id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.366 Rolnummer: A. 143477/VII-37101 Zaak: Arrest 190366 - Plannen van aanleg - 12/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-18 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 17:38 Fiche Arrest nr 190.366 van 12 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.366 van 12 februari 2009 in de zaak A. 143.477/VII-37.101. In zake : Johnny VAN KEYMOLEN, die woonplaats kiest bij advocaat Gw. VERMEIRE, kantoor houdende te GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te GENT, Coupure 5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johnny VAN KEYMOLEN op 3 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 10 juli 2003 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna : GRUP) "Afbakening regionaalstede- lijk gebied Aalst", "en in ieder geval van het deelplan 4 'gemengd regionaal bedrijventerrein Siezegemkouter'"; Gelet op het arrest nr. 141.217 van 24 februari 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; VII-37.101-1/19 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 3 november 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 4 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat Gw. VERMEIRE, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat I. BOCKSTAELE die, loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Verzoeker woont in Erpe-Mere, op een zeer korte afstand van de grenslijn van het deelplan van het GRUP dat hij aanvecht. 1.2. Het bestreden GRUP legt in de eerste plaats een ruimtelijke afbakening vast van het "regionaalstedelijk gebied" Aalst, en bevat daarnaast inhoudelijk ook stedenbouwkundige voorschriften voor een aantal deelgebieden binnen deze afbakening, waaronder de "Siezegemkouter" (westelijk gedeelte van het GRUP). Het betreffende gebied is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem ingekleurd als landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en voor twee kleine stukjes respectieve- lijk als groen- en natuurgebied. 1.3. De studiefase omtrent dit plan mondt uit in een besluit van de Vlaamse regering van 14 juni 2002 houdende voorlopige vaststelling van een ontwerp-GRUP. VII-37.101-2/19 De plannen tonen dat de Siezegemkouter een bestemming als "gemengd regionaal bedrijventerrein" zou krijgen, met in het noorden van dit plangebied een "stedelijk woongebied langs de N9", dat in de plaats zou komen van een woongebied dat reeds door het gewestplan was voorzien langs de Gentsesteen- weg. Voor het grootste deel van het gebied wordt tegelijkertijd ook een onteigeningsplan voorlopig vastgesteld. 1.4. Tijdens het openbaar onderzoek, dat loopt van 19 augustus 2002 tot 17 oktober 2002, worden 3.206 bezwaarschriften ingediend, waaronder ook één door verzoeker. 1.5. De Vlaamse commissie voor ruimtelijke ordening (hierna : VLACORO) adviseert op 11 februari 2003 de ingediende bezwaarschriften niet te weerhouden. Het advies inzake het ontworpen uitvoeringsplan luidt gunstig, met een aantal bemerkingen en mits naleving van een aantal voorwaarden. 1.6. De afdeling wetgeving van de Raad van State brengt op 26 juni 2003 het advies nr. 35.548/1 uit. 1.7. Met een besluit van de Vlaamse regering van 10 juli 2003 wordt het GRUP definitief vastgesteld. In artikel 4.1.4 van de stedenbouwkundige voorschriften wordt alsnog bepaald dat de voorziene inrichtingsstudie een "informatief document (
- is)voor de vergunningverlenende overheid met het oog op het beoordelen van de vergunningsaanvraag in het licht van de goede ruimtelijke ordening en de stedenbouwkundige voorschriften van 4.1.1 t.e.m. 4.1.8". Van het besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 september 2003. 2. De rechtspleging 2.1.1. Verzoeker betoogt in het verzoek tot voortzetting en in de memorie van wederantwoord dat het administratief dossier onvolledig is, omdat het onder meer verschillende adviezen of documenten met betrekking tot het openbaar onderzoek niet bevat. VII-37.101-3/19 Dit zou het hem onmogelijk maken nog aanvullende middelen te puren uit vaststellingen die hij zou kunnen doen naar aanleiding van de inzage van het volledige administratief dossier. 