← België

Arrest 190180 - Milieuvergunningen - 05/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.180 Rolnummer: A. 145272/VII-31239 Zaak: Arrest 190180 - Milieuvergunningen - 05/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-16 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 16:31 Fiche Arrest nr 190.180 van 5 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.180 van 5 februari 2009 in de zaak A. 145.272/VII-31.239. In zake : de NV DOMO OUDENAARDE, die woonplaats kiest bij advocaat D. RYCKBOST, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-84. tussenkomende partijen : 1. de VZW BOTERSTRAATACTIECOMITÉ, 2. Marc OTTEVAERE, die woonplaats kiezen bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te BRUGGE, Baron Ruzettelaan 27. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV DOMO OUDENAARDE op 15 december 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwer- king van 5 oktober 2003 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 20 maart 2003, houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan de verzoekende partij om een tapijtenfabriek, gelegen aan De Bruwaan 4 te Oudenaarde, verder te exploiteren en te veranderen door wijziging en uitbreiding, gedeeltelijk gegrond worden verklaard, de beroepen beslissing op enkele punten wordt gewijzigd en voor het overige wordt bevestigd; VII-31.239-1/18 Gelet op het arrest nr. 130.562 van 22 april 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 30 juni 2004 ingediend door de VZW BOTERSTRAATACTIECOMITÉ en Marc OTTEVAE- RE; Gelet op de beschikking van 2 juli 2004 die de tussenkomsten van de VZW BOTERSTRAATACTIECOMITÉ en Marc OTTEVAERE toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 21 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 december 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. LIPPENS die, loco advocaat D. RYCKBOST verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat P. VANDENDAEL die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. VAN DER FRAENEN die, loco advocaat A. LUST verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-31.239-2/18 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij exploiteert een tapijtenfabriek in Oudenaarde. De inrichting ligt volgens het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde grotendeels in industriegebied (gebied voor milieubelastende industrieën), en gedeeltelijk ook in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. In dat laatste gebied bevindt zich een deel van een verharding, zonder bouw- of stedenbouwkundige vergunning aangelegd, een deel van een magazijn, zonder bouw- of stedenbouwkundige vergunning opgetrokken, een tankinstallatie voor de LPG-tanks van vorkheftrucks met een bijhorende gastank van 4.850 liter, en een aantal putten voor grondwaterwinning. 1.2. Op 12 september 2002 dient de verzoekende partij een milieuver- gunningsaanvraag in ter hernieuwing van de aflopende (meermaals gewijzigde) vergunning, en ter uitbreiding ervan. 1.3. Op 20 maart 2003 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning grotendeels. Voor vier parameters worden de gevraagde lozingsnormen voor het bedrijfsafvalwater geweigerd (en vervangen door strengere). Er worden bijzondere vergunningsvoor- waarden opgelegd. 1.4. Er worden drie administratieve beroepen ingediend, onder meer door de tussenkomende partijen. Volgende adviezen worden verleend : (

  1. a)de Gezondheidsinspectie adviseert voorwaardelijk gunstig, de voorwaarden betreffen geurhinderbeperkende maatregelen; (
  2. b)de Vlaamse Milieumaatschappij verwijst naar haar in eerste aanleg gegeven advies; (
  3. c)de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert gedeeltelijk gunstig, te weten voor de onderdelen die stedenbouwkundig vergund zijn en binnen het industriegebied liggen; (
  4. d)de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig, mits er een geurstudie wordt opgelegd; VII-31.239-3/18 (
  5. e)de afdeling Water adviseert de vergunning voor de grondwaterwinning te beperken tot een termijn van twee jaar, teneinde de exploitant blijvend aan te sporen alternatieven uit te werken; (
  6. f)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert een reeks wijzigingen aan te brengen in de door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verleende vergunning : - de installatie voor het vullen van gastanks op heftrucks, gelegen in het landschap- pelijk waardevol agrarisch gebied, moet worden geweigerd; hetzelfde geldt voor de bovengrondse propaangastank van 4.850 liter; - het beperken van de vergunning voor de activiteiten in een hoek van een van de magazijnen, op een hoek van de verharding achteraan het bedrijf en voor de putten voor grondwaterwinning, tot een termijn van vijf jaar; - het opleggen van een studie inzake de beperking van het grondwatergebruik; - het opleggen van een geurstudie. In de loop van de administratieve procedure wenst de verzoekende partij haar aanvraag te wijzigen, in die zin dat de LPG-installatie zou worden verplaatst naar het industriegebied. Op 11 augustus 2003 wordt daartoe een stedenbouwkundige vergunning verleend. 