tot -11 mTAW (put 6). De peilen zijn dus sinds de BGD publicatie nog steeds aan het zakken'. Met betrekking tot het bezwaar aangaande het stand-still principe verduide- lijkt de bestreden beslissing als volgt: 'Het stand-still principe moet ervoor zorgen dat een globale stijging van het waterpeil in de Sokkel verwezenlijkt wordt. In een straal van 5 km rond NV Tardel is ongeveer voor 50.000 m³/j vergund in de Sokkel, ongeveer 10.000 m³/j vergund in het Krijt en ongeveer 60.000 m³/j vergund in de Landeniaan. Deze cijfers maken abstractie van de vergunde debieten van NV Tardel. Ten eerste zal het toekennen van de aangevraagde vergunning leiden tot een daling van de peilen in de Sokkel (...)'. Het bezwaar dat het niet bewezen is dat er in de regio Ronse een probleem van overbemaling aanwezig is wordt in het aangevochten besluit als volgt weerlegd: 'Uit deze publicatie (van de BGD) en de peilmetingen uitgevoerd op de site van NV Tardel valt niet te ontkennen dat er zeer grote problemen zijn in de sokkel en het Landeniaan, en dat er wel degelijk sprake is van een overbemaling (...)'. Verzoeksters bezwaar dat er geen natuurlijke barrière aanwezig is tussen het Landeniaan en het Krijt wordt beantwoord als volgt: '(...) dat (...) de meeste geologen (zowel van de Belgische Geologische Dienst of BGD, Rijks Universiteit Gent of RUG, Vrije Universiteit Brussel of VUB, Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening of VMW) ervan uitgaan dat de bovenste delen van het Landeniaan watervoerend zijn en dat het onderste deel een slecht doorlatende laag is; dat in de meeste boorbeschrijvingen dit onderscheid moeilijk te maken is; dat dit onderscheid volgens de afdeling Water bij gekernde boringen wel te maken is (...)' Aangaande het bezwaar dat betrekking heeft op het kwaliteitsverlies van het ongepompte grondwater overweegt de bestreden beslissing verder dat de 'technische afwerking van de putten (vormt) een belangrijke bedreiging voor de grondwaterkwaliteit. De filters zijn zodanig geplaatst dat deze ofwel kortslui- ting tussen de lagen veroorzaakt of dat deze beluchting van de lagen toelaten. De lage peilen in werking en in rust in de pompputten liggen onder het dak van het Landeniaan (...) Hieruit blijkt dat in put 1 een permanente beluchting van het Landeniaan voorkomt. In de putten 7 en 9 worden de lagen belucht wanneer de pompen in werking zijn (...). Wanneer dit zich over grotere regio's voordoet heeft dit nefaste gevolgen voor de kwaliteit van het grondwater.' Ook het door verzoekster gedane alternatieve voorstel om de pompen uit de winningsputten 7, 8 en 9 af te stellen op -27 mTAW wordt in de bestreden VII-31.156-7/23 beslissing afdoend weerlegd: 'Zoals reeds eerder besproken zijn de putten zodanig afgewerkt dat er contacten bestaan tussen Landeniaan / Krijt en Sokkel. Om beluchting van de lagen te voorkomen moet er bij optimalisatie van de winning (...) ervan uitgegaan worden dat de peilen niet mogen zakken onder de bovenkant van de filters. Uit de metingen waarnaar in het beroepschrift verwezen wordt blijkt dat de gevraagde debieten onrealistisch zijn (...)'"; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord de stelling van de verwerende partij over de draagwijdte van artikel 52, 3/, b), van Vlarem I als volgt betwist : "Deze redenering van de verwerende partij houdt geen steek. Uit de tekst van art. 52, 3/,
  9. b)Vlarem I valt geenszins af te leiden dat enkel over de aanspraken en bezwaren geformuleerd in het beroepschrift een uitspraak moet worden gedaan. De rechten die deze bepaling verleent, moeten in het belang van de rechtsbescherming ruim worden geïnterpreteerd. Er is bijgevolg zeker geen reden om een engere interpretatie aan deze bepaling te geven dan er voortvloeit uit de tekst ervan. Daarenboven zou een dergelijke enge interpretatie ook moeilijk verzoenbaar zijn met de materiële motiveringsplicht. Wanneer voor de gewestelijke milieu- vergunningscommissie belangrijke argumenten naar voor worden gebracht, dan dienen die uiteraard in de te nemen beslissing te worden betrokken, ook al zijn ze niet in het bezwaarschrift aan bod gekomen. Indien dit niet het geval zou zijn, zou de materiële motiveringsplicht zwaar worden geschonden; de motivering zou dan immers in strijd zijn met de stukken van het dossier. Ook de rechtspraak van de Raad van State interpreteert de toepassing van art. 52, 3/,
  10. b)Vlarem I in dezelfde zin als in het verzoekschrift tot nietigverkla- ring aangegeven. In het arrest Claessens oordeelde de Raad van State immers precies dat een afdoende motivering vereist dat een antwoord wordt gegeven op de argumenten aangebracht in een nota voor de gewestelijke milieuvergun- ningscommissie waaruit moest blijken dat het weigeringsmotief geen steek houdt (R.v.St., Claessens, nr. 57.585, 18 januari1996; I. OPDEBEEK en A. COOLSAET, Formele motivering van bestuurshandelingen, Brugge, Die Keure, 1999, nr. 277). Het argument van de verwerende partij dat door ook rekening te houden met argumenten geuit tijdens de hoorzitting voor de gewestelijke milieuvergun- ningscommissie de adviesverlening wordt uitgehold, houdt geen steek. De adviesverlenende instanties zetelen immers allen in de gewestelijke milieuver- gunningscommissie. Bovendien moet ook de gewestelijke milieuvergunnings- commissie uiteindelijk een advies verlenen en dit advies is belangrijk in de ganse procedure. Daarenboven kan de redenering van de verwerende partij ook worden omgekeerd: indien tijdens de hoorzitting enkel voorlezing mag worden gegeven van wat in het beroepschrift is aangevoerd, waartoe dient de hoorzit- ting dan nog? Het feit dat enkel de aanvrager van de milieuvergunning kan vragen om te worden gehoord door de gewestelijke milieuvergunningscommissie, is evenmin een bezwaar, daar deze procedure geen procedure is die op tegenspraak moet worden gevoerd. Er is m.a.w. geen enkel argument om de toepassing van art. 52, 3/,