2.1.2. Het administratief dossier moet het de Raad van State toelaten de wettigheid van de bestreden beslissing na te gaan, en moet daartoe alle noodzakelij- ke documenten bevatten. Te dezen bevat het administratief dossier alle stukken die noodzakelijk zijn om de gegrondheid van de tegen de beslissing ingeroepen middelen te kunnen beoordelen, zodat er geen reden is om het te laten aanvullen. 2.2.1. Ter terechtzitting verzet de verwerende partij zich tegen de "neerlegging" van de brief die verzoeker daags voor de zitting aan de Raad van State deed toekomen. 2.2.2. Er wordt niet aangetoond dat de bij de voormelde brief gevoegde stukken niet vroeger konden worden meegedeeld. Het gaat niet op om dergelijke stukken daags voor de zitting bij het dossier te laten voegen. De brief en de bijlagen worden uit de debatten geweerd. 3. De ontvankelijkheid 3.1. De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord het belang van verzoeker, omdat deze niet exact aanduidt waar zijn woning zich precies bevindt. Tevens wordt in die memorie aangevoerd dat verzoeker "alleszins" niet over een voldoende belang beschikt om het GRUP in zijn totaliteit te laten vernietigen. 3.2. Wat het eerste punt betreft, doet verzoeker in de memorie van wederantwoord opgave van de kadastrale kenmerken van het perceel waar hij woont, en legt hij een stuk voor waarop is aangegeven waar zijn woning zich precies bevindt ten opzichte van het (deel)plangebied. VII-37.101-4/19 Verzoeker woont sedert 1978 in de onmiddellijke omgeving van dit (deel)plangebied, en maakt aannemelijk dat de doorgevoerde bestemmingswijzi- ging implicaties kan hebben voor zijn leefomgeving. Voor het overige strekt het belang van verzoeker bij de nietigverklaring van het bestreden GRUP zich enkel uit tot het deelplan van de Siezegemkouter, en niet tot de totaliteit van het plan. De exceptie wordt verworpen in zoverre zij betrekking heeft op de precieze ligging van de woning van verzoeker. 4. Ten gronde 4.1.1. Verzoeker roept als eerste middel de schending in "van het richtinggevend principe van de 'gedeconcentreerde bundeling' volgens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen" (hierna : RSV) en "dus" ook van de artikelen 19, 38, § 1, 4/, en 41, § 2, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.). Verzoeker voert tevens de schending aan van het redelijkheidsbeginsel en van de motiveringsverplichting. Verzoeker betoogt in essentie dat, gelet op de in het middel aangehaalde bepalingen van het D.R.O., in een ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna : RUP) rekening moet worden gehouden met het principe van de gedeconcentreerde bundeling als één van de richtinggevende principes van het RSV, en dat, zo moet worden aangenomen dat het gaat om een niet-normatief principe, er minstens een marginale toetsing door de Raad van State mogelijk is. Bovendien moet de motivering juist en afdoende zijn, hetgeen volgens hem te dezen niet het geval is. 4.1.2. In de memorie van antwoord argumenteert de verwerende partij dat het GRUP past binnen de selectie van Aalst als regionaalstedelijk gebied en als economisch knooppunt in de bindende bepalingen van het RSV, dat in de toelichtingsnota bij het GRUP wordt uitgelegd waarom de Siezegemkouter wordt weerhouden als lokatie voor grootschalige stedelijke activiteiten zoals de inrichting van een regionaal bedrijventerrein, en dat het RSV oplegt om binnen het regionaal- stedelijk gebied Aalst ruimte voor bedrijven te creëren. VII-37.101-5/19 4.1.3. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat het GRUP niet werd opgemaakt op basis van de bestaande ruimtelijke structuur van het gebied. 4.1.4. In de laatste memorie voegt verzoeker toe dat de Siezegemkouter een onbebouwd landelijk gebied is, zodat de opname binnen de afbakeningslijn geheel niet klopt. 4.1.5. Wanneer de overheid een RUP vaststelt in uitvoering van het corresponderende ruimtelijk structuurplan, beschikt zij over een ruime beoordelings- bevoegdheid. In het raam van de uitoefening van het wettigheidstoezicht zal de Raad van State er zich toe beperken om na te gaan of de bevoegde overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, deze correct heeft beoordeeld, en op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Een RUP is geen bestuurshandeling met individuele strekking en valt dus niet onder het toepassingsgebied van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet). Wat de afbakening van het grootstedelijk gebied betreft, maakt verzoeker niet aannemelijk dat, op grond van de