id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.277 Rolnummer: A. 171379/IX-5286 Zaak: Arrest 190277 - Varia (openbaar ambt) - 10/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-19 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 17:11 Fiche Arrest nr 190.277 van 10 februari 2009 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.277 van 10 februari 2009 in de zaak A. 171.379/IX-
- In zake : Patrick STEYVERS, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Leefmilieu en Pensioenen, thans de minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patrick STEYVERS op 23 maart 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 23 januari 2006 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen, waarbij zijn beroep tegen de beslissing van 28 oktober 2004 van de commissie voor vergoedingspensioenen ontvankelijk, maar ongegrond wordt verklaard; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 2 maart 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 29 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad B.THYS; IX-5286-1/10 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
- De verzoeker is in dienst van een interventie-eenheid van de rijkswacht wanneer hij op 26 september 1992 bij een inval in een woning, van het balkon van deze woning valt. Dit ongeval wordt bij beslissing van 25 oktober 1995 van de commissie voor vergoedingspensioenen als een dienstfeit erkend. 1.
- Op 9 april 2003 dient de verzoeker een aanvraag in tot het verkrijgen van een vergoedingspensioen wegens verergering of verwikkelingen. Het medische attest, dat ter staving is bijgevoegd, maakt melding van “coxartrose [rechts] waarvoor een totale heupprothese in oktober 2001”. 1.
- De commissie voor vergoedingspensioenen verwerpt de aanvraag van de verzoeker op 28 oktober
- Zij verantwoordt haar beslissing als volgt: “Betreft : aanvraag om herziening wegens verergering/verwikkeling d.d. 09/04/2003 voor de volgende aandoening : - Coxarthrose Rechts waarvoor totale heupprothese; Overwegende dat volgens verzoeker dit letsel een verergering of verwikkeling zou zijn naar aanleiding van het ongeval d.d. 26/09/1992 en waarbij de omstandigheden van het ongeval reeds bij beslissing van de Commissie d.d. 25/10/1995 werden aanvaard als dienstfeit; Overwegende dat de expert-geneesheer van de Gerechtelijk Geneeskundige Dienst oordeelt in zijn verslag dat ‘de coxarthrose rechts’ niet in verband kan gebracht worden met het ongeval van 26/09/1992; IX-5286-2/10 dat er op 15/10/1992 geen vaststelling van trauma bij beeldvorming werd opgetekend; dat er in het protocol van GGD van 16/02/1994 geen melding werd gemaakt van letsels thv. de heup; dat Dr. Redant op 11/08/1995 noteert: ‘De oorzaak van de vroegtijdige coxarthrose betreft duidelijk een coxa magna met discongruentie van de femurkop en acetabulum; dat er een duidelijke oorzaak aanwezig is voor de coxarthrose, de oorzaak d.w.z., coxa magna is van constitutionele aard en dus vreemd aan de dienst; Overwegende dat er trouwens nergens in het medisch dossier een trauma thv. de re. heup terug te vinden is; Overwegende dat de expert-geneesheer het invaliditeitspercentage wel op 15% schat maar onmiddellijk overgaat tot een aftrek van de volledige 15% te wijten aan vroegere, gelijktijdige en latere vreemde factoren, blijft zodoende 0% aanrekenbaar; Gezien de Commissie zich kan aansluiten bij de bevindingen van de expert-geneesheer wijst zij de aanvraag om verergering en/of verwikkeling d.d. 9/4/2003 af [...].” 1.
- De verzoeker tekent tegen deze beslissing op 29 november 2004 hoger beroep aan. In haar protocol van 22 augustus 2005 schat de kamer van beroep van de Gerechtelijke Geneeskundige Dienst (hierna: de GGDB) de invaliditeit wegens “coxartrose rechts waarvoor totale heupprothese” op 15 %. Een aftrek van eveneens 15% voor “vreemde factoren” leidt echter tot een aanrekenbare invaliditeit van 0%. Deze schatting wordt in het verslag van het geneeskundig onderzoek als volgt verantwoord: “• Het betreft een aanvraag verergering i.v.m. arbeidsongeval van 26.09.
- Letsels bij val van balkon: - beide lippen: 0 % - linker ooglid: 0 % - hematomen (hoofd, nek, neus): 0 % - barst linker oogkast: 0 % - open wonde rechter dij: 0 % • Later ontwikkelt zich coxartrose rechts, waarvoor heupprothese, doch zonder verband met ongeval van 26.09.
