id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.181 Rolnummer: A. 169141/VII-35240 Zaak: Arrest 190181 - Milieuvergunningen - 05/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-16 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 16:31 Fiche Arrest nr 190.181 van 5 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.181 van 5 februari 2009 in de zaak A. 169.141/VII-35.240. In zake : de BVBA JURVA, die woonplaats kiest bij advocaat W. DE BRUYN, kantoor houdende te AALST, Korte Zoutstraat 32 D tegen : de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA JURVA op 2 januari 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 27 oktober 2005 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Haaltert van 30 mei 2005, houdende weigering van de milieuvergunning aan de verzoekende partij voor het exploiteren van een container- dienst en de uitvoering van grondwerken, gelegen aan de Bruulstraat 86 te Haaltert, niet wordt ingewilligd en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoekschrift tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 21 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 december 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; VII-35.240-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VANDENDAEL die, loco advocaat W. DE BRUYN verschijnt voor de verzoekende partij en van bestuurssecretaris F. COCRIAMONT die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij exploiteert een containerdienst en voert grondwerken uit. Sommige containers worden van op de werven rechtstreeks naar een verwerker gebracht, andere worden door de verzoekende partij naar de in het geding zijnde inrichting gebracht, waar de afvalstoffen worden gesorteerd en vervolgens naar een verwerker worden gebracht. Deze inrichting wordt reeds enige tijd geëxploiteerd zonder vergunning. Een deel van de activiteiten gebeurt in een loods, waarvoor op 26 maart 1970 een bouwvergunning werd verleend en die voorheen werd gebruikt als opslagplaats voor bouwmaterialen. De toegang tot de loods bevindt zich tussen de aan de straat gelegen woningen. 1.2. Op 19 januari 2005 dient de verzoekende partij een milieuvergun- ningsaanvraag in, met als voorwerp : "- Opslag en sortering van niet gevaarlijke afvalstoffen bestaande uit papier en karton, hout, textiel, kunststoffen, metaal, glas, rubber, bouw- en sloopafval met een opslagcapaciteit van max. 100 ton (nr. vlarem 2.2.1.c.1); - Al dan niet overdekte ruimte waarin gestald worden: 3 t.e.m. 25 autovoertui- gen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens. Tot en met 7 voertui- gen (2 heftrucks, 2 kranen, een lichte vrachtwagen en twee vrachtwagens (nr. vlarem 15.1.1); - Opslagplaatsen voor vloeistoffen met een ontvlammingspunt hoger dan 55/ C, maar dat 100/ C niet overtreft. 1 bovengrondse ingekuipte tank van 2000 liter (nr. vlarem 17.3.6.1.b); - Opslagplaatsen van max. 600 liter oliën in vaten (nr. vlarem 17.3.7.1); - Brandstofverdeelinstallatie voor motorvoertuigen zijnde één verdeelslang aangesloten op een stookolietank (nr. vlarem 17.3.9.1); VII-35.240-2/12 - Opslagplaatsen met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 48, en/of verkoopspunten van in bijlage 7 bij titel I van het VLAREM bedoelde gevaarlijke stoffen, het betreft de opslag van maximum 10 x 25 liter stookolie in bussen (nr. vlarem 17.4)". Er wordt een bezwaarschrift ingediend, omwille van geluids- hinder. 1.3. Op 30 mei 2005 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Haaltert de gevraagde vergunning. De weigering wordt als volgt gemotiveerd : "Gelet op het ongunstig advies dd. 26 april 2005 van de dienst leefmilieu omdat er te veel lawaai- en verkeershinder te verwachten is doordat de aan- en afvoer van de containers door een dichtbewoonde woonomgeving dient te gebeuren. Het bedrijf heeft nu reeds een grootte aangenomen van ± 80 containers zodat de loods veel te klein is om de containers te plaatsen en daarbij de sortering van de afvalstoffen uit te voeren. Hierdoor staan lege containers nu reeds op regelmatige basis buiten de loods te wachten op het terrein, maar ook op openbaar domein. Her en der treft men lege containers aan op openbaar domein van de gemeente Haaltert en die van de buurgemeenten. Vooral naar veiligheid is dit niet te tolereren. Zo'n type bedrijf hoort eerder thuis in een KMO-gebied en zeker niet in een drukke woonomgeving". De verzoekende partij tekent administratief beroep aan tegen deze beslissing. 1.4. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen verleend : (