loutere omstandigheid "dat de Siezegemkouter een onbebouwd landelijk gebied is, zodat de opname binnen de afbakeningslijn geheel niet klopt ", de overheid belast met de opmaak van het plan redelijkerwijs niet kon besluiten tot de opname van dit gebiedsdeel in het regionaal- stedelijk gebied Aalst. Het door verzoeker geschonden geachte beginsel van de gedeconcentreerde bundeling houdt, volgens het RSV, het volgende in : "Er wordt geopteerd om de bestaande ruimtelijke structuur van Vlaanderen als basis te nemen voor de ruimtelijke ontwikkeling. De aanwezige dynamiek wordt positief aangewend zodat er voor Vlaanderen sociale, economische en ruimtelijke meerwaarden ontstaan en dat de negatieve tendensen inzake ruimtegebruik worden omgebogen. Dat wordt nagestreefd door middel van het principe van de gedeconcentreerde bundeling. De bundeling streeft een selectieve concentratie na van de groei van het wonen, het werken en van de andere maatschappelijke functies in de steden en in de kernen van het buitengebied, steeds met respect voor de draagkracht van de stedelijke gebieden. Verweving van activiteiten en functies staat daarbij voorop. De deconcentratie houdt rekening met het bestaande (gedeconcentreer-
- de)spreidingspatroon en met de dynamiek van de functies in Vlaanderen. VII-37.101-6/19 Gedeconcentreerde bundeling gaat in tegen ongebreidelde suburbanisatie en versnippering en vermindert zo de druk op het buitengebied. Concentratie biedt mogelijkheden voor het draagvlak van de steden en de kernen van het buitengebied, voor het collectief vervoer en het behoud van de verscheidenheid van de landschappen. De bundeling kan ook schaalvoordelen opleveren". De Vlaamse regering heeft ter gelegenheid van de voorlopige vaststelling van het ontwerp-RUP de noodzaak aan bijkomende terreinen laten onderzoeken, hetgeen heeft geresulteerd in een rapport van een werkgroep waarin wordt gewezen op de structurele schaarste aan bedrijfsgronden in het gebied en de zeer beperkte mogelijkheden die er nog bestaan in de huidige bedrijvenzones. Het komt de Raad van State niet toe de conclusies van dat rapport in twijfel te trekken, terwijl anderzijds verzoeker onvoldoende gegevens aanreikt om de onjuistheid of kennelijke onredelijkheid van de studie aan te tonen. Het eerste middel is niet gegrond. 4.2.1. Als tweede middel roept verzoeker de schending in van artikel 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van de "regels inzake de bevoegdheid van de Vlaamse Regering", van de artikelen 2, 10 en 14 tot 16 van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering en van de artikelen 2, 9 en 14 en volgende van het besluit van de Vlaamse regering van 10 juni 2003 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering (hierna : besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2003). Het middel houdt volgens verzoeker in essentie in dat de verwerende partij "haar bevoegdheid (on)(grond)wettig heeft aangewend", doordat het bestreden besluit had moeten worden "voorbereid door de minister van Ruimtelijke Ordening enerzijds en door de minister van Leefmilieu en Landbouw anderzijds", aangezien het GRUP ook een aangelegenheid van "leefmilieu en waterbeleid" en van "landinrichting en natuurbehoud" uitmaakt en doordat enkel de minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening wordt belast met de uitvoering van het bestreden besluit, terwijl ook de minister bevoegd voor het Leefmilieu en het Natuurbehoud volgens verzoeker hiermee zou moeten worden belast, en er verder krachtens artikel 16 van het besluit van de Vlaamse regering van 10 juni 2003 geen delegatie mogelijk was. VII-37.101-7/19 4.2.2. In de memorie van wederantwoord voert verzoeker nog aan dat zeker de minister die bevoegd is voor Leefmilieu het besluit mede diende te ondertekenen, dat het akkoord van de betreffende minister niet voorligt, en dat het feit dat het dossier mede werd voorbereid met medewerkers van andere departemen- ten niet de bevoegdheid van de minister vervangt. 4.2.3. In de laatste memorie voegt verzoeker nog toe dat men "allicht" kan aannemen dat de goedkeuring werd verleend door de voltallige Vlaamse regering en dat het bestreden besluit "in feite ook (een bevoegdheid) qua 'stedelijk beleid'" betreft, gelet op de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Aalst. Hij merkt tevens op dat de bevoegdheidsregeling van openbare orde is, zodat een en ander zelfs ambtshalve door de Raad van State kan worden nagegaan. 