id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.183 Rolnummer: A. 189793/VII-37277 Zaak: Arrest 190183 - Natuurbehoud - Vergunningen - 05/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-16 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 16:32 Fiche Arrest nr 190.183 van 5 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.183 van 5 februari 2009 in de zaak A. 189.793/VII-37.
- In zake : de gemeente OPWIJK, die woonplaats kiest bij advocaten D. LINDEMANS en F. DE PRETER, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente OPWIJK op 23 september 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering van 24 juli 2008 houdende vernietiging van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente OPWIJK van 4 maart 2008, tot "ambtshalve verwijdering (wegbrengen, storten en verwerken), op kosten van (...) Jaak DE BIE - Enny STOBBELAERS, van vervuilde grond van hun eigendom gelegen in de projectzone nr. 1 / BPA nr. 4 - Gasthuis / project Kloostertuin in Opwijk"; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. PROVOOST, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 2 december 2008, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 8 januari 2009; Gelet op de mededeling van het verslag aan de partijen; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; VII-37.277-1/10 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die tevens loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P.-J. STAELENS die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- In de dorpskom van Opwijk is een woningbouwproject in uitvoering, onder de naam "Kloostertuin". 1.
- Op 6 februari 2006 wordt een overeenkomst gesloten tussen verscheidene grondeigenaars, waaronder de verzoekende partij, de consoorten DE BIE-STOBBELAERS, de VZW VLAANDEREN BOUWT (VLABO) en het aannemingsbedrijf de NV VANHOUT. 1.
- De verzoekende partij geeft de krachtlijnen van die overeenkomst weer als volgt : - de grondeigenaars verlenen een recht van opstal aan de aannemer voor een periode van vier jaar, verlengd met de termijn om het terrein bouwrijp te maken; - deze aannemer zal op deze gronden koopwoningen en koopappartementen bouwen en realiseren; - deze aannemer zal de koopwoningen en koopappartementen verkopen aan zijn klanten tegen een bepaalde prijs die aan VLABO werd opgegeven; - de grondeigenaars zullen de bouwpercelen of grondaandelen verkopen aan de kopers aangewezen door de aannemer aan een vooraf bepaalde prijs; - volgens een bij deze overeenkomst gevoegd bestek geven de grondeigenaars aan de verzoekende partij een recht van opstal op een deel van de gronden voor de aanleg van het openbaar domein; VII-37.277-2/10 - de verzoekende partij staat zelf in voor de aanleg van dit openbaar domein. Na de voorlopige oplevering zal de grond voor vrij en onbelast aan de verzoekende partij worden overgedragen. De grondeigenaars worden hiervoor vergoed door een infrastructuurbijdrage die in de koopprijs van de bouwpercelen is begrepen. 1.
- De NV INTERPLANT wordt aangewezen voor de uitvoering van de werken tot inrichting van het openbaar domein. Deze aannemer vindt op een perceel dat eigendom is van de consoorten DE BIE-STOBBELAERS ingegraven afvalstoffen. De aannemer meldt dit op een werfvergadering van 6 augustus
- De afvalstoffen worden door de aannemer, in samenspraak met de verzoekende partij, uitgegraven en elders op het perceel gelegd, waar zij de werken niet hinderen. Wanneer echter later het aannemingsbedrijf de NV VANHOUT aan zijn werkzaamheden wil beginnen, blijken de afvalstoffen zijn werkzaamheden wel te hinderen. Er volgen besprekingen met de verzoekende partij, en op 4 februari 2008 dagvaardt de aannemer de verzoekende partij om de afvalstoffen te verwijderen. 1.