- a)de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) adviseert op 29 juli 2005 gunstig mits voldaan wordt aan enkele uitbatingsvoorwaarden; (
- b)de afdeling Milieuvergunningen adviseert op 3 augustus 2005 ongunstig; (
- c)de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschap- pen (hierna : AROHM) adviseert op 9 augustus 2005 ongunstig; (
- d)de provinciale geluidsdeskundige adviseert op 6 september 2005 voorwaardelijk gunstig voor een termijn op proef; (
- e)de provinciale milieudeskundige adviseert op 14 september 2005 voorwaardelijk gunstig voor een termijn op proef, en stelt bijzonder vergunningsvoorwaarden voor; (
- f)de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert ten slotte op 20 september 2005 ongunstig. 1.5. Op 27 oktober 2005 wordt het bestreden besluit genomen : de vergunning wordt geweigerd. VII-35.240-3/12 Als weigeringsmotief wordt de planologische onverenigbaarheid aangevoerd : "Gelet op de ligging van de inrichting deels in een woongebied met landelijk karakter en deels in een agrarisch landschappelijk waardevol gebied van het gewestplan 'Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem'; Overwegende dat de ligging van de inrichting in een woongebied met landelijk karakter (...) in overeenstemming (
- is)met de bepalingen van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen voor zover er sprake is van een kleinbedrijf dat omwille van zijn geaardheid niet in een ander passend bestemmingsgebied dient ondergebracht te worden; Overwegende dat de ligging van de inrichting in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied niet in overeenstemming is met de bepalingen van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen omdat er geen sprake is van agrarische of para-agrarische activiteiten; Overwegende dat ingevolge artikel 171 en 196 van het Decreet Ruimtelijke Ordening van 18 mei 1999 toepassing kan gemaakt worden van het art. 43. §§6. t.e.m. 12 van de gecoördineerde stedenbouwwet van 22 oktober 1996 omdat een stedenbouwkundige vergunning werd verkregen voor de loods waarin de gevraagde activiteiten worden uitgevoerd en de milieuvergunning kan afgeleverd worden voor zover de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; Overwegende dat hierbij dient gewezen op het schrijven van AROHM van 19 september 2005, dat het volgende stelt: 'Ons ongunstig advies dd. 9/8/2005 dient bevestigd, de bedrijvigheid is strijdig met de bestemming en er werd wel degelijk een PV (met herstelvordering door de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur dd. 23/07/2004) opgemaakt voor het onvergund plaatsen van containers op de site. Bijkomend dient opgemerkt dat een verharding voor het plaatsen van containers, een weegbrug, een groenscherm, e.d. aanhorigheden bouwver- gunningsplichtig zijn en niet voor vergunning vatbaar zijn gelet op de decretale bepalingen binnen de huidige planbestemming. Ons bestuur kan in die zin dan ook het ongunstig advies van AMINAL bijtreden dat de bestaande loods 'geenszins geschikt is voor een containerbedrijf als nieuwe bedrijvigheid'; Overwegende dat de onmiddellijke omgeving vrij dicht bewoond is; dat ze een gemengd karakter kent; dat zich binnen een straal van ca. 200 m rondom de inrichting 2 cafés, een rustoord, een bakker en een landbouwbedrijf bevinden; dat de loods werd vergund voor een betonfabriek in 1970, voor de goedkeuring van het gewestplan; dat de toegangsweg tot de loods zich tussen 2 gebouwen