4.2.4. Het bestreden besluit is ondertekend door de minister-president en het lid van de Vlaamse regering aan wie de Ruimtelijke Ordening als bevoegd- heid werd toegewezen, conform het besluit van de Vlaamse regering van 10 juni 2003. Dat het bestreden RUP ook implicaties heeft op en doorwerkt naar andere beleidsdomeinen, heeft niet tot gevolg dat de ministers, bevoegd in die andere beleidsdomeinen, daarom het besluit mede hadden moeten ondertekenen of met de uitvoering ervan belast hadden moeten worden. Het tweede middel is niet gegrond. 4.3.1. Als derde middel voert verzoeker de schending aan van het evenredigheids- en het redelijkheidsbeginsel, van de algemene motiveringsverplich- ting en van het verdrag van Kyoto. Samengevat houdt het middel volgens verzoeker in dat er voor het nagestreefde doel geen minder schadelijk alternatief voorhanden mag zijn dat even doeltreffend is, dat het bereikte resultaat voldoende moet opwegen tegen de nadelen die aan andere belangen worden berokkend en dat het doelmatig beleid van andere besturen niet ernstig in het gedrang mag worden gebracht. 4.3.2. In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de toepassing van het Kyoto-verdrag "niet evident" maar toch noodzakelijk is. VII-37.101-8/19 4.3.3. In de laatste memorie voegt verzoeker nog toe dat de behoeftenstudie uit het administratief dossier niet volstaat ter weerlegging van de schending van het evenredigheids- en het redelijkheidsbeginsel en dat artikel 4 van het Kyoto-verdrag veel ruimere verplichtingen opsomt dan de vereiste dat de doelstellingen zouden moeten worden gerealiseerd door uitsluitend een geïntegreerd beleid dat inwerkt op meerdere bronnen van uitstoot. 4.3.4. Zoals werd vastgesteld bij de bespreking van het eerste middel, heeft de Vlaamse regering ter gelegenheid van de voorlopige vaststelling van het ontwerp-RUP de noodzaak aan bijkomende terreinen laten onderzoeken, hetgeen heeft geresulteerd in een rapport van een werkgroep waarin wordt gewezen op de structurele schaarste aan bedrijfsgronden in het gebied en de zeer beperkte mogelijkheden die er nog bestaan in de huidige bedrijvenzones. Het komt de Raad van State niet toe de conclusies van dat rapport in twijfel te trekken, terwijl anderzijds verzoeker onvoldoende gegevens aanreikt om de onjuistheid of kennelijke onredelijkheid van de studie aan te tonen. Verzoeker toont evenmin aan dat het Kyoto-verdrag zou zijn geschonden. Daargelaten de vraag of het zin heeft de beginselen van het Kyoto-verdrag lineair toe te passen op het bestreden GRUP, moet het bereiken van de doelstellingen van de Kyoto-conferentie gebeuren via een geïntegreerd beleid dat inwerkt op meerdere bronnen van uitstoot, en niet enkel op emissies die zouden worden toegeschreven aan bedrijventerreinen. De redenering van verzoeker komt hierop neer, dat er best geen nieuwe bedrijventerreinen meer bijkomen (niet in Aalst en ook niet elders), omdat dit onrechtstreeks een verhoogde uitstoot van broeikasgassen tot gevolg zou kunnen hebben. Verzoeker duidt geen verdrags- bepaling aan waaruit zou voortvloeien dat het de overheid verboden zou zijn om bijkomende ruimte voor bedrijven te creëren. Het derde middel is niet gegrond. 4.4.1. Het vierde middel wordt afgeleid uit de schending van het rechts- zekerheids- en het legaliteitsbeginsel, de materiële motiveringsverplichting en het koninklijk besluit van 30 mei 1978 houdende vaststelling van het gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem. VII-37.101-9/19 Samengevat haalt verzoeker als elementen onder meer aan dat de taakstelling met betrekking tot het aanleggen van industrieterreinen berust op verkeerde berekeningen en daarmee op een rechtsonzekere basis, dat die taakstelling ook niet dwingend is, dat er in het bestreden besluit niet wordt ingegaan op de verhouding van het GRUP met diverse andere plannen, dat er nergens wordt uitgelegd wat het verschil is tussen de normatieve en de niet-normatieve delen van het plan, dat het administratief dossier onder meer geen inventaris bevat en een aantal "op te heffen voorschriften" worden vermeld in het niet-normatief gedeelte van het bestreden besluit, "terwijl de opheffing van een gewestplanvoorschrift (...) in se een normatieve beslissing is". In het verzoek tot voortzetting wordt daarnaast ook de schending van het gelijkheidsbeginsel ingeroepen en stelt verzoeker voor dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. 