id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.338 Rolnummer: A. 100373/X-10129 Zaak: Arrest 190338 - Onteigeningen - 10/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-20 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 17:19 Fiche Arrest nr 190.338 van 10 februari 2009 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.338 van 10 februari 2009 in de zaak A. 100.373/X-10.
- In zake :
- Constantinus CLAES,
- Felix DECLERCQ,
- Edwin DE CONINCK,
- Paul DE VROEY,
- Marie-Louise GOORMANS,
- Albert HAPERS,
- Erik JACOBS,
- Ludovicus VERHAEGEN,
- Guido VERHEYEN, 10.Hendrik VERVECKEN, die woonplaats kiezen bij advocaat E. PISON, kantoor houdende te 1081 KOEKELBERG, Boogschuttersstraat 24/7 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
- tussenkomende partij : de gemeente ZOERSEL, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Constantinus CLAES, Felix DECLERCQ, Edwin DE CONINCK, Paul DE VROEY, Marie-Louise GOORMANS, Albert HAPERS, Erik JACOBS, Ludovicus VERHAEGEN, Guido VERHEYEN en Hendrik VERVECKEN op 12 februari 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 9 november 2000 van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie tot onteigening ten algemene nutte volgens de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden van onroerende goederen nodig voor de geplande omlegging van Zoersel op het grondgebied van de gemeente Zoersel; X-10.129-1/7 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 8 mei 2001 ingediend door de gemeente ZOERSEL; Gelet op de beschikking van 6 juni 2001 die de tussenkomst van de gemeente ZOERSEL toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 31 maart 2006 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van 31 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 11 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. PISON, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de verwerende partij, en die eveneens verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-10.129-2/7 OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Feiten 1.
- De verzoekende partijen zijn eigenaars van de volgende percelen, gelegen te Zoersel: - eerste verzoeker: sectie B, nrs. 190/i en 190/k; - tweede verzoeker: sectie B, nr. 505/m; - derde verzoeker: sectie B, nr. 193/h; - vierde verzoeker: sectie B, nr. 192/s; - vijfde verzoeker: sectie A, nr. 505/p; - zesde verzoeker: sectie B, nr. 192/a/3; - zevende verzoeker: sectie B, nrs. 197/a, 197, 198 en deel nr. 193/2/a; - achtste verzoeker: sectie B, nrs. 184, 189 en 199; - negende verzoeker: sectie B, delen van nrs. 193/f, 193/k, 193/l, 193/2/a, 193/f, 193/k en 193/l; - tiende verzoeker: sectie A, delen van nrs. 134/A, 129, 134/h/n/r, 129/m, 142/n/2 en XO/
- 1.
- Reeds sinds geruime tijd wordt een omleidingsweg rond de gemeente Zoersel in het vooruitzicht gesteld. Het tracé van deze omleidingsweg werd opgenomen in het gewestplan Turnhout dat werd vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september
- 1.
- Met het oog op de aanleg van deze omleidingsweg neemt de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie op 9 november 2000 een besluit waarin wordt vastgesteld dat de onmiddellijke inbezitneming ten algemenen nutte onontbeerlijk is van (onder meer) delen van percelen toebehorend aan de verzoekende partijen en dat de betrokken gronden zullen worden onteigend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte (hierna: de wet van 26 juli 1962). X-10.129-3/7
- Ontvankelijkheid 2.
- De verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten het belang van de verzoekende partijen bij de vernietiging van het bestreden besluit. Zij stellen dat het tracé van de omleidingsweg reeds sinds 1977 vastligt in het definitief gewestplan, dat de verzoekende partijen destijds geen bezwaar hebben ingediend naar aanleiding van het openbaar onderzoek over het ontwerp-gewestplan en dat ze overigens niet aantonen dat ze toen reeds eigenaar waren van de betrokken percelen. De door de gemeente Zoersel nagestreefde realisatie van de omleidingsweg is hun genoegzaam bekend. Het algemeen belang van deze omleidingsweg is groter dan het private belang van de eigenaars die door de onteigeningen worden getroffen. Ten slotte zal een billijke onteigeningsvergoeding worden toegekend door de burgerlijke rechter. 2.
- Dat het vermoedelijke tracé van de omleidingsweg reeds sinds lang bekend is, doet niets af aan het belang van de verzoekende partijen om de nietigverklaring na te streven van het bestreden besluit, evenmin als het feit dat zij geen bezwaarschrift hebben ingediend tegen het ontwerp-gewestplan waarin het tracé van de omleidingsweg werd opgenomen. Ook de omstandigheid dat zij eventueel pas later deze percelen zouden hebben verworven, ontneemt de verzoekende partijen niet hun belang om niet op onwettige wijze uit hun eigendom te worden ontzet. De argumentatie met betrekking tot de belangenafweging, enerzijds, en de billijke vergoeding, anderzijds, hangt samen met de grond van de zaak en kan niet met goed gevolg worden aangevoerd om het belang van de verzoekende partijen te weerleggen. De excepties zijn niet gegrond.
- Ten gronde 3.
