← België

Arrest 190356 - Milieuvergunningen - 12/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.356 Rolnummer: A. 143693/VII-31012 Zaak: Arrest 190356 - Milieuvergunningen - 12/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-20 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 17:34 Fiche Arrest nr 190.356 van 12 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.356 van 12 februari 2009 in de zaak A. 143.693/VII-31.012. In zake : de BVBA D'HONDT C., die woonplaats kiest bij advocaten J. DURNEZ en E. GOFFIN, kantoor houdende te OUD-HEVERLEE, Waversebaan 134 A tegen : de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat 92. tussenkomende partij : Johan TIMPERMAN, wonende te KEERBERGEN, Haachtsebaan 164. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA D’HONDT C. op 7 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 4 september 2003 waarbij het beroep van Johan TIMPERMAN ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oud-Heverlee van 4 april 2003, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Christiaan D'HONDT voor het veranderen van een selfcarwash, gelegen aan de Dorpsstraat 62 te Oud-Heverlee, gedeeltelijk wordt ingewilligd en de exploitatie verboden wordt op zon- en feestdagen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 7 januari 2004 ingediend door Johan TIMPERMAN; Gelet op de beschikking van 20 januari 2004 die de tussenkomst van Johan TIMPERMAN toelaat; VII-31.012-1/10 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 22 maart 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 25 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. GOFFIN, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat K. LEFEVER die, loco advocaat K. VAN ALSENOY verschijnt voor de verwerende partij, en van de tussenkomende partij, die in persoon verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT: 1. De feiten 1.1. De verzoekende partij is exploitant van een handel in motorfietsen met bijbehorende onderhouds- en herstellingswerkplaats, gelegen aan de Dorpsstraat 62 te Oud-Heverlee. Met betrekking tot deze inrichting heeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oud-Heverlee bij besluit van 21 februari 1995 vergunning verleend voor "(...) compressoren, (...) parkeerplaats en herstellingswerkplaats, (...) werkplaats met meer dan één schouwbrug en (...) VII-31.012-2/10 motorolie". De vergunning werd toen geweigerd voor een inrichting voor het wassen van voertuigen. 1.2. Op 9 januari 2003 dient de verzoekende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oud-Heverlee een aanvraag in om de bestaande inrichting uit te breiden met een zogenaamde "selfcarwash", omvattende het lozen van maximaal 1 m3/uur en 2.000 m3/jaar bedrijfsafvalwater, een inrichting voor het wassen van meer dan tien voertuigen per dag en de opslag van maximaal 300 kg zeep en 150 liter wax. 1.3 Met een besluit van 4 april 2003 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oud-Heverlee de gevraagde vergunning. Als bijzondere exploitatievoorwaarde worden volgende openingstijden vastgesteld : van 8.00 u 's morgens tot 21.30 u 's avonds tijdens de week- en zaterdagen en van 9.00 u 's morgens tot 14.00 u 's namiddags op zon- en feestdagen. 1.4. Tegen voormeld besluit worden twee administratieve beroepen ingesteld bij de verwerende partij : - op 6 mei 2003 door de tussenkomende partij. Als bewoner van een aanpalende woning beklaagt zij zich over de geluidshinder en dringt zij er op aan dat de inrichting tenminste gesloten zou zijn op zon- en feestdagen; - op 8 mei 2003 stelt ook Christiaan D'HONDT beroep in. Hij kan evenmin akkoord gaan met de opgelegde regeling in verband met de openingstijden en wenst deze vervangen te zien door een voor hem gunstigere regeling waarbij de exploitatie van de carwash op alle dagen wordt toegelaten van 8.00 tot 22.00 u. 1.5. In het kader van de beroepsprocedure worden verschillende adviezen uitgebracht :

  1. a)op 27 mei 2003 verleent de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen gunstig advies "in zoverre alle hinder beperkt blijft tot de normaal te dragen burenhinder". In het advies wordt vermeld dat de inrichting volgens het toepasselijke gewestplan in woongebied gelegen is;