4.4.2. De verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord dat de opheffing van het gewestplan voortvloeit uit het verordenend RUP zelf, en dat de planningslogica van het D.R.O. verschilt van de planlogica van de "stedenbouwwet uit 1962". 4.4.3. In de memorie van wederantwoord dringt verzoeker hoofdzakelijk aan op het weerhouden van de schending van het gelijkheidsbeginsel, zoals dit door hem werd uiteengezet in een "aanvulling" op het middel in het verzoekschrift tot voortzetting. 4.4.4. In de laatste memorie stelt verzoeker het auditoraatsverslag te kunnen volgen, waar wordt gewezen op artikel 201 van het D.R.O., krachtens welke bepaling de voorschriften van de RUP's de voorschriften van de plannen van aanleg vervangen voor het grondgebied waarop zij betrekking hebben, zodat er sprake is van een automatische vervanging zodra blijkt dat de nieuwe voorschriften onverenigbaar zijn met de bestaande plannen van aanleg. Anderzijds meent hij dat het niet de plannenlogica is die het voorwerp van de vernietigingsprocedure uitmaakt en wijst hij op de vergelijkbaarheid van een GRUP met een gewestelijk plan van aanleg. VII-37.101-10/19 4.4.5. De motieven van het bestreden uitvoeringsplan zijn opgenomen in de toelichtingsnota bij het plan. De toetsing van die motieven maakt het voorwerp uit van het eerste, het zesde en het zevende middel van het verzoekschrift. Dat het doorgronden van die motieven in een complexe aangelegenheid als die van het voorliggende GRUP mogelijk enige studie vergt, wijst op zich niet op een motiveringsgebrek of een probleem van rechtszekerheid. Voor het overige geeft verzoeker met de "aanvulling" in het verzoekschrift tot voortzetting een nieuwe wending aan het middel. Een eventuele schending van het gelijkheidsbeginsel, al dan niet in samenhang met het rechtszeker- heidsbeginsel, kan niet worden beschouwd als een aangelegenheid van openbare orde. Het middel is niet ontvankelijk in zoverre er een wending aan wordt gegeven die niet is vervat in het verzoekschrift. Er is dan ook geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag. Het middel is voor het overige niet gegrond. 4.5.1. Verzoeker roept als vijfde middel de schending in van artikel 42, §§ 2 en 5, van het D.R.O., en voert daarnaast machtsoverschrijding aan, doordat niet is aangetoond dat de in de voormelde bepalingen voorgeschreven bekendma- kingen in de pers en media hebben plaatsgevonden en doordat hij in het advies van VLACORO zijn persoonlijk bezwaar niet kan terugvinden. 4.5.2. Verzoeker stelt in de memorie van wederantwoord nog dat de voorschriften inzake het openbaar onderzoek van openbare orde zijn, en dringt aan op de overlegging van een aantal stukken inzake het organiseren van dit openbaar onderzoek. 4.5.3. De schending van modaliteiten inzake de organisatie van het openbaar onderzoek kan enkel worden ingeroepen door wie aantoont dat hij door de betreffende schending is benadeeld. Verzoeker diende tijdens het openbaar onderzoek een bezwaar- schrift in, dat door VLACORO werd onderzocht en behandeld. Hij toont op geen enkele wijze aan waarom het advies van VLACORO en het bestreden besluit geen antwoord vormen op zijn persoonlijk bezwaar. VII-37.101-11/19 Het vijfde middel kan niet worden aangenomen. 4.6.1. Verzoeker roept een zesde middel in dat wordt afgeleid uit de schending van de artikelen 19, §§ 3 en 5, 38, § 1, 4/, en 41, § 2, van het D.R.O., het besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997 houdende vaststelling van het RSV, het redelijkheidsbeginsel en "de algemene motiveringsverplichting in hoofde van de administratieve overheid". Verzoeker verwijst naar de verplichting van de Vlaamse regering om in de ruimtelijke uitvoeringsplannen rekening te houden met het richtinggevend en bindend gedeelte van het RSV en met het besluit van 19 november 1997 waarbij de bindende bepalingen van dit plan werden goedgekeurd. Verzoeker meent dat met het bestreden besluit op essentiële punten wordt afgeweken van het richtinggevend en bindend gedeelte van het RSV. Ter ondersteuning van dit betoog haalt hij onder meer de schending aan van het principe