← België

Arrest 190230 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 05/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.230 Rolnummer: A. 133255/XII-3780 Zaak: Arrest 190230 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 05/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-13 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 16:40 Fiche Arrest nr 190.230 van 5 februari 2009 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.230 van 5 februari 2009 in de zaak A. 133.255/XII-

  1. In zake : Ilse GEYSEMANS, die woonplaats kiest bij advocaten B. Beelen en J. Vanstipelen, kantoor houdende te Leuven, Justus Lipsiusstraat 24 tegen :
  2. de GEMEENTE PUTTE, die woonplaats kiest bij advocaat H. Sebreghts, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 27
  3. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaten B. Steegen, E. Schellingen en A. Gerkens, kantoor houdende te Bilzen, Demerlaan 21, bus
  4. tussenkomende partij : Alexandra VAN DEN BUNDER, die woonplaats kiest bij advocaten A. Van De Velde, F. De Keersmaecker en M. Leemans, kantoor houdende te Mechelen, Paardenstraatje
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ilse Geysemans op 20 februari 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 29 augustus 2002 van de gemeenteraad van de gemeente Putte om Alexandra Van den Bunder te benoemen tot bestuurssecretaris, met één jaar proeftijd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 28 april 2003; Gelet op de beschikking van 13 mei 2003 die de tussenkomst van Alexandra Van Den Bunder toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; XII-3780-1/13 Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Weekers; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 mei 2008; Gelet op het faxbericht van 15 mei 2008 waarbij de zaak wordt uitgesteld tot de terechtzitting van 27 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Beelen, die loco advocaat B. Beelen verschijnt voor verzoekster, van advocaat H. Sebreghts, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat B. Steegen, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat L. Brouwers, die loco advocaat M. Leemans verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten
  6. De gemeenteraad van Putte beslist op 27 september 2001 om de betrekking van een bestuurssecretaris (diensthoofd secretariaat) open te verklaren en te begeven bij aanwerving. Onder anderen verzoekster en de tussenkomende partij stellen zich kandidaat. Het aanwervingsexamen bestaat uit een schriftelijk en een mondeling gedeelte. Het schriftelijk gedeelte beslaat drie proeven. In de eerste proef worden de kennisvereisten zoals vastgesteld in de functiebeschrijving getoetst; de tweede en de derde proef betreffen het oplossen van “een probleemsituatie”, XII-3780-2/13 respectievelijk van “een juridisch probleem”. Tijdens het mondeling gedeelte wordt de overeenstemming geëvalueerd van het profiel van de kandidaat met de specifieke vereisten van de functie, evenals zijn motivatie en interesse voor het werkterrein. Drie kandidaten slagen, onder wie verzoekster met 80,5 punten op 100 en de tussenkomende partij met 78,5 punten.
  7. Op 21 februari 2002 beslist de gemeenteraad de tussenkomende partij tot bestuurssecretaris te benoemen, met een proefperiode van één jaar. De beslissing wordt op 16 april 2002 door de gouverneur van de provincie Antwerpen in haar tenuitvoerlegging geschorst omdat ze “geen voldoende vergelijkend onderzoek verricht naar de titels en verdiensten van de verschillende kandidaten”. In zijn handhavingsbesluit van 23 mei 2002 gaat de gemeenteraad alsnog tot een vergelijking van de titels en verdiensten over. Hij concludeert dat verzoekster en de tussenkomende partij “quasi gelijkwaardige kandidaten zijn wat betreft loopbaanontwikkeling en de examenuitslag”, maar dat de tussenkomende partij gelet op haar beroepservaring “meer geschikt voorkomt voor de functie van bestuurssecretaris op het secretariaat”. De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken vernietigt op 29 juli 2002 de gemeenteraadsbeslissing van 21 februari 2002, overwegende onder meer “dat vooral de ervaring van mevrouw Geysemans bij het gemeentebestuur van Heist-op-den- Berg het argument van de Raad ontkracht dat de beroepservaring van mevrouw Van den Bunder geschikter is voor de beoogde functie; [...] dat, integendeel, mevrouw Geysemans over meer ervaring in de openbare sector beschikt en bovendien in een gelijkwaardige functie als de beoogde functie”.