1.5. Op 5 oktober 2003 wordt het bestreden besluit genomen. De vergunning wordt grotendeels verleend, maar een aantal onderdelen wordt geweigerd, met name de LPG-installatie voor het vullen van de tanks op de heftrucks en de bijhorende opslag van 4.850 liter gas. Het bestreden besluit stelt dat voor de gewijzigde inplanting een nieuwe milieuvergunningsaanvraag nodig is. Alle activiteiten in het agrarisch gebied worden verboden; dit geldt ook expliciet voor de hoek van het betrokken magazijn en voor de hoek van de betrokken verharding. Het jaarlijkse maximale debiet van de grondwaterwinning wordt beperkt van 136.240 m³ tot 120.000 m³ (dit is 88 %), en de termijn ervoor tot een termijn op proef tot 20 maart 2005. Er wordt een studie opgelegd inzake de beperking van het grondwatergebruik, alsook een geurstudie; 2. De gedeeltelijke afstand 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord laat weten dat er een milieuvergunning voor de LPG-tank met een VII-31.239-4/18 inhoud van 4.850 liter en bijhorende vulplaats voor het vullen van de gasflessen op de heftrucks werd verkregen op 15 juli 2004 en dat daartegen geen bezwaren, noch beroepen werden ingediend; dat zij vervolgens schrijft dat zij "volhardt in het eerste, derde en vierde middel"; dat de verzoekende partij in haar laatste memorie bevestigt dat zij afstand doet van het tweede middel; 2.2. Overwegende dat de verzoekende partij in haar brief van 22 februari 2008, op een vraag van de auditeur-verslaggever van 27 december 2007, als besluit van een uiteenzetting over de opgelegde geurstudie en over geurbeperken- de maatregelen het volgende schrijft : "Gelet op het voorgaande, meent verzoekster dat zij niet langer van voldoende belang laat getuigen om te volharden in haar vierde middel, daar zij in samenspraak met de bevoegde overheid de geurproblematiek steeds verder en nauwgelet opvolgt"; dat de verzoekende partij in haar laatste memorie ook bevestigt dat zij afstand doet van het vierde middel; 3. De ontvankelijkheid - actueel belang 3.1. Overwegende dat met een brief van 27 december 2007 de auditeur-verslaggever aan de verzoekende partij volgende vraag heeft gesteld : "Voor de Raad van State is nog het annulatieberoep hangende dat u namens de nv DOMO OUDENAARDE heeft ingediend tegen het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 5 oktober 2003, waarmee aan deze cliënte een milieuvergunning gedeelte- lijk werd geweigerd. Uit de op 23 september 2004 neergelegde memorie van wederantwoord blijkt dat een van de geweigerde onderdelen later toch werd vergund, op een gewijzigde locatie, en dat daarom afstand wordt gedaan van het tweede middel. Kunt u mij, in het algemeen, laten weten of er nog andere wijzigingen zijn geweest aan de vergunningstoestand? In het bijzonder had ik graag meer vernomen over het voorwerp van het derde en het vierde middel van het beroep. Het derde middel is gericht tegen het slechts voor een proeftermijn tot 20 maart 2005 verlenen van de vergunning voor grondwaterwinning, het beperken van het debiet ervan, en het opleggen van een studie betreffende die grondwaterwinning. Kunt u mij laten weten welke beslissing er bij het verstrijken van de proeftermijn werd genomen over de definitieve vergunning, en kunt u mij in dat licht het actueel belang van uw cliënte toelichten? Het vierde middel is gericht tegen een opgelegde geurstudie, die mogelijk tot geur-reducerende maatregelen moest leiden. Deze studie moest worden uitgevoerd voor 1 oktober 2004. Wat zijn de resultaten geweest van deze studie? Werden er geur-reducerende maatregelen genomen? Kunt u mij ook hier het actueel belang van uw cliënte toelichten? VII-31.239-5/18 Bij toepassing van artikel 12, derde lid, van de algemene procedureregeling verzoek ik u mij deze inlichtingen te bezorgen binnen een termijn van 60 dagen na ontvangst van deze brief"; 3.2.1. Overwegende dat uit het antwoord van de verzoekende partij blijkt dat een procedure gaande is om de bestemming van het deel van het bedrijfsterrein dat nu nog in landschappelijk waardevol agrarisch gebied ligt, te wijzigen in regionaal bedrijventerrein, dat op 23 november 2006 een positief planologisch attest werd verleend en dat er reeds een ontwerp is van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan; dat, inmiddels, op 16 januari 2008 een annulatieberoep werd ingediend, door onder meer de tweede tussenkomende partij, zowel tegen het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 23 november 2007 waarbij aan de verzoekende partij een positief planologisch attest wordt verleend, als tegen een gunstig advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van 10 oktober 2007 voor de stedenbouwkundige regularisatie van bouwwerken in agrarisch gebied, als tegen een stedenbouwkundige vergunning terzake die op 15 oktober 2007 werd verleend door het college van burgemeester en schepenen van de stad Oudenaarde ( zaak A. 186.706/X-13.609); dat de verzoekende partij aan deze ontwikkelingen geen conclusie verbindt betreffende haar actueel belang; dat er ook geen reden bestaat om het actueel belang bij het eerste middel in vraag te stellen aangezien de bestemmingswijziging nog niet is gerealiseerd, er tegen de steden- bouwkundige vergunning een annulatieberoep hangende is en er blijkbaar nog steeds geen milieuvergunning is; Overwegende dat zowel de verwerende partij als de tussenkomen- de partijen het eerste middel als onontvankelijk beschouwen; dat dit verder wordt besproken, omdat beide excepties grotendeels samenhangen met de gegrondheid van het middel; 3.2.2. Overwegende dat de auditeur-verslaggever voor het derde middel aan de verzoekende partij een vraag heeft gesteld (zie pt. 3.1); dat uit het antwoord van de verzoekende partij blijkt dat bij besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 18 maart 2005 een definitieve milieuvergunning werd verleend voor een grondwaterwinning uit vier boorputten, met een maximaal debiet van 650 m³/dag en 100.000 m³/jaar, voor een termijn tot 20 maart 2010 en dat de eerder opgelegde studie niet moet worden gemaakt; dat de verzoekende partij voorts het volgende schrijft : VII-31.239-6/18 "Sedert 25 augustus 2005 wordt er geen grondwater maar enkel nog industriewater gebruikt in het productieproces, zoals aangetoond door de continue debietmetingen die nog steeds worden