- Op 11 februari 2008 zendt de verzoekende partij een aangetekende brief aan Jaak DE BIE en Enny STOBBELAERS, waarin zij laat weten wat volgt : "Bij deze verzoekt de gemeente Opwijk u om binnen de 14 dagen na ontvangst van dit schrijven de opgehoopte vervuilde grond op uw eigendom te verwijderen. Deze vervuilde grond is afkomstig van uw eigendom aldaar en werd aangetroffen bij het uitvoeren van de contractueel voorziene infrastructuurwerken door de N.V. Interplant uit Londerzeel. De opgehoopte vervuilde grond ligt nu naast het tracé van de toekomstige weg op uw eigendom. Ter informatie sturen wij u als bijlage een voorlopige vermoedelijke kostprijsraming van i 50.809,70 exclusief BTW en welke dateert van 22 augustus
- U bent totaal vrij beroep te doen op welke firma dan ook om de bovenvermelde hopen vervuilde grond te laten verwijderen binnen de bovenvermelde termijn. Indien niet binnen de bovenvermelde voorziene termijn de bovenvermelde vervuilde grond door uw toedoen is verwijderd dan zal de gemeente Opwijk ambtshalve en op uw kosten tot de verwijdering laten overgaan". VII-37.277-3/10 1.
- Met een brief van 28 februari 2008 gericht aan de burgemeester van de gemeente OPWIJK, schrijft de raadsman van Jaak DE BIE en Enny STOBBELAERS, onder meer : "Het is volstrekt onduidelijk op welke basis, contractuele of andere, en in welke hoedanigheid de gemeente OPWIJK haar verzoek tot verwijdering heeft gericht tot de eigenaar. Voor zover de mij beschikbaar gestelde informatie correct is, hebben cliënten geen contractuele band met de gemeente. Evenmin is het duidelijk op welke grond de gemeente 'ambtshalve' zou optreden, althans zou optreden tegen de eigenaar". Hij vervolgt ook met de mededeling dat voorafgaand aan de ondertekening van de overeenkomst van 6 februari 2006 de gronden werden "geschouwd" en dat er geen opgehoopte of vervuilde grond werd "vastgesteld". 1.
- Op 4 maart 2008 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente OPWIJK de volgende beslissing : "Gelet op ons aangetekend schrijven dd. 11.02.2008 (...) aan de heer en mevrouw Jaak De Bie-Stobbelaers (...) met het verzoek om binnen de 14 dagen na ontvangst van dit schrijven de opgehoopte vervuilde grond op hun eigendom gelegen in het project Kloostertuin / BPA nr. 4 - Gasthuis te verwijderen; Gelet op het feit dat deze vervuilde grond afkomstig is van hun eigendom en werd aangetroffen bij het uitvoeren van de contractueel voorziene infrastructuurwerken door de N.V. Interplant uit Londerzeel voor rekening van de gemeente Opwijk; Gelet op het feit dat er in dit schrijven duidelijk en expliciet is vermeld dat indien binnen de gestelde termijn de bovenvermelde vervuilde grond niet is verwijderd de gemeente Opwijk ambtshalve en op hun kosten tot de verwijdering zal overgaan; (...) Gelet op het schrijven dd. 28.02.2008 van meester Iwein Van Driessche (...) terzake; Gelet op ons aangetekend schrijven overgemaakt op 3 maart 2008 aan meester Iwein Van Driessche, bovenvermeld, welke als volgt luidt : 'Het lijkt uw cliënten te ontgaan dat zij houders zijn van afval. Ingegraven afval blijft afval. Het is verboden afvalstoffen achter te laten in strijd met de voorschriften van het Afvalstoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Onder achterlaten moet worden verstaan, het laten staan of liggen van een voorwerp waarvan men zich ontdoet, het veroorzaken of laten voortduren van de aldus ontstane toestand, zodat ook het verzuim om het gedeponeerde afval (te verwijderen) wordt bedoeld. (Cass. 22 februari 2005). Het overtreden van deze bepaling is strafbaar (art. 56 van het decreet). Wie afval achterlaat moet door de rechtbank worden veroordeeld tot het verwijderen ervan (art. 59). En onverminderd deze mogelijkheid kan de veroordeelde worden verplicht tot terugbetaling van de verwijderingskosten (art. 59 §1). In beginsel is de eigenaar van de grond ook de houder van (het) afval. Afval kan niet wettig worden overgedragen bij overeenkomst dan op de bij wet (te lezen: het Afvaldecreet van 2 juni 1981) bepaalde wijze. Het sluiten van een erfpachtovereenkomst met een derde is geen bij wet VII-37.277-4/10 bepaalde wijze. Bovendien brengt de vestiging van een