van de gedeconcentreerde bundeling en van het beginsel dat het "fysisch systeem" ruimtelijk structurerend is. Hij vermeldt verder dat volgens het richtinggevend gedeelte van het RSV de grenzen van het stedelijk gebied worden bepaald door de bestaande bebouwde omgeving, terwijl de Siezegemkouter volgens hem een open en onbebouwde ruimte is, dat ook het buitengebied, waar de open, onbebouwde ruimte overweegt, in het RSV wordt beschouwd als een te beschermen open-ruimte-gebied, dat de bezwaarschriften ingediend door meer dan "2600" mensen wijzen op een "vloedgolf van slecht nabuurschap" die zal worden veroorzaakt door de aanleg van het bedrijventerrein, dat het "ongeordend uitzwermen van functies waardoor de ruimte verder versnipperd raakt", dient te worden vermeden en dat de verplichting wordt geschonden om het afbakeningsproces te laten verlopen in nauwe samenwerking met onder meer de provincies en de gemeenten. 4.6.2. Verzoeker verwijst in de memorie van wederantwoord nog naar het grondwettelijk recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, en poneert dat het RSV zelf "tegenstrijdig" en "dubbelzinnig" is, dat het rapport van de werkgroep niet werd onderworpen aan het openbaar onderzoek, en dat de afwijking van het RSV niet wordt gemotiveerd. VII-37.101-12/19 4.6.3. Het zesde middel bevat in grote mate een herneming van de bij het derde middel uiteengezette argumentatie. Wat het vierde ruimtelijke principe voor de gewenste ruimtelijke structuur betreft, namelijk dat het "fysisch systeem" ruimtelijk structurerend is, zet verzoeker niet uiteen in welke mate de loutere bewering dat "i.c. de landbouw, passieve recreatie en natuurelementen in de Siezegemkouter bepalend zijn", impliceert dat dit vierde principe wordt miskend door het thans bestreden plan. Waar verzoeker stelt dat in het RSV "een lans wordt gebroken voor de regel van het 'goed nabuurschap'", en dat het feit dat "meer dan 2600 mensen" bezwaar indienden op zich reeds bewijst dat "een vloedgolf van slecht nabuurschap" zal worden veroorzaakt, verzuimt hij in het 274 pagina's tellende richtinggevende gedeelte van het RSV met de nodige preciesheid aan te duiden welke de draagwijdte van deze ingeroepen "regel" is. Dit onderdeel van het middel kan dan ook niet worden aangenomen. Met betrekking tot "het tweede specifieke principe, nl. de aansluiting bij voorkeur bij de bestaande bedrijventerreinen" bespeurt verzoeker een "kennelijke strijdigheid", doordat er geen aansluiting is met een bestaand bedrijven- terrein. Gelet op het gebruik, in het RSV, van de term "bij voorkeur" is het zoeken naar ruimtelijke aansluiting bij bestaande bedrijvenzones geen absolute regel. De door het RSV opgelegde voorkeur kan enkel bestaan als er binnen het gebied effectief ook mogelijkheden tot aansluiting zijn. Te dezen toont de verwerende partij aan dat die mogelijkheden er niet zijn. Deze verantwoording komt als aannemelijk voor, of minstens dient te worden vastgesteld dat ook op dit punt geen kennelijke schending van het RSV voorligt. De regel dat het afbakeningsproces van een regionaalstedelijk gebied in nauwe samenwerking moet verlopen met de betrokken provincie en gemeenten, betekent niet dat het Gewest zou dienen te wachten op de afronding van het structuurplanningsproces van de provincie, of dat rekening zou moeten worden gehouden met het negatief advies van de provincieraad. Het zesde middel is niet gegrond. VII-37.101-13/19 4.7.1. Als zevende middel wordt de schending ingeroepen van artikel 4 van het D.R.O. en van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker meent dat de overheid bij het nemen van het bestreden besluit de in de voormelde decretale bepaling uitgedrukte verplichting heeft geschonden om over te gaan tot een gelijktijdige afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten, waarbij rekening moet worden gehouden "met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu, en de culturele, esthetische en sociale gevolgen". Verzoeker meent voorts dat de ruimtebalans in het richtinggevend en bindend gedeelte van het RSV op zich en in samenhang met het voormelde artikel 4 van het D.R.O. is geschonden, doordat slechts een zeer selectieve doorwerking heeft plaatsgevonden van de kwantitatieve verplichtingen die de ruimtebalans met zich meebrengt. 4.7.2. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker nog hoofdzakelijk dat vooral de sociale en menselijke aspecten en de zorg voor het leefmilieu onvoldoende werden belicht bij de opmaak van het GRUP. 4.7.3. De vereiste in artikel 4 van het D.R.O. dat de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen, impliceert niet dat deze diverse facetten daarom ook gelijkwaar- dig aan bod moeten komen in een RUP. Uit de afweging kan immers blijken dat één of meerdere van deze behoeften -zoals te dezen de economische behoeften- zwaarder doorwegen dan andere, hetgeen dan ook tot uiting kan komen in de in het plan vast te leggen bestemmingen en maatregelen. Het bestreden besluit tracht ook met andere belangen rekening te houden. Zo wordt bijvoorbeeld in artikel 4.1.7 van de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP opgelegd de Siezegembeekvallei als "structurerend groenelement" te behouden en verder te ontwikkelen, en worden er luidens artikel 4.1.8 bufferzones voorzien die moeten worden aangelegd in dichte bebossing, als hoogstamboomgaard, als speelplein,... . Wat de beweerde schending van de ruimtebalans en de cijfers inzake het ruimtebeslag betreft, stelt verzoeker zonder meer dat er wel is nagegaan hoeveel hectare bedrijventerrein er in het regionaalstedelijk gebied moet bijkomen, maar dat er slechts "een zeer eenzijdige en selectieve doorwerking van deze ruimtebalans" is, en dat er "geen enkele kwantitatieve optie (
- is)genomen op de VII-37.101-14/19 oppervlakte landbouw". Verzoeker brengt geen concrete elementen naar voor ter staving van zijn kritiek "dat de ruimtelijke boekhouding op dit punt niet klopt". Dit onderdeel van het middel is niet ontvankelijk. Het zevende middel is niet gegrond. 4.8.1. Het achtste middel wordt afgeleid uit de schending van artikel 8 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna : natuurbehouddecreet), van artikel 1.2.1., § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna : decreet van 5 april 1995), van het integratieprincipe vervat in artikel 1.2.1., § 3, van ditzelfde decreet, van het redelijkheidsbeginsel en van de "algemene motiveringsver- plichting". Verzoeker viseert hierbij de beweerde schending van het standstill-beginsel. Hij stelt dat artikel 8 van het natuurbehouddecreet en artikel 1.2.1. van het decreet van 5 april 1995 vergen dat de Vlaamse regering alle nodige maatregelen neemt ter aanvulling van de bestaande regelgeving om over het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest de milieukwaliteit te vrijwaren die vereist is voor het behoud van de natuur en om het standstill-beginsel toe te passen zowel wat de kwaliteit als de kwantiteit van de natuur betreft. 4.8.2. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker onder meer nog dat er geen enkele compensatie wordt geboden voor de opheffing van de bestemming van de Ediksveldbeek als natuurgebied en trekt hij de cijfergegevens van de ruimtebalans in twijfel. Voorts wijst hij er op dat het standstill-beginsel ook kwalitatief moet worden bekeken. 4.8.3. In de laatste memorie wijst verzoeker er op dat compenserende maatregelen weliswaar zijn voorzien in de artikelen 14 en 16 van het natuurbehoud- decreet, met name in het kader van de zorgplicht bij de aanvraag van vergunningen, maar niet in artikel 8 van ditzelfde decreet en dat die compensatie in strijd is met artikel 13 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. Met concrete voorbeelden tracht verzoeker verder aan te tonen dat een motivering van enige betekenis ontbreekt, zowel wat de kwantitatieve als de kwalitatieve aspecten van het natuurbehoud betreft. VII-37.101-15/19 VII-37.101-16/19 4.8.4. Luidens artikel 1.2.1., § 2, van het decreet van 5 april 1995 streeft het leefmilieubeleid op basis van een afweging van de verschillende maatschappelij- ke activiteiten naar een hoog beschermingsniveau. Volgens diezelfde bepaling berust het leefmilieubeleid onder meer op het standstill-beginsel. Artikel 1.2.1., § 3, van het decreet van 5 april 1995 stelt dat de in §§ 1 en 2 bepaalde doelstellingen en beginselen in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden moeten worden geïntegreerd en dat bij de uitvoering van het beleid rekening wordt gehouden "met de sociaal-economische aspecten, de internationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens". Het in de voormelde bepaling vervatte standstill-beginsel werd bij amendement ingevoegd bij de overige in de voornoemde paragraaf vervatte algemene principes (Parl. St. Vl. Parl. 1994-95, nr. 718-2, 2). De tekst van de voormelde § 3 van artikel 1.2.1. van het decreet van 5 april 1995 impliceert luidens de memorie van toelichting dat onder meer een afweging van de sociaal-economi- sche gevolgen van het milieubeleid noodzakelijk is (Parl. St. Vl. Parl. 1994-95, nr. 718-1, 25). Uit de memorie van toelichting blijkt voorts dat "het voor de Vlaamse regering overigens evident (