uitgevoerd. Ondanks deze omstandigheid wenst verzoekster de vergunning grondwater- winning te behouden. De continue levering van voldoende kwalitatief water is nl. een kritische factor in het productieproces. Vanaf augustus 2005 tot op heden is het nog niet noodzakelijk geweest om grondwater te gebruiken gezien zich in die periode geen problemen hebben voorgedaan zoals mag blijken uit de in bijlage bij huidig schrijven gevoegde continue peilmetingen in de verschillende diverse boorputten in 2005, 2006 en 2007 alsook het totaal overzicht van het waterverbruik in het jaar 2006. Het voorgaande neemt evenwel niet weg dat er in de toekomst zich noodsituaties kunnen voordoen waarbij tijdelijk geen gebruik kan worden gemaakt van industriewater in het productieproces en waardoor verzoekster ertoe verplicht zou zijn om gebruik te maken van opgepompt grondwater uit de vergunde putten. Dit is meteen ook de reden waarom de pompen regelmatig worden getest teneinde dichtslibbing van de boorputten te voorkomen. Desbetreffend kan verwezen worden naar het waterverbruik voor het jaar 2006 waarin er 60 m3 opgepompt water werd geregistreerd en dit louter om dichtslibbing te voorkomen. (...) Gelet op het voorgaande meent verzoekster dan ook dat zij nog steeds van voldoende belang laat getuigen om te volharden in haar argumentatie uiteengezet in het derde middel zoals reeds omstandig uiteengezet en toegelicht in het thans nog hangende annulatieberoep tegen de Beslissing van de Vlaamse minister dd. 5 oktober 2003 en dit in die mate dat in de bestreden beslissing de vergunning voor het oppompen van het grondwater werd beperkt voor een proefperiode tot 20.03.2005. Zoals hierboven reeds aangegeven werd verzoekster bij Besluit van de Vlaamse minister van openbare werken, energie, leefmilieu en natuur dd. 18 maart 2005 met kenmerk AMV/0002457/1041 vergund om een grondwaterwinning te exploiteren omvattende een grondwaterwinning uit 4 boorputten (diepte 26 à 28 meter) met een maximaal debiet van 650 m³/dag en 100.000 m3/jaar (HCOV-code: 0163) en dit voor een termijn die eindigt op 20 maart 2010. Uit deze beslissing volgt ipso facto dat het beperken in de tijd in de bestreden beslissing van de vergunning voor het oppompen van het grondwater tot 20.03.2005 niet realistisch was en bijgevolg een schending uitmaakte van alle in het derde middel ingeroepen schendingen. Dat verzoekster hic et nunc (...) van (het) rechtens vereiste belang laat getuigen om te volharden in haar argumentatie zoals uiteengezet in (...) dit middel volgt uit het gegeven dat bij Besluit van de Vlaamse Minister dd. 18 maart 2005 de vergunde grondwaterwinning opnieuw in de tijd beperkt werd tot 20 maart 2010. Verzoekster zal derhalve, bij een niet vernietiging van de in de bestreden beslissing opgenomen voorwaarde waarbij het oppompen van dit grondwater werd beperkt tot 20.03.2005 opnieuw een milieuvergunningsaanvraag moeten indienen daar het toekomstig gebruik van dit grondwater noodzakelijk is om te anticiperen op noodsituaties waarbij tijdelijk geen gebruik kan worden gemaakt van industriewater in het productieproces en waardoor verzoekster ertoe verplicht zou zijn om gebruik te maken van dit grondwater"; Overwegende dat het actueel belang er in de zienswijze van de verzoekende partij in bestaat dat de verwerende partij, na vernietiging van het bestreden besluit, zich opnieuw zou kunnen uitspreken over de administratieve VII-31.239-7/18 beroepen, en daarbij ditmaal de milieuvergunning voor de grondwaterwinning die in eerste aanleg was verleend, zou kunnen bevestigen, in het bijzonder wat betreft de termijn tot 14 september 2023 en dat de verzoekende partij hierdoor geen nieuwe vergunningsaanvraag zou moeten indienen voor de periode 2010 tot 2023; dat bij nalezing van voornoemd besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 18 maart 2005 vastgesteld wordt dat de verzoekende partij zelf heeft gevraagd om een vergunning voor een termijn van vijf jaar; dat bij de weergave van het verhoor van de verzoekende partij door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, voornoemd besluit als volgt luidt : "er bestaan vandaag geen garanties dat er continue kwaliteit van behandeld industriewater ter beschikking is voor de kritische processen; daarom is een buffer van 100.000 m³/jaar voor 5 jaar noodzakelijk"; dat er als volgt wordt geciteerd uit een door de verzoekende partij bezorgde technische studie : "in het voorjaar van 2004 besliste Domo om volledig over te schakelen op industriewater, het grondwater werd enkel nog gebruikt indien de toegeleverde debieten van industriewater niet volstaan of bij problemen met stoomketel; eind september 2004 constateerde men echter problemen in verfprocessen en bij de stoomketel; gevolg: vandaag zijn er geen garanties dat er continue kwaliteit van behandeld industriewater ter beschikking is voor de kritische processen, daarom is een grondwaterwinning voor 5 jaar met een maximum debiet van 100.000 m3/j nog noodzakelijk; dit debiet is nodig tijdens de projectfase om te kunnen terugvallen bij problemen in de kritische processen ten gevolge van onregelmatigheid van kwaliteit van het industriewater"; dat het volgende wordt overwogen : "Overwegende dat het bedrijf op 16 december 2004 op een overlegvergade- ring haar technische nota toelicht; dat op deze vergadering werd medegedeeld door de exploitant dat het de bedoeling is om op termijn de grondwaterwinning volledig af te bouwen en volledig over te schakelen op industriewater en regenwater"; dat voorts wordt overwogen : "Overwegende dat ondanks deze negatieve ervaringen tijdens de testperiode het de bedoeling blijft om op termijn volledig over te schakelen op het gebruik van