id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.367 Rolnummer: A. 143478/VII-37081 Zaak: Arrest 190367 - Plannen van aanleg - 12/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-19 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 17:39 Fiche Arrest nr 190.367 van 12 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.367 van 12 februari 2009 in de zaak A. 143.478/VII-37.081. In zake : 1. Monique SCHELFHOUT, 2. Martine SCHELFHOUT, die woonplaats kiezen bij advocaten P. FLAMEY en P. J. VERVOORT, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te GENT, Coupure 5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Monique SCHELFHOUT en Martine SCHELFHOUT op 3 november 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 10 juli 2003 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna : GRUP) "Afbakening regionaalstedelijk gebied Aalst" (hierna : besluit van de Vlaamse regering van 10 juli 2003), "minstens in zoverre hiermee deelplan 4 'gemengd regionaal bedrijventerrein Siezegemkouter', en het onteigeningsplan voor het bedrijventerrein Siezegemkouter definitief worden vastgesteld"; Gelet op het arrest nr. 141.220 van 24 februari 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoeksters; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; VII-37.081-1/11 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 november 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 11 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. J. VERVOORT, die verschijnt voor verzoeksters, en van advocaat I. BOCKSTAELE die, loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Verzoeksters exploiteren aan de Siesegemlaan te Aalst een opslagplaats voor bouwmaterialen. Deze vestiging is gelegen op de zogenaamde "Siezegemkouter". Zij beschikken aldaar over een aantal percelen grond en stellen dat zij de activiteiten van hun bedrijf, die verspreid zijn over vier vestigingsplaatsen, ter plaatse willen concentreren. 1.2. Het bestreden GRUP legt in de eerste plaats een ruimtelijke afbakening vast van het "regionaalstedelijk gebied" Aalst, en bevat daarnaast inhoudelijk ook stedenbouwkundige voorschriften voor een aantal deelgebieden binnen deze afbakening, waaronder de Siezegemkouter (westelijk gedeelte van het GRUP). Dit gebied is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem ingekleurd als landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en voor twee kleine stukjes respectievelijk als groengebied en natuurgebied. VII-37.081-2/11 1.3. De studiefase omtrent dit plan mondt uit in een besluit van de Vlaamse regering van 14 juni 2002 houdende voorlopige vaststelling van een ontwerp-GRUP. De plannen tonen dat de Siezegemkouter een bestemming als "gemengd regionaal bedrijventerrein" zou krijgen, met in het noorden van dit plangebied een "stedelijk woongebied langs de N9", dat in de plaats zou komen van een woongebied dat reeds door het gewestplan was voorzien langs de Gentsesteenweg. Voor het grootste deel van het gebied wordt tegelijkertijd ook een onteigeningsplan voorlopig vastgesteld. 1.4. Tijdens het openbaar onderzoek, dat loopt van 19 augustus 2002 tot 17 oktober 2002, worden 3.206 bezwaarschriften ingediend, waaronder ook één door het bedrijf van verzoeksters. 1.5. De Vlaamse commissie voor ruimtelijke ordening (hierna : VLACORO) adviseert op 11 februari 2003 de ingediende bezwaarschriften niet te weerhouden. Het advies inzake het ontworpen uitvoeringsplan luidt gunstig, met een aantal bemerkingen en mits naleving van een aantal voorwaarden. 1.6. De afdeling wetgeving van de Raad van State brengt op 26 juni 2003 het advies nr. 35.548/1 uit. 1.7. Met een besluit van de Vlaamse regering van 10 juli 2003 wordt het GRUP definitief vastgesteld. In artikel 4.1.4 van de stedenbouwkundige voorschriften wordt alsnog bepaald dat de voorziene inrichtingsstudie een "informatief document (
- is)voor de vergunningverlenende overheid met het oog op het beoordelen van de vergunningsaanvraag in het licht van de goede ruimtelijke ordening en de stedenbouwkundige voorschriften van 4.1.1 t.e.m. 4.1.8". Van het besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 september 2003. VII-37.081-3/11 2. De ontvankelijkheid De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat verzoeksters "alleszins" niet over een voldoende belang beschikken om het GRUP in zijn geheel te laten vernietigen. Het belang van verzoeksters bij de nietigverklaring is beperkt tot het deelplan van de Siezegemkouter. Zij geven dit overigens zelf aan door uitdrukkelijk de vernietiging van het besluit te vorderen, "minstens in zoverre hiermee deelplan 4 'gemengd regionaal bedrijventerrein Siezegemkouter' en het onteigeningsplan voor het bedrijventerrein Siezegemkouter definitief worden vastgesteld". De exceptie is gegrond. 