- is)dat in de praktijk van het milieubeleid rekening gehouden wordt met de sociaal-economische implicaties ervan" en dat het in deze paragraaf vervatte integratiebeginsel in beginsel inhoudt dat de doelstellingen en beginselen van het milieubeleid moeten worden geïntegreerd in de andere beleidsterreinen van het Vlaamse Gewest. Nog luidens de memorie van toelichting was de Vlaamse regering ter zake van oordeel dat "uitdrukkelijk moet bepaald worden dat aan het milieuvraagstuk een belangrijke plaats moet toekomen, ook in de andere beleidsdomeinen", en wordt hiermee onderstreept "dat een groot gewicht moet worden toegekend aan de milieubelangen", maar wordt niet gezegd "waar precies deze milieubelangen moeten geplaatst worden op de schaal van de beleidsprioriteiten". Tevens wordt gesteld dat deze belangen "in bepaalde gevallen zullen (...) moeten wijken voor andere, meer essentieel geachte beleidsprioriteiten" (Parl. St. Vl. Parl. 1994-95, nr. 718-1, 26). Artikel 8 van het natuurbehouddecreet bepaalt dat de Vlaamse regering alle nodige maatregelen neemt ter aanvulling van de bestaande regelgeving om over het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest de milieukwaliteit te vrijwaren die vereist is voor het behoud van de natuur en om het stand-still-beginsel toe te passen zowel wat de kwaliteit als de kwantiteit van de natuur betreft. Blijkens de memorie van toelichting (Parl. St. Vl. Parl. 1996-97, nr. 690-1, 7) hebben de voorschriften tot doel de natuur en de natuurelementen te beschermen en kunnen zij VII-37.101-17/19 beperkingen opleggen voor de instandhouding van de natuurwaarden, maar mogen zij het gebruik volgens de bestemming van het gebied niet in het gedrang brengen. Het aangehaalde standstill-beginsel zal volgens de memorie van toelichting, samen met de andere beginselen, bij de verdere planning en uitvoering van concrete maatregelen in functie van de doelstellingen als leidraad dienen. Hieruit volgt dat de aangehaalde standstill- en integratiebeginselen een ruime appreciatiebevoegdheid toelaten in hoofde van de overheid belast met het vaststellen van een RUP. Het is geenszins zo dat de bestemmingsvoorschriften die zijn voorzien in een plan van aanleg, wat de natuur- en groengebieden betreft, op grond van deze beginselen nooit kunnen worden gewijzigd. De loutere "opheffing" van de bestemming tot natuurgebied van de Ediksveldbeekvallei op zich strijdt niet met de aangehaalde beginselen in de zin zoals bedoeld door de voormelde decretale bepalingen. Ingevolge het bestreden besluit wijzigt de bestemming van de Ediksveldbeekvallei van natuurgebied naar overdruk "bufferzones", met eigen stedenbouwkundige voorschriften. Binnen het deelplan van de Siezegemkouter wordt tevens een strook bestemd tot "structurerend groenelement Siezegembeekval- lei", met eveneens eigen stedenbouwkundige voorschriften. Deze strook had oorspronkelijk grotendeels de bestemming "landschappelijk waardevol agrarisch gebied". Verzoeker gaat eraan voorbij dat er in andere deelplannen dan dat betreffende de Siezegemkouter groen- en natuurzones bijkomen. Hij betwist wel de cijfergegevens uit de ruimtebalans maar toont niet concreet aan met welke precieze gegevens de ruimtebalans dan wel zou moeten worden opgesteld. Mede in het licht van de bovenvermelde uitleg in de memorie van toelichting bij de toepasselijk decretale bepalingen is niet aangetoond dat het bestreden besluit het standstill-beginsel schendt. Het achtste middel is niet gegrond, VII-37.101-18/19 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf februari tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-37.101-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.366 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.217 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div