  2. b)het advies van 24 juni 2003 van de Vlaamse Milieumaatschappij is gunstig voor het lozen van het bedrijfsafvalwater in de openbare riolering;
  3. c)de afdeling Milieuvergunningen brengt op 24 juni 2003 ongunstig advies uit. Wat betreft de motieven van het voorstel om de gevraagde vergunning in beroep te weigeren stelt het advies : VII-31.012-3/10 "Het betreft een self-carwash bestaande uit slechts één wasunit, ondergebracht in en onder een driezijdig omsloten afdak, bestaande uit metalen golfplaten. Verder is er nog een stofzuiger aanwezig, geplaatst nagenoeg op de perceelsgrens. De beschikbare ruimte is dermate beperkt dat wanneer er één wagen in de carwash staat en één aan de stofzuiger het terrein vol staat en andere wagens verplicht zijn om op straat te wachten. De afstand tot de naburige woning (klager) bedraagt slechts een zevental meter. Aan de overkant van de straat bevinden zich eveneens woningen. Zowel het geluid van de carwash als dat van de stofzuiger zijn zeer goed hoorbaar tot een heel eind in de straat. Gelet op de ligging in de dorpskern in een zeer rustige woonstraat veroorzaakt de exploitatie van de self-carwash mijns inziens dan ook een meer dan normaal te dragen burenhinder. Het beperken van de exploitatieuren zowel in de week als op zon- en feestdagen verandert hieraan in feite niets wezenlijks. Bovendien wordt die beperking in exploitatie-uren, althans toch deze op zon- en feestdagen, door de exploitant als kennelijk onredelijk ervaren, ten bewijze waarvan hij zelf hiertegen beroep heeft aangetekend";
  4. d)de Provinciale Milieuvergunningscommissie stelt op 25 juni 2003 voor om het beroep dat de tussenkomende partij heeft ingediend gegrond te verklaren, het beroepen besluit op te heffen en de gevraagde vergunning te weigeren. De adviescommissie is in navolging van de afdeling Milieuvergunningen van oordeel dat de exploitatie van een selfcarwash, die gesitueerd is in een "zeer rustige woonstraat", een "meer dan normaal te dragen burenhinder" teweegbrengt en dat een beperking van de openingsuren daaraan geen wezenlijke verandering brengt. 1.6. Met een besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 4 september 2003 wordt het beroep van de tussenkomende partij gedeeltelijk gegrond verklaard. Er wordt ingegaan op zijn verzoek om de openingstijden van de inrichting te beperken : op week- en zaterdagen mag de carwash open zijn tussen 8 en 21.30 u en de exploitatie wordt verboden op zon- en feestdagen. Op het administratief beroep van Christiaan D'HONDT wordt niet in positieve zin ingegaan. Het besluit bevat volgende motieven : "Evaluatie van de beroepschriften en verslag van het onderzoek De uitbating is volgens het gewestplan Leuven (KB van 07.04.1977) gelegen in een woongebied waarvoor art. 5 en 6 van het KB van 28/12/72 betreffende de toepassing van gewestplannen van toepassing zijn. De selfcarwash maakt deel uit van een handelszaak van bromfietsen en motoren waaraan ook een herstellingswerkplaats is verbonden. De zaak is gelegen in de dorpskern van Oud-Heverlee in een woonstraat met aaneengesloten bebouwing. De selfcarwash en de woning van de klager/beroepindiener zijn met een kleine tussenruimte naast elkaar gelegen. De exploitatie van de winkel voor motorfietsen en toebehoren met bijhorende onderhouds- en herstellingswerkplaats werd vergund op 21 .02 .1995 voor een termijn van 20 jaar. VII-31.012-4/10 De inrichting voor het wassen van voertuigen werd toen geweigerd omwille van het ontbreken van een lozingsvergunninig voor het bedrijfsafvalwater. Onderhavige vergunningsaanvraag omvat de uitbating van de selfcarwash ditmaal met de bijhorende lozing van bedrijfsafvalwater. Het betreft een kleinschalige selfcarwash bestaande uit één wasunit, ondergebracht onder een driezijdig omsloten afdak, bestaande uit metalen golfplaten. Beide beroepschriften hebben in hoofdzaak betrekking op de openingsuren van de selfcarwash. De afstand tot de naburige woning (klager) bedraagt een zevental meter. Aan de overkant van de straat bevinden zich eveneens woningen. Uit het onderzoek van het dossier (zie ook advies van de PMVC) blijkt dat niet ondubbelzinning vastgesteld kan worden of de selfcarwash al dan niet aanleiding geeft tot (overmatige) geluidshinder. Echter gezien de dichte bewoning bestaat er geen aanleiding toe de openingsuren te versoepelen zoals gevraagd door de exploitant. De door het CBS opgelegde openingsuren tijdens de week, van 8.00u tot 21.30u, blijven gehandhaafd. Tevens mag de selfcarwash niet uitgebaat worden op zon- en feestdagen. Er bestaat bijgevolg aanleiding toe het beroep ingediend door Johan Timperman gegrond te verklaren, het beroep ingediend door Christiaan D'Hondt ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing van het CBS op het vlak van de openingsuren van de selfcarwash te wijzigen". 2. De ontvankelijkheid 2.1. De verwerende partij merkt op dat de aanvraag tot uitbreiding wel ingediend is door de BVBA D'HONDT C., maar dat, aansluitend bij de basisver- gunning, de vergunning verleend is aan Christiaan D'HONDT, zodat de vraag rijst of de BVBA D'HONDT C. het onderhavig beroep wel rechtsgeldig kon indienen. 2.2. De aanvraag waarover het bestreden besluit uitspraak doet is ingediend door de BVBA D'HONDT C., waarvan Christiaan D'HONDT de enige zaakvoerder is, die ook de onderneming exploiteert. Als aanvrager van de vergunning heeft de BVBA D'HONDT C. de vereiste hoedanigheid en het belang bij het indienen van het voorliggend beroep. 3. Ten gronde 3.1.1. In het eerste middel voert de verzoekende partij de schending van de motiveringsverplichting aan. Zij zet uiteen dat haar bij wege van bijzondere exploitatievoorwaarde een verbod wordt opgelegd om op zon- en feestdagen haar selfcarwash uit te baten, maar dat die verplichting niet of tegenstrijdig gemotiveerd is. Met name overweegt de verwerende partij dat niet ondubbelzinnig vastgesteld kan worden of de carwash aanleiding geeft tot overmatige geluidshinder, maar zij VII-31.012-5/10 legt toch een exploitatieverbod op. Daarnaast stelt zij dat het betrokken perceel volgens het gewestplan Leuven in woongebied gelegen is, dat zulk gebied bestemd is voor "wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ..." en dat een uitbating van de inrichting op zon- en feestdagen niet strijdig is met deze bestemming. In dat perspectief kan een verwijzing naar de dichte bewoning geen grondslag vormen voor het opgelegde verbod, zeker nu er geen geluidsoverlast is. 3.1.2. De verwerende partij ziet in het middel twee onderdelen:

(1)de uitbating past in de bestemming van het gewestplan en
(2)het opleggen van een bijzondere voorwaarde moet gemotiveerd zijn. Wat betreft de planologische verenigbaarheid, verwijst zij naar artikel 5.1.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. Volgens die bepaling is een inrichting in woongebied niet per definitie in overeen- stemming met de bestemming van het gebied, maar is zij slechts vergunbaar onder de dubbele voorwaarde dat zij bestaanbaar is met de bestemming "woongebied" en dat zij verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving. De omzendbrief van 8 juli 1997 kan niet ingaan tegen de tekst van het koninklijk besluit. Wat de motivering betreft, verwijst de verwerende partij naar het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie en naar de overwegingen die aan het bestreden besluit voorafgaan. Zij stelt dat deze motivering duidelijk aantoont dat het bestuur rekening gehouden heeft met de specifieke omstandigheden van de zaak, dat voor inrichtingen die zich willen vestigen in woongebieden de onverenigbaarheid de regel is en de bestaanbaarheid de uitzondering, zodat alleen nauwgezetter gemotiveerd moet worden wanneer een inrichting toegelaten wordt. Zij voegt daaraan toe dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oud-Heverlee ook reeds de uitbating op zondag beperkt had en dat de verwerende partij die voorwaarde nu alleen maar scherper stelt, terwijl de milieuvergunningscommissie had voorgesteld om de inrichting eenvoudigweg te verbieden. 3.1.
