← België

Arrest 190363 - Plannen van aanleg - 12/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.363 Rolnummer: A. 143410/VII-37271 Zaak: Arrest 190363 - Plannen van aanleg - 12/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-19 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 17:37 Fiche Arrest nr 190.363 van 12 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.363 van 12 februari 2009 in de zaak A. 143.410/VII-37.271. In zake : de NV SCHELFHOUT, die woonplaats kiest bij advocaten P. FLAMEY en P. J. VERVOORT, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te GENT, Coupure 5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV SCHELFHOUT op 31 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 10 juli 2003 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna : GRUP) "Afbakening regionaalstedelijk gebied Aalst" (hierna : besluit van de Vlaamse regering van 10 juli 2003), "minstens in zoverre hiermee deelplan 4 'gemengd regionaal bedrijventerrein Siezegemkouter', en het onteigeningsplan voor het bedrijventerrein Siezegemkouter definitief worden vastgesteld"; Gelet op het arrest nr. 130.212 van 9 april 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; VII-37.271-1/11 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 november 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 11 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. J. VERVOORT, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat I. BOCKSTAELE die, loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De verzoekende partij exploiteert aan de Siesegemlaan te Aalst een opslagplaats voor bouwmaterialen. Deze vestiging is gelegen op de zogenaamde "Siezegemkouter". Zij beschikt aldaar over een aantal percelen grond en stelt dat zij haar activiteiten, die verspreid zijn over vier vestigingsplaatsen, ter plaatse wil concentreren. 1.2. Het bestreden besluit legt in de eerste plaats een ruimtelijke afbakening vast van het "regionaalstedelijk gebied" Aalst, en bevat daarnaast inhoudelijk ook stedenbouwkundige voorschriften voor een aantal deelgebieden binnen deze afbakening, waaronder de Siezegemkouter (westelijk gedeelte van het GRUP). Dit gebied is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem ingekleurd als landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en voor twee kleine stukjes respectievelijk als groengebied en natuurgebied. VII-37.271-2/11 1.3. De studiefase omtrent dit plan mondt uit in een besluit van de Vlaamse regering van 14 juni 2002 houdende voorlopige vaststelling van een ontwerp-GRUP. De plannen tonen dat de Siezegemkouter een bestemming als "gemengd regionaal bedrijventerrein" zou krijgen, met in het noorden van dit plangebied een "stedelijk woongebied langs de N9", dat in de plaats zou komen van een woongebied dat reeds door het gewestplan was voorzien langs de Gentsesteenweg. Voor het grootste deel van het gebied wordt tegelijkertijd ook een onteigeningsplan voorlopig vastgesteld. 1.4. Tijdens het openbaar onderzoek, dat loopt van 19 augustus 2002 tot 17 oktober 2002, worden 3.206 bezwaarschriften ingediend, waaronder ook één door de verzoekende partij. 1.5. De Vlaamse commissie voor ruimtelijke ordening (hierna : VLACORO) adviseert op 11 februari 2003 de ingediende bezwaarschriften niet te weerhouden. Het advies inzake het ontworpen uitvoeringsplan luidt gunstig, met een aantal bemerkingen en mits naleving van een aantal voorwaarden. 1.6. De afdeling wetgeving van de Raad van State brengt op 26 juni 2003 het advies nr. 35.548/1 uit. 1.7. Met een besluit van de Vlaamse regering van 10 juli 2003 wordt het GRUP definitief vastgesteld. In artikel 4.1.4 van de stedenbouwkundige voorschriften wordt alsnog bepaald dat de voorziene inrichtingsstudie een "informatief document (

  1. is)voor de vergunningverlenende overheid met het oog op het beoordelen van de vergunningsaanvraag in het licht van de goede ruimtelijke ordening en de stedenbouwkundige voorschriften van 4.1.1 t.e.m. 4.1.8". Van het besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 september 2003. VII-37.271-3/11 2. De ontvankelijkheid 2.1. De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord het belang van de verzoekende partij, stellende dat deze laatste een "zonevreemd bedrijf" uitbaat, dat bovendien slechts "deels" vergund zou zijn. Zij voert ook aan dat de verzoekende partij "alleszins" niet over een voldoende belang beschikt om het GRUP in zijn geheel te laten vernietigen. 