← België

Arrest 190314 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.314 Rolnummer: A. 73542/X-7271 Zaak: Arrest 190314 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-18 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 17:16 Fiche Arrest nr 190.314 van 10 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.314 van 10 februari 2009 in de zaak A. 73.542/X-7271. In zake : Jacques VAN RANSBEECK, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jacques VAN RANSBEECK op 11 maart 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 11 december 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd tegen het besluit van 21 mei 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij de bouwvergunning wordt verleend voor de regularisatie voor het bouwen van 2 schuilhokken voor struisvogels te Asse, Notstraat, kadastraal bekend sectie F, nr. 639/d; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 15 juli 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-7271-1/9 Gelet op de beschikking van 27 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. VALKENIERS, die loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. Op 15 september 1994 dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Asse een aanvraag in voor een bouwvergunning tot het “bouwen van 2 schuilplaatsen voor dieren (struisvogels, 5 stuks)” op een terrein gelegen aan de Notstraat te Asse. 1.2. Het terrein is volgens het bij het koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen de omschrijving van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.3. Op 7 november 1994 verleent de dienst ordening platteland een ongunstig advies: “Het betreft hier het optrekken van twee ruime stallingen-schuilhokken voor een hobby-struisvogelhouder. Uit landbouwkundig oogpunt is het niet verantwoord dat voor dergelijke hobby-activiteiten permanente bouwsels in het agrarisch gebied worden opgericht. X-7271-2/9 Uit het oogpunt van een goede landinrichting dienen dergelijke constructies bij de woning, binnen de huiskavel te worden opgericht. In bovenvermeld geval kan eventueel worden gedacht aan een herinrichting of herschikking van aanhorige gebouwen binnen de huiskavel”. 1.4. De gemachtigde ambtenaar verleent op 16 november 1994 volgend ongunstig advies: “Het ontwerp is, volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, gesitueerd in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De planologische voorschriften van artikel 11 en 15 van het K.B. van 28 december 1972 zijn van toepassing. De aanvraag betreft het optrekken van twee ruime stallingen-schuilhokken voor struisvogels. Het is niet verantwoord om voor dergelijke hobby- activiteiten permanente bouwsels in agrarisch gebied op te richten. Zoals gesteld in het advies van landinrichting dd. 7 november 1994 kan in bovenvermeld geval voor een oplossing wel gedacht worden aan een herinrichting of herschikking van aanhorige gebouwen binnen de aanpalende huiskavel. (...)”. 1.5. Bij schrijven van 27 januari 1995 laat de dienst ordening platteland naar aanleiding van de vraag van de verzoeker tot herziening van haar advies omdat hij zijn “activiteit (...) op een professionele en zelfstandige basis wens(

  1. t)uit te voeren”, het volgende weten aan de gemachtigde ambtenaar: “Het nieuwe ingediende dossier bevat vanuit landbouwkundig oogpunt geen nieuwe elementen; struisvogelhouderij wordt niet aanzien als een volwaardige agrarische activiteit, bijgevolg blijft ons eerder geformuleerd ongunstig advies gehandhaaf(d). (...)”. 1.6. Met het besluit van 20 maart 1995 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Asse de gevraagde bouwvergunning “om de reden, opgegeven in het (...) advies van de gemachtigde ambtenaar” en op grond van volgend motief: “Het ontwerp is gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied en betreft het optrekken van twee ruime stallingen-schuilhokken voor struisvogels. Gelet op het volume der bouwsels wordt de goede ruimtelijke ordening van het gebied geschaad”. 