  11. b)Vlarem I te beperken tot de aanspraken en bezwaren aangevoerd in het beroepschrift"; dat zij in verband met de inhoud van de motivering het volgende repliceert : VII-31.156-8/23 "(...) zelfs als men deze enge visie van de verwerende partij volgt, moet nog steeds worden vastgesteld dat niet afdoende wordt geantwoord op de aanspra- ken en bezwaren van verzoekster. Zo wordt er nog steeds niet afdoende geantwoord op de argumenten dat er geen negatieve invloed is op het niveau van de grondwatertafel, dat uit eigen controles blijkt dat de kwaliteit van het grondwater niet verslechterd is, wordt het alternatief ten onrechte van de hand gewezen enz. Zo verwijst de memorie van antwoord (p. 13, al. 1) naar een publicatie van de Belgische Geografische Dienst. Uit dezelfde studie volgt evenzeer - en we citeren hier de bestreden beslissing - dat er geen sterke wijziging van de Sokkelpeilen te zien is in de laatste tien jaar. Het beroep tot nietigverklaring heeft betrekking op de winningen in de Sokkel (put 7, 8 en 9) en niet op put 1 of 2 (Landeniaan) die inmiddels zijn afgedicht conform de richtlijnen van Aminal Afdeling Water. De gegeven motivering is bijgevolg niet relevant. De in de memorie van antwoord geciteerde verwijzingen (op p. 13, al. 2 en 3) naar de winningen in het Krijt en het Landeniaan doen niets ter zake en de uitspraak over de overbemaling is niet onderbouwd gelet op (wat) hierboven is gezegd m.b.t. de Sokkelpeilen. Voor de overige waterlagen is de uitspraak niet relevant daar het beroep tot nietigverklaring daarop geen betrekking heeft. De argumentatie in de memorie van antwoord op pag. 13, al. 4 en 5 is evenmin relevant daar het beroep tot nietigverklaring geen betrekking heeft op de Landeniaanwinning (put 1 en 2). Wat de laatste alinea betreft moet daarenboven worden opgemerkt dat de argumentatie van de verwerende partij ongestaafd blijft voor de Sokkelwinningen. Verzoekster betwist de beluchtings- theorie en de analyseresultaten bewijzen dat deze betwisting terecht is. De bevoegde minister heeft deze analyseresultaten echter ten onrechte naast zich neergelegd. Daarom werd aan de Universiteit Gent, meer bepaald aan het Laboratorium voor Toegepaste Geologie en Hydrogeologie, een studie toevertrouwd om hierover op een objectieve manier een uitspraak te doen. Verder meent de verwerende partij in de memorie van antwoord (pag. 13 al. 6) dat het door verzoekster gedane alternatieve voorstel afdoende werd weerlegd in de bestreden beslissing door te stellen dat de gevraagde debieten onrealistisch zijn. Dit kan eenvoudig worden weerlegd, daar wat hier 'onrealis- tisch' wordt genoemd vandaag in de praktijk nog steeds wordt gerealiseerd"; 2.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie met betrekking tot het grondwaterpeil nog stelt dat de doelstelling van het bestreden besluit, met name de stijging van het waterpeil tot boven het dak van het Krijt, wel degelijk gerealiseerd is door het alternatief dat zij op de Gewestelijke Milieuvergun- ningscommissie heeft voorgesteld en dat mogelijk werd door de zeer specifieke hydrogeologische situatie van de Sokkel- en Krijtformatie te Ronse, dat deze informatie tevens werd meegedeeld in het beroepschrift tegen de beroepen beslissing en werd bevestigd door de studie uitgevoerd door professor WALRAEVENS van de Universiteit Gent, dat de historische verbetering van het waterpeil overigens ook reeds duidelijk af te leiden was uit de documenten van de vergunningsaanvraag ingediend bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen, dat vandaag het waterpeil ruim boven het dak van het Krijt is, dat overeenkomstig de voornoemde studie ook met de pompen in werking de daling van het peil wordt VII-31.156-9/23 beperkt, dat op iets verdere afstand van het terrein van de verzoekende partij een peil wordt opgetekend van + 1,5 mTAW, dat dit peil sinds de metingen van 1999 traag maar duidelijk aan het stijgen is, dat de piekdaling hierbij onverklaarbaar en niet relevant is, dat de doelstelling van de bestreden beslissing dus ook bij het verdere exploiteren van de Sokkelwinningen wordt gerealiseerd, dat duidelijk is gebleken dat de genoemde alternatieve bevoorradingen binnen een straal van vijf kilometer wel degelijk hetzelfde watersysteem aanspreken en een aanzienlijk grotere impact op het waterpeil hebben dan de door haar gevraagde vergunning, met name : "- Stadswater Stad Ronse (TMVW) op ca. 1,5 km: 1.365.000 m3/j (...). Ondanks deze gigantische winningen blijft het niveau van het sokkelwater stijgen (...). - Hierbij worden dan nog de winningen net over de taalgrens op ca. 3 km gelegen van Tardel buiten beschouwing gelaten", dat de alternatieven niet langer actueel zijn, dat het alternatief voor de Sokkelwater- winning die de verzoekende partij in 2003 voor ogen had, met name de recuperatie van effluent van afvalwaterzuivering, nog steeds in onderzoek is en de eerste resultaten niet gunstig zijn, dat ook het tweede alternatief, met name de grondwater- winning uit ondiepe lagen, niet realiseerbaar blijkt nu het stuit op vergunningstech- nische bezwaren op stedenbouwkundig vlak, dat de mogelijkheid om grondwater te winnen uit de Sokkel dus van vitaal belang blijft; Overwegende dat de verzoekende partij inzake de kwaliteit van het grondwater in haar laatste memorie nog uiteenzet dat zij reeds in het administra- tief beroep tegen de beroepen beslissing heeft aangetoond dat de theoretische beschouwingen over de kwaliteit van het grondwater en de theoretische bedreiging- en niet opgaan, dat zij de theoretische