opstalrecht geen overdracht mee van (het) afval in de ondergrond van het perceel waarop het opstalrecht wordt verleend. Het gemeentebestuur heeft uw cliënten de kans gegeven om het afval te verwijderen op een zo voordelig mogelijke manier en zonder hen te betrekken in gerechtelijke procedures. Vermits zij van die gelegenheid geen gebruik willen maken zullen zij er de gevolgen van moeten ondergaan'. Gelet op het feit dat de gemeente Opwijk door de N.V. Vanhout / Besix werd gedagvaard voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel ten einde de bovenvermelde vervuilde hoop grond te laten verwijderen op de bovenvermelde eigendom ten einde hun werkzaamheden in het kader van de projectzone nr. 1 - BPA nr. 4 - Gasthuis Opwijk - project Kloostertuin verder te kunnen uitvoeren; Gelet op het feit dat op datum van heden, dinsdag 4 maart 2008, de bovenvermelde hoop vervuilde grond nog altijd aanwezig is op de bovenvermelde eigendom; Gelet op het feit dat de gemeente gelet op zijn bovenvermeld aangetekend schrijven dd. 11.02.2008 aan de heer en mevrouw Jaak De Bie - Enny Stobbelaers, bovenvermeld, aldus ambtshalve en op kosten van deze laatsten kan overgaan tot de verwijdering van de bovenvermelde vervuilde grond op bovenvermelde eigendom; (...) Gelet op het gemeentedecreet; Gelet op artikel 59 §2 van het afvalstoffendecreet van 2 juli 1981 welke als volgt luidt 'onverminderd het bepaalde in artikel 1 kan de veroordeelde worden verplicht tot de terugbetaling van de kosten voor het verwijderen door de gemeente, door de Afvalstoffenmaatschappij en door het Vlaams Gewest'; BESLUIT: Artikel 1: Er zal door de gemeente Opwijk ambtshalve worden overgegaan tot de verwijdering (wegbrengen, storten en verwerken) van de vervuilde hoop grond welke gelegen is op de bovenvermelde eigendom van de heer en mevrouw Jaak De Bie-Enny Stobbelaers, bovenvermeld, in de projectzone nr. 1 / BPA nr. 4 - Gasthuis / project Kloostertuin in Opwijk. Het ambtshalve laten verwijderen en storten plus verwerken op een wettelijk toegelaten plaats zal gebeuren lastens en op kosten van de heer en mevrouw Jaak De Bie - Enny Stobbelaers - Ringlaan 26 - 1745 Opwijk, terzake wordt er verwezen naar het bovenvermeld artikel 59 §2 van het afvalstoffendecreet. (...)". 1.
- Met een brief van 3 april 2008 vraagt de raadsman van Jaak DE BIE en Enny STOBBELAERS aan de provinciegouverneur om de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Opwijk van 4 maart 2008 "voor zover er op gericht de verwijdering van de vervuilde grond (...) te laten gebeuren lastens en op kosten" van zijn cliënten, "te schorsen, te herroepen en te vernietigen". Die brief luidt onder meer als volgt : VII-37.277-5/10 "De grieven tegen de beslissing van het college zijn voornamelijk gebaseerd op de overweging dat het college beslist de verwijdering van 'de vervuilde hoop grond" te laten gebeuren lastens en op kosten van cliënten, verwijzend naar het artikel 59 § 2 van het afvalstoffendecreet. Paragraaf 2 van artikel 59 verwijst naar § 1, dat stelt : 'degene die afvalstoffen achterlaat in strijd met de bepalingen van dit decreet, wordt door de rechtbank veroordeeld tot het verwijderen ervan binnen een door haar vastgestelde termijn'. Voorafgaandelijk kan enkel worden vastgesteld dat tot op heden nog niet is vastgesteld wie afvalstoffen zou hebben achtergelaten. De eigenaars van de grond waarop opstalrechten werden verleend, kunnen zelfs niet als houder van afvalstoffen worden aangesproken op grond van het eenvoudige feit dat zij eigenaar zijn, gelet op de bepalingen van het afvalstoffendecreet. Er is derhalve tot op heden geen enkel element dat toelaat om met zekerheid te stellen dat het echtpaar DE BIE-STOBBELAERS, op grond van het afvalstoffendecreet zal kunnen worden aangesproken om 'de vervuilde hoop grond' te verwijderen. In elk geval is het zo dat van enige veroordeling, zoals uitdrukkelijk voorzien in artikel 59 §2 van het afvalstoffendecreet, geen sprake is. Om die reden kan de gemeente op grond van de elementen die voorhanden zijn, niet beslissen de kosten ten laste te leggen van het echtpaar Jaak DE BIE- Enny STOBBELAERS, nu deze niet zijn veroordeeld door een rechtbank". 1.