bevindt die eigendom zijn van de verhuurder van de loods; dat er in een van deze gebouwen een handel in decoratie- en tuinmaterialen is die eveneens door de exploitant wordt uitgebaat; dat het bedrijf gelegen is achter een rij woningen en bovendien in het centrum van de gemeente; Overwegende dat, gelet op het bovenstaande, dient gesteld dat de inrichting planologisch niet verenigbaar is (...)". Na dit weigeringsmotief wordt ook een milieutechnische beoordeling gegeven : VII-35.240-4/12 "Overwegende dat de aanvraag een kleinschalige sorteeractiviteit van containers met papier en karton, hout, metalen, kunststoffen, glas en bouw- en sloopafval betreft; dat de totale maximale hoeveelheid opgeslagen gesorteerde of niet-gesorteerde afvalstoffen maximaal 100 ton zal bedragen; Overwegende dat de exploitant op verplaatsing tevens grondwerken uitvoert; Overwegende dat het een eenmanszaak betreft; dat er geen in- of externe milieucoördinator dient aangesteld te worden; Overwegende dat de aangevoerde containerafvalstoffen zullen gesorteerd worden in een gesloten loods; dat 75 tot 80 % van de afvalcontainers recht- streeks wordt afgevoerd naar een vergunde sorteer- of breekinstallatie; dat de in de eigen inrichting uitgesorteerde afvalstoffen (circa 2000 ton per jaar) worden verzameld in containers en afgevoerd naar vergunde verwerkers; Overwegende dat het hele bedrijfsterrein verhard is; dat de aan- en afvoer van de afvalstoffen zal gebeuren tussen 7 en 19 uur; dat er een afvalstoffen- register zal bijgehouden worden; Overwegende dat de verdeelslang en de erbij horende stookoliehouder nog dienen geplaatst te worden; dat dit zou gebeuren binnen in de loods; dat de loods is uitgerust met een betonvloer; dat het aangewezen is dat er absorberen- de korrels gebruikt worden om de morsvloeistoffen periodiek te reinigen; Overwegende dat op vrijdagnamiddag 2 september 2005 tussen 14.30 en 15.50 u een geluidsmeting werd uitgevoerd in de tuin van de woning van de bezwaarvoerders; dat hierbij het geluid van een bulldozer kon opgemeten worden; dat het specifiek geluid Lsp 50.3 dB(A) bedroeg wat een overschrij- ding van 5 dB(A) betekent voor de dagperiode; Overwegende dat in de loop van zaterdagvoormiddag 3 september 2005 eveneens een zeer beperkte activiteit werd gemeten; dat de LAeq,1s-waardes van enkele geluiden (hoofdzakelijk piepend geluid van metaal) 60 dB(A) benaderen; Overwegende dat het geluid van het optillen en vervoeren van containers en het warmdraaien van de motor van de vrachtwagens niet kon worden opgeme- ten; dat volgens de bezwaarvoerders deze types geluid regelmatig optreden voor 7u en ze hinder veroorzaken; dat, gezien de beperkte afstand tussen de woningen en het bedrijf, overschrijding van de normen dan ook te verwachten is; Overwegende dat de sorteeractiviteiten plaatsvinden binnen een loods; Overwegende dat het aangewezen is dat het advies van de plaatselijke brandweer wordt ingewonnen; Overwegende dat de exploitant vraagt om, in afwijking van artikel 5.2.1.2. §2 van Vlarem II, geen weegbrug te moeten installeren; dat hij zal gebruik maken van geijkte weegbruggen van derden, o.a. OBBC in Oosterzele (inert te breken materiaal), Eugeen Kennof in Wetteren (gemengd afval), DOOPA in Aalst-Erembodegem (papier en karton), De Swaef & Co bvba in Erpe-Mere (andere gevallen); Overwegende dat de afwijking op de installatie van een weegbrug slechts kan toegestaan worden indien er voldoende garanties zijn dat de aan- en afgevoerde afvalstoffen in de onmiddellijke omgeving van de inrichting zullen gewogen worden; dat in dit geval de geografische afstand tussen de inrichting en de vooropgestelde weeginstallaties volgens de OVAM dermate is, dat de fraudegevoeligheid onaanvaardbaar hoog is en dat hierdoor een correcte registratie en aanrekening van de milieuheffingen in het gedrang komt; Overwegende dat daarom door de exploitant, na overleg met Ovam, nu wordt voorgesteld om als voorwaarde op te leggen dat de aangevoerde afvalstoffen moeten