motieven heeft weten te weerleggen aan de hand van de werkelijkheid, dat dit mogelijk was omdat de situatie waarvoor de vergunning werd gevraagd reeds twee jaar operationeel was via proefpompingen, dat deze concrete gegevens niet zomaar kunnen worden weggewuifd met de boude bewering dat de theoretische stelling zich toch zou kunnen voordoen, dat ook wat de winningsputten betreft, het een raadsel blijft hoe dezelfde technische uitvoering in het ene geval, bij een eerdere vergunning, de kwaliteit van het grondwater niet in het gedrang zou brengen, en in het andere geval, naar aanleiding van de thans aangevraagde vergunning, wel, dat het hier uiteraard gaat over winningsputten, dat het echter niet ongebruikelijk is om stalen voor het bepalen van de waterkwaliteit in een peilbuis te nemen die zich in of naast de winningsput bevindt, dat de kwestieuze vergunningen wel degelijk werden voorgelegd, aangezien ze zijn opgenomen in de milieuvergunningsaanvraag welke werd ingediend bij de VII-31.156-10/23 bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen, dat in die milieuvergunningsaanvraag wel degelijk analyses waren opgenomen van de putten 7, 8 en 9, de Sokkelwinningen waarover het hier gaat, dat de putten 4 en 5 in het beroepschrift werden gebruikt omdat hiervoor relevante historische analysereeksen beschikbaar waren, dat de putten 4 en 5 de initieel vergunde Sokkelwaterwinningen waren, met dezelfde uitvoering als de kwestieuze putten 7, 8 en 9, dat de samenle- zing van al deze analyses duidelijk bewijst dat er ingevolge de door de afdeling Water beweerde "kaduke" uitvoering van de winningsputten op vijftien jaar tijd geen kwalitatieve aantasting van het water is opgetreden, dat zij wel degelijk argumenten heeft ingebracht tegen het bestreden besluit met betrekking tot het peil van het water met de pompen in werking, met name door te verwijzen naar de voornoemde studie van professor WALRAEVENS; 2.1.5. Overwegende dat voor de weigering van de waterwinning uit de diepe putten 7, 8 en 9 het bestreden besluit een dubbel weigeringsmotief geeft; dat, ten eerste, het waterpeil in de betreffende grondwaterlaag te laag is; dat, ten tweede, de technische uitvoering van de putten een bedreiging vormt voor de kwaliteit van het grondwater; dat het bestreden besluit dit als volgt samenvat : "Overwegende dat de NV Tardel verschillende diepe pompputten heeft op haar bedrijfsterrein, die gemeld werden voor proefpompingen, maar die nooit specifiek vergund werden als winningsputten; dat de hydrologische situatie van het Landeniaan en de Sokkel in Ronse, volgens de afdeling Water en zoals hiervoor ook verder toegelicht, slecht tot uiterst slecht zijn; dat de peilen zich nabij of onder de top van de lagen bevinden en de doorlatendheden van de lagen gering zijn; dat de putten van Tardel technisch gezien niet goed geïnstal- leerd zijn (mogelijkheid tot beluchting, kortsluiting); dat de aangevraagde oppompdebieten een belangrijke rol spelen in de regionale context; dat de gevraagde uitbreiding qua grondwaterwinning uit de diepere waterlagen (zowel uit het Landeniaan als uit de Sokkel) in contrast staat met het stand-still principe (...)"; 2.1.5.1. Overwegende dat, wat het grondwaterpeil betreft, de verzoekende partij in haar administratief beroep heeft aangevoerd dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen niet aantoont dat er in de regio een overbemaling is uit de Sokkel, dat er in de regio slechts zes winningen uit de Sokkel zijn vergund, voor in totaal 52.107 m³/jaar, dat uit een studie een daling met twintig meter sinds 1910 - 1930 blijkt, met een stabilisatie in de jaren '80, dat er op het bedrijfsterrein sinds 1987 een stijging is van zowat achttien meter en dat ook tijdens het pompen de grondwatertafel boven het dak van de Sokkel blijft, behalve in de putten zelf; dat hier wordt aan toegevoegd dat de diepe waterwinning nog slechts VII-31.156-11/23 nodig zal zijn tot eind 2006 waarna de winning in reserve zou worden gehouden voor uitzonderlijke omstandigheden; dat bij het horen door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie daar vooral werd aan toegevoegd dat bij weigering van de diepe winning een beroep zou moeten worden gedaan op leidingwater van het openbaar net of van een privénet, waarvan het water uit dezelfde waterlagen afkomstig is; dat het bestreden besluit, wat betreft het grondwaterpeil, als volgt wordt gemotiveerd : "Overwegende dat volgens het advies van de afdeling Water van 24 juni 2003, uit onderzoek naar de diepe watervoerende lagen in West- en Oost-Vlaanderen door de RUG (laboratorium voor toegepaste geologie en hydrogeologie) blijkt dat om tot een duurzaam waterbeheer te komen in de diepe watervoerende waterlagen een afbouw van 75% van de huidige vergunningen in zowel de Sokkel als in het Landeniaan nodig is; Overwegende dat de NV Tardel in haar beroepschrift de ongunstige situatie van de diepe waterlagen in de regio van Ronse in vraag stelt; dat de afdeling Water in haar advies van 24 juni 2003, aangaande de specifieke situatie in de regio van Ronse het volgende aangeeft: 'Het stand-still principe moet ervoor zorgen dat een globale stijging van het waterpeil in de Sokkel verwezenlijkt wordt. In een straal van 5 km rond NV Tardel is ongeveer voor 50.000 m³/j vergund in de Sokkel, ongeveer 10.000 m³/j vergund in het Krijt en ongeveer 60.000 m³/j vergund in het Landeniaan. Deze cijfers maken abstractie van de vergunde debieten van NV Tardel. Ten eerste zal het toekennen van de aangevraagde vergunning leiden tot een daling van de peilen in de Sokkel (peil in peilput van primair meetnet in Ronse ongeveer 65 m-mv (meter onder maaiveld), zie verder). Ten tweede is NV Tardel in de regio (straal 5 km, oppervlakte 78,5 km²) de grootste grondwaterwinner. Het toekennen van dergelijk debiet aan NV Tardel hypothekeert het stand-still principe aangezien