- In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het redelijkheidsbeginsel en van de motiveringsplicht. In een derde middelonderdeel betogen zij dat in het bestreden besluit niet op afdoende wijze wordt gemotiveerd dat de onmiddellijke inbezitneming van de betrokken percelen noodzakelijk is. De wet van 26 juli 1962 X-10.129-4/7 moet nog steeds worden beschouwd als de uitzondering op de gewone onteigeningsprocedure. Er kan bijgevolg niet worden volstaan met de aanduiding van een bepaalde dringendheid, aangezien de zeer specifieke hoogdringendheid moet worden aangetoond. In het bestreden besluit wordt dienaangaande enkel vermeld dat “het bedoelde project voorziet in een vlottere verkeersafwikkeling waardoor de verkeersveiligheid van de weggebruiker verhoogt”, wat niet volstaat, temeer daar de geschiedenis van de ring bijna veertig jaar aansleept. 3.
- De verwerende partij en de tussenkomende partij repliceren dat de lange voorgeschiedenis van dit dossier niet moet worden betrokken in de beoordeling van het bestreden besluit. Na lang aandringen van de tussenkomende partij heeft de verwerende partij ingezien dat de aanleg van de ringweg noodzakelijk is en heeft zij de nodige kredieten vrijgemaakt voor de feitelijke aanleg. De onmiddellijke inbezitneming is nodig omdat de middelen ter beschikking worden gesteld in het kader van een driejarenplan (1999-2001) en om de plannen niet nogmaals op de lange baan te schuiven. Dat gebruik wordt gemaakt van de procedure bij hoogdringendheid is veeleer het gebruik dan de uitzondering. Het openbaar belang is duidelijk aanwezig en bovendien heeft de overheid de betrokken burgers reeds sinds jaren voldoende geïnformeerd. 3.
- De verzoekende partijen dupliceren dat de overheid geen argumenten kan putten uit haar jarenlange talmen om de hoogdringendheid van de onteigeningen aan te tonen. Voorts stellen zij dat de informatie van de overheid niet adequaat was. 3.
- In hun laatste memories verwijzen zowel de verzoekende partijen als de verwerende partij naar hun reeds ontwikkelde argumentatie. 3.
- Naar luid van artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 kan de onteigening slechts geschieden “wanneer de Koning vaststelt dat de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is”. Het bestreden onteigeningsbesluit moet op afdoende wijze gemotiveerd zijn, zowel voor wat betreft het algemeen nut van de onteigening als voor wat betreft de vereiste hoogdringendheid. X-10.129-5/7 3.
- Het bestreden besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat de onteigening volgens de plannen C/15.007 en C/15.008 noodzakelijk zijn voor de geplande omlegging van de gewestweg N14 te Zoersel; Overwegende dat het bedoelde project voorziet in een vlottere verkeersafwikkeling waardoor de verkeersveiligheid van de weggebruiker verhoogt; Overwegende dat de werken opgenomen zijn op het driejarenprogramma voor 2001”. Deze motivering is beperkt tot, enerzijds, de redenen die het algemeen nut van de voorgenomen onteigening zouden kunnen verantwoorden en, anderzijds, een verwijzing naar het driejarenprogramma voor
- Die laatste vermelding kan niet worden beschouwd als een motivering waaruit op afdoende wijze kan blijken dat de onmiddellijke inbezitneming van de betrokken onroerende goederen door de overheid onontbeerlijk was, zoals vereist is om toepassing te kunnen maken van de procedure bedoeld in de wet van 26 juli
- Het ontbreken van een dergelijke motivering komt neer op een schending van de motiveringsplicht. De door de verwerende partij in haar memorie van antwoord aangevoerde elementen kunnen deze schending niet verhelpen. 3.
- Tijdens de terechtzitting bleek bovendien niet dat reeds zou zijn overgegaan tot het instellen van de gerechtelijke procedure bedoeld in artikel 5 van de wet van 26 juli 1962, voor wat betreft de betrokken percelen. Het verstrijken van een dergelijke lange termijn dient op zichzelf reeds als een ontkenning van de vereiste hoogdringendheid te worden beschouwd, tenzij indien buitengewone omstandigheden een dusdanige vertraging zouden rechtvaardigen. De verwerende partij voert geen dergelijke omstandigheden aan, laat staan dat ze zouden zijn aangetoond. 3.
- Het derde onderdeel van het eerste middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 9 november 2000 van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie tot onteigening ten algemene nutte volgens de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden van X-10.129-6/7 onroerende goederen nodig voor de geplande omlegging van Zoersel op het grondgebied van de gemeente Zoersel in zoverre het de percelen betreft kadastraal bekend of het geweest zijnde sectie B, nrs. 190/i, 190/k, 505/m, 193/h, 192/s, 192/a3, 197/a, 197, 198, 193/2a (deel), 184, 189, 199, 193/f, 193/k, 193/l, 193/f, 193/k, en sectie A, nr. 505p, 134/a, 129, 134/h/n/r, 129/m, 142/n2 en XO/
- Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 1735,30 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien februari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.129-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.338 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.