  8. Op 29 augustus 2002 besluit de gemeenteraad opnieuw de tussenkomende partij tot bestuurssecretaris te benoemen, met één jaar proeftijd. Geconcludeerd wordt : “dat ondanks de kleine voorsprong van 2% voor mevrouw Ilse Geysemans op het aanwervingsexamen ten opzichte van mevrouw Alexandra Van den Bunder, de voorkeur uitgaat naar mevrouw Alexandra Van den Bunder op basis van : - haar academisch pedagogische vorming die een zwaarwegend element inhoudt met het oog op de uitvoering van taken opgenomen in de functiebeschrijving van bestuurssecretaris en in de doelstellingen vervat in het algemeen beleidsprogramma 2001-2006 van het College van Burgemeester en schepenen van de gemeente Putte. XII-3780-3/13 - haar groter academisch gewicht - haar vertrouwdheid met de begroting - haar onmiddellijke beschikbaarheid”. De procedure
  9. De bestreden beslissing gaat alleen uit van de gemeente Putte. Het Vlaamse Gewest heeft er part noch deel aan gehad en dient bijgevolg buiten de zaak te worden gesteld. De gemeente Putte is als de enige verwerende partij te beschouwen. Het belang van verzoekster
  10. In de laatste memories signaleren de verwerende en de tussenkomende partij dat verzoekster thans niet meer bij het gemeentebestuur van Heist-op-den-Berg werkt, maar als afdelingshoofd van de dienst personeels- ontwikkeling van de provincie Antwerpen, en dat de wedde-inschaling van die functie hoger is dan de inschaling van de functie bestuurssecretaris bij de verwerende partij. Verwerende partij vraagt zich dan ook af “in hoeverre verzoekende partij nog belang heeft bij de voorliggende vordering”. Volgens de tussenkomende partij is verzoekster zonder belang “mede gelet op de wijze waarop verzoekende partij haar belang omschreef in het verzoekschrift tot nietigverklaring”.
  11. Ter terechtzitting bevestigt verzoekster nog altijd de ambitie te hebben om tot bestuurssecretaris (diensthoofd secretariaat) van de gemeente Putte benoemd te worden, ook al geniet zij nu een iets hogere wedde. Die uitleg kan volstaan om haar belang te doen aannemen, inzonderheid vanwege de wijze waarop verzoekster haar belang in het verzoekschrift tot nietigverklaring omschreef. Daarin heette het dat de gevorderde vernietiging haar kansen op een benoeming “in haar gemeente van domicilie” moest vrijwaren. Verwerende noch tussenkomende partij doen aannemen dat dit niet meer actueel zou zijn. De exceptie van gebrek aan belang wordt verworpen. XII-3780-4/13 De grond van de zaak Standpunt van de partijen
  12. Verzoekster voert een eerste middel aan “genomen uit de schending van de art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, schending van de materiële motiveringsverplichting, schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van de behoorlijke feitenvinding, machtsafwending doordat in het bestreden besluit de titels en verdiensten van de diverse kandidaten niet objectief worden vergeleken, doordat in het benoemingsbesluit criteria gehanteerd worden naast de examenuitslag die de principes van pertinentie, de objectiviteit en de redelijkheid niet doorstaan, doordat het besluit niet draagkrachtig is terwijl bij een benoemingsbesluit de titels en verdiensten van diverse kandidaten objectief dienen vergeleken te worden hetgeen hier niet het geval is”. In de eerste plaats betwist verzoekster dat de tussenkomende partij zou doen blijken van een uitgesproken groter academisch gewicht: nergens in het bestreden besluit wordt uiteengezet welke bijkomende titels en verdiensten van de diverse kandidaten beschouwd worden als reeds beoordeeld en vervat in de examenmaterie; bovendien blijkt duidelijk dat de bijkomende titels en verdiensten van verzoekster geminimaliseerd worden, terwijl de bijkomende titels en verdiensten van de tussenkomende partij worden uitvergroot. Ook wat de opgedane relevante werkervaring betreft, heeft, volgens verzoekster, de verwerende partij de titels en verdiensten van de kandidaten niet objectief beoordeeld. Objectief bekeken, verzinken de werkervaringen van de tussenkomende partij in het niets vergeleken met de ervaring die verzoekster opdeed in de functie van bestuurssecretaris in Heist-op-den-Berg. Ten onrechte worden de kwaliteiten van verzoekster op het vlak van financiën en begroting verzwegen. Indien men, ten slotte, het criterium van de onmiddellijke beschikbaarheid ook voor verzoekster had nagegaan, dan kon zijn vastgesteld dat ook zij zich onmiddellijk kon vrijmaken. Men heeft evenwel duidelijk nagelaten om dit na te trekken, zodat men geen behoorlijk dossieronderzoek heeft verricht en XII-3780-5/13 duidelijk niet kan worden gesproken van een objectieve vergelijking van de diverse kandidaten.
