← België

Arrest 190355 - Milieuvergunningen - 12/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.355 Rolnummer: A. 148893/VII-31829 Zaak: Arrest 190355 - Milieuvergunningen - 12/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-20 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 17:34 Fiche Arrest nr 190.355 van 12 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.355 van 12 februari 2009 in de zaak A. 148.893/VII-31.

  1. In zake : de BVBA MATRECO, die woonplaats kiest bij advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te MECHELEN, Antwerpsesteenweg 18 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA MATRECO op 15 maart 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 17 januari 2004 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 5 juni 2003, houdende het verlenen aan de verzoekende partij van de milieuvergunning voor het uitbaten van een transportbedrijf, gelegen aan de Rijmenamsesteenweg 35 te Haacht, gegrond worden verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt geweigerd; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 5 juni 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; VII-31.829-1/5 Gelet op de beschikking van 25 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VAN DER FRAENEN die, loco advocaat C. GYSEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. VANDENDAEL die, loco advocaat I. LAUREYS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies, behoudens wat de kosten betreft, van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. De feiten 1.
  4. De verzoekende partij exploiteert een transportbedrijf met vestigingen te Haacht en Wespelaar. 1.
  5. Op 10 december 2002 vraagt de verzoekende partij aan de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een vergunning voor het regulariseren van haar transportbedrijf aan de Rijmenamsesteenweg 35 te Haacht voor een vergunningstermijn van twee jaar. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het in haar bedoeling ligt om in 2005 de vestiging te Haacht te verhuizen naar een andere locatie. 1.
  6. Op 5 juni 2003 verleent de bestendige deputatie van de provincie- raad van Vlaams Brabant de gevraagde vergunning voor een termijn die eindigt op 5 juni
  7. 1.
  8. Zeven personen stellen bij de verwerende partij administratief beroep in tegen voormelde beslissing van 5 juni
  9. VII-31.829-2/5 1.
  10. Op 17 januari 2004 neemt de verwerende partij de bestreden beslissing. De vergunning wordt nu geweigerd.
  11. De ontvankelijkheid 2.
  12. De bestreden beslissing doet in graad van beroep uitspraak over de vergunningsaanvraag van de verzoekende partij van 10 december
  13. In deze aanvraag vraagt zij een exploitatievergunning voor een vergunningstermijn van twee jaar. In eerste aanleg heeft de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde vergunning dan ook verleend voor een termijn die eindigt op 5 juni
  14. 2.
  15. Het voordeel dat de verzoekende partij met haar annulatieberoep beoogt bestaat erin dat de verwerende partij na een vernietigingsarrest het administratief beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant zou verwerpen en haar een vergunning zou verlenen tot 5 juni
  16. Dit voordeel kan thans niet meer verkregen worden, aangezien de vergunning was aangevraagd voor een beperkte termijn van twee jaar terwijl geen milieuvergunning kan worden verleend voor een periode die zich uitsluitend in het verleden situeert. Een eventuele vernietiging van het bestreden besluit kan er dan ook niet toe leiden dat aan de verzoekende partij een vergunning met terugwerkende kracht zou worden verleend. 2.
  17. In het licht van deze gegevens doet de verzoekende partij niet blijken van het rechtens vereiste actuele belang bij de gevorderde vernietiging. 2.
  18. In haar laatste memorie wijst de verzoekende partij op het bestaan van een "gekwalificeerd moreel belang" en vestigt zij de aandacht op het arrest van de Raad van State nr. 157.991 van 27 april
  19. Zij betoogt dat in dat geval - het betrof de onmogelijkheid van een verzoeker om na een vernietigingsarrest nog zelf een overheidsopdracht te kunnen uitvoeren - het teloorgaan van de mogelijkheid om nog in natura rechtsherstel te verlenen, de Raad van State niet belet heeft toch het actueel belang aan te nemen, met name omdat de verzoekende partij aan haar voorbijgaan bij de toewijzing van de opdracht aan een concurrent "in principe een gekwalificeerd moreel belang ontleent dat gediend wordt en (...) gediend blijft door een nietigverklaring". Zij stelt dat ook in de onderhavige zaak uit de onmogelijkheid om nog een vergunning te verkrijgen niet mag worden afgeleid dat zij geen rechtstreeks belang meer zou hebben bij een vernietiging omdat ook zij een VII-31.829-3/5 gekwalificeerd moreel belang heeft. A fortiori is dit zo omdat zij door de correctio- nele rechtbank reeds veroordeeld is voor het uitbaten van de inrichting zonder vergunning en zij de beslissing waarbij "de verkregen vergunning werd 'ontnomen'" vernietigd wil zien. 2.
  20. De redenering van de verzoekende partij wordt niet bijgevallen. Immers, de gevraagde vergunning is haar nooit definitief toegekend. De beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij in eerste aanleg de gevraagde vergunning verleend werd kan haar in geen enkel opzicht een voordeel opleveren en zij kan dan ook niet stellen dat met het bestreden besluit haar iets "ontnomen" is en dat zulks haar moreel belast. Voorts is de rechtspraak inzake overheidsopdrachten niet zonder meer te transponeren naar annulatieberoe- pen inzake milieuvergunningen, onder meer niet omdat het mislopen van een opdracht gevolgen heeft op het toekomstig handelen van de betrokken inschrijver, met name wanneer hem in andere dossiers om referentiewerken gevraagd wordt. Van dergelijk "gekwalificeerd moreel belang" - begrepen in de zin van een verdere nadelige doorwerking van de vastgestelde onregelmatigheid naar derden toe - is in hoofde van het individu dat zijn milieuvergunningsaanvraag geweigerd ziet, geen sprake. 2.
  21. Voor het overige zet de verzoekende partij niet uiteen wat zij onder een "gekwalificeerd moreel belang" verstaat. Het gaat ook niet over een zelfstandig begrip met een eigen specifieke inhoud. In ieder geval heeft de vernietiging van de bestreden weigering niet tot gevolg dat zij over een vergunning beschikt, zodat de vernietiging van de bestreden weigering haar geen stap vooruit helpt om een strafrechtelijke veroordeling af te wenden of om haar strafrechtelijke veroordeling in haar omgeving beter te kunnen duiden. Wat dat betreft, wordt niet ingezien welk moreel voordeel, dat zwaarwichtig genoeg is om de vernietiging te rechtvaardigen, de verzoekende partij nog kan beogen. 2.
  22. De verzoekende partij heeft in de loop van de procedure niet aangetoond dat zij thans nog enig tastbaar voordeel kan halen uit de vernietiging van de bestreden beslissing. Het beroep is niet meer ontvankelijk. 2.
  23. Aangezien het teloorgaan van het belang niet aan de verzoekende partij te wijten is, past het de kosten van het geding ten laste van de verwerende partij te leggen, VII-31.829-4/5 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  24. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  25. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf februari tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS L. HELLIN. VII-31.829-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.355 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.