(1)het onmogelijk wordt om in de regio Ronse tot een verbetering van de peilen te komen en
(2)omdat de weinige 'speling (verschuiving van debieten)' waarvan het bedrijf wil gebruik maken via hun regi- o-benadering de bedrijven in diezelfde regio benadeelt bij hun toekomsti- ge vergunningsaanvragen. De afdeling water beschikt in Ronse over 1 peilput. De peilput is inderdaad niet aanwezig in het DOV (Databank Ondergrond Vlaanderen). Uit onze metingen blijkt dat de peilen zeer licht stijgen maar toch 65 m-mv staan (iets minder dan 0 mTAW). Uit het aanvraagdossier blijkt dat de rustpeilen in de Sokkel bij NV Tardel ongeveer -11 mTAW bedraagt (NV Tardel dichter bij centrum van regionale depressietrechter gelegen). In vergelijking met de publicatie van de BGD (Belgisch Geologische Dienst) (1992, Evolutie van de stijghoogten in het Landeniaan en de Sokkel vanaf de eeuwwisseling tot 1986) waar naar verwezen wordt is geen sterke wijziging van de Sokkelpeilen te zien in de laatste 10 jaar. Uit deze publicatie en de peilenmetingen uitgevoerd op de site van NV Tardel valt niet te ontkennen dat er zeer grote problemen zijn in de Sokkel en het Landeniaan, en dat er wel degelijk sprake is van een overbemaling van de Sokkel en het Landeniaan. (...) Uit bovenstaande, nl. het gewicht van NV Tardel i.v.m. het vergunde debiet in de regio, de stabilisatie van het Landeniaan- en Sokkelpeil op een ongunstig niveau en de technische inrichting van de putten, kan VII-31.156-12/23 besloten worden dat een uitbreiding van de bestaande winning in Landeniaan en Sokkel de doelstelling om het peil tot boven het dak van het Krijt te doen stijgen onmogelijk realiseerbaar maakt (doelstelling uit Mina-jaarrapport in kader van actie 70 uit Milieubeleidsplan) (...)'"; dat wordt aangevoerd dat niet werd geantwoord op de argumentatie van de verzoekende partij dat er in de praktijk geen daling van de grondwatertafel optreedt; dat het bestreden besluit evenwel niet eenvoudig als doelstelling naar voor schuift dat het waterpeil niet verder mag zakken, maar wel dat het bestaande verlaagde peil opnieuw moet stijgen; dat de vraag of er een evenwicht is tussen het gevraagde op te pompen debiet en de aanvoer van vers grondwater, in het licht daarvan niet doorslaggevend is; dat er tevens wordt aangevoerd dat niet wordt geantwoord op het voor de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie aangevoerde argument dat het enige alternatief het gebruik van water is uit het openbare distributienet, of vanuit Wallonië en dat dit water uit dezelfde waterlagen komt, zodat de weigering aan de verzoekende partij geen oplossing biedt; dat de bestreden beslissing onder meer overweegt : "dat zowel het Landeniaan, het Krijt als de Paleozoïsche sokkel afgesloten waterlagen of gespannen waterlagen zijn, zijnde waterlagen onder druk waarbij het evenwicht tussen winning en voeding dient in acht te worden genomen; dat in het Mina-plan van de Vlaamse regering aangegeven wordt dat naast het beleid voor het tegengaan van verspilling, het noodzakelijk is sturend op te treden om hoogwaardig water te behouden voor hoogwaardige toepassingen (toepassingen die de goede waterkwaliteit vereisen); dat de toelaatbaarheid van nieuwe grondwaterwinningen per vergunning moet beoordeeld worden op basis van de lokale draagkracht van het watersysteem; dat het gebruik van regenwater of hergebruik van afvalwater dient te worden gestimuleerd; dat aktie 70 van het Mina-plan bepaalt dat er inzake grondwaterwinningen een stand-still principe dient gehanteerd te worden (...)"; dat, aangezien wordt gewezen op de beoordeling van de lokale draagkracht van het watersysteem, de eventuele aanvoer van Sokkelwater uit Wallonië weinig relevant is; dat de verzoekende partij de afkomst van het water uit het openbare distributienet niet specifieert, maar in haar administratief beroep zelf stelt dat er in de regio slechts zes winningen uit de Sokkel vergund zijn, voor in totaal 52.107 m³/jaar; dat het water van het openbare distributienet bijgevolg evenmin uit de regio afkomstig is, of minstens niet uit de Sokkel; dat verder in het bestreden besluit andere alternatie- ven worden vermeld, die de verzoekende partij zelf heeft aangebracht : "Overwegende dat de NV Tardel in de aanvraag aangeeft verdere maatrege- len te nemen om de sokkelwinningen te beperken: - er zal nagegaan worden in hoeverre de ondiepe winningen kunnen worden uitgebreid op meer westelijk gelegen percelen (timing: 2003-2004; verhoopt resultaat: 75.000 m³/j); VII-31.156-13/23 - de NV Tardel zal samen met het buurbedrijf de NV Van Coppenolle een afvalwaterzuiveringsinstallatie uitbaten; wanneer deze gerealiseerd is, zal aansluitend een studie gemaakt worden om het effluent van de installatie verder te zuiveren zodat het bruikbaar wordt als proceswater (timing: 2005-2006; verhoopt resultaat: 200.000 m³/j gerecycleerd water zodat sokkelwinning volledig op stand-by kan worden gezet); dat deze maatregelen volledig in de lijn liggen van de doelstellingen van het Milieubeleidsplan, en bijgevolg zo snel mogelijk dienen te worden uitgevoerd; Overwegende dat er, gelet op de ingebruikname van de eigen waterzuive- ringsinstallatie, ook moet worden onderzocht welke mogelijkheden er bestaan om het gezuiverde effluent mits bijkomende behandeling te hergebruiken (...)"; dat ten slotte ook wordt aangevoerd dat niet is geantwoord op het argument dat de winning uit de diepe putten nog slechts voor een korte periode nodig is; dat inderdaad in het bestreden besluit daarop niet expliciet wordt geantwoord; dat de motiveringsplicht niet zo ruim is dat moet worden