gewogen worden op de geijkte weegbrug die zich het dichtst bij het bedrijf (Jurva) bevindt; dat hiermee tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren van Ovam met betrekking tot de te grote afstand tussen de inrichting en de oorspronkelijk vooropgestelde weeginstallaties, de daardoor VII-35.240-5/12 onaanvaardbaar hoge fraudegevoeligheid en het in het gedrang komen van een correcte registratie en aanrekening van de milieuheffingen; dat de afgevoerde afvalstoffen steeds zouden gewogen worden op de weegbrug van de vergunde verwerker; Overwegende dat de exploitant vraagt om, in afwijking van artikel 5.2.1.2. §5 van Vlarem II, geen groenscherm te moeten aanleggen; dat, aangezien de gebouwen tot op de scheidingslijn van de percelen staan en de bedrijfsactivitei- ten doorgaan binnen in de loods, dit zou kunnen worden toegestaan; Overwegende dat - zoals hierboven blijkt- er geen milieuhygiënische redenen zijn om de afwijkingen niet toe te staan; dat de vergunning evenwel niet kan worden verleend; dat het derhalve niet aangewezen is de gevraagde afwijkingen toe te staan; Overwegende dat m.b.t. de beroepsargumenten het volgende kan gesteld worden: - Het advies van OVAM in het kader van het ingediende beroep bevestigt de bewering van de appellant. - Bij het plaatsbezoek werd vastgesteld dat de vrachtwagen voldoende ruimte heeft om het bedrijfsterrein op en af te rijden zonder voor verkeershinder te zorgen. - Tijdens het plaatsbezoek stonden 1 container in de loods en 2 containers op de verharding aan de achterzijde van de loods opgesteld. - De stalling van containers op de openbare weg is geen ingedeelde inrichting en dient dus niet vergund te worden. Toch speelt deze vaststelling omtrent de plaatsing van containers een rol bij de beoordeling van de exploitatie. - Bij het plaatsbezoek werd vastgesteld dat er voldoende ruimte is om de vereiste manoeuvres toe te laten. - Het Collegebesluit beperkt zich inderdaad tot de opsomming van de uitgebrachte adviezen (...)". Concluderend wordt gesteld : "Overwegende dat de inrichting rekening houdend met haar kenmerken en omvang, en rekening houdend met de ligging ten overstaan van gebieden die hindergevoelig zijn, een te grote negatieve impact zou hebben op mens en leefmilieu; Overwegende dat de inrichting planologisch en milieuhygiënisch niet verenigbaar is met de omgeving; dat de milieuvergunning dient geweigerd te worden"; 2. Ten gronde 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht omdat noch de beroepen beslissing noch het bestreden besluit "afdoende of voldoende gemotiveerd" zijn; dat zij hierbij uiteenzet wat volgt : "Het College van Burgemeester en Schepenen beperkt zich tot een verwijzing naar de ingediende bezwaren, zijn eigen beslissing tot verlenging van de beslissingstermijn, het advies van OVAM en het advies van de dienst leefmilieu van de gemeente Haaltert. Het College weegt de voor- en nadelen evenwel niet af, geeft geen appreciatie omtrent de diverse adviezen of het (enige) bezwaarschrift en VII-35.240-6/12 verantwoordt op geen enkele wijze waarom de milieuvergunning wordt geweigerd. De Bestendige Deputatie bevestigt dit besluit, biedt eveneens geen motivering en schendt aldus eveneens de motiveringsplicht. Bovendien gaat de Bestendige Deputatie niet in op het gunstig advies van OVAM, noch op het gunstig advies van de provinciaal milieudeskundige of het gunstig advies van de geluidsdeskundige"; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de al dan niet afdoende motivering van de beroepen beslissing niet ter zake doet, dat in het bestreden besluit omstandig wordt weergegeven welke de overwegingen zijn die de verwerende partij heeft gemaakt om tot de weigeringsbeslissing te komen, dat het doorslaggevende argument de planologische onverenigbaarheid en de stedenbouw- kundige overtredingen betreft, dat het vaste rechtspraak van de Raad van State is dat de planologische onverenigbaarheid een afdoende argument is om de vergunning te weigeren, dat zowel