  13. De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord dat het middel onontvankelijk is “voor zover het niet handelt over de schending van de motiveringsverplichting”, omdat verzoekster weliswaar de schending van liefst zes beginselen aanvoert maar klaarblijkelijk alleen aandacht schenkt aan de vermeende schending van de motiveringsverplichting. In verband met de basisopleiding en bijkomende opleiding van de kandidaten wijst verwerende partij erop dat de bestreden beslissing alle opleidingen en diploma’s van verzoekster vermeldt, dat de benoemende instantie over een appreciatiebevoegdheid beschikt die meebrengt dat alleen een kennelijk onredelijke beoordeling tot vernietiging kan leiden, dat alle beoordelingselementen uit de ingediende curricula vitae zijn gehaald en niemand de mogelijkheid kreeg bijkomende info te verschaffen, dat de benoemende overheid discretionair bepaalt aan de hand van welke criteria de kandidaten vergeleken worden en welk gewicht aan die criteria wordt gehecht, en dat de Raad van State zich in verband met de concrete beoordeling van de kandidaten voor een benoeming geenszins in de plaats mag stellen van de benoemende overheid. Naar de mening van verwerende partij gebeurde de vergelijking met betrekking tot de opgedane relevante werkervaring wel degelijk objectief. Verzoekster maakt zich schuldig aan wat zij de verwerende partij verwijt, “namelijk het maximaliseren van de eigen verdienste en het minimaliseren van die van de andere kandidaten”. Het feit dat verzoekster zichzelf als een betere kandidaat beschouwt, betekent niet dat de afweging die de verwerende partij heeft gemaakt niet aanvaard kan worden. Aangaande het criterium van de onmiddellijke beschikbaarheid doet verwerende partij gelden dat zij de kandidaten heeft beoordeeld aan de hand van de informatie die de kandidaten zelf verschaft hebben.
  14. In de laatste memorie betoogt verwerende partij nog aanvullend dat verzoekster geen gegevens heeft bijgebracht over haar ervaring op het vlak van begroting, dat er dan ook geen rekening mee gehouden kon worden, dat het overigens niet correct is dat verzoekster, vanwege haar ervaring als XII-3780-6/13 bestuurssecretaris-hoofd van de personeelsdienst in een naburige grotere gemeente, ervaring zou hebben met begrotingen, dat verzoekster nooit tijdens de aanwervingsprocedure heeft aangevoerd onmiddellijk beschikbaar te zijn geweest en dat zij dit ook niet was.
  15. De tussenkomende partij argumenteert in dezelfde zin als de verwerende partij. Beoordeling
  16. Is het georganiseerde aanwervingsexamen niet-vergelijkend, dan is de overheid bij de benoeming niet gebonden door de uitslag ervan, in die zin dat zij niet verplicht is te kiezen voor de best gerangschikte kandidaat. Dat betekent echter niet dat zij het resultaat van het examen zonder meer mag voorbijzien. Wel staat het haar vrij om, binnen de grenzen van de redelijkheid, een groter belang te hechten aan andere criteria dan dat examenresultaat. Die maatstaven mogen niet willekeurig zijn en moeten op een objectieve en gemotiveerde wijze worden toegepast. Zo niet komt de overheid tekort aan de verplichting, op grond van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en het vereiste van een deugdelijke materiële motivering, om met het oog op een benoeming de titels en de verdiensten van de kandidaten naar behoren te vergelijken. Gelet op de verplichting tot formele motivering van de benoeming moet een en ander bovendien afdoende verantwoord worden in de benoemings- beslissing zelf.