geëxpliciteerd waarom niet tijdelijk wordt afgeweken van een duidelijk vooropgestelde beleidsdoelstelling, met name de standstill; 2.1.5.2. Overwegende dat, wat de kwaliteit van het opgepompte water betreft, de verzoekende partij in het administratief beroep een tabel heeft voorgelegd met analyses uit 1995 en 2001 van het water uit put 4, en meer beperkte gegevens uit 1997 uit put 5; dat hieruit moet blijken dat de kwaliteit van het water niet is aangetast; dat ondergeschikt wordt voorgesteld de pompen zo in te stellen dat ook in de putten zelf het water steeds boven het dak van de Sokkel blijft; dat het bestreden besluit, wat de kwaliteit van het grondwater betreft, als volgt wordt gemotiveerd : "De technische afwerking van de putten vormen een belangrijke bedreiging voor de grondwaterkwaliteit. De filters zijn zodanig geplaatst dat deze ofwel kortsluiting tussen de lagen veroorzaakt of dat deze beluchting van de lagen toelaten. De lage peilen in werking en in rust in de pompputten liggen onder het dak van het Landeniaan dat zich hier op een diepte van -6 mTAW bevindt (de top van het Krijt op -21 mTAW en de top van de Sokkel op -33 mTAW) . De putten 1, 7 en 9 hebben filters vanaf - 9 mTAW, - 21 mTAW en - 13 mTAW tot in de Sokkel. De respectievelijke rustpeilen in deze putten bedragen -13 mTAW, -11 mTAW en -11,4 mTAW. De peilen in werking bedragen respectievelijk -21 mTAW, -73 mTAW en put 9 is ongekend in dossier. Hieruit blijkt dat in put 1 een permanente beluchting van het Landeniaan voorkomt. In de putten 7 en 9 worden de lagen belucht wanneer de pompen in werking zijn. Het peil in put 2a (niet kortgesloten Landeniaan put) staat op 1 mTAW, enkele meter boven het dak van het Landeniaan. Het voorkomen van rustpeilen onder het dak van 'gespannen' watervoerende lagen kan onmogelijk als een 'niet overbemalen toestand' beschouwd worden. Wanneer dit zich over grotere regio's voordoet heeft dit nefaste gevolgen voor de kwaliteit van het grondwa- ter. Dit moet ten allertijde vermeden worden. Kwaliteitsveranderingen in diepe watervoerende lagen zijn quasi onomkeerbaar. VII-31.156-14/23 (...) Het alternatief dat door NV Tardel is uitgewerkt gaat uit van het beperken van de verlaging in de pom(p)putten tot het dak van de Sokkel. Zoals reeds eerder besproken zijn de putten zodanig afgewerkt dat er contacten bestaan tussen Landeniaan/Krijt en Sokkel. Om beluchting van de lagen te voorkomen moet er bij optimalisatie van de winning (om dus geen beluchting te krijgen) ervan uitgegaan worden dat de peilen niet mogen zakken onder de bovenkant van de filters. Uit de metingen waarnaar in 5.1.2. en 5.1.3 van het beroepschrift verwezen wordt blijkt duidelijk dat de aangevraagde debieten onrealistisch zijn. Dalingen van 70 m in een pompput duiden erop dat deze putten ongeschikt zijn om water uit te pompen aan deze debieten (- 75 mTAW in put 8 bij 14,5 m³/uur - minstens Krijt/Sokkel-winning; - 25 mTAW in put 8 bij 13 m³ /uur - minstens Krijtwinning). Zoals (...) de publicatie van de BGD stelde zijn de doorlatendhe- den van de Sokkel uiterst klein waardoor deze uiterst grote verlagingen optreden (en het schrijnend karakter van het Sokkelniveau verduidelijkt wordt)"; dat in het verzoekschrift wordt gesteld dat de thans geviseerde "peilbuizen" dezelfde technische uitvoering hebben als "de vroeger vergunde peilbuizen", "zodat het rechtszekerheidsbeginsel zich ertegen verzet dat deze nu in vraag worden gesteld", dat uit de praktijk blijkt dat er geen achteruitgang van de kwaliteit is na ongeveer tien jaar pompen, en dat ten slotte : "Met betrekking tot het door verzoekster in haar beroepschrift aangereikte alternatief worden in de bestreden beslissing dezelfde kwalitatieve en kwantitatieve bezwaren in verband met het grondwater geuit. Hierboven is reeds aangetoond dat dit motief niet deugdelijk is. De beweringen zijn daarenboven foutief; het voorgestelde alternatief laat wel degelijk een winning toe, zij het uiteraard met een lager rendement. Verzoekster doet hiermee een belangrijke stap in de richting van het door de overheid voorgehouden voorzorgsbeginsel (art. 1.2.1. §2 Decreet 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid). Ter onderbouwing van haar stelling heeft verzoekster daarenboven een studie toevertrouwd aan de Universiteit Gent, Laboratorium voor Toegepaste Geologie en Hydrogeologie (...)"; dat een ooit verleende vergunning niet, in naam van de rechtszekerheid, een automatisch recht verleent op een latere gelijkaardige vergunning; dat elke vergunningsaanvraag op zijn eigen verdienste moet worden beoordeeld, in de gegeven situatie, en in het licht van de actueel geldende technische normen, mogelijkheden en inzichten; dat de analyses waarop de verzoekende partij zich beroept niet de putten betreffen waarover het hier gaat, en dat uit het gegeven dat een bepaalde bedreiging zich nog niet heeft gerealiseerd, bezwaarlijk kan worden geconcludeerd dat het risico niet reëel is; dat tegenover het voorgestelde alternatief om de pompen zo af te stellen dat het peil in de pompputten boven het dak van de Sokkel blijft (- 27 mTAW), het bestreden besluit opmerkt dat het peil boven de bovenkant van de filters zou moeten blijven om beluchting te voorkomen, en dat deze filters zich bevinden op - 21 mTAW in put 7 en op - 13 mTAW in put 9; dat VII-31.156-15/23 de verzoekende partij hiertegen geen enkel argument inbrengt; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de motiverings- wet en van de materiële motiveringsplicht, doordat de bestreden beslissing, door een beroep te doen op het standstillprincipe, de verzoekende partij bij voorbaat uitsluit voor een bijkomende grondwaterwinning door deze uitbreidingen voor te behouden aan niet nader genoemde andere