- Op 20 mei 2008 schorst de provinciegouverneur, bij toepassing van artikel 255, § 1, van het gemeentedecreet van 15 juli 2005, de uitvoering van de beslissing. Hij overweegt wat volgt : "Overwegende dat artikel 59 §1 van het afvalstoffendecreet bepaalt dat degene, die afvalstoffen achterlaat - in strijd met de bepalingen van dit decreet - door de rechtbank dient te worden veroordeeld tot het verwijderen van dit afval binnen een door haar vastgestelde termijn; Overwegende dat artikel 59 § 2 bovendien stelt dat de veroordeelde kan worden verplicht tot terugbetaling van de kosten voor de verwijdering ervan door de gemeente; Overwegende dat het gemeentebestuur de aansprakelijkheid voor de vervuiling op betreffend perceel grond niet zomaar kan leggen bij de eigenaars van dit eigendom, daar de heer en mevrouw De Bie-Stobbelaers terzake niet veroordeeld zijn, en er door OVAM in het jaar 2005 een bodemattest werd afgeleverd in overeenstemming met het bodemsaneringsdecreet, alvorens aan de NV Vanhout een recht van opstal werd verleend; Overwegende dat het gemeentebestuur deze maatregel tot ambtshalve verwijdering van vervuilde grond ten laste van de eigenaars van betreffend perceel niet autonoom kan laten uitvoeren". 1.
- Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente OPWIJK beslist daarop om bij toepassing van artikel 256, derde lid, van het gemeentedecreet, zijn besluit van 4 maart 2008 te handhaven. VII-37.277-6/10 1.
- Op 24 juli 2008 neemt de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering de bestreden beslissing : het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente OPWIJK van 4 maart 2008 wordt vernietigd bij toepassing van artikel 256, derde lid, van het gemeentedecreet. Dit is de bestreden beslissing die luidt als volgt : "(...) Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen in zijn besluit van 4 maart 2008 verwijst naar artikel 59 van het afvalstoffendecreet dat inhoudt dat 'wie afval achterlaat door de rechtbank moet worden veroordeeld tot het verwijderen ervan' en dat 'onverminderd deze mogelijkheid de veroordeelde kan worden verplicht tot terugbetaling van de kosten van verwijdering door de gemeente'; dat het college van burgemeester en schepenen, verwijzend naar zijn aangetekend schrijven van 11 februari 2008 aan de familie De Bie-Stobbelaers, stelt dat het aldus ambtshalve en op kosten van deze laatsten kan overgaan tot de verwijdering van hun vervuilde grond; Overwegende dat de provinciegouverneur dit collegebesluit schorste om reden dat artikel 59, §1, van het afvalstoffendecreet bepaalt dat degene die afvalstoffen achterlaat in strijd met de bepalingen van dit decreet, door de rechtbank dient te worden veroordeeld tot het verwijderen van dit afval binnen een door haar vastgestelde termijn en dat artikel 59, §2, bovendien stelt dat de veroordeelde kan worden verplicht tot de terugbetaling van de kosten voor de verwijdering ervan door de gemeente; dat het gemeentebestuur de aansprakelijkheid voor de vervuiling op betreffend perceel grond niet zomaar kan leggen bij de eigenaars, daar deze terzake niet veroordeeld zijn en er door OVAM in 2005 een bodemattest werd afgeleverd in overeenstemming met het bodemsaneringsdecreet, alvorens aan de nv Vanhout een opstalrecht werd verleend; dat dus het gemeentebestuur de ambtshalve verwijdering van vervuilde grond ten laste van de eigenaars niet autonoom kan laten uitvoeren; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen, in zijn handhavingsbesluit de contractuele verhoudingen schetst tussen de gemeente Opwijk en de familie De Bie-Stobbelaers met betrekking tot de realisatie van het inbreidingsproject Kloostertuin / BPA nr. 4 - Gasthuis; dat het college van burgemeester en schepenen erop wijst dat deze overeenkomst de samenwerking regelt tussen de vzw Vlaanderen Bouwt, de gemeente Opwijk en de participanten, waaronder de familie De Bie-Stobbelaers en de verplichtingen regelt van de verschillende partijen met het oog op de realisatie