- • Attest Dr. REDANT: ons schijnt geen coxa magna te bestaan. • De RX opnamen 15.10.92: tonen geen afwijking; 16.02.04 (lees: 16.02.1994): tonen geen afwijking; 1997: beginnende coxartrose rechts; 2001: artrose + geodevorming. IX-5286-3/10 ÷ geen posttraumatische afwijkingen, wel een natuurlijk evoluerend beeld van coxartrose: ook links!” 1.
- Op 23 januari 2006 verklaart de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen (hierna: de commissie van beroep) het beroep van de verzoeker ontvankelijk, maar ongegrond. Deze beslissing steunt op de overweging “dat de commissie zich aansluit bij het advies van de GGDB”. Dit is de bestreden beslissing. Rechtspleging
- Luidens artikel 84, § 1, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie (thans afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State worden alle processtukken aan de Raad van State toegezonden bij ter post aangetekende brief. Het blijkt niet dat de verwerende partij haar laatste memorie bij ter post aangetekende brief naar de Raad van State heeft gezonden. Te dezen moet derhalve worden besloten dat de verwerende partij het voormelde voorschrift niet heeft nageleefd, waardoor haar laatste memorie geen vaste datum heeft verkregen. Dienvolgens zou de Raad van State geen rekening kunnen houden met de argumenten die de verwerende partij in haar laatste memorie zou hebben ontwikkeld, behalve indien ze de openbare orde zouden raken. Hoe dan ook beperkt de verwerende partij zich ertoe in haar laatste memorie het verslag van de auditeur- verslaggever bij te vallen en te stellen dat zij volhardt in de argumenten die zij heeft ontwikkeld in haar memorie van antwoord. Deze mededeling kan als een loutere inlichting in aanmerking worden genomen. Grond van de zaak 3.1.
- De verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel 47 van de samengeordende wetten van 5 oktober 1948 op de vergoedingspensioenen, doordat de commissie van beroep die de bestreden beslissing heeft genomen, onwettig was samengesteld. IX-5286-4/10 Hij betoogt dat, gelet op zijn hoedanigheid van voormalig rijkswachter die blijvend onderworpen is aan de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen, terecht een hoger officier van de rijkswacht in de commissie van beroep zetelde, maar dat anderzijds de heer Gijsen als “lid invalide van vredestijd” geen deel kon uitmaken van de commissie van beroep en dat uit niets blijkt dat de heer Mincke als vertegenwoordiger van de Staat, daadwerkelijk lid is van de Administratie der Pensioenen. De verzoeker vervolgt dat voor zover de verwerende partij zou verwijzen naar artikel 9 van de wet van 16 juni 1998 houdende wijziging van de procedure betreffende de oorlogspensioenen, er geen discussie kan zijn omtrent “de noodzakelijke samenstelling van de commissie [...] zoals actueel [...] vermeld”, vermits de bedoelde wetsbepaling “slechts [in] een behoud van vroegere samenstellingen [voorziet] indien er dient beslist over aanvragen die reeds vóór de inwerkingtreding van de wet [...] het voorwerp hebben uitgemaakt van een eerste onderzoek door deze commissies”, wat te dezen niet het geval is. 3.1.
