id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.371 Rolnummer: A. 190151/VII-37275 Zaak: Arrest 190371 - Milieuvergunningen - 12/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-18 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 17:40 Fiche Arrest nr 190.371 van 12 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.371 van 12 februari 2009 in de zaak A. 190.151/VII-37.275. In zake : Huberdina KANTELBERG, die woonplaats kiest bij advocaten W. MERTENS en A. BEELEN, kantoor houdende te BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : de deputatie van de provincie Limburg. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Huberdina KANTELBERG op 28 oktober 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de vernietiging te vorderen van het besluit van de deputatie van de provincie Limburg van 17 september 2008 waarbij het beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Peer van 6 juni 2006 waarbij aan verzoek- ster een voorwaardelijke milieuvergunning wordt verleend voor het hobbymatig houden van maximum 20 volwassen honden voor een termijn van 10 jaar wordt ingewilligd, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt geweigerd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. SOUR- BRON, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna : algemeen procedurereglement) en op grond van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State (hierna : procedurereglement kort geding); Gelet op de beschikking van 16 december 2008, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 22 januari 2009; VII-37.275-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. MERTENS, die verschijnt voor verzoekster, en van bestuurssecretaris T. ROOSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Verzoekster is uitbaatster van een hondenkennel. Op 21 februari 2006 vraagt zij bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Peer een milieuvergunning aan voor het hobbymatig houden van maximum 30 volwassen honden. 1.2. Tijdens het openbaar onderzoek wordt een bezwaarschrift ingediend door Dominique VANOPPEN, een omwonende van de inrichting. Hij beklaagt zich over constante geluidshinder door het aanhoudend gejank en geblaf van de dieren en vraagt om maximum vijf honden op het adres toe te laten. 1.3. Op 6 juni 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Peer een vergunning voor het hobbymatig houden van maximum twintig volwassen showhonden voor een termijn van tien jaar mits oplegging van een reeks bijzondere exploitatievoorwaarden. Op het vlak van de geluidshinder wordt als bijzondere voorwaarde gesteld dat alle activiteiten verboden zijn tussen 22 en 7 uur, en dat de honden 's nachts verplicht binnen moeten worden gehouden. VII-37.275-2/8 1.4. Op 12 juli 2006 stellen Dominique VANOPPEN en Dominique VANDERHOYDONCK tegen de verleende milieuvergunning een beroep in bij de verwerende partij. Zij vragen om de vergunning te weigeren. 1.5. Met een besluit van de verwerende partij van 9 november 2006 wordt het beroep in die mate ingewilligd dat aan de vergunning een bijkomende bijzondere voorwaarde wordt toegevoegd waarin wordt gesteld dat de honden in een goed afgesloten en geluidswerende stal moeten worden gehouden en slechts in beperkt aantal (vijf) en voor beperkte tijd (van 9.00 u tot 14.00
- u)mogen worden uitgelaten. De overige bepalingen van de beroepen beslissing worden bevestigd. 1.6. Verzoekster dient tegen dit besluit een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. In zijn arrest nr. 171.896 van 7 juni 2007 heeft de Raad van State dit besluit nietigverklaard. 1.7. Ingevolge dit vernietigingsarrest herneemt de verwerende partij op 4 juli 2007 de administratieve beroepsprocedure. 1.8. Op 8 november 2007 beslist de verwerende partij het beroep niet in te willigen en de vergunning te verlenen voor 10 jaar en daarbij als bijkomende voorwaarde op te leggen dat de honden in een goed afgesloten en geluidswerende stal moeten worden gehouden en slechts voor een beperkte tijd (van 9.00 u tot 14.00
- u)mogen worden uitgelaten. 1.9. Verzoekster stelt opnieuw een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. Deze tweede beslissing wordt nietigverklaard bij arrest van de Raad van State nr. 182.928 van 15 mei 2008. 1.10. De beroepsprocedure wordt daarna andermaal hernomen. 1.11. De adviezen die in het kader van de beroepsprocedure opnieuw worden ingewonnen, zijn alle gunstig. 1.12. Op 1 augustus 2008 maakt het college van burgemeester en schepenen van de stad Peer in een brief aan de dienst Leefmilieu van de provincie Limburg gewag van nieuwe klachten over geluidshinder en drukt zij de hoop uit VII-37.275-3/8 "dat we als bevoegde overheden samen kunnen bekomen dat de hinder voor de buurtbewoners tot een minimum herleid wordt". 