3. Ten gronde 3.1.1. Als eerste middel roepen verzoeksters de schending in van de artikelen 3, 4, 38, en 39, § 1, derde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.), de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag en de schending van het rechtszekerheids-, het onpartijdigheids- en het gelijkheidsbeginsel. In essentie bekritiseren zij het gebruik, ingevolge artikel 4.1.4. van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden GRUP, van een "inrichtingsstudie" als toetsingskader voor de verdere ordening, terwijl het D.R.O. daar volgens hen geen ruimte voor laat. Zij voegen er aan toe dat deze vaststelling des te meer klemt daar de vergunningsaanvragen zullen worden ingediend door de stad Aalst of door een gemeentelijk bedrijf als terreinbeheerder en dat deze aanvragen zullen worden beoordeeld door het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst, zodat die stad "rechter en partij" is en het onpartijdigheids- en het gelijkheidsbeginsel worden geschonden. 3.1.2. De verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord dat de Vlaamse regering bij de juridische inkadering van het instrument van de inrichtingsstudie tegemoet is gekomen aan de opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad van State en dat aanvragen van publiekrechtelijke rechtspersonen en voor werken van algemeen belang door de gewestelijke VII-37.081-4/11 stedenbouwkundige ambtenaar worden behandeld, en dus niet door de stad Aalst als terreinbeheerder. 3.1.3. In de memorie van wederantwoord stellen verzoeksters dat de inrichtingsstudie nevengeschikt is aan de stedenbouwkundige voorschriften van het GRUP. 3.1.4. In de laatste memorie voegen verzoeksters nog toe dat de nood aan een voorafgaand overleg met de vergunningverlenende overheid aantoont dat de inrichtingsstudie werkelijk een bijkomend ordeningsinstrument is. Tevens verwijzen zij naar het arrest van de Raad van State nr. 166.436 van 9 januari 2007, waarbij een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan werd geschorst "omdat de steden-bouwkundige voorschriften niet op voldoende duidelijke wijze werden geformuleerd in het RUP derwijze dat de rechtsonderhorige in het ongewisse wordt gelaten over de concrete inrichting tot aan de concrete invulling ervan door de vergunningverlenende overheid n.a.v. een concreet project". 3.1.5. Artikel 3 van het D.R.O. bepaalt dat de ruimtelijke ordening van het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten wordt vastgelegd in ruimtelijke structuurplannen, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verordeningen. Artikel 38, § 1, eerste lid, 2/, van hetzelfde decreet bepaalt dat een ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna : RUP) de stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer bevat. Artikel 39, § 1, derde lid, van hetzelfde decreet bepaalt dat "de stede(n)bouwkundige voorschriften (...) modaliteiten (kunnen) voorschrijven die bij de inrichting van het gebied in acht moeten worden genomen". Artikel 4.1.4. van de stedenbouwkundige voorschriften bepaalt onder meer wat volgt : "(...) De inrichtingsstudie is een informatief document voor de vergunningverlenende overheid met het oog op het beoordelen van de vergunningsaanvraag in het licht van de goede ruimtelijke ordening en de stedenbouwkundige voorschriften van 4.1.1. t.e.m. 4.1.8. (...)". De inrichtingsstudie is dus opgevat als een instrument tot in- of voorlichting van de vergunningverlenende overheid met het oog op het beoordelen van de vergunningsaanvraag in het licht van de bestemmingsvoorschriften. Het gaat VII-37.081-5/11 om een modaliteit in de zin van het genoemde artikel 39, § 1, derde lid, van het D.R.O.. Aan een dergelijk informatief document kan geen verordenende kracht worden toegekend en verzoeksters tonen niet aan dat te dezen hiervan zou zijn afgeweken. De verwijzing in de laatste memorie van verzoeksters naar het arrest van de Raad van State nr. 166.436 van 9 januari 2007 is niet ter zake dienend. Dit arrest heeft betrekking op stedenbouwkundige voorschriften uit een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan die als zodanig een gebrek aan precisie vertonen, hetgeen in het voorliggende geding niet is aangetoond. De aanvragen waarvan sprake zullen worden ingediend door een publiekrechtelijke rechtspersoon. Overeenkomstig artikel 127 van het D.R.O. wordt de aanvraag behandeld door de Vlaamse regering of door de gedelegeerde stedenbouwkundige ambtenaar. De stad Aalst zal dus niet, in tegenstelling tot wat verzoeksters beweren, optreden als rechter en partij zodat er geen schending kan zijn van de beginselen van onpartijdigheid en gelijkheid. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.1. Verzoeksters leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 3, 4, 38, en 39, § 1, derde lid, van het D.R.O., de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag, de schending van het rechtszekerheidsbeginsel en uit machtsoverschrijding, doordat, samengevat, artikel 4.1.5. van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden GRUP bepaalt dat het volledige gemengd regionaal bedrijventerrein wordt beheerd door één terreinbeheerder, of door een vereniging van bedrijven en de stad Aalst die optreedt als beheerder, terwijl "het procédé van het onder beheer van de overheid stellen van gronden van private personen" niet is voorzien in het D.R.O.. Verzoeksters menen dat deze werkwijze een beperking van de handelingsbekwaamheid van de eigenaars inhoudt en dat de onduidelijkheid inzake de identiteit van de terreinbeheerder de rechtszekerheid schendt. 3.2.2. In de memorie van antwoord argumenteert de verwerende partij dat verzoeksters de begrippen "realisatie" en "beheer" met elkaar verwarren, dat de term "beheer" onder meer betrekking heeft op de buffers, de gemeenschappelijke infrastructuren, de riolering en de nutsvoorzieningen, dat in de stedenbouwkundige voorschriften nergens wordt gesteld dat het beheer "alleen door de overheid" zou kunnen gebeuren, en dat het voorschrift enkel beoogt een "geordend en fatsoenlijk geheel te krijgen van de gemeenschappelijke infrastructuur". VII-37.081-6/11 3.2.3. Verzoeksters verwijzen in de memorie van wederantwoord in hoofdorde naar het auditoraatsverslag dat in de schorsingsprocedure werd uitgebracht, en merken verder op dat de "decreetsconforme" interpretatie van het stedenbouwkundig voorschrift die in het arrest van de Raad van State nr. 130.212 van 9 april 2004 wordt gehuldigd, niet kan worden gevolgd omdat het op die manier geen enkele zin meer heeft om de voorschriften van een RUP in rechte aan te vechten wegens hun strijdigheid met het decreet. 3.2.4. Beheersmaatregelen in de zin van artikel 38 van het D.R.O. hebben geen uitstaans met de realisatie van de aan een gebied gegeven bestemming en zijn eerder gericht op het behoud van de optimale ruimtelijke voorwaarden voor het goed functioneren van de in een gebied toegelaten activiteiten en de vrijwaring van de ruimtelijk karakteristieke elementen en eigenschappen van het plangebied. Zij kunnen dan ook niet ingrijpen in het beheer van privatieve kavels of in de individuele realisatie ervan. Uit de tekst van de stedenbouwkundige voorschriften zelf blijkt dat beheersmaatregelen voor een bedrijventerrein louter betrekking kunnen hebben op zaken zoals, onder meer, de aanleg en het onderhoud van wegen en het beschikbaar stellen van nutsvoorzieningen. Hoewel de opsomming in het voorschrift niet limitatief is, betekent zulks niet dat ook handelingen die te maken hebben met de werkelijke realisatie van het bedrijventerrein en het beheer van privatieve kavels evenzeer moeten worden begrepen onder de mogelijkheden het beheer van het terrein waar te nemen. Het beheren van een terrein in de zin van het voormelde artikel 38 van het D.R.O. is geen synoniem met het ontwikkelen van dat terrein. De identiteit van de aan te wijzen beheerder wordt in het stedenbouwkundig voorschrift niet definitief geregeld. Er wordt enkel gesteld dat dit bijvoorbeeld een vereniging van bedrijven met de stad Aalst kan zijn. Verzoeksters leggen niet uit waarom het juridisch noodzakelijk zou zijn dat reeds bij het vastleggen van het omkaderende beheersvoorschrift definitief zou worden bepaald wie precies als beheerder zal optreden. VII-37.081-7/11 Het tweede middel is niet gegrond. 3.3.1. Verzoeksters leiden een derde middel af uit de schending van de artikelen 41, § 1, 42 en 70, § 2, van het D.R.O., uit de schending van de materiële motiveringsplicht en uit de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag, doordat er na de plenaire vergadering twee onteigeningsplannen werden gevoegd bij de deelplannen 4 en 8, terwijl uit de samenlezing van de artikelen 70, § 2, en 41, § 1, van het D.R.O. volgt dat een onteigeningsplan ter uitvoering van een RUP moet worden voorgelegd aan de plenaire vergadering. 3.3.2. In de memorie van antwoord wordt onder meer gesteld dat geen enkele bepaling uit het D.R.O. verplicht om bij planwijzigingen naar aanleiding van een plenaire vergadering een nieuwe plenaire vergadering te organiseren, en dat de opname van de onteigeningsplannen enkel een uitvoering was van de besprekingen tijdens de plenaire vergadering. 3.3.3. Verzoeksters brengen in de memorie van wederantwoord nog naar voor dat tijdens de plenaire vergadering geen overleg heeft plaatsgevonden over de onteigeningsplannen zelf, die immers pas later aan het plandossier werden toegevoegd. 