OVAM als de provinciale milieudeskundige zich ter zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie hebben aangesloten bij het ongunstig advies, dat het advies van de provinciale geluidsdeskundige enkel het aspect geluidshinder betreft, dat de voornaamste reden tot weigering van de milieuvergun- ning de planologische onverenigbaarheid is, dat het feit dat het geluidshinderaspect positief zou kunnen worden beoordeeld, hier niets aan wijzigt; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord nog opmerkt dat de duidelijke afweging die de verwerende partij thans maakt in haar memorie van antwoord in verband met de "planologische onverenigbaarheid" in het bestreden besluit niet werd gemaakt, dat het bestreden besluit aldus gebrekkig is gemotiveerd, dat de vernietiging van het bestreden besluit zich opdringt; 2.1.4. Overwegende dat de stelling van de verzoekende partij dat het bestreden besluit "geen motivering" bevat, niet juist is; dat het bestreden besluit immers stelt dat de inrichting voor het gedeelte in woongebied verenigbaar kan zijn met de bestemming "voor zover er sprake is van een kleinbedrijf dat omwille van zijn geaardheid niet in een ander passend bestemmingsgebied dient ondergebracht te worden", dat de inrichting voor het gedeelte in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied onverenigbaar is met de bestemming, dat evenwel afgeweken zou kunnen worden van de bestemming "voor zover de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort", "dat de onmiddellijke omgeving vrij dicht bewoond is; VII-35.240-7/12 dat ze een gemengd karakter kent; dat zich binnen een straal van ca. 200 m rondom de inrichting 2 cafés, een rustoord, een bakker en een landbouwbedrijf bevinden; dat de loods werd vergund voor een betonfabriek in 1970, voor de goedkeuring van het gewestplan; dat de toegangsweg tot de loods zich tussen 2 gebouwen bevindt die eigendom zijn van de verhuurder van de loods; dat er in een van deze gebouwen een handel in decoratie- en tuinmaterialen is die eveneens door de exploitant wordt uitgebaat; dat het bedrijf gelegen is achter een rij woningen en bovendien in het centrum van de gemeente"; dat de verwerende partij daarom van oordeel is dat de inrichting planologisch onverenigbaar is; dat door deze motivering te negeren, de verzoekende partij nalaat deze motivering inhoudelijk te betwisten; Overwegende dat door de verzoekende partij tevens wordt aangevoerd dat het bestreden besluit niet ingaat op de gunstige adviezen van OVAM, de provinciale geluidsdeskundige en de provinciale milieudeskundige; dat in de twee eerste adviezen evenwel niet wordt gesproken over de planologische verenigbaarheid, zodat deze niet terzake doen; dat in het laatstgenoemde advies wel wordt gesproken over de planologische verenigbaarheid in punt "6. Bespreking planologische aspecten", dat als volgt luidt : "De ligging van de inrichting in een woongebied met landelijk karakter is in overeenstemming met de bepalingen van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen voor zover er sprake is van een kleinbedrijf dat omwille van zijn geaardheid niet in een ander passend bestemmingsgebied dient ondergebracht te worden. De ligging van de inrichting in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied is niet in overeenstemming met de bepalingen van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewest- plannen omdat er geen sprake is van agrarische of para-agrarische activiteiten. Ingevolge artikel 171 en 196 van het Decreet Ruimtelijke Ordening van 18 mei 1999 kan echter toepassing gemaakt worden van het art. 43, §§ 6 t.e.m. 12 van de gecoördineerde stedenbouwwet van 22 oktober 1996 omdat een stedenbouwkundige vergunning werd verkregen voor de loods waarin de gevraagde activiteiten worden uitgevoerd en kan de milieuvergunning afgeleverd worden voor zover de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort. De onmiddellijke omgeving kent een gemengd karakter. Binnen een straal van ca. 200 m rondom