van een totaalproject (koopwoningen en -appartementen en omgevingswerken); dat de verplichting van de grondeigenaars was aan de gemeente Opwijk een recht van opstal te verlenen op hun grond om er het toekomstig openbaar domein op aan te leggen; dat de gemeente Opwijk, als medeparticipant in het project, ook contractueel gebonden is ten aanzien van de familie De Bie om de desbetreffende infrastructuurwerken uit te voeren; dat bij de voorbereidende grondwerken de nv Interplant stootte op de vervuilde grond welke noodgedwongen werd uitgegraven en gestort op een ander deel van het perceel; dat de eigenaar van de grond ook eigenaar is van het afval, dat niet wettig bij overeenkomst kan worden overgedragen dan op de bij de wet (afvaldecreet) bepaalde wijze; dat de vestiging van een opstalrecht geen overdracht meebrengt van het afval in de ondergrond; dat de gemeente de familie De Bie de kans gegeven heeft om het afval vrijwillig te verwijderen, en dat ze daarvan geen gebruik gemaakt heeft zodat ze nu er de gevolgen van moet ondergaan; dat het verder de bedoeling is de gemaakte kosten voor het verwijderen van het afval VII-37.277-7/10 in der minne terug te vragen aan de familie De Bie, dat het besluit van 4 maart 2008 dus geen uitvoerbare titel is; en dat, indien niet in der minne de kosten worden terugbetaald, deze kosten zullen teruggevorderd worden via gerechtelijke weg; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen, in zijn besluit van 4 maart 2008, verwijst naar artikel 59, §2, van het afvaldecreet; dat het college van burgemeester en schepenen deze paragraaf foutief blijkt te interpreteren waar het meent dat 'onverminderd het bepaalde in §1' zou betekenen dat zonder tussenkomst van de rechtbank tot ambtshalve verwijdering van het afval kan overgegaan worden en alleen een eventuele tussenkomst van de rechtbank nodig kan zijn om de kosten terug te vorderen; dat de provinciegouverneur terecht heeft gesteld dat degene die afvalstoffen achterlaat in strijd met de bepalingen van dit decreet, door de rechtbank dient te worden veroordeeld tot het verwijderen van dit afval binnen een door haar vastgestelde termijn; dat artikel 59 immers een bepaling is die deel uitmaakt van hoofdstuk XI 'Strafbepalingen' en de herstelvordering inhoudt naar aanleiding van een strafprocedure; dat deze strafprocedure hier niet is ingesteld; dat de enige mogelijkheid voor de gemeente om ambtshalve de verwijdering van afvalstoffen te bevelen artikel 54 van het afvaldecreet was geweest; dat deze bepaling hier niet als rechtsgrond werd gebruikt; dat trouwens deze bepaling niet het college van burgemeester en schepenen maar de burgemeester hiertoe bevoegd stelt; Overwegende dat ook het participatiecontract, waarvan sprake in het handhavingsbesluit, geen grondslag biedt aan de gemeente om tot ambtshalve verwijdering van het afval over te gaan; dat de gemeente bij niet vrijwillige uitvoering door de familie van het contract immers niet zelf ambtshalve tot de uitvoering ervan kan overgaan zonder een beroep te doen op de rechtbank; dat artikel 1144 B.W. immers stelt dat de schuldeiser, indien een verbintenis (om iets te doen) niet ten uitvoer wordt gebracht, gemachtigd moet worden (door de rechtbank) om zelf de verbintenis uit te voeren op kosten van de schuldenaar; Overwegende dat gezien de ambtshalve verwijdering door het college van burgemeester en schepenen van afvalstoffen van het eigendom van de familie De Bie onwettig is gebeurd, ook de ten laste legging van de kosten van deze familie onwettig is (...)";