  17. Komt het de Raad van State niet toe bij de keuze en de toepassing van de criteria in de plaats te treden van de overheid, hij mag en moet desgevraagd de wettigheid nagaan van de beoordeling die de overheid ter zake heeft gemaakt.
  18. Te dezen maakt verzoekster in het eerste middel voldoende duidelijk dat zij verwerende partij verwijt aan haar hogere score in het examen te zijn voorbijgegaan, op grond van niet draagkrachtige motieven. XII-3780-7/13 Het middel is, zoals verwerende partij trouwens zelf toegeeft, alleszins in die mate ontvankelijk.
  19. Naar verwerende partij in de bestreden beslissing uiteenzet, wettigen vier redenen dat de voorkeur voor de benoeming wordt gegeven aan de tussenkomende partij, niettegenstaande verzoeksters licht betere uitslag in het aanwervingsexamen. 15.
  20. Eén van die redenen is het “groter academisch gewicht” van de tussenkomende partij. Daartoe wordt rekening gehouden: - in hoofde van de tussenkomende partij, met het bijkomende diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs in de handelswetenschappen en met een “getuigschrift van de afstudeerrichting ‘bedrijfsmanagement’”; - in hoofde van verzoekster, met alleen het diplomasupplement van gediplomeerde in de aanvullende studies van overheidsmanagement en bestuurskunde. Ter zake meent verzoekster dat wat de tussenkomende partij betreft het “getuigschrift van de afstudeerrichting ‘bedrijfsmanagement’” overroepen is en dat wat haarzelf betreft ten onrechte bijvoorbeeld haar getuigschrift van de provinciale bestuursschool Antwerpen inzake de opleiding “personeelsbeleid” niet in de beoordeling betrokken wordt. 15.
  21. Speciaal met het oog op de te begeven benoeming van bestuurs- secretaris is een examen georganiseerd geworden om na te gaan of de kandidaten over de vereiste kennis beschikken en aan de specifieke vereisten van de functie beantwoorden. Verzoekster heeft daarin iets beter gescoord dan de tussenkomende partij, het zogeheten academisch overwicht van die laatste te spijt. Nu dat academisch overwicht de tussenkomende partij geen voordeel blijkt te hebben opgeleverd op het examen, rijst de vraag welke relevantie dan wel dit overwicht -als zodanig- voor de functie heeft. Het is een vraag die de bestreden beslissing onbeantwoord laat. Bovendien is wat verwerende partij “een getuigschrift van de afstudeerrichting ‘bedrijfsmanagement’ (faculteit handels- en financiële wetenschappen) - 1 academiejaar” van de tussenkomende partij noemt, alleen maar een verklaring dat zij, naast het behalen op 21 september 1993 van het diploma van XII-3780-8/13 licentiaat in de handels- en financiële wetenschappen afstudeerrichting marketing management, tijdens het academiejaar 1992-1993 ook ingeschreven is geweest voor de lessen van de 2de licentie handels- en financiële wetenschappen afstudeerrichting bedrijfsmanagement en dat zij voor die afstudeerrichting “alle vakken [heeft] afgelegd”, maar niet het eindwerk heeft verdedigd. Anders dan de tussenkomende partij in haar curriculum vitae, onder “Studies”, laat uitschijnen, is zij dus geen licentiaat handels- en financiële wetenschappen - specialisatie bedrijfsmanagement. Verwerende partij meet het “getuigschrift” een verkeerde draagwijdte toe. Verwerende partij blijft in gebreke aan te tonen dat zij terecht het argument van het “groter academisch gewicht” van de tussenkomende partij heeft gehanteerd. 16.