bedrijven met hun mogelijke, toekomstige vergunningsaanvragen terwijl de grondwettelijke regels van gelijkheid en niet-discriminatie zich ertegen verzetten dat de verzoekende partij, in vergelijking met andere bedrijven die zich in een gelijkaardige positie bevinden, fundamenteel verschillend wordt behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat, en terwijl de formele en de materiële motiveringsplicht worden geschonden doordat het standstillprincipe geen deugdelijk motief is dat de bestreden beslissing kan schragen; dat zij het middel als volgt toelicht : "In de bestreden beslissing wordt aangevoerd dat verzoekster in de regio de grootste grondwaterwinner is, wat de toepassing van het stand-still principe zou hypothekeren en wat de andere bedrijven in de regio zou benadelen. Er wordt onverbloemd gesteld dat via de regio-benadering - de stand-still beoordeling in functie van een ganse regio - andere bedrijven in de toekomst zullen worden benadeeld. De bestreden beslissing zegt dus voor de uitbreiding van grondwa- terwinning de voorkeur te geven aan andere bedrijven die nog niet eens een milieuvergunningsaanvraag hebben ingediend, met als argument dat verzoek- ster nu de grootste is. Het is duidelijk dat dit motief het gelijkheidsbeginsel miskent. Het grootste bedrijf zijn of de grootste vergunde activiteit hebben in een bepaalde sector, in casu grondwaterwinning, is geen objectieve maatstaf om naar de toekomst toe het bedrijf (
  1. in)kwestie te discrimineren en dus elke groei verder uit te sluiten. Daarenboven is er sprake van een totale wanverhouding tussen deze discriminatie en het beoogde doel: het doel is immers de kwaliteit van het grondwater en daaraan verandert niets of dat grondwater nu door verzoekster wordt gewonnen of door een ander bedrijf in de regio. De bestreden beslissing maakt hier dus een loutere opportuniteitsoverweging door te oordelen dat verzoekster nu al wel genoeg grondwater wint en de rest voorbehouden moet worden voor andere bedrijven die zich blijkbaar niet eens hebben aangediend, minstens niet worden vernoemd in de bestreden beslissing, wat een bijkomende schending van de motiveringsplicht uitmaakt. Het stand still principe is evenmin een deugdelijk motief en kan de bestreden beslissing niet schragen. Het doortrekken van de stand-still redenering zou met zich brengen dat in de grensstreek Vlaanderen-Wallonië en Vlaanderen-Frankrijk aan Vlaamse zijde geen enkele winning meer mogelijk is, daar in Wallonië en Frankrijk zonder enige beperking Sokkelwater wordt gewonnen. Als er in de grensstreek van Ronse al een probleem zou zijn met de daling van de waterlagen, dan moet(
  2. en)de oorzaak ervan en de remedie ervoor niet in Vlaanderen, maar in Wallonië en Frankrijk worden gezocht. Dit houdt in dat het motief geen steek houdt, door de grondwaterwinning niet grensover- VII-31.156-16/23 schrijdend te benaderen, terwijl de grondwaterlagen niet door territoriale grenzen zijn afgebakend. Ook de grondwatermodellering uitgevoerd door de Universiteit van Gent, Laboratorium voor Toegepaste Geologie en Hydrogeologie waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen en waaruit volgt dat 75 % van alle bestaande winningen in Vlaanderen geschrapt zouden moeten worden, houdt geen rekening met de winningen in Wallonië en Frankrijk. Mocht dit wel het geval zijn, dan is niet uit te sluiten dat men vaststelt dat zelfs met 100 % schrapping van de Vlaamse winningen, het gewenste niveau van de Sokkelwa- terlaag nog niet bereikt zou worden. De overheid baseert haar beslissing dan ook op onvolledige technisch-wetenschappelijke informatie en dus op ondeugdelijke motieven die niet door juiste en concrete gegevens worden ondersteund. Zowel de formele als de materiële motiveringsplicht worden hierdoor geschonden"; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord vooreerst de betreffende passage uit het bestreden besluit citeert en dan als volgt vervolgt : "De vorenstaande overweging schendt geenszins het gelijkheidsbeginsel, laat staan dat de bestreden beslissing uitsluitend geadstrueerd is op deze reden- geving. Immers het gelijkheidsbeginsel zou slechts geschonden zijn wanneer andere, met verzoekster vergelijkbare inrichtingen, spijts het stand-still principe wel een uitbreiding van hun grondwaterwinning zou(den) bekomen. Dit is echter niet het geval, integendeel. Het is juist omwille van de zeer grote uitbreiding (van 12.000 m3 per jaar naar 295.000 m³ per jaar) die door verzoekster gevraagd wordt en in acht genomen het stand-still principe dat het toekennen ervan niet alleen zal leiden tot een daling van de peilen in de Sokkel doch tevens zeker niet meer zal toelaten om bijkomend grondwaterdebiet aan andere bedrijven te vergunnen"; dat zij met betrekking tot de feitelijke draagkracht van het standstillbeginsel als weigeringsmotief, het volgende antwoordt : "De verzoekende partij lijkt ook de wetenschappelijke juistheid van de grondwatermodellering uitgevoerd door de Universiteit, Laboratorium voor Toegepaste Geologie en Hydrogeologie en waaruit blijkt dat, om tot een duurzaam waterbeheer te komen, 75% van alle bestaande winningen in Vlaanderen in de Sokkel als in het Landeniaan dienen afgebouwd te worden, sterk in vraag stellen omdat 'geen rekening met de winningen in Wallonië en Frankrijk' werd gehouden zodat deze stukken en derhalve ook de bestreden beslissing berust op onvolledig en onjuiste gegevens en dienvolgens op ondeugdelijke motieven. Dit onderdeel van het tweede middel mist de rechtens vereiste feitelijke grondslag. In tegenstelling tot wat verzoekster beweert (en echter niet bewijst) werd bij de grondwatermodellering van de diepe watervoerende lagen in West- en Oost-Vlaanderen wel rekening gehouden