- De gegrondheid 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel aanvoert dat de steller van de bestreden beslissing onbevoegd is en dat artikel 59, § 2, van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen (hierna : afvalstoffendecreet) is geschonden; dat zij hierbij uiteenzet dat de verwerende partij een beslissing heeft genomen over burgerlijke rechten en plichten door te stellen dat de verzoekende partij niet kon overgaan tot verwijdering van afval dat in het kader van de uitvoering van een overeenkomst uit de bodem was opgegraven, waarbij de kosten op de eigenaar van het afval zouden worden verhaald, terwijl de verwerende partij zich niet vermag uit te spreken over burgerlijke rechten en plichten; dat zij verder uiteenzet dat de door haar genomen beslissing geen enkele wijziging aanbrengt in de verhoudingen tussen de burger en VII-37.277-8/10 de overheid, dat haar beslissing een beslissing is om in het kader van een overeenkomst het afval, dat in eerste instantie werd verplaatst, definitief te verwijderen en om de kosten hiervan op "basis van het gemene recht (contractueel of buitencontractueel) te verhalen", dat de bestreden beslissing haar beslissing in de eerste plaats vernietigt omdat artikel 59, § 2, van het afvalstoffendecreet geen basis biedt om buiten de rechtbank om ambtshalve over te gaan tot de verwijdering van afval, dat haar beslissing zulks niet beslist, dat "de beslissing die zij genomen heeft niets te maken (heeft) met artikel 59, § 2 van het Afvalstoffendecreet", dat de bestreden beslissing die vervolgt dat "ook het participatiecontract geen basis biedt om tot ambtshalve verwijdering over te gaan van het afval zonder beroep te doen op een rechtbank, omdat artikel 1144 B.W. hieraan in de weg zou staan", hiermee "uitspraak (doet) over een geschil over burgerlijke rechten en plichten dat de gemeente aan de rechtbanken zal overleggen", dat het aan de hoven en rechtbanken toekomt om te oordelen of zij in de gegeven omstandigheden op grond van de overeenkomst over kon gaan tot verwijdering van de afvalstoffen die afkomstig zijn van de grond van de familie DE BIE, en of zij de kosten van die verwijdering kon verhalen op de familie DE BIE, dat door "nu reeds te zeggen dat de gemeente dit niet kan, (...) zij een uitspraak (doet) over burgerlijke rechten en plichten" waarmee de verwerende partij haar bevoegdheid overschrijdt; 2.2.
- Overwegende dat, met betrekking tot de aangevoerde schending van artikel 59, § 2, van het afvalstoffendecreet, de verzoekende partij in haar beslissing van 4 maart 2008 uitdrukkelijk die bepaling inroept en in het beschikkend gedeelte van haar beslissing er zelfs naar verwijst om de ambtshalve verwijdering van het afval "lastens en op kosten" van Jaak DE BIE en Enny STOBBELAERS te verantwoorden; dat zulks strijdt met wat zij in haar verzoekschrift betoogt; dat zij bovendien in haar verzoekschrift niet uiteenzet hoe voornoemd artikel 59, § 2, van het afvalstoffendecreet is geschonden; dat dit alles leidt tot de conclusie dat het middel dat de schending aanvoert van artikel 59, § 2, van het afvalstoffendecreet als niet-ontvankelijk wordt afgewezen; 2.2.
- Overwegende dat, met betrekking tot de aangevoerde onbevoegdheid van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, uit de bestreden beslissing blijkt dat zij vaststelt dat in dezen de verzoekende partij geen bevoegdheid had om ambtshalve, en dus optredend als bestuursoverheid, de tenuitvoerlegging van een overeenkomst af te dwingen zonder beroep te doen op de rechter; dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift VII-37.277-9/10 uiteenzet dat het "de hoven en rechtbanken toe(komt) om te oordelen of de gemeente in de gegeven omstandigheden op grond van de overeenkomst over kon gaan tot verwijdering van de afvalstoffen die afkomstig zijn van de grond van de familie DE BIE, en of de gemeente de kosten van die verwijdering kon verhalen op de familie DE BIE"; dat in het kader van zijn wettigheidstoezicht, de genoemde minister binnen zijn bevoegdheid gebleven is bij zijn vaststelling dat de verzoekende partij de hare te buiten is gegaan; dat het enige middel derhalve voor dat aspect niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf februari tweeduizend en negen, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.277-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.183 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div