industriewater; dat dit evenwel enkel kan mits het industriewater zal worden voorbehandeld; dat de waterregie van de stad Oudenaarde die het industriewater (oppervlaktewater) levert aan Domo momenteel geen kwaliteits- garanties kan geven; dat zij evenwel plant om het industriewater te behandelen om hierdoor een hoogwaardige en stabiele kwaliteit van industriewater te kunnen leveren; dat de stad Oudenaarde verwacht om binnen de drie jaar de waterbehandeling in gebruik te hebben zodat het industriewater kan geleverd worden met meer kwaliteitsgarantie; dat Domo zijn bijkomende voorbehande- ling van het industriewater wenst af te stemmen op de toekomstplannen van de waterregie en daarom nog een overgangstermijn van 5 jaar vraagt; dat deze VII-31.239-8/18 termijn nodig is om enerzijds de resultaten van het voorbehandeld industriewa- ter door de stad te kennen en anderzijds de juiste keuze van bijkomende voorbehandelingstechniek op het bedrijf te maken, de nodige testen hiervoor te doen en de nodige milieu- en bouwvergunning hiervoor aan te vragen"; dat aldus vaststaat dat de verzoekende partij haar oorspronkelijke vergunningsaan- vraag van 12 september 2002 heeft gewijzigd, en niet langer de effectieve winning van 136.240 m³/jaar vroeg tot september 2023, maar wel de winning van maximaal 100.000 m³/jaar als uitwijkmogelijkheid bij problemen, voor een termijn gaande tot maart 2010; dat zij die vergunning ook heeft gekregen; dat mede omwille van de gewijzigde vraag ook de vroeger opgelegde studie werd geschrapt; dat zij overigens omwille van dezelfde wijziging in de wijze van exploiteren ook een wijziging van haar vergunningsvoorwaarden betreffende de opvang en het gebruik van hemelwater heeft gevraagd aan de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen, en ook deze heeft gekregen; dat na een gebeurlijke vernietiging van het thans bestreden besluit, de verwerende partij niet opnieuw moet oordelen over de oorspronkelijke vergunningsaanvraag, maar wel over de door de verzoekende partij later gewijzigde aanvraag; dat aangezien de verzoekende partij bij de beslissing over de definitieve vergunning heeft gekregen wat zij heeft gevraagd, zij geen actueel belang meer heeft bij het derde middel; dat het derde middel niet ontvankelijk is; 4. Ten gronde 4.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 43, § 7, tweede lid, juncto artikel 43, § 8, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : coördinatiedecreet), het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht, en de formele motiveringsplicht afgeleid uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat in het bestreden besluit geen hernieuwing van de milieuvergunning wordt toegekend voor de activiteiten van de verzoekende partij die gelegen zijn in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, in het bijzonder de activiteiten die plaatsvinden in de hoek van het magazijn op perceelnummer 304 b en de activiteiten op de hoek van de verharde asfaltering achteraan het bedrijf op perceelnummer 318 e; dat zij uiteenzet dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en de voorziene verweving van functies de aanwezige bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt, dat zulks ook blijkt uit de motivering van de beslissing genomen door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 20 maart 2003, uit het advies van de VII-31.239-9/18 afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van 2 september 2003 en uit het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, waardoor er toepassing kan worden gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid overeenkomstig artikel 43, § 7, tweede lid, juncto artikel 43, § 8, van het coördinatiedecreet en een vergunning voor vijf jaar kan worden verleend, zulks in afwachting van een in voorbereiding zijnd ruimtelijk uitvoeringsplan, dat er, gezien het voorgaande en gezien de concrete omstandigheden, ook een schending is van de beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel, dat er ook een schending is van de materiële motiveringsplicht en de formele motiveringsplicht aangezien het bestreden besluit rechtens en in feite onjuist is gemotiveerd, aangezien de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad door de activiteiten gelegen in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied en er in het bestreden besluit wordt gesteld dat zulks niet onderzocht is, dat bovendien het bestreden besluit niet motiveert waarom afgeweken wordt van het gunstig advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen en het gunstig advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie; dat het middel uitvoerig wordt toegelicht; dat de verzoekende partij onder meer verwijst naar de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 20 maart 2003, die uiteenzette dat een milieuvergunning kon worden verleend bij toepassing van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 43, § 7, van het coördinatiedecreet aangezien de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad; dat de verzoekende partij verwijst naar het aanvullend advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, dat voorstelde op basis van dezelfde bepaling een vergunning te verlenen voor een periode van vijf jaar, in afwachting van een aanpassing van de bestemmingsvoor- schriften, en naar het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, die zich daarbij aansloot en ook naar een mogelijke herlocalisatie verwees; dat zij tevens verwijst naar het ontwerp van het Ruimtelijk Structuurplan Oudenaarde, waarin de betreffende zone zou worden omgevormd tot uitbreidingszone voor het industriege- bied; dat de verzoekende partij ook lijkt te willen tegenspreken dat er voor de betreffende