3.3.4. Verzoeksters tonen niet aan dat dit aspect betreffende de organisatie van een plenaire vergadering als onderdeel van het vooroverleg een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven pleegvorm uitmaakt en zij maken evenmin aannemelijk dat door de beweerde onregelmatigheid hun belangen zouden zijn geschaad. Deze vaststelling volstaat om het middel niet gegrond te bevinden. Verzoeksters tonen bovendien niet aan dat de gebeurlijke onvolledigheid van de plannen die bij de totstandkoming van het bestreden besluit werden gebruikt, bepalend zijn geweest bij de afbakening van het betrokken gebied. 3.4.1. Een vierde middel wordt afgeleid uit de schending van artikel 69 van het D.R.O., artikel 263sexies van de Nieuwe Gemeentewet, artikel 16 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukke- lijke motivering van de bestuurshandelingen en de materiële motiveringsplicht, uit VII-37.081-8/11 de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag en uit machtsoverschrijding, "doordat, het bestreden besluit het onteigeningsplan voor het regionaal gemengd bedrijventerrein Siezegemkouter definitief vaststelt; dat het bestreden besluit overweegt dat 'zowel uit voorafgaande overlegmomenten als uit het advies van VLACORO blijkt dat de onteigening van de gemengd regionale bedrijventerreinen van Siezegemkouter en Erembodegem Zuid IV noodzakelijk is voor de realisatie van de terreinen' en dat hiermee 'de speculatie wordt tegengegaan'; terwijl, krachtens artikel 16 Grondwet niemand van zijn eigendom (kan) worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadevergoeding; (...)". 3.4.2. In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij daar onder meer tegenover dat het GRUP met het onteigeningsplan "wint (...) aan actiegerichtheid" en dat het bedrijf van verzoeksters in de huidige configuratie niet in te passen is in de beoogde bestemming. 3.4.3. Verzoeksters menen in hun memorie van wederantwoord dat de motivering inzake het openbaar nut te oppervlakkig is en dat de activiteiten van hun bedrijf wel degelijk verenigbaar zijn met de bestemmingsvoorschriften van het RUP. 3.4.4. De motivering van het bestreden besluit, in samenlezing met het advies van de VLACORO, verantwoordt op omstandige wijze de noodzaak van de onteigening ten algemene nutte ter realisatie van het bedrijventerrein op afdoende wijze en beantwoordt de bezwaren die door verzoeksters werden geformuleerd. De door verzoeksters aangehaalde bepalingen houden niet in dat de overheid in haar formele motivering de motieven van de opgegeven redenen moet vermelden. Voorts brengen verzoeksters geen concrete argumenten bij die de Raad van State er kunnen toe brengen aan te nemen dat de bestreden onteigening kennelijk onredelijk is. Tevens werd aangegeven dat op de onteigeningsplannen duidelijk is aangegeven dat de stad Aalst wordt aangeduid als de onteigenende instantie. Het vierde middel is niet gegrond. 3.5.1. Als vijfde middel roepen verzoeksters de schending in van artikel 3 van de wet tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999. VII-37.081-9/11 Het middel houdt in essentie in dat het bestreden besluit impliciet vaststelt dat het gemeentebedrijf van de stad Aalst tot onteigening kan overgaan, terwijl het voormelde wetsartikel, thans artikel 3 van de wet van 10 juni 2006 tot bescherming van de economische mededinging, verbiedt dat één of meer ondernemingen misbruik maken van hun machtspositie op minstens een wezenlijk deel van de Belgische markt en dat, door het onder beheer plaatsen van de realisatie van industrieterreinen, de afzet van die terreinen wordt beperkt ten nadele van de gegadigden die zich deze terreinen wensen aan te schaffen. 3.5.2. In de memorie van antwoord voert de verwerende partij een argumentatie die reeds ter sprake kwam bij het tweede en het vierde middel. 3.5.3. Zoals uit de bespreking van het vierde middel is gebleken, gaan verzoeksters er verkeerdelijk van uit dat het gemeentebedrijf van de stad Aalst als onteigenende instantie zou zijn aangewezen. Uit de bespreking van het tweede middel is dan weer naar voor gekomen dat verzoeksters aan de stedenbouwkundige voorschriften inzake het beheer van het terrein een betekenis en draagwijdte toedichten die niet strookt met hetgeen in die voorschriften wordt gesteld. Het vijfde middel is niet gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoeksters. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoeksters. VII-37.081-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf februari tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-37.081-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.367 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.220 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div