2.2. Als exploitant van een opslagplaats voor bouwmaterialen heeft de verzoekende partij, los van de vraag naar de vergunningstoestand van haar inrichting, een voldoende belang bij de beoogde vernietiging. In haar inleidende akte geeft de verzoekende partij zelf uitdrukkelijk aan de vernietiging van het besluit te vorderen, "minstens in zoverre hiermee deelplan 4 'gemengd regionaal bedrijventerrein Siezegemkouter' en het onteigeningsplan voor het bedrijventerrein Siezegemkouter definitief worden vastgesteld". Het belang van de verzoekende partij bij de nietigverklaring van het bestreden GRUP strekt zich inderdaad enkel uit tot het deelplan van de Siezegemkouter, en niet tot de totaliteit van het plan. De verzoekende partij toont niet afdoende aan dat een gedeeltelijke vernietiging van aard is de algemene economie van het bestreden GRUP aan te tasten. De exceptie is gegrond in zoverre zij het belang van de verzoekende partij beperkt tot het deelplan 4 van het bestreden GRUP en wordt voor het overige verworpen. 3. Ten gronde 3.1.1. Als eerste middel roept de verzoekende partij de schending in van de artikelen 3, 4, 38, en 39, § 1, derde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.), de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag en de schending van het rechtszekerheids-, het onpartijdigheids- en het gelijkheidsbeginsel. In essentie bekritiseert zij het gebruik, ingevolge artikel 4.1.4. van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden GRUP, van een "inrichtingsstudie" als toetsingskader voor de verdere ordening, terwijl het D.R.O. VII-37.271-4/11 daar volgens haar geen ruimte voor laat. Zij voegt er aan toe dat deze vaststelling des te meer klemt daar de vergunningsaanvragen zullen worden ingediend door de stad Aalst of door een gemeentelijk bedrijf als terreinbeheerder en dat deze aanvragen zullen worden beoordeeld door het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst, zodat die stad "rechter en partij" is en het onpartijdigheids- en het gelijkheidsbeginsel worden geschonden. 3.1.2. De verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord dat de Vlaamse regering bij de juridische inkadering van het instrument van de inrichtingsstudie tegemoet is gekomen aan de opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad van State en dat aanvragen van publiekrechtelijke rechtspersonen en voor werken van algemeen belang door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar worden behandeld, en dus niet door de stad Aalst als terreinbeheerder. 3.1.3. In de memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat de inrichtingsstudie nevengeschikt is aan de stedenbouwkundige voorschriften van het GRUP. 3.1.4. In de laatste memorie voegt de verzoekende partij nog toe dat de nood aan een voorafgaand overleg met de vergunningverlenende overheid aantoont dat de inrichtingsstudie werkelijk een bijkomend ordeningsinstrument is. Tevens verwijst zij naar het arrest van de Raad van State nr. 166.436 van 9 januari 2007, waarbij een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan werd geschorst "omdat de stedenbouwkundige voorschriften niet op voldoende duidelijke wijze werden geformuleerd in het RUP derwijze dat de rechtsonderhorige in het ongewisse wordt gelaten over de concrete inrichting tot aan de concrete invulling ervan door de vergunningverlenende overheid n.a.v. een concreet project". 3.1.5. Artikel 3 van het D.R.O. bepaalt dat de ruimtelijke ordening van het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten wordt vastgelegd in ruimtelijke structuurplannen, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verordeningen. Artikel 38, § 1, eerste lid, 2/, van hetzelfde decreet bepaalt dat een ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna : RUP) de stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer bevat. Artikel 39, § 1, derde lid, van hetzelfde decreet bepaalt dat "de stede(n)bouwkundige voorschriften (...) modaliteiten (kunnen) voorschrijven die bij de inrichting van het gebied in acht moeten worden genomen". VII-37.271-5/11 Artikel 4.1.4. van de stedenbouwkundige voorschriften bepaalt onder meer wat volgt : "(...) De inrichtingsstudie is een informatief document voor de vergunningverlenende overheid met het oog op het beoordelen van de vergunningsaanvraag in het licht van de goede ruimtelijke ordening en de stedenbouwkundige voorschriften van 4.1.1. t.e.m. 4.1.8. (...)". De inrichtingsstudie is dus opgevat als een instrument tot in- of voorlichting van de vergunningverlenende overheid met het oog op het beoordelen van de vergunningsaanvraag in het licht van de bestemmingsvoorschriften. Het gaat om een modaliteit in de zin van het genoemde artikel 39, § 1, derde lid, van het D.R.O.. Aan een dergelijk informatief document kan geen verordenende kracht worden toegekend en de verzoekende partij toont niet aan dat te dezen hiervan zou zijn afgeweken. De verwijzing in de laatste memorie van de verzoekende partij naar het arrest van de Raad van State nr. 166.436 van 9 januari 2007 is niet ter zake dienend. Dit arrest heeft betrekking op stedenbouwkundige voorschriften uit een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan die als zodanig een gebrek aan precisie vertonen, hetgeen in het voorliggende geding niet is aangetoond. De aanvragen waarvan sprake zullen worden ingediend door een publiekrechtelijke rechtspersoon. Overeenkomstig artikel 127 van het D.R.O. wordt die aanvraag behandeld door de Vlaamse regering of door de gedelegeerde stedenbouwkundige ambtenaar. De stad Aalst zal dus niet, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert, optreden als rechter en partij zodat er geen schending kan zijn van de beginselen van onpartijdigheid en gelijkheid. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.1. De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending van de artikelen 3, 4, 38, en 39, § 1, derde lid, van het D.R.O., de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag, de schending van het rechtszekerheidsbeginsel en uit machtsoverschrijding, doordat, samengevat, artikel 4.1.5. van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden GRUP bepaalt dat het volledige gemengd regionaal bedrijventerrein wordt beheerd door één terreinbeheerder, of door een vereniging van bedrijven en de stad Aalst die optreedt als beheerder, terwijl "het procédé van het onder beheer van de overheid stellen van gronden van private personen" niet is voorzien in het D.R.O.. De verzoekende partij VII-37.271-6/11 meent dat deze werkwijze een beperking van de handelingsbekwaamheid van de eigenaars inhoudt en dat de onduidelijkheid inzake de identiteit van de terreinbeheerder de rechtszekerheid schendt. 3.2.2. In de memorie van antwoord argumenteert de verwerende partij dat de verzoekende partij de begrippen "realisatie" en "beheer" met elkaar verwart, dat de term "beheer" onder meer betrekking heeft op de buffers, de gemeenschappelijke infrastructuren, de riolering en de nutsvoorzieningen, dat in de stedenbouwkundige voorschriften nergens wordt gesteld dat het beheer "alleen door de overheid" zou kunnen gebeuren, en dat het voorschrift enkel beoogt een "geordend en fatsoenlijk geheel te krijgen van de gemeenschappelijke infrastructuur". 3.2.3. De verzoekende partij verwijst in de memorie van wederantwoord in hoofdorde naar het auditoraatsverslag dat in de schorsingsprocedure werd uitgebracht, en merkt verder op dat de "decreetsconforme" interpretatie van het stedenbouwkundig voorschrift die in het arrest van de Raad van State nr. 130.212 van 9 april 2004 wordt gehuldigd, niet kan worden gevolgd omdat het op die manier geen enkele zin meer heeft om de voorschriften van een RUP in rechte aan te vechten wegens hun strijdigheid met het decreet. 3.2.4. Beheersmaatregelen in de zin van artikel 38 van het D.R.O. hebben geen uitstaans met de realisatie van de aan een gebied gegeven bestemming en zijn eerder gericht op het behoud van de optimale ruimtelijke voorwaarden voor het goed functioneren van de in een gebied toegelaten activiteiten en de vrijwaring van de ruimtelijk karakteristieke elementen en eigenschappen van het plangebied. Zij kunnen dan ook niet ingrijpen in het beheer van privatieve kavels of in de individuele realisatie ervan. Uit de tekst van de stedenbouwkundige voorschriften zelf blijkt dat beheersmaatregelen voor een bedrijventerrein louter betrekking kunnen hebben op zaken zoals, onder meer, de aanleg en het onderhoud van wegen, het beschikbaar stellen van nutsvoorzieningen, enzovoort. Hoewel de opsomming in het voorschrift niet limitatief is, betekent zulks niet dat ook handelingen die te maken hebben met de werkelijke realisatie van het bedrijventerrein en het beheer van privatieve kavels evenzeer VII-37.271-7/11 moeten worden begrepen onder de mogelijkheden het beheer van het terrein waar te nemen. Het beheren van een terrein in de zin van het voormelde artikel 38 van het D.R.O. is geen synoniem met het ontwikkelen van dat terrein. De identiteit van de aan te wijzen beheerder wordt in het stedenbouwkundig voorschrift niet definitief geregeld. Er wordt enkel gesteld dat dit bijvoorbeeld een vereniging van bedrijven met de stad Aalst kan zijn. De verzoekende partij legt niet uit waarom het juridisch noodzakelijk zou zijn dat reeds bij het vastleggen van het omkaderende beheersvoorschrift definitief zou worden bepaald wie precies als beheerder zal optreden. Het tweede middel is niet gegrond. 3.3.1. De verzoekende partij leidt een derde middel af uit de schending van de artikelen 41, § 1, 42 en 70, § 2, van het D.R.O., uit de schending van de materiële motiveringsplicht en uit de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag, doordat er na de plenaire vergadering twee onteigeningsplannen werden gevoegd bij de deelplannen 4 en 8, terwijl uit de samenlezing van de artikelen 70, § 2, en 41, § 1, van het D.R.O. volgt dat een onteigeningsplan ter uitvoering van een RUP moet worden voorgelegd aan de plenaire vergadering. 3.3.2. In de memorie van antwoord wordt onder meer gesteld dat geen enkele bepaling uit het D.R.O. verplicht om bij planwijzigingen naar aanleiding van een plenaire vergadering een nieuwe plenaire vergadering te organiseren, en dat de opname van de onteigeningsplannen enkel een uitvoering was van de besprekingen tijdens de plenaire vergadering. 