delen van het gebouw en de verharding geen stedenbouwkundige vergunning bestaat; dat zij naar een bouwvergunning van 4 maart 1996 verwijst; dat een en ander volgens de verzoekende partij ook een schending inhoudt van de formele en materiële motiveringsplicht; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij vooreerst antwoordt dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het middel, dat zij geen stedenbouwkun- dige vergunning heeft zodat een milieuvergunning toch geschorst zou blijven; dat de verwerende partij vervolgens opmerkt dat niet alleen aan de voorwaarden van VII-31.239-10/18 artikel 43, § 7, van het coördinatiedecreet moet zijn voldaan, maar ook aan die van artikel 43, § 8, van voornoemd decreet, dat zij in het bestreden besluit terecht opmerkt dat het gaat om niet-bouwvergunde installaties, en dat de goede ruimtelijke ordening wordt geschaad, dat volgens de eigen verklaring van de verzoekende partij in haar schrijven van 28 juli 2003 voor de installaties die gelegen zijn in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied nooit een bouwvergunning werd afgeleverd, dat de verwerende partij dan ook in het kader van de huidige milieuver- gunningsaanvraag oordeelde dat voor de zonevreemde installaties geen vergunning kan worden afgeleverd, nu het bedrijf zich niet bevindt in één van de in arti- kel 43, § 8, van het coördinatiedecreet vermelde gevallen; dat de verwerende partij er nog op wijst dat in het bestreden besluit wordt gesteld dat de afdeling Steden- bouwkundige Vergunningen in haar advies niet heeft onderzocht of aan de voorwaarden van artikel 43, §§ 7 en 8, van het coördinatiedecreet is voldaan, zodat het advies niet zonder meer kan worden gevolgd; dat ter zake door de verwerende partij het volgende wordt overwogen : "Het advies stelt dat volgende installaties gelegen zijn in het agrarisch gebied: een deel van het magazijn voor de vezelstock, de LPG-installatie, de parking voor de vrachtwagens en de grondwaterwinning. De exploitant heeft in een schrijven van 28 juli 2003 aan de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie de volgende gevraagde informatie overgemaakt: - uit een eerste onderzoek van ons bouwvergunningsdossier blijkt dat er geen bouwvergunning terug te vinden is voor: - de hoek van het magazijn, gelegen op perceelnr. 304b; wordt gebruikt voor de stockage van afgewerkte tapijtrollen. - De hoek verharde asfaltering achteraan het bedrijf, gelegen op perceelnr. 318e; wordt gebruikt voor de tijdelijke opslag van bepaalde afvalstromen, voornamelijk metaal en PE en PP folie (niet vergunningsplichtig; opslag in afwachting van ophaling); Gezien het dus in hoofdzaak gaat om niet-bouwvergunde installaties, niet aangetoond werd dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad, en er bovendien, gelet op de nabijheid van woningen, wel degelijk aanwijzingen zijn dat de verweving van functies de aanwezige bestemmingen in de omgeving in het gedrang brengt, en dus de goede ruimtelijke ordening wel wordt geschaad, is het niet aangewezen de zonevreemde en niet-bouwvergunde activiteiten te vergunnen voor de voorgestelde termijn van 5 jaar"; 4.3. Overwegende dat ook de tussenkomende partijen in hun verzoekschrift tot tussenkomst het middel onontvankelijk noemen bij gebrek aan belang; dat zij uiteenzetten dat sinds het nemen van het bestreden besluit artikel 43, § 8, van het coördinatiedecreet werd gewijzigd, dat de gezegde gewijzigde bepaling voortaan als volgt luidt : "§8. Een in de paragrafen 6 of 7 bedoelde afwijking kan slechts onder de volgende voorwaarden worden verleend: VII-31.239-11/18
  7. a)het moet gaan om een inrichting waarvan de exploitatie geheel of ten dele niet overeenstemt met de bestemmingsvoorschriften van het ontwerp-gewest- plan of gewestplan voor het gebied waarin de inrichting is gelegen, en
  8. b)de milieuvergunningsaanvraag bedoeld in het voornoemde decreet van 28 juni 1985, moet betrekking hebben op gebouwen, constructies of installaties die uit oogpunt van ruimtelijke ordening hoofdzakelijk vergund zijn of geacht worden vergund te zijn, ook wat de functie betreft", dat daaruit volgt dat voortaan aan een zonevreemde inrichting een milieuvergunning kan worden verleend mits zij slaat op gebouwen waarvoor minstens hoofdzakelijk een vergunning bestaat of die krachtens artikel 191, § 1, derde en vierde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening geacht worden vergund te zijn, dat anders dan de verzoekende partij voorhoudt, er in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied geen enkele stedenbouwkundige vergunning bestaat die zou toelaten of toegelaten hebben een gebouw op te trekken om de vergunningsplichtige activiteit in onder te brengen, dat de vergunning van 4 maart 1996 niet slaat op een zonevreemd perceel en bovendien nooit is uitgevoerd, zodat ze al jaren geleden van rechtswege is vervallen, dat het bovendien om een vergunning ging van een ander perceel dan het thans in het geding zijnde; dat in ondergeschikte orde door de tussenkomende partijen wordt geargumenteerd dat het middel vertrekt van de verkeerde premisse dat de overheid onder de ten tijde van de bestreden beslissing geldende tekst verplicht was om een milieuvergunning te verlenen zodra was voldaan aan de voorwaarden van artikel 43, §§ 7 en 8, van het coördinatiedecreet, dat evenmin specifiek moest worden gemotiveerd waarom de afwijking niet werd verleend, dat het bestreden besluit wel degelijk afdoende is gemotiveerd, onder meer door er op te wijzen dat er geen bouwvergunning voorhanden is voor het betreffende magazijn en de betreffende verharding; 4.4. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord nog uitvoerig ingaat op de voorwaarden betreffende de goede ruimtelijke ordening en de verweving van functies; dat zij, wat betreft de voorwaar- den van artikel 43, § 8, van het coördinatiedecreet, het volgende schrijft : "Daarnaast wordt in het bestreden besluit door verwerende partij zelf expliciet gesteld dat het gaat om een hernieuwing van een milieuvergunning zodat reeds de voorwaarde van artikel 43, §8