  22. Een ander criterium dat alsnog de voorkeur van de verwerende partij naar de tussenkomende partij deed uitgaan is “haar academisch pedagogische vorming”. Hiervan doet het diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs in de handelswetenschappen van de tussenkomende partij blijken. Verzoekster brengt daartegen in dat zij “niet alleen over de theoretische kennis beschikt (opleiding personeelsbeleid) doch ook over een praktijkervaring van 2 jaar, dit terwijl hoogstens van de benoemde kandidaat zou kunnen gezegd worden dat zij over een theoretische kennis beschikt om les te geven doch in een heel ander domein dan die van het lesgeven aan ambtenaren”. 16.
  23. De besproken vorming maakt volgens de bestreden beslissing “een ernstig en zwaarwichtig voordeel” uit gelet, eensdeels, op het “Algemeen Beleidsplan 2001-2006” dat uitdrukkelijk aandacht wil voor het ontwikkelen van een vormingsbeleid en, anderdeels, op de specifieke opdrachten vervat in de functiebeschrijving van de bestuurssecretaris. Die opdrachten slaan hierop dat de bestuurssecretaris (diensthoofd secretariaat) verantwoordelijk is voor de interne opleiding van de medewerkers van de dienst zelf (gewijzigde wetgeving, nieuwe onderrichtingen) en dat zij moet helpen het vormingsbeleid voor het personeel in het algemeen uit te stippelen en te plannen. In zoverre de pedagogische vorming, vereist voor het ontwikkelen van een vormingsbeleid voor het personeel en het verstrekken van opleiding aan de medewerkers van het secretariaat, een kwestie van kennis en vaardigheden is, is XII-3780-9/13 onduidelijk waarom zij niet geacht zou moeten worden reeds door het aanwervingsexamen getoetst te zijn. Voorts kan de Raad van State er bezwaarlijk aan voorbij dat verwerende partij, zonder het in het bestreden besluit nader toe te lichten of zonder dat het tenminste spontaan duidelijk zou zijn, breed opgeeft van het academisch karakter van de pedagogische vorming van de tussenkomende partij, maar dan weer geen enkele aandacht besteedt aan de praktijkervaring die verzoekster in haar curriculum vitae uitdrukkelijk aanvoert inzake de vorming en opleiding van personeel - en terécht, getuige stuk 3 van de tussenkomende partij zelf. Het motief van de academisch pedagogische vorming kan alzo geen voorrang verantwoorden. 17.
  24. Een derde reden van de voorkeur voor de tussenkomende partij is “haar vertrouwdheid met de begroting”. Het argument van de vertrouwdheid met de begroting duikt plots, zonder nadere verklaring, in fine van de motivering van de aangevochten beslissing op; het verwijst kennelijk naar de loopbaan en ervaring van de kandidaten. Nochtans maakt verwerende partij eerder in de motivering van de bestreden beslissing uit een zogenaamde “grondige vergelijking van de meetbare en vergelijkbare elementen van de loopbanen” met betrekking tot verzoekster en de tussenkomende partij alleen maar de gevolgtrekking dat ze “een vergelijkbare loopbaan doorliepen qua activiteitendomein met een iets langere ervaring voor mevrouw Alexandra Van den Bunder”. Hoe de verwerende partij er niettemin finaal toe komt om tussen de loopbanen van verzoekster en de tussenkomende partij toch een onderscheid te maken op grond van welbepaald de “vertrouwdheid met de begroting”, wekt des te meer verwondering in het licht van het besluit van 29 juli 2000 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken. In dat besluit, dat de benoeming van 21 februari 2002 van de tussenkomende partij vernietigde, en waarbij de verwerende partij zich heeft neergelegd, oordeelde de minister immers “dat vooral de ervaring van mevrouw Geysemans bij het gemeentebestuur van Heist-op-den-Berg het argument van de [gemeente]Raad ontkracht dat de beroepservaring van mevrouw Van den Bunder geschikter is voor XII-3780-10/13 de beoogde functie; [...] dat, integendeel, mevrouw Geysemans over meer ervaring in de openbare sector beschikt en bovendien in een gelijkwaardige functie als de beoogde functie”. 17.