- Zoals de verwerende partij in haar memorie van antwoord terecht laat gelden, diende de commissie van beroep in de voorliggende zaak samengesteld te zijn overeenkomstig artikel 47, § 1, 2/, van de samengeordende wetten van 5 oktober 1948 op de vergoedingspensioenen en artikel 61, § 2, van de wet van 8 juli 1970 tot instelling van nieuwe voordelen ten behoeve van slachtoffers van de militaire plicht of van een daarmee gelijkgestelde plicht, zoals beide laatst werden gewijzigd bij de genoemde wet van 16 juni
- De desbetreffende wetsbepalingen luiden respectievelijk als volgt: - artikel 47, § 1 : “De bij artikel 45 ingestelde commissies omvatten: [...] 2/ een Commissie van beroep voor vergoedingspensioenen, bestaande uit : - de voorzitter of een ondervoorzitter, magistraat bij het Hof van Cassatie, bij een hof van beroep of bij een arbeidshof; - een vertegenwoordiger van de Staat, lid van de Administratie der Pensioenen; - een oorlogsinvalide of een hoger officier in actieve dienst, militair of rijkswachter, overeenkomstig de hoedanigheid van de aanvrager. De in 1/ en 2/ bedoelde commissies kunnen zich door een geneesheer als raadgever laten bijstaan” IX-5286-5/10 - artikel 61, § 2 : “Wanneer de commissies zoals voorzien bij artikel 47, § 1, 1/ en 2/ van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen, uitspraak doen over de pensioenaanvragen betreffende de lichamelijke schade bedoeld in artikel 60, eerste en tweede lid, dan bevatten ze een bijkomend lid, die een invalide is en houder van een vergoedingspensioen toegekend voor zulke schade. Dit bijkomend lid wordt aangewezen door de Minister die de vergoedingspensioenen onder zijn bevoegdheid heeft. Wanneer er bij een stemming staking van stemmen zou zijn, is de stem van de voorzitter of de ondervoorzitter beslissend.” Uit deze wetsbepalingen volgt dat de commissie van beroep bij de behandeling van het beroep van de verzoeker op 23 januari 2006 noodzakelijk moest zijn samengesteld uit een voorzitter of een ondervoorzitter die magistraat is bij het Hof van Cassatie, een hof van beroep of een arbeidshof, een vertegenwoordiger van de Staat die lid is van de Administratie der Pensioenen, een hoger officier van de rijkswacht en een lid dat “invalide van vredestijd” is. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de commissie van beroep bij de behandeling van het beroep van de verzoeker was samengesteld uit de heren Wauters (voorzitter-magistraat), Quaghebeur (lid hoger officier rijkswacht), Gijsen (lid “invalide van vredestijd”) en Mincke (vertegenwoordiger van de Staat) en dat zij werd bijgestaan door de heer De Coninck (geneesheer). Wanneer de verzoeker stelt dat de heer Gijsen geen deel kon uitmaken van de commissie van beroep, gaat hij voorbij aan artikel 61, § 2, van de genoemde wet van 8 juli
- Voorts laat het door de verwerende partij neergelegde ministerieel besluit van 12 december 2005 tot aanvulling van de samenstelling van de commissie voor vergoedingspensioenen, van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen en van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen voor politieke gevangenen, geen twijfel bestaan over de aanstelling van de heer Mincke als ambtenaar van de Administratie der Pensioenen. Het eerste middel kan derhalve niet worden aangenomen. 3.2.
- De verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 9 van de samengeordende wetten van 5 oktober 1948 op de vergoedingspensioenen en de artikelen 6 en 13 van het besluit van de IX-5286-6/10 Regent van 15 juni 1949 tot bepaling van de rechtspleging voor de commissies voor de vergoedingspensioenen. Hij laat vooreerst gelden dat er geen enkele wetenschappelijke verantwoording voorligt voor de aftrek van 15% invaliditeit omwille van “vreemde factoren”. Dit klemt volgens hem des te meer nu een uitgebreid medisch verslag van dokter Lammens voorligt dat de aanwezigheid van een voorafbestaande toestand niet ontkent, maar deze niet als “alleszaligmakend [beschouwt] teneinde het trauma te verklaren”. De verzoeker meent dat de GGDB en de commissie van beroep “geen enkele wetenschappelijke onderbouw [bieden] teneinde tot andersluidende conclusies te komen”. De bestreden beslissing is niet met redenen omkleed, vermits ze zich aansluit bij het advies van de GGDB dat is opgenomen in een protocol, maar dat hoegenaamd niet als een medisch advies kan worden beschouwd, doch slechts als “een oordeel zoals opgenomen in de weergegeven tabel der invaliditeiten”. Voorts betoogt de verzoeker dat de commissie van beroep zich louter op het voormelde advies van de GGDB steunt, terwijl uit niets blijkt dat deze de bevindingen van de Gerechtelijke Geneeskundige Dienst in eerste aanleg tot de hare maakt. Die bevindingen kunnen volgens de verzoeker dan ook niet in aanmerking worden genomen als motieven van de bestreden beslissing. Hoe dan ook doen die bevindingen, aldus de verzoeker, geen afbreuk aan de gegrondheid van het middel. In zijn laatste memorie onderkent de verzoeker “minstens een tegenstrijdigheid” in de wetenschappelijke gronden waarnaar wordt verwezen. Het is volgens hem tegenstrijdig eensdeels te stellen dat RX-opnamen kort na en enige tijd na het ongeval geen letsels aan het licht hebben gebracht en anderdeels te gewagen van een uitsluitend natuurlijke evolutie. 3.2.2.