de inrichting bevinden zich 2 cafés, een rustoord, een bakker en een landbouwbedrijf. De loods werd vergund voor een betonfabriek in 1970, voor de goedkeuring van het gewestplan. De toegangsweg tot de loods bevindt zich tussen 2 gebouwen die eigendom zijn van de verhuurder van de loods. In een van deze gebouwen is er een handel in decoratie- en tuinmateria- len die eveneens door de exploitant wordt uitgebaat"; dat de twee vragen die in voornoemd advies aan de orde worden gesteld, onbeant- woord blijven, met name de vraag of het gedeelte in woongebied een kleinbedrijf VII-35.240-8/12 betreft dat omwille van zijn geaardheid niet in een ander passend bestemmingsge- bied moet worden ondergebracht en de vraag of voor het gedeelte in landschappelijk waardevol agrarisch gebied de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en of de voorziene verweving van functies, de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; dat in het voornoemde advies verder, onder punt "11. Advies deskundige" wordt gesteld dat kan worden afgeweken van de bestemming; dat de geciteerde passage uit het advies bijna identiek is aan de motivering van de bestreden beslissing; dat in die beslissing een overweging is bijgevoegd, met name "dat het bedrijf gelegen is achter een rij woningen en bovendien in het centrum van de gemeente"; dat de bestreden beslissing bijgevolg wel degelijk is ingegaan op het gunstige advies van de provinciale milieudeskundige, dat overigens geen verplicht advies is, noch een advies van een voor dit aspect van de beslissing gespecialiseerde instantie; dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing opnieuw niet inhoudelijk heeft betwist; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht omdat de bestreden beslissing "interne tegenstrijdigheden" bevat : "De Bestendige Deputatie beantwoordt op bladzijde 9 van haar beslissing de beroepsargumenten van verzoekende partij. Het is opvallend dat deze beroepsargumenten door de Deputatie gunstig worden beoordeeld. Evenwel wordt het beroep alsnog afgewezen zodat de beslissing van de Deputatie innerlijke tegenstrijdigheden vertoont"; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat zij inderdaad oordeelde dat de argumenten die door de verzoekende partij in haar beroepschrift werden opgeworpen, terecht waren, dat zij evenwel geen afbreuk doen aan het feit dat de inrichting planologisch onverenigbaar is, wat een afdoende reden is tot weigering van de milieuvergunning; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat aangezien de verwerende partij geen duidelijke argumenten heeft gebruikt in verband met de "planologische onverenigbaarheid", er geen duidelijke reden voorhanden is waarom het beroep werd verworpen, ondanks de gunstige argumenten van de verzoekende partij; VII-35.240-9/12 2.2.4. Overwegende dat wanneer de exploitatie van een inrichting strijdig is met de bestemmingsvoorschriften, de aanvraag in beginsel moet worden geweigerd, zodat de milieutechnische aspecten niet meer ter zake doen; dat de bestreden beslissing de vergunning wegens planologische onverenigbaarheid weigert; dat een gunstige beoordeling van milieutechnische argumenten van de aanvrager-beroepsindiener daarmee niet in tegenspraak is; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het derde middel stelt dat zowel de beroepen beslissing als het bestreden besluit gebaseerd zijn op "onjuiste informatie" : "(...) Dit laat niet toe een juiste beslissing te nemen: - in het advies van AMINAL-AMV van 3 augustus 2005 is sprake van het aflossen en laden van volle en lege containers in open lucht, terwijl hiervan nooit sprake is geweest: het is steeds de bedoeling geweest het afval op te slaan in de loods - omtrent de bedrijvigheid in de Bruulstraat te Haaltert werd geen herstelvorde- ring ingeleid bij de bevoegde rechtbank - er is sprake van 80 containers terwijl er slechts een 50-tal zijn"; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij drie voorbeelden aanhaalt die volgens haar