  25. In de bestreden beslissing wordt niet verduidelijkt waarom uit de loopbanen van verzoekster en de tussenkomende partij juist met het element van de vertrouwdheid met de begroting, en alléén met dat element, rekening wordt gehouden. Overigens wordt het zelfs niet a posteriori, voor de Raad van State, aannemelijk gemaakt. Weliswaar beweren de verwerende en de tussenkomende partij, in de memorie van antwoord respectievelijk het verzoekschrift tot tussenkomst, dat de functie van verzoekster in Heist-op-den-Berg zich niet laat vergelijken met de beoogde functie bij de verwerende partij omdat haar functie in Heist-op-den-Berg beperkt zou zijn tot personeelsbeheer en geen enkele beleidsbevoegdheid of beleidsvoorbereidende opdracht omvat. Maar dat staat dan weer haaks op wat in de bestreden beslissing zelf staat. Daarin heet het dat qua activiteitendomeinen van de loopbaan “mevrouw Ilse Geysemans actief was in de domeinen administratie, personeelsbeheer en beleidsvoorbereidende activiteiten”. Bij gebreke aan enige verantwoording kan verwerende partij niet geacht worden terecht uit de loopbanen van de kandidaten het ene aspect van de vertrouwdheid met de begroting te hebben geïsoleerd en er, tezamen met andere criteria, een doorslaggevend belang aan te hebben toegemeten. In de concrete omstandigheden van de zaak mocht overigens van een normaal zorgvuldige en niet-vooringenomen overheid verwacht worden dat zij zich ervan vergewiste of niet ook verzoekster, die volgens het ministerieel besluit van 29 juli 2000 reeds in een vergelijkbare functie werkzaam was, ervaring met de begroting had. Indien verwerende partij dat had gedaan, dan zou zij hebben geleerd -wat thans pas in de loop van de procedure voor de Raad van State is gebleken- dat de opdracht van verzoekster in Heist-op-den-Berg inhield dat zij de budgetten eigen aan haar dienst moest opvolgen en jaarlijks begrotingsvoorstellen moest opstellen, met andere woorden “dat zij verantwoordelijk was voor het voorzien van en de controle over een budget van een bedrag van om en bij de 11 à 12 miljoen euro jaarlijks”. XII-3780-11/13
  26. De vierde reden, ten slotte, waarom de verwerende partij de tussenkomende partij boven verzoekster verkoos, is de onmiddellijke beschikbaarheid van de eerstgenoemde. De onmiddellijke beschikbaarheid is geen aanwervings- voorwaarde. Noch in verzoeksters kandidaatstelling, noch ook in die van de tussenkomende partij komt die beschikbaarheid ter sprake. Het is pas na het aanwervingsexamen dat de tussenkomende partij, ongevraagd, met een brief van 15 februari 2002 laat weten “dat, indien de gemeenteraad zou besluiten haar voorkeur voor mij uit te drukken, ik onmiddellijk in dienst kan treden”. Wat zomaar uit eigen beweging en buiten de kandidaatstelling om wordt meegedeeld als een informatie voor het geval dat de voorkeur aan de tussenkomende partij wordt gegeven, grijpt de gemeenteraad aan om te motiveren dat juist voor de tussenkomende partij wordt gekozen. Dat motief kan niet worden aangenomen. Uit niets, ook niet uit de bestreden beslissing, blijkt waarom het, onverhoeds, voor de verwerende partij van decisief belang is dat de aan te werven bestuurssecretaris zonder enig uitstel in dienst kan treden. Hoe dan ook schrijft de elementaire zorgvuldigheid voor dat, zo onverwachts als verwerende partij de onmiddellijke beschikbaarheid van beslissend belang acht, zij dan toch tenminste nagaat of ook niet verzoekster eraan voldoet. Verwerende partij heeft dat ten onrechte niet nodig gevonden.
  27. Samengevat blijkt dat verwerende partij zich voor de benoeming van de tussenkomende partij heeft gesteund op ondeugdelijke redenen. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  28. Het Vlaamse Gewest wordt buiten de zaak gesteld. Artikel
  29. XII-3780-12/13 Vernietigd wordt de beslissing van 29 augustus 2002 van de gemeenteraad van de gemeente Putte om Alexandra Van den Bunder te benoemen tot bestuurssecretaris. Artikel
  30. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de gemeente Putte. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf februari 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-3780-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.230 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.