1.7. De bestendige deputatie van de provincieraad Vlaams-Brabant willigt met het besluit van 21 mei 1996 het beroep van de verzoeker tegen het voormelde weigeringsbesluit in en verleent de bouwvergunning voor de inmiddels opgerichte “stallingen/schuilhokken voor struisvogels”. X-7271-3/9 1.8. De gemachtigde ambtenaar dient tegen deze vergunning op 18 juli 1996 beroep in bij de minister op volgende gronden: “Het ontwerp is, volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het oprichten, door een niet- agrariër, van 2 ruime stallingen voor struisvogels in dit gebied is dan ook strijdig met artikel 11 en 15 van het K.B. van 28 december 1972. De inwilligingsbeslissing van de bestendige deputatie kan niet worden bijgetreden. Vooreerst voldoet het ontwerp niet aan de voorwaarden van een schuilhok daar het niet volledig open is aan één zijde. Bovendien is de oppervlakte van de op te richten stallen (9 x 8 en 4,8 x 6) niet in verhouding tot het terrein. Tevens dient gesteld dat de oppervlakte niet in verhouding is tot het aantal dieren. De aanvrager vermeldt immers op het formulier ‘bouwaanvraag’ dat het slechts om ‘5 stuks’ gaat. De verdere aantasting van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied is in casu dan ook niet aanvaardbaar”. 1.9. De minister willigt, de verzoeker gehoord op 9 oktober 1996, met het bestreden besluit van 11 december 1996 het beroep van de gemachtigde ambtenaar in en vernietigt het besluit van de bestendige deputatie van 21 mei 1996 op volgende gronden: “Overwegende dat de aanvraag strekt tot de regularisatie voor het bouwen van stallingen/schuilhokken voor struisvogels; dat deze constructies afmetingen hebben van respectievelijk 9 m bij 8 m en 6 m bij 4,8 m; dat deze gebouwen werden ingeplant op het perceel links van de woning van betrokkene; dat de bestendige deputatie het beroep heeft ingewilligd; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; Overwegende dat in zulk gebied, overeenkomstig de artikelen 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, bestemd voor de landbouw in de ruime zin, bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen; dat aldaar de voorgestelde handelingen en werken de schoonheidswaarde van het landschap niet mogen in gevaar brengen; Overwegende dat op 7 november 1994 door het bestuur landinrichting en -beheer van A.M.I.N.A.L. het volgende ongunstig advies werd geformuleerd : (...) Overwegende dat op 27 januari 1995 een tweede advies werd gegeven: (...). Overwegende dat de particulier argumenteert dat het technisch onmogelijk is om op de resterende oppervlakte van de huiskavel de gevraagde stallen op te richten en die bovendien ingericht is als binnentuin die permanent toegankelijk is voor de personeelsleden van de plaatselijke intercommunale wegens de aanwezigheid van een openbare elektriciteitstransformatiepost die de volledige straat van elektriciteit voorziet; dat de dieren huisvesten in de directe nabijheid van deze hoogspanningscabine niet aangewezen is wegens de aanwezigheid van belangrijke magnetische velden; dat het tevens niet aangewezen is en zelfs X-7271-4/9 gevaarlijk is de dieren te confronteren met voor hen vreemden die de hoogspanningscabine periodiek bezoeken; dat daarom de schuilhokken werden ingeplant op betrokken perceel; Overwegende dat naar aanleiding van de hoorzitting een derde advies aan de afdeling land werd gevraagd; dat op 19 november 1996 een bijkomend advies werd verleend: ‘... Het betreft geen volwaardig agrarisch of para-agrarisch bedrijf. De aanvrager is een niet-agrariër die een beperkt aantal struisvogels houdt als gelegenheidslandbouwactiviteit. De vraag tot regularisatie betreft twee rudimentaire stallingen die vrijstaand opgericht werden op de kavel naast de woning van de aanvrager. Nieuwe inplantingen voor onvolwaardige agrarische bedrijvigheden zijn niet verantwoord. Stallingen en constructies allerhande van hobby-of gelegenheidslandbouwactiviteiten kunnen wel worden aanvaard op een bestaande inplanting of achter de woning van de aanvragers. Vooreerst dienen de bestaande bedrijfs- of bijgebouwen hiertoe aangewend te worden. Indien nodig kunnen zij aan de specifieke noodwendigheden aangepast of verbouwd worden. Indien er nog bijkomend behoefte zou zijn, kunnen desgevallend bijkomende, functionele constructies in overweging genomen worden. Schuilhokken die steeds in functie dienen te zijn van een tijdelijke bescherming van weidedieren tegen weersomstandigheden tijdens het weideseizoen, worden daarentegen slechts aanvaard op weiden die ruimtelijk gescheiden zijn van het erf van de aanvragers. Tijdens de winterperiode worden deze dieren verondersteld te verblijven in stallingen op het erf. Derhalve kan algemeen gesteld worden dat schuilhokken slechts verantwoord kunnen worden indien de aanvrager ook de nodige stalfaciliteiten heeft op zijn erf of bij zijn woning, zo niet is of wordt het schuilhok een permanente stalling, en is het derhalve ook geen schuilhok meer. Vermits het bouwperceel naast de woning van de aanvrager gelegen is, werd in ons advies bij de bouwaanvraag in eerste aanleg gesteld dat het niet verantwoord is de betrokken stallingen als losstaande constructies naast de huiskavel