  9. b)van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening van 22 oktober 1996 is vervuld. Over het feit dat de voorwaarde van artikel 43, § 8,
  10. a)is vervuld is geen betwisting: het gaat om een inrichting waarvan de exploitatie geheel of ten dele niet overeenstemt met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan. Het is juist dat de bouwvergunning van 4 maart 1996 betrekking heeft op het afdak voor de containers en de uitbreiding van het magazijn voor vezelstock, maar echter niet slaat op het zeer beperkte gedeelte van het bouwwerk dat zich bevindt in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied (- zie plan - het VII-31.239-12/18 betreft slechts een hoek van het bouwwerk -) , zodat het gaat om een hoofdza- kelijk vergund bouwwerk (...). Zulks is ook vermeld in het Besluit van de Bestendige Deputatie van 20 maart 2003 (...) en in het advies van de Provincia- le Milieudeskundige dd. 11 december 2002 (...). Ten onrechte vermeldt de bestreden beslissing dan ook dat het in hoofdzaak zou gaan om niet-bouwvergunde installaties. Het is dan ook ten onrechte dat tussenkomende partij de situatie voorstelt als zou voor het bouwwerk er geen vergunning bestaan. Het geheel dient onder de aandacht gebracht te worden. Het betreft ook geen uit de mouw geschudde vergunning - zoals de tussenkomende partij beweert - maar een regelmatige en bekende vergunning voor het afdak voor de containers en de uitbreiding van het magazijn, waarvan het grootste gedeelte gelegen is (
  11. in)gebied voor milieubel- astende industrie. Bijkomend dient gezegd dat het feit of dit gedeelte van het gebouw nu al dan niet vergund is niet uitmaakt om toepassing te kunnen maken van artikel 43, §7 aangezien de voorwaarden van artikel 43, §8 reeds vervuld zijn"; 4.5. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie nog stelt dat : "(...) middels de bestreden beslissing inderdaad een toepassing van artikel 43 § 7 2e lid juncto artikel 43 § 8 CDRO diende te zijn gemaakt, gezien op heden reeds een ontwerp van RUP voorhanden is en verwacht wordt dat eind 2008 een definitief RUP zal voorhanden zijn waardoor de activiteiten die plaatsvinden in de hoek van het magazijn op perceelnummer 304b en de activiteiten op de hoek van de verharde asfaltering achteraan het bedrijf op perceelnummer 318e niet langer in strijd zijn met de bestemmingsvoorschriften. De verdere ontwikkeling van het regionaal industriegebied de Bruwaan werd weerhouden in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Oudenaarde, zoals goedgekeurd bij besluit van de Bestendige Deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 12 juli 2005. In het beschikkende gedeelte van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Oudenaarde wordt bepaald dat de bestaande bedrijventerrein(
  12. en)(Bruwaan, Ring II, Meersbloem, Linderstraat) zullen worden geoptimaliseerd als regionaal bedrijventerrein, wat een kwalitatieve invulling zal betekenen. Vooropgesteld wordt om het bedrijventerrein Bruwaan uit te breiden tot aan de Boterstraat en de Pruimelstraat, richting Gent. De verdere uitbreiding van het regionaal bedrijventerrein 'Bruwaan-West', waarbinnen de terreinen van verzoekster gesitueerd liggen, zal gebeuren middels een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan door de provincie Oost-Vlaanderen, dit als deel-RUP 'Bruwaan West' binnen de afbakening van het klein stedelijk gebied voor Oudenaarde, zoals ook vooropgesteld in het gunstig voorwaardelijk planologisch attest met betrekking tot het behoud op de huidige locatie en de uitbreiding op korte en middellange termijn van het bedrijf, dat verzoekster inmiddels verkreeg op datum van 23 november 2006. Op 15 oktober 2007 werd een stedenbouwkundige vergunning verleend door de stad Oudenaarde aan verzoekende partij met betrekking tot de regularisatie van een gedeelte van het bedrijfsgebouw en het aanplanten van een groenbuffer op het bouwterrein gelegen te 9700 Oudenaarde, Industriepark 'De Bruwaan', kadastraal gekend als Oudenaarde, 2de afdeling (Eine), sectie B, nr(
  13. s)0295C, 0296C, 0304B, 0318 E, 0604Z, 0607A02, 0607C2 (met referentie 45035/3970/B/2007/222). In de verleende stedenbouwkundige vergunning werd geoordeeld dat een verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening voorhanden is, gelet op het VII-31.239-13/18 goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van 16 juni 2005 waarin een uitbreiding van de Bruwaan opnieuw wordt voorgesteld naar de Boterstraat en Diepenbeek. Deze uitbreiding omvat een oppervlakte van ca. 11 ha. De bedrijventerreinen Bruwaan en Ring II vormen één groot bedrijvencomplex aan weerszijden van de primaire weg N60. Door de ligging aan de N60 kennen ze een goede bereikbaarheid en ontsluiting. Liggend aan de rand van het stedelijk gebied Oudenaarde vormen ze geen hinder voor de andere stedelijke activiteiten. Zowel Bruwaan als Ring II kunnen zich verder ontwikkelen als regionale bedrijventerreinen. Beide terreinen moeten evenwel voldoende gebufferd worden, zowel t.o.v. de aanpalende bewoning als t.o.v. de aanliggende open ruimte. Daarnaast werd verwezen naar het planologisch attest zoals afgeleverd door de Bestendige Deputatie in de zitting van 23 november 2006. Door de vergunningverlenende overheid alsook door de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar werd geoordeeld dat de aanvraag in overeen- stemming is (of kan gebracht worden mits het opleggen van de nodige voorwaarden) met de wettelijke bepalingen, alsook met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving. De vergunning werd verleend onder de volgende bijzondere voorwaarden: - 1./ de voorwaarden en bepalingen opgenomen in het schrijven van Elia Noord dienen stipt nageleefd - 2./ de werken uit te voeren volgens de plannen geviseerd als bijlage aan deze beslissing - 3./ de voorwaarden opgenomen in het planologisch attest dienen stipt nageleefd - 4./ de voorwaarden en bepalingen opgenomen in het advies van de stede- lijk(