3.3.3. De verzoekende partij brengt in de memorie van wederantwoord nog naar voor dat tijdens de plenaire vergadering geen overleg heeft plaatsgevonden over de onteigeningsplannen zelf, die immers pas later aan het plandossier werden toegevoegd. VII-37.271-8/11 3.3.4. De verzoekende partij toont niet aan dat dit aspect betreffende de organisatie van een plenaire vergadering als onderdeel van het vooroverleg een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven pleegvorm uitmaakt en zij maakt evenmin aannemelijk dat door de beweerde onregelmatigheid haar belangen zouden zijn geschaad. Deze vaststelling volstaat om het middel niet gegrond te bevinden. De verzoekende partij toont bovendien niet aan dat de gebeurlijke onvolledigheid van de plannen die bij de totstandkoming van het bestreden besluit werden gebruikt, bepalend zijn geweest bij de afbakening van het betrokken gebied. 3.4.1. Een vierde middel wordt afgeleid uit de schending van artikel 69 van het D.R.O., artikel 263sexies van de Nieuwe Gemeentewet, artikel 16 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de materiële motiveringsplicht, uit de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag en uit machtsoverschrijding, "doordat, het bestreden besluit het onteigeningsplan voor het regionaal gemengd bedrijventerrein Siezegemkouter definitief vaststelt; dat het bestreden besluit overweegt dat 'zowel uit voorafgaande overlegmomenten als uit het advies van VLACORO blijkt dat de onteigening van de gemengd regionale bedrijventerreinen van Siezegemkouter en Erembodegem Zuid IV noodzakelijk is voor de realisatie van de terreinen' en dat hiermee 'de speculatie wordt tegengegaan'; terwijl, krachtens artikel 16 Grondwet niemand van zijn eigendom (kan) worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadevergoeding; (...)". 3.4.2. In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij daar onder meer tegenover dat het GRUP met het onteigeningsplan "wint (...) aan actiegerichtheid" en dat het bedrijf van de verzoekende partij in de huidige configuratie niet in te passen is in de beoogde bestemming. 3.4.3. De verzoekende partij meent in haar memorie van wederantwoord dat de motivering inzake het openbaar nut te oppervlakkig is en dat haar activiteiten wel degelijk verenigbaar zijn met de bestemmingsvoorschriften van het RUP. 3.4.4. De motivering van het bestreden besluit, in samenlezing met het advies van de VLACORO, verantwoordt op omstandige wijze de noodzaak van de VII-37.271-9/11 onteigening ten algemene nutte ter realisatie van het bedrijventerrein op afdoende wijze en beantwoordt de bezwaren die door de verzoekende partij werden geformuleerd. De door de verzoekende partij aangehaalde bepalingen houden niet in dat de overheid in haar formele motivering de motieven van de opgegeven redenen moet vermelden. Voorts brengt de verzoekende partij geen concrete argumenten bij die de Raad van State er kunnen toe brengen aan te nemen dat de bestreden onteigening kennelijk onredelijk is. Tevens werd aangegeven dat op de onteigeningsplannen duidelijk is aangegeven dat de stad Aalst wordt aangeduid als de onteigenende instantie. Het vierde middel is niet gegrond. 3.5.1. Als vijfde middel roept de verzoekende partij de schending in van artikel 3 van de wet tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999. Het middel houdt in essentie in dat het bestreden besluit impliciet vaststelt dat het gemeentebedrijf van de stad Aalst tot onteigening kan overgaan, terwijl het voormelde wetsartikel, thans artikel 3 van de wet van 10 juni 2006 tot bescherming van de economische mededinging, verbiedt dat één of meer ondernemingen misbruik maken van hun machtspositie op minstens een wezenlijk deel van de Belgische markt en dat, door het onder beheer plaatsen van de realisatie van industrieterreinen, de afzet van die terreinen wordt beperkt ten nadele van de gegadigden die zich deze terreinen wensen aan te schaffen. 3.5.2. In de memorie van antwoord voert de verwerende partij een argumentatie die reeds ter sprake kwam bij het tweede en het vierde middel. 3.5.3. Zoals uit de bespreking van het vierde middel is gebleken, gaat de verzoekende partij er verkeerdelijk van uit dat het gemeentebedrijf van de stad Aalst als onteigenende instantie zou zijn aangewezen. Uit de bespreking van het tweede middel is dan weer naar voor gekomen dat de verzoekende partij aan de stedenbouwkundige voorschriften inzake het beheer van het terrein een betekenis en draagwijdte toedicht die niet strookt met hetgeen in die voorschriften wordt gesteld. VII-37.271-10/11 Het vijfde middel is niet gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf februari tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-37.271-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.363 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.212 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.