met winningen in Wallonië en Frankrijk. In het advies dd. 24 juni 2003 van de afdeling Water van de AMINAL wordt uitdrukkelijk verwezen naar de niet technische samenvatting die in bijlage is gevoegd. In dit document (zie pagina 3: 'MODELGEBIED EN NETWERK') is vermeld dat het gemodelleerde gebied niet enkel de provincie West- en Oost-Vlaanderen omvat maar ook delen van Noord-Frankrijk in het VII-31.156-17/23 zuidwesten, van Wallonië in het zuiden, van Brabant in het oosten en van Nederland in het noorden. Zelfs een deel van de Noordzee valt in het noordwes- ten binnen het model. Op de figuur 1 van dit document is trouwens de ligging van het modelgebied afgebakend"; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord vooreerst verduidelijkt en rechtzet dat er tot november 2000 een vergunning voor Sokkelwaterwinning was voor 50.000 m3/j en dat voor de bestreden beslissing een vergunning was aangevraagd van 150.000 m3/j Sokkelwater, dat het dus geen gigantische stijging van 12.000 m3/j naar 295.000 m3/j betreft, zoals de verwerende partij het voorstelt; dat zij voorts stelt dat de verwerende partij meent dat er slechts sprake zou zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel wanneer andere vergelijkbare inrichtingen wel een uitbreiding van de waterwinning zouden bekomen, dat deze redenering in het licht van het doel van de maatregel niet opgaat, dat het streefdoel immers is de kwaliteit van het grondwater beschermen, dat het hiervoor irrelevant is of het grondwater wordt gewonnen door de verzoekende partij dan wel door een ander bedrijf uit de regio, dat de grootte van het bedrijf, met het oog op de kwaliteit van het grondwater, immers irrelevant is, dat het overigens niet realistisch is te veronderstellen dat andere nieuwe bedrijven zich in de regio zouden vestigen die Sokkelwater nodig zouden hebben, dat het gelijkheidsbeginsel in die zin wordt geschonden dat andere textielbedrijven, gelegen in regio's waar de toestand van het peil van het Sokkelwater veel slechter is, wel nog vergunningen krijgen voor de debieten waarvoor ze vergund waren, dat het feit dat het te winnen grondwaterde- biet snel zal zijn uitgeput, een gevolg is van het beleid van de verwerende partij, doch niet van de houding van de verzoekende partij, dat het voor de kwaliteit van het grondwater irrelevant is of het debiet door enkele grotere, dan wel door vele kleine bedrijven wordt gewonnen; 2.2.4. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie nog opmerkt dat het bestreden besluit de verwijzing naar de andere bedrijven in de regio en de voorrang voor die andere bedrijven die hieruit blijkt, heeft gehaald uit het advies van de afdeling Water, dat de verwerende partij zich dit motief eigenmaakt, dat een individuele grondwaterwinning onmogelijk het waterpeil van de gehele Sokkel kan beïnvloeden, dat een algemene afbouw van 75 % van de vergunde capaciteit en/of een algemeen standstillbeginsel zonder specifieke locale situaties te analyseren, dan ook niet opgaan; 2.2.5. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord een andere inhoud geeft aan de ingeroepen schending van het VII-31.156-18/23 gelijkheidsbeginsel dan eerder is gebeurd in haar verzoekschrift; dat waar het in haar verzoekschrift gaat om een vergelijking met "andere bedrijven in de regio" "die nog niet eens een milieuvergunningsaanvraag hebben ingediend", het in de memorie van wederantwoord als volgt luidt : "Het gelijkheidsbeginsel wordt in die zin geschonden dat andere textielbe- drijven, gelegen in regio's waar de toestand van het peil van het Sokkelwater veel slechter is, wel nog vergunningen krijgen voor de debieten waarvoor ze vergund waren"; dat dit een nieuw middel betreft, dat niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in de memorie van wederantwoord kan worden aangevoerd; dat bovendien geen enkel voorbeeld wordt gegeven van dergelijke aan andere textielbedrijven verleende vergunningen, en er in het licht van een standstill een wezenlijk verschil is tussen enerzijds hernieuwingen van vergunningen en anderzijds uitbreidingen van vergunningen; Overwegende dat de schending van het gelijkheidsbeginsel, zoals aangevoerd in het verzoekschrift, niet gegrond is; dat de gewraakte passage in de motivering, die deel uitmaakt van het erin weergeven advies van de afdeling Water, een antwoord is op een door de verzoekende partij voorgestelde verschuiving van vrijgekomen debieten binnen een regionale standstill; dat evenwel niet blijkt dat er effectief een voorheen vergund debiet is vrijgekomen in de regio, dat zou kunnen worden aangewend om de gevraagde uitbreiding te vergunnen binnen een regionale standstill; dat de gewraakte passage dan ook geen weigeringsmotief vormt, maar een voor de vergunningsaanvraag irrelevant antwoord is op een hypothetische vraag; dat het feit dat het standstillbeginsel niet op correcte feitelijke gegevens zou zijn gebaseerd, door de verwerende partij afdoende wordt weerlegd; dat de verzoekende partij daar overigens niets tegen inbrengt; dat men bezwaarlijk het Vlaamse Gewest kan verwijten dat het Waalse Gewest en de Franse overheid onvoldoende beper- kingen opleggen, in de veronderstelling dat dit het geval zou zijn; dat dit evenmin van de "Vlaamse standstill" een nutteloze maatregel maakt; dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de Sokkel geen ondergronds meer is, maar een laag rotsgesteen- te waarin water voorkomt in spleten; dat een waterwinning op een bepaalde plaats in de Sokkel niet zo maar een onmiddellijke weerslag heeft op het peil van de gehele Sokkel; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het derde middel de schending aanvoert van de zorgvuldigheidsplicht, doordat de adviesverlenende instanties het niet nodig