  14. e)brandweer dienden stipt nageleefd - 5./ overwegende dat (...) zoals voorzien in voornoemd planologisch attest dient de bufferstrook (
  15. in)zijn geheel aangeplant het eerste plantseizoen na het verlenen van de eerste stedenbouwkundige vergunning. Tegen voorliggende stedenbouwkundige vergunning alsook tegen het besluit van de Bestendige Deputatie van 23 november 2006 en het advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van 10 oktober 2007 werd op 16 januari 2008 een verzoekschrift tot vernietiging neergelegd voor Uw Raad namens de heer Ottevaere ea. Inmiddels werd door de Provincie Oost-Vlaanderen aangevat met de opmaak van het RUP voor het klein stedelijk gebied Oudenaarde en werd de studiefase afgerond. De eerste plenaire vergadering omtrent het ontwerp-RUP werd gehouden op 18 december 2007. Omtrent het deel-RUP 'Bruwaan-West', waarin de uitbreiding van het bedrijventerrein werd ingeschreven, werden geen opmer- kingen geformuleerd. Gepland wordt om het RUP voorlopig vast te stellen tegen maart-april 2008 en het openbaar onderzoek te organiseren juni-juli 2008. In het voorontwerp van deel RUP I 'Bruwaan-West' wordt aangegeven dat (griffiedossier -stuk 7 bij de brief van 22 februari 2008 van de verzoekende partij): 'de uitbreiding kan ruimtelijk verantwoord worden (...) door zijn beperkt- heid, het waardevol landbouwgebied wordt slechts in geringe mate aangesneden, waarbij maximaal rekening wordt gehouden met bestaande landbouwzetels en woningen. De voorgestelde uitbreiding ten zuiden van de Pruimelstraat komt nog steeds tegemoet aan de blijvende vraag tot uitbreiding van het bedrijf DOMO dat grenst aan het gebied en zelfs gedeeltelijk een zonevreemde uitbreiding hierin heeft gerealiseerd. Een herlokalisatie is zowel vanuit economisch (financieel niet haalbaar,) als ruimtelijk oogpunt (aansnijden nieuwe open ruimte) nadelig. VII-31.239-14/18 Gezien het enerzijds wenselijk is om de enorme tewerkstelling op deze locatie veilig te stellen en het anderzijds mogelijk is om de uitbreiding aansluitend op een bestaand regionaal bedrijventerrein te realiseren, wordt er voorgesteld om in het kader van dit afbakeningsproces een Provinciaal RUP op te maken dat een aantal randvoorwaarden vastlegt'. In het verordenend gedeelte van het voorontwerp deel-RUP wordt bepaald dat de bepalingen van het gewestplan Oudenaarde, zoals vastgelegd bij KB van 24 februari 1977 en latere wijzigingen en de bijhorende stedenbouwkundige voorschriften van het KB van 28 december 1972, binnen de perimeter van onderhavig deel-RUP worden opgeheven meer in het bijzonder de bestemming als landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Gelet op de voorliggende planologische wijzigingen aan het regionaal bedrijventerrein, zal verzoekster niet langer worden geconfronteerd met een gedeelte van haar inrichting dewelke zonevreemd is ingeplant en zullen de activiteiten, gelegen in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, als gevolg van de toekomstige bestemmingswijziging, gelegen zijn in regionaal bedrijventerrein, reden waarom deze niet langer verboden zullen zijn en vatbaar voor het bekomen van een hernieuwing van de milieuvergunning"; 4.6.1. Overwegende dat de exceptie van de verwerende partij, met name dat een milieuvergunning voor de bewuste gedeelten geschorst zou blijven bij gebrek aan stedenbouwkundige vergunning, wordt verworpen; dat het geschetste probleem weliswaar reëel is, maar slechts als gevolg heeft dat de verzoekende partij geen belang heeft wanneer vaststaat dat onmogelijk een stedenbouwkundige vergunning kan worden verleend; 4.6.2. Overwegende dat ook de exceptie van de tussenkomende partijen wordt verworpen; dat de wijziging van artikel 43, § 8, van het coördinatiedecreet juist voor meer mogelijkheid tot afwijking heeft gezorgd; dat waar in de oude versie de betrokken gebouwen volledig stedenbouwkundig moesten zijn vergund, de gebouwen, constructies en installaties thans hoofdzakelijk moeten zijn vergund, of geacht worden te zijn vergund; dat de tussenkomende partijen niet aantonen dat dit het geval is; 4.6.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord toegeeft dat voor het gedeelte van het gebouw en van de verharding waarvoor de milieuvergunning werd geweigerd, geen stedenbouwkundige ver- gunning voorhanden is; dat zulks ten tijde van het bestreden besluit overeenkomstig artikel 43, § 8, van het coördinatiedecreet wel degelijk een voorwaarde was om te kunnen afwijken van het gewestplan; dat voornoemd artikel op dat moment als volgt luidde : "(...) VII-31.239-15/18