op te richten maar dat diende gedacht te worden aan een herbruik van de aanhorige gebouwen achter de woning van de aanvrager, in functie van de struisvogelkweek. Deze bijgebouwen, eigendom van de aanvrager blijken een ambachtelijke bedrijf te herbergen. De woning en bijgebouwen werden in 1981 na faling van het ter plaatse gevestigd ambachtelijk bedrijf gekocht. De toenmalige leegstaande bedrijfsgebouwen werden dan verhuurd aan een ander ambachtelijk bedrijf. De betrokken constructies worden weliswaar op een relatief kleine afstand van de woning van de aanvrager opgericht, doch op een naastliggend perceel. Zij vormen geen fysische eenheid met de aanhorigheden op het erf van de aanvrager en zijn daarom als losstaande constructies te aanzien. De voorgestelde constructies van de aanvrager verschillen van een schuilhok op twee manieren. Eerst en vooral betreft het geen van het erf van de aanvrager geïsoleerde weide. Daarom is er geen reden tot de oprichting van een vrijstaande constructie. Vervolgens zijn de betrokken constructies feitelijk geen schuilhokken maar - wezen ze eenvoudige constructies - een soort van stallingen die gericht zijn op de permanente huisvesting van de dieren en als dusdanig op het erf thuishoren. Struisvogels zijn bedrijfstechnisch als erfdieren te aanzien, zoals alle ander pluimvee. De kweektechnische omstandigheden en vereisten van struisvogels zijn duidelijk verschillend van ander inheems pluimvee, o.m. door hun behoefte aan gescheiden belopen en bijhorende schuthokken per kleine kweekeenheid. Desalniettemin dienen deze constructies ruimtelijk fysisch te horen bij en op X-7271-5/9 een erf, zo niet ontstaat er een uitdeinend koterijpark rondom dit soort inplantingen. In voorliggend geval hoort de noodzakelijke struisvogelkweekinfrastructuur feitelijk thuis in en bij de bijgebouwen van de bestaande inplanting, alleszins op middellange termijn, hetgeen veronderstelt dat de ambachtelijke bedrijvigheden ter plaatse zouden verdwijnen. De beide constructies liggen op relatief korte afstand van en naast de bestaande inplanting. Zonder afbreuk te doen aan de kweektechnische vereisten van gescheiden ‘huisvesting’ is het mogelijk de beide schuilplaatsen vlak naast de bijgebouwen in te planten zodat de fysische bedrijfseenheid van hoofd- en bijgebouwen voorlopig kan hersteld worden. Bijkomend kan gesteld worden dat deze eenvoudige constructies, en dit geldt tevens voor schuilhokken voor alle soorten van dieren, bij staken van het gebruik geen functie meer hebben en als dusdanig zouden dienen verwijderd te worden. Besluitend kan gesteld worden dat de betrokken twee constructies minstens zouden dienen verplaatst te worden tot vlak naast de bijgebouwen, mede om een voorgaande te vermijden dat aanleiding geeft tot ongeordende inplantingspatronen in agrarisch gebied...’; Overwegende dat met de geciteerde landbouwkundige adviezen afdoende is aangetoond waarom de betrokken constructies in strijd zijn met de in artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 vervatte bestemmingsvoorschriften, enerzijds, met in de omzendbrief RO/95/4 (Belgisch Staatsblad van 29 maart 1995) toegelaten schuilhokken, anderzijds; Overwegende dat bijkomend dient gesteld dat door de huidige inplanting het landschappelijk waardevol agrarisch gebied onnodig wordt aangesneden wat de goede plaatselijke aanleg in het gedrang brengt; dat de aanvraag niet voor vergunning vatbaar is; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd; (...)”. 2. Ten gronde 2.1.1. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit). De verzoeker betoogt dat het bestreden besluit gebaseerd is “op de zogenaamde strijdigheid van de betrokken constructies” met de voorschriften in artikel 11 van het inrichtingsbesluit en dat het daarvoor steunt “op de drie achtereenvolgende adviezen van het bestuur Landinrichting (...) waarin wordt gesteld dat de struisvogelhouderij dient gekwalificeerd als een ‘hobby-activiteit’ (...) vervolgens als een ‘onvolwaardige agrarische activiteit’ (...) en tenslotte als een ‘gelegenheidslandbouwactiviteit’ (...)”, het bestreden besluit “derhalve gebaseerd (
  2. is)op de overweging dat het niet om een agrarische activiteit zou gaan, minstens niet om een volwaardige agrarische activiteit en dat de inrichting derhalve niet verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften”, het begrip “landbouw” in artikel 11 van het inrichtingsbesluit door het gebruik van de term “ruime zin (...) X-7271-6/9 extensief moet worden opgevat” en “in zijn spraakgebruikelijke betekenis (dient) te worden begrepen”, zijn struisvogelbedrijf derhalve “als een landbouwactiviteit in de ruime zin” moet worden beschouwd en de leefbaarheid ervan geen “vestigings- of bouwvergunningsvoorwaarde” is die in artikel 11 van het inrichtingsbesluit voorkomt. 2.1.2. Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 55, § 3 van de “stedenbouwwet” en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoeker betoogt dat het bestreden besluit “gebaseerd (