  1. De verzoekende partij repliceert dat de verwerende partij niet relevant kan verwijzen naar de woondichtheid, aangezien de inrichting toegelaten werd in de woonzone en daarmee vast is komen te staan dat zij bestaanbaar is met de bestemming "woongebied" en verenigbaar met de onmiddellijke omgeving. In haar laatste memorie herhaalt zij dat de verwijzing naar de woondichtheid enkel VII-31.012-6/10 relevant ware geweest in het kader van de vraag of de inrichting een plaats kon krijgen in het woongebied en zij voegt daaraan toe dat in het besluit niet wordt uiteengezet waarom de "dichte bebouwing" van de zone een versoepeling van de openingsuren in de weg staat. Er mag ook niet verondersteld worden dat de bestreden beslissing steunt op de geluidshinder die de inrichting veroorzaakt en bovendien is er nooit overmatige geluidshinder vastgesteld. 3.1.
  2. Artikel 20, vierde lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) bepaalt dat de overheid bij het verlenen van een vergunning bijzondere exploitatievoorwaarden kan opleggen met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu. Het bestuur beschikt wat dat betreft over een zeer ruime discretionaire bevoegdheid en de opgelegde voorwaarden vallen slechts dan buiten de decretaal vastgestelde grens wanneer zij er niet toe strekken de hinderlijkheid van de inrichting voor de omgeving binnen de gestelde grenzen te houden. 3.1.
  3. Het bestreden besluit laat de carwash toe, maar verbiedt de uitbating ervan op zon- en feestdagen. De verwerende partij wijkt daarmee af van de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en van de Provinciale Milieuver- gunningscommissie, die besloten hadden tot een weigering van de inrichting omdat zij gelegen is in de dorpskern in een zeer rustige woonstraat en zij daar een meer dan normale burenhinder veroorzaakt. De Provinciale Milieuvergunningscommissie had daarbij overwogen dat de uitgevoerde geluidsmeting niet representatief was, onder meer wegens de ongewone weersomstandigheden. Laatstvermeld gegeven heeft de verwerende partij tot de overweging gebracht dat "niet ondubbelzinnig vastgesteld kan worden of de selfcarwash al dan niet aanleiding geeft tot (overmatige) geluidshinder" en zij heeft dan besloten dat de inrichting toelaatbaar was, maar dat er "gezien de dichte bewoning" geen reden was om de openingsuren, bepaald in de vergunning in eerste aanleg, "te versoepelen zoals gevraagd door de exploitant", maar om ze integendeel te verstrengen door ook de uitbating op zondagvoormiddag te verbieden. 3.1.
  4. De verzoekende partij vindt dat het verbod om haar carwash op zon- en feestdagen open te houden geen deugdelijke grondslag heeft, aangezien de verwerende partij zelf stelt dat het dossier haar niet toelaat ondubbelzinnig uit te maken of er geluidshinder is. Daarmee haalt de verzoekende partij evenwel het desbetreffende motief uit zijn verband en houdt zij geen rekening met de specifieke context waarin die overweging een plaats heeft. Inderdaad, zoals hiervoor VII-31.012-7/10 uiteengezet werd het motief door de Provinciale Milieuvergunningscommissie naar voren geschoven als een argument om de vergunning in haar geheel te weigeren, maar heeft de verwerende partij het anders bekeken en het in het voordeel van de verzoekende partij uitgelegd. De verzoekende partij is dan ook slecht geplaatst om de verwerende partij te verwijten dat zij deze vaststelling gemaakt heeft. Nog minder kan zij de verwerende partij verwijten dat zij haar niet nog een groter voordeel heeft gegeven. In ieder geval moet deze overweging gelezen worden in samenhang met de verwijzing, in de aanhef van het bestreden besluit, naar "de dichte bewoning" op de plaats van de inplanting (woningen langs dezelfde straatkant op "een zevental meter" en ook woningen aan de overkant van de straat) en met de vaststelling van de Provinciale Milieuvergunningscommissie dat de inrichting ingevoegd wordt "in een zeer rustige woonstraat". Daarin vindt het bestreden besluit een deugdelijke grondslag. Het is niet kennelijk onredelijk om, wanneer de hinder die de inrichting van de verzoekende partij met zich meebrengt voor de onmiddellijke omgeving -en waaromtrent de afdeling Milieuvergunningen had vastgesteld dat "zowel het geluid van de carwash als dat van de stofzuiger zeer goed hoorbaar (zijn) tot een heel eind in de straat"- niet dermate ernstig is dat hij de vestiging van de selfcarwash verhindert, aan de vergunning een exploitatievoorwaarde te koppelen waarbij een verbod wordt ingesteld om de inrichting 's nachts en op zon- en feestdagen te laten werken. 3.1.