vonden om de technische discussie ten gronde aan te gaan VII-31.156-19/23 met de adviserende grondwaterspecialisten van de verzoekende partij, terwijl de zorgvuldigheidsplicht de overheid verplicht bij het nemen van een beslissing, inzonderheid een beslissing die de bestuurde een nadeel berokkent, alle elementen in overweging te nemen en over te gaan tot een zorgvuldige feitenvinding; dat zij voorts uiteenzet dat de materie die aan de grondslag ligt van de gedeeltelijke weigering van de milieuvergunning technisch uiterst complex is, dat een goede feitenkennis in hoofde van de beslissende overheid dan ook cruciaal is, dat een tegensprekelijke technische discussie in een dergelijke materie dan ook is aangewezen in de loop van de vergunningsprocedure, zodat de beslissende overheid over de juiste gegevens beschikt om te kunnen beslissen, dat de adviesverlenende instanties het te dezen niet nodig hebben gevonden om deze discussie aan te gaan met de adviserende grondwaterspecialisten van de exploitant, dat het beroepschrift louter vanuit een administratieve invalshoek werd benaderd, zonder rekening te houden met de technische specificiteit van de locale situatie, dat dit een miskenning is van de zorgvuldigheidsplicht en de plicht tot zorgvuldige feitenvinding en besluitvorming; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij nalaat om in concreto aan te geven met welke feitelijke en/of technische onjuistheden door de vergunningverlenende overheid ten onrechte rekening werd gehouden en welke onjuiste besluitvorming dit tot gevolg heeft gehad, dat het niet volstaat om in vage en zeer algemene bewoordingen te beweren dat de bestreden beslissing op onjuiste feitelijke gegevens is gesteund zonder precies aan te duiden over welke feitelijkheden het gaat, dat in de loop van de vergunnings- procedure, de verzoekende partij de gelegenheid heeft gekregen om zulks te doen, dat zij immers werd gehoord door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, dat zij voor die commissie, na voorafgaandelijke kennisname van de uitgebrachte subadviezen, feitelijke onjuistheden kon aanklagen en desgevallend één en ander kon weerleggen aan de hand van documenten, dat de in het beroepschrift vermelde feitelijkheden en de feitelijke gegevens die door de verzoekende partij tijdens de hoorzitting werden voorgedragen, alle in de bestreden beslissing werden ontmoet en ook werden weerlegd, dat vele van deze feitelijke gegevens niet het voorwerp van enige betwisting uitmaken, dat er veeleer geen overeenstemming lijkt te zijn met betrekking tot de interpretatie van en de gevolgtrekkingen afgeleid uit deze feitelijke gegevens; 2.3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord nog opmerkt dat de feitelijke onjuistheden betrekking hebben op de VII-31.156-20/23 exacte constructie van de winningsputten en de vermeende "onrealistische" debieten waarvan sprake, dat de verwerende partij hier zichzelf tegenspreekt nu zij aanvaardt dat voor de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wel nieuwe elementen naar voor kunnen worden gebracht, terwijl zij die mogelijkheid bij de behandeling van het eerste middel nog tegensprak; 2.3.4. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie stelt dat de verwerende partij beschikt over een grondwatermodellering welke toelaat om te simuleren wat de invloed is van een nieuwe grondwaterwinning op het peil van het Sokkelwater, dat het gebruiken van dit model, waarbij de verzoekende partij kan toetsen of de gebruikte lokale inputparameters beantwoorden aan de realiteit, waarvan zij een betere kennis heeft dan de modelbouwers, alle verdere discussie zou hebben kunnen uitsluiten, dat de verwerende partij dit echter niet toelaat, dat de kans immers zeer groot is dat de modellering zou staven dat de gevraagde vergunning geen invloed heeft op het Sokkelwaterpeil, dat de verwerende partij zich dan niet meer kan "verstoppen" achter algemene principes en theoretische beschouwingen; 2.3.5. Overwegende dat het niet duidelijk is wat de verzoekende partij bedoelt met een "tegensprekelijke" "technische discussie ten gronde (...) met de adviserende grondwaterspecialisten van verzoekster"; dat evenmin duidelijk is of zij iets in die zin heeft voorgesteld, dan wel of zij meent dat de verwerende partij een initiatief in die zin had moeten nemen; dat het de aanvrager van een vergunning toekomt een behoorlijk gestaafde aanvraag in te dienen; dat het de aanvrager daarbij vrijstaat alle gewenste technische assistentie aan te wenden; dat het administratief beroep een nieuwe gelegenheid biedt om eventuele misvattingen te corrigeren; dat gedurende de hele afhandeling van de procedure, met inbegrip van de hoorzitting voor de vergunningscommissie, de aanvrager zich naar believen kan laten bijstaan door de technische deskundigen van zijn keuze; dat de verzoekende partij blijkbaar ook nog een technische hoorzitting had gewenst, naast alle mogelijkheden die reeds in de procedure zijn voorzien; dat niet valt in te zien welke mogelijkheden, die nog niet waren gegeven in de voorziene procedure, zo'n technische hoorzitting zou hebben kunnen geven; dat het argument van de verzoekende partij, ontwikkeld in haar laatste memorie, met betrekking tot een "grondwatermodellering welke toelaat om te simuleren wat de invloed is van een (nieuwe) grondwaterwinning op het peil van het sokkelwater", nieuw is, zodat het buiten beschouwing gelaten wordt; dat het derde middel niet gegrond is, VII-31.156-21/23 VII-31.156-22/23 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf februari tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-31.156-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.179 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.