- De verplichting voor de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen om haar beslissing met redenen te omkleden, vindt haar grondslag in artikel 149 van de Grondwet en de artikelen 6 en 13 van het besluit van de Regent van 15 juni 1949 tot bepaling van de rechtspleging voor de commissies voor vergoedingspensioenen. IX-5286-7/10 In de voorliggende zaak stelt de commissie van beroep in het bijzonder verslag dat bij haar bestreden beslissing is gevoegd, dat zij zich aansluit bij het advies van de GGDB. Zij zoekt aldus de motivering van haar beslissing in het protocol van 22 augustus 2005 van de GGDB, waarvan zij de bevindingen tot de hare maakt. Ter eerbiediging van de motiveringsplicht die op haar rust, kan zij dit slechts doen indien die bevindingen zelf genoegzaam met redenen zijn omkleed en deze redenen gekend zijn door de verzoeker. De verzoeker betwist niet dat hij kennis heeft kunnen nemen van het protocol van 22 augustus 2005 van de GGDB, maar wel dat de gegevens van dit protocol, wegens het ontbreken van wetenschappelijk argumenten, de aftrek van 15% invaliditeit omwille van “vreemde factoren” kunnen verantwoorden. 3.2.2.
- Luidens artikel 9, § 1, tweede lid, van de samengeordende wetten van 5 oktober 1948 op de vergoedingspensioenen dienen de invaliditeitspercentages te worden verminderd met “de bedragen van de invaliditeit welke [...] te wijten is aan de gevolgen van vreemde factoren die dagtekenen van vóór of na de aangevoerde dienst of het aangevoerd oorlogsfeit of daarmee gepaard gingen”. Volgens de onderrichtingen die voorkomen in de Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit mag de deskundige niet uit het oog verliezen dat de vermindering door wetenschappelijke argumenten moet zijn gestaafd. De GGDB besluit in haar protocol van 22 augustus 2005 tot een aftrek van 15 % voor vreemde factoren op grond dat er geen sprake is van een posttraumatische afwijking, doch wel van “een natuurlijk evoluerend beeld van coxartrose”. Het advies van de GGDB is niet beperkt tot deze conclusie, maar geeft uitdrukkelijk aan waarop die conclusie is gesteund: vooreerst op het ontbreken van enige vaststelling van letsels ter hoogte van de rechterheup bij RX-opnamen onmiddellijk na en korte tijd na het ongeval, voorts op de omstandigheid dat pas jaren later een beginnende coxartrose is vastgesteld aan de rechterheup en ten slotte op het feit dat zich ook links een coxartrose heeft ontwikkeld. De verzoeker wijst op een door hem overgelegd medisch verslag van dokter Lammens waarin is vermeld dat in 1995 een diagnose van coxa magna ter hoogte van de rechterheup werd gesteld en waarin vervolgens wordt besloten: IX-5286-8/10 “De voorafbestaande toestand is aanwezig, maar de traumata zijn van dien aard geweest dat daar waar er geen invaliditeit bestond voor de val van 26.09.92, deze daarna invaliderende proporties aannam [...]”. De stelling in verband met een voorafbestaande toestand die ingevolge het ongeval “invaliderende proporties aannam” wordt door de GGDB verworpen, waar ze om de voormelde redenen tot “een natuurlijk evoluerend beeld van coxartrose” besluit. Dat besluit kan bovendien niet tegenstrijdig worden geacht met het motief dat RX-opnamen na het ongeval geen letsels aan het licht hebben gebracht. De GGDB heeft aldus genoegzaam aangegeven op welke wetenschappelijke gronden ze tot haar advies is gekomen. Door zich bij dit advies aan te sluiten heeft de commissie van beroep haar beslissing, wat de aftrek van “vreemde factoren” betreft, naar behoren verantwoord. Het tweede middel is derhalve ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-5286-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 10 februari 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-5286-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.277 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.