  3. is)op een kennelijke foutieve kwalificatie van de hoedanigheid van verzoeker”, “een kennelijk onjuiste toepassing maakt van het begrip ‘schuilhok’”, “gebaseerd (
  4. is)op (
  5. de)kennelijk onjuiste” overweging dat de weide “niet ruimtelijk geïsoleerd (zou) zijn van de woonplaats van verzoeker”, en “gebaseerd (
  6. is)op tegenstrijdige argumentatie” met betrekking tot de “kwalificatie van zijn activiteit”. 2.1.3. Het derde middel is “gebaseerd op machtsoverschrijding” omdat “het voorwerp van zijn bouwaanvraag (m.n. het bouwen van twee schuilplaatsen voor dieren) door de bestreden beslissing eenzijdig gewijzigd werd in ‘het bouwen van stallingen/schuilhokken van struisvogels’”. 2.1.4. Het vierde middel is genomen uit de schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De verzoeker betoogt dat het bestreden besluit “gebaseerd (
  7. is)op de strijdigheid met de omzendbrief RO/95/4 dd. 29 maart 1995” terwijl hij zijn aanvraag heeft ingediend op 13 september 1994 zodat het bestreden besluit “geen rekening (kon) houden met de in voornoemde omzendbrief gehanteerde criteria inzake schuilhokken voor dieren”. 2.1.5. De vier middelen bekritiseren het eerste weigeringsmotief in het bestreden besluit dat betrekking heeft op de verenigbaarheid van de aanvraag met het bestemmingsvoorschrift agrarisch gebied in artikel 11 van het inrichtingsbesluit. De verzoeker formuleert in zijn verzoekschrift geen kritiek op of enig middel met betrekking tot het tweede weigeringsmotief in het bestreden besluit “dat door de huidige inplanting het landschappelijk waardevol agrarisch gebied onnodig wordt aangesneden wat de goede plaatselijke aanleg in het gedrang brengt”. Luidens artikel 19, derde lid van het inrichtingsbesluit wordt de vergunning, ook al is de aanvraag niet strijdig met de gewestplanbestemming, X-7271-7/9 slechts afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening of aanleg. Uit de hierboven weergegeven motivering van het bestreden besluit blijkt dat onder meer overwogen wordt dat overeenkomstig de artikelen 11 en 15 van het inrichtingsbesluit in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied “bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen” en “de voorgestelde handelingen en werken de schoonheidswaarde van het landschap niet mogen in gevaar brengen” en vervolgens bijkomend geconcludeerd wordt dat de aanvraag strijdig is met de vereisten van de goede plaatselijke aanleg omdat “het landschappelijk waardevol agrarisch gebied onnodig wordt aangesneden”. Vermits de verzoeker dit motief niet op ontvankelijke wijze bekritiseert, kunnen zijn vier middelen niet tot vernietiging leiden. 2.1.6. De vier middelen zijn ongegrond. 2.2.1. De verzoeker formuleert in zijn laatste memorie enkel een nieuw middel dat volgens hem de openbare orde raakt en genomen is uit de “schending van artikel 53, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (...), artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Raad van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuur in de diensten, de instellingen van de Vlaamse Regering, en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het materiële motiveringsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel”. De verzoeker betoogt daarin dat de minister het beroep van de gemachtigde ambtenaar “wat de ontvankelijkheid betreft, enkel onderzoekt op het punt van de tijdigheid en niet op het punt van de kennisgeving” (eerste onderdeel) en dat “de gemachtigde ambtenaar enkel kopie van het beroepschrift meedeelt, zonder enige bijlage (terwijl) nochtans blijkt uit het meegedeelde beroepschrift dat er een bijlage is, namelijk het dossier” (tweede onderdeel). 2.2.2. De verzoeker formuleert aldus een nieuw middel dat wordt afgeleid uit de schending van één of meer pleegvormen. Dit middel raakt evenwel de openbare orde niet en is bijgevolg laattijdig en derhalve niet ontvankelijk aangevoerd. 2.2.3. Het middel is onontvankelijk. X-7271-8/9 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien februari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-7271-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.314 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.