  16. b)de milieuvergunningsaanvraag bedoeld in het voornoemde decreet van 28 juni 1985, moet één of meer van de volgende bepalingen als voorwerp hebben: - het hernieuwen van een milieuvergunning van een inrichting; - het veranderen van de exploitatie van een inrichting, zoals bedoeld in hoofdstuk V van het decreet van 28 juni 1985, op voorwaarde dat de verande- ring geen vermeerdering van de oppervlakte of het volume voor gevolg heeft, onverminderd hetgeen na de vierde gedachtestreep wordt bepaald; - het exploiteren van een bestaande of nieuwe inrichting waarvoor, op grond van artikel 42, §1, 7, en overeenkomstig artikel 43, §2 definitief een bouwver- gunning voor het wijzigen van het gebruik van een vergund gebouw is verleend; - het exploiteren van een bestaande of nieuwe inrichting waarvoor, overeen- komstig artikel 43, §2 definitief een bouwvergunning voor het verbouwen, herbouwen of uitbreiden van een bedrijfsgebouw met een gebouw of een vaste inrichting is verleend"; dat het, zoals aangegeven, vaststaat dat de bestaande infrastructuur gedeeltelijk stedenbouwkundig niet is vergund; dat de hierboven aangehaalde tekst inderdaad niet expliciet als voorwaarde oplegt dat de inrichting bedoeld in de gevallen onder het eerste en het tweede gedachtestreepje stedenbouwkundig vergund is; dat men echter de mogelijkheid om een milieuvergunning te verkrijgen, niet los kan zien van de mogelijkheid om, in afwijking van het gewestplan, een bouwvergunning te verkrijgen; dat artikel 43, § 2, zesde lid, van het coördinatiedecreet die mogelijkheid alleen openstelt voor vergunde gebouwen; dat dit ook blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de betrokken decretale teksten (decreet van 23 juni 1993, Parl. St. Vl. Raad, zitting 1992-93, st. 264 en 266); dat overigens een illegale situatie geen rechten zou kunnen doen ontstaan; dat bovendien, in de door de verzoekende partij voorgestane interpretatie, een milieuvergunning zou worden afgeleverd voor een inrichting waarvoor in beginsel een stedenbouwkundige vergunning nodig is; dat de milieuvergunning in dergelijk geval zou zijn geschorst zolang de stedenbouwkundi- ge vergunning niet is verleend; dat de verwerende partij de gevraagde vergunning derhalve niet kon verlenen voor het exploiteren in of op de stedenbouwkundig onvergunde gedeelten van het gebouw en de verharding; dat artikel 43, §§ 7 en 8, van het coördinatiedecreet niet is geschonden; dat het naleven van een wettelijk verbod geen schending inhoudt van het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel; dat de motivering van het bestreden besluit met betrekking tot de ruimtelijke ordening als volgt luidt : "Overwegende dat ten aanzien van dit advies het volgende moet gesteld worden: - voor de installaties gelegen in agrarisch gebied wordt gesteund op artikel 43, §7, 2e lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, gelet op het feit dat het hier over de hernieuwing van een milieuvergunning zou gaan; dat artikel 43, §7, 2e lid (...) inderdaad toe(laat) dat afgeweken wordt van de bestemming volgens het gewestplan, op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Dit betekent onder meer VII-31.239-16/18 dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemming- en in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort. Wanneer de ruimtelijke ordening wordt geschaad kunnen de overheden rekening houden met de termijn die er nodig is om de betrokken inrichting te herlocaliseren, met een maximum van 5 jaar. In artikel 43, §8 is ook beschreven in welke gevallen deze afwijkingsmogelijkheid geldt. In het advies van de afdeling Stedenbouwkundige vergunningen is niet onderzocht of aan deze voorwaarde van §8 is voldaan. Evenmin is onderzocht of de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Het advies stelt dat volgende installaties gelegen zijn in het agrarisch gebied: een deel van het magazijn voor de vezelstock, de LPG-installatie, de parking voor de vrachtwagens en de grondwaterwinning. De exploitant heeft in een schrijven van 28 juli 2003 aan de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie de volgende gevraagde informatie overgemaakt: - uit een eerste onderzoek van ons bouwvergunningsdossier blijkt dat er geen bouwvergunning terug te vinden is voor: - de hoek van het magazijn, gelegen op perceelnr. 304b; wordt gebruikt voor de stockage van afgewerkte tapijtrollen; - de hoek verharde asfaltering achteraan het bedrijf, gelegen op perceelnr. 318e; wordt gebruikt voor de tijdelijke opslag van bepaalde afvalstromen, voornamelijk metaal en PE en PP folie (niet vergunningsplichtig; opslag in afwachting van ophaling); Gezien het dus in hoofdzaak gaat om niet-bouwvergunde installaties, niet aangetoond werd dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad, en er bovendien, gelet op de nabijheid van woningen, wel degelijk aanwijzingen zijn dat de verweving van functies de aanwezige bestemmingen in de omgeving in het gedrang brengt, en dus de goede ruimtelijke ordening wel wordt geschaad, is het niet aangewezen de zonevreemde en niet-bouwvergunde activiteiten te vergunnen voor de voorgestelde termijn van 5 jaar (...)"; dat die motivering afdoende is; dat ten slotte het mogelijk op handen zijn van een ruimtelijk uitvoeringsplan waardoor, volgens de verzoekende partij, het gedeelte van haar inrichting dat "zonevreemd is ingeplant", volledig zou komen te liggen in een regionaal bedrijventerrein, niets kan afdoen aan de vaststelling van de verwerende partij dat op het ogenblik dat zij de bestreden beslissing moet nemen, voor een gedeelte van de inrichting geen bouwvergunning bestond; dat overigens de verzoekende partij in haar laatste memorie zelf aangeeft dat in de toekomst de "inrichting (die) zonevreemd is ingeplant" "vatbaar (zal zijn) voor het bekomen van een hernieuwing van de milieuvergunning"; dat het eerste middel niet gegrond is, VII-31.239-17/18 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf februari tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-31.239-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.180 Gerelateerde publicatie(
  17. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.562 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.