foutief zijn maar waarop de verwerende partij zich heeft gebaseerd om tot een beslissing te komen, dat het in de eerste plaats feitelijkheden betreft die door de verschillende instanties zijn vastgelegd, dat het bovendien details betreft die - ook al zouden zij niet correct zijn - niet tot een andersluidende beslissing hebben geleid, dat wat de herstelvorde- ring betreft, dit door AROHM werd bevestigd met vermelding van de datum, met name 23 juli 2004, dat de verwerende partij geen reden had om deze informatie te betwijfelen; 2.3.3. Overwegende dat van het laden en lossen van containers in open lucht enkel sprake is in de weergave van het advies van de afdeling Milieuvergun- ningen, en niet in de overwegingen van de bestreden beslissing; dat, of er nu al dan niet een herstelvordering werd ingediend voor bouwovertredingen, dit niet relevant is voor het weigeringsmotief; dat als er geen herstelvordering is ingediend, zulks nog niet betekent dat er geen bouwovertredingen bestaan; dat zelfs als er geen bouwovertredingen bestaan, dit niet automatisch betekent dat er geen overschrijding van de ruimtelijke draagkracht of verstoring van de bestemming kan zijn door de exploitatie; dat het aantal containers wordt vermeld in de beroepen beslissing, maar VII-35.240-10/12 niet in het bestreden besluit; dat bijgevolg nergens blijkt dat een van de vermeende foute feiten een wezenlijke rol heeft gespeeld bij de beoordeling van de vergun- ningsaanvraag; dat het derde middel niet gegrond is; 2.4.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het vierde middel de schending aanvoert van artikel 46, §§ 6 tot en met 12, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : coördinatiede- creet) : "Gelet op het feit dat een stedenbouwkundige vergunning werd verkregen voor de loods waarin de gevraagde activiteiten worden uitgevoerd en dat in dat geval een milieuvergunning kan worden afgeleverd indien (...) de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden, diende in deze zaak een milieuvergunning te worden afgeleverd. Alle gunstige adviezen wijzen in die richting. Door dit niet te doen hebben de Deputatie en het College van Burgemeester en Schepenen een foutieve beslissing genomen waarop de Raad van State een marginale toetsing mag uitoefenen"; 2.4.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat opdat artikel 46, §§ 6 tot en met 12, van het coördinatiedecreet zou kunnen worden toegepast, ook de nodige stedenbouwkundige vergunningen voorhanden moeten zijn, dat te dezen evenwel overtredingen van de stedenbouwwetgeving werden vastgesteld, zodat het artikel niet kon worden toegepast; 2.4.3. Overwegende dat sinds de wijziging van artikel 43, § 8, van het coördinatiedecreet, bij het decreet van 21 november 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, een inrichting niet meer volledig, maar "hoofdzakelijk" vergund hoeft te zijn of geacht wordt vergund te zijn, om toepassing te kunnen maken van de afwijking van artikel 43, § 7, van het coördinatiedecreet; dat zoals de verzoekende partij zelf aangeeft, ook artikel 43, § 7, van het coördinatiedecreet voorwaarden voor dergelijke afwijking stelt, met name dat de ruimtelijke draagkracht niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemming- en in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; dat de verwerende partij te dezen van oordeel was dat aan die voorwaarden niet was voldaan; dat de verzoekende partij hiertegen geen enkel argument inbrengt; dat een marginale toetsing niet inhoudt dat de Raad van State in de plaats van de verzoeken- de partij argumenten moet aanbrengen waarom de verwerende partij haar beleidsbe- VII-35.240-11/12 voegdheid in dezen op een kennelijk onredelijke wijze zou hebben uitgeoefend; dat het vierde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf februari tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-35.240-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.181 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div