  5. Het gegeven dat de verwerende partij in het kader van de stedenbouwkundige toetsing van de vergunningsaanvraag van oordeel is dat de inrichting bestaanbaar is met de bestemming "woongebied", diende haar niet te beletten de bestreden exploitatievoorwaarde op te leggen. Dergelijke voorwaarden kunnen immers altijd worden opgelegd met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu. Bij het onderzoek van een milievergunningsaanvraag moet het bestuur uitmaken of de inrichting, met de hinder die zij veroorzaakt, wel een plaats kan krijgen in de voor het betrokken gebied vastgelegde stedenbouwkundige omschrijving. Het moet nagaan of de hinder die de inrichting teweegbrengt de grenzen niet overschrijdt van wat de stedenbouwkundige indeling van de betrokken percelen toelaat. Die beoordeling kan leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het verlenen van een vergunning onder bepaalde voorwaarden die afgestemd zijn op het verzoenen van de belangen van de exploitant en de omwonenden met betrekking tot de veroorzaakte hinder. 3.1.
  6. De bestreden beslissing beoogt hinder te voorkomen in een rustige buurt. De vaststelling dat de inrichting van de verzoekende partij ingeplant kan VII-31.012-8/10 worden in woongebied, verhindert de verwerende partij niet in de milieuvergunning voorwaarden in te schrijven om de hinder te beperken, te dezen door de uitbating op zon- en feestdagen te verbieden. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.
  7. In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 7 van het "Decreet d’Allarde". Zij stelt dat die bepaling de vrijheid van handel waarborgt, dat de gemeenten en provincies deze vrijheid slechts kunnen inperken met het oog op de handhaving van de openbare veiligheid voor zover zulks gebeurt op het openbaar domein en met maatregelen die in verhouding staan met het beoogde doel, maar dat in dit geval de veiligheid niet in het gedrang is en dat de beslissing disproportioneel is omdat de mensen meestal op zon- en feestdagen hun auto wassen. 3.2.
  8. De verwerende partij antwoordt in essentie dat de vrijheid van handel niets te maken heeft met de vergunningsvoorwaarden die opgelegd worden door stedenbouwkundige vergunningen en milieuvergunningen. Overigens kan het "Decreet d’Allarde" niet ingeroepen worden wanneer een bepaalde reglementering concreet wordt toegepast. 3.2.
  9. Artikel 7 van het decreet van 2 maart 1791 tot afschaffing van het gildenwezen bepaalt : "Te rekenen van de afkondiging van deze wet, staat het aan eenieder vrij, naar goeddunken, elke handel te drijven of elk beroep, bedrijf of ambacht uit te oefenen". De vrijheid van handel en nijverheid, die daarin is vastgelegd en die in beginsel onbeperkt is, belet niet dat de overheid met oogmerken van algemeen belang regels kan uitvaardigen aangaande de wijze waarop de vrijheid uitgeoefend mag worden. Zij kan aldus beperkingen stellen aan de uitoefening van de vrijheid. De regeling inzake de milieuvergunning vormt dergelijke beperking; zij wordt verantwoord door de bekommernis om de mens en het leefmilieu te beschermen. 3.2.
  10. Zoals bij de bespreking van het eerste middel gesteld, laat het milieuvergunningsdecreet de overheid toe de uitbating van een inrichting afhankelijk te maken van de naleving van bijzondere exploitatievoorwaarden. De bestreden beslissing maakt gebruik van die mogelijkheid. Het tweede middel is niet gegrond, VII-31.012-9/10 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel
  11. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf februari tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-31.012-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.356 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.