1.13. Met een besluit van de deputatie van de provincie Limburg van 17 september 2008 wordt het beroep gegrond verklaard, wordt de beroepen beslissing opgeheven en wordt aan verzoekster de gevraagde vergunning geweigerd. Dit is het bestreden besluit. Het is als volgt gemotiveerd : "(...) overwegende dat er sedert 2007-11-09 (d.i. besluit van deputatie vernietigd door de Raad van State op 2008-05-15) door beroeper verscheidene bijkomende klachten (een 12 tal) werden neergelegd bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Peer wegens geluidsoverlast; dat tevens een proces-verbaal werd opgesteld door de Politie op 2008-01-15 aangaande het niet naleven van de vergunning zoals opgelegd door de deputatie (Kantelberg Huberdina zou de uren niet respecteren zoals opgelegd in het vergunningenbesluit en de honden ook uitlaten tijdens de uren dat ze binnen moeten zitten); dat er op 2007-10-11 tevens een procedure werd ingeleid door het openbaar ministerie tegen mevrouw Kantelberg wegens niet naleven van het politieregle- ment d.d. 2002-12-18; dat evenwel in het vonnis d.d. 2008-01-10 de Politie- rechter oordeelde dat het Politiereglement dat hinder door hondengeblaf strafbaar stelt terzake te vaag geformuleerd is zodat mevrouw Kantelberg werd vrijgesproken; dat gelet op het voorgaande niet kan ontkend worden dat het houden van maximum 20 honden ter plaatse last en hinder voor de buurt oplevert; dat de lawaaihinder niet slechts een hypothetisch gegeven is gelet op de klachten, de procedure voor de Rechtbank en het proces-verbaal; dat het opleggen van bijkomende voorwaarden aan het bestreden besluit van het schepencollege teneinde de geluidshinder te beperken door Kantelberg Huberdina tijdens de procedure voor de Raad van State als contraproduktief werd bestempeld: dat de voorwaarde volgens exploitante niet zou bijdragen tot een vermindering van de geluidsoverlast voor de omgeving omdat de bewegingsvrijheid van de honden dermate beperkt wordt dat de honden gezondheidsproblemen zouden ondervin- den met gevaarlijk gedrag tot gevolg; dat de Raad van State het door mevrouw Kantelberg aangehaalde middel gegrond achtte; dat nochtans voormelde voorwaarden er toe strekten om de bovenmatige hinder van de exploitatie voor de buurt en omgeving te beperken; overwegende dat het beroepschrift dateert van juli 2006 en de deputatie twee jaar later uitspraak dient te doen; dat de deputatie naast de verplichte advisering overeenkomstig de bepalingen van Vlarem I tevens het college van burgemees- ter en schepenen van Peer om bijkomende informatie verzocht; dat het college van burgemeester en schepenen van Peer in haar schrijven van 2008-08-01 meedeelt dat in 2008 opnieuw klachten werden ingediend door de bewoners van de Blijlever 1 en dat zij horen van gebruikers van de voetbalvelden gelegen achter de woningen Blijlever 1 en 3 dat de geluidshinder door honden dikwijls overdreven en hinderlijk is; dat tevens werd opgemerkt dat tot op heden mevrouw Kantelberg nog steeds niet over de nodige bouwvergunning beschikt voor de hondenkennel; overwegende dat de inrichting gelegen is in agrarisch gebied; dat in een straal van 200 meter gemeten vanaf de perceelsgrenzen er zich een 5 tal VII-37.275-4/8 woningen bevinden; dat de kortste afstand van de meest nabijgelegen woning (van beroeper) tot de kennelruimten van de exploitant ca. 15 meter bedraagt; dat vaststaat dat de inrichting toch wel ongunstig gelegen is weliswaar in agrarisch gebied maar in de onmiddellijke nabijheid van diverse woningen en voetbalvelden; dat de hondenhokken ingeplant staan op percelen die grenzen aan de tuin van beroeper (tot op de perceelsgrens); dat het houden van honden onvermijdelijk geluidshinder met zich meebrengt en blaffende honden kunnen als zeer hinderlijk worden ervaren zodat het aangewezen is dat er enige afstand is tussen dergelijke inrichtingen en woonkavels; dat door de Raad van State reeds meermaals werd aanvaard dat hinder en zelfs een risico op hinder voor de omwonenden die de normale lasten van nabuurschap overstijgt en niet remedieerbaar is, een voldoende grond en in redelijkheid aanvaardbaar motief is om een gevraagde vergunning te weigeren (...); dat de deputatie dan ook van oordeel is dat, gelet op de ongelukkige inplanting van de inrichting naast de woning van beroeper en in de nabijheid van andere woningen en voetbalvelden, de milieuvergunning voor de inrichting voor het houden van maximum 20 honden niet kan worden toegestaan; Overwegende dat om hoger vermelde redenen het gunstig advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie mits bijzondere voorwaarden niet kan worden bijgetreden; dat het advies van de milievergunningscommissie een niet bindend advies is doch een element dat bij de beoordeling van de milieuvergun- ningsaanvraag een rol speelt maar dat benadrukt moet worden dat het slechts één van de beoordelingselementen in het dossier is; Overwegende dat, rekening houdend met het voorgaande, er voldoende aanwijzingen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van de aangevraagde vergunningsplichtige activiteiten ter plaatse wel degelijk hinder en/of gevaar zullen opleveren voor de buurt en het milieu aldaar; Overwegende dat het daarom past het ingediende beroep in te willigen en de omstreden beslissing d.d. 2006-06-06 van het college van burgemeester en schepenen van Peer OP TE HEFFEN omwille van en op grond van de motivering aangehaald in dit besluit, een plaatsvervangende beslissing te treffen waarbij de gevraagde vergunning wordt geweigerd". 2. Ten gronde standpunt van de partijen 2.1. In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van de artikelen 23 en 24, § 2, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuver- gunning, de artikelen 30bis en 50, 3/, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de materiële en formele motiveringsplicht, het zorgvuldigheids-, het gelijkheids-, het consistentie- en het vertrouwensbeginsel. Het middel wordt uitvoerig toegelicht. In essentie komt het betoog van verzoekster er op neer dat de verwerende partij in haar beslissing verwijst naar klachten, de procedure bij de politierechtbank te Beringen en een VII-37.275-5/8 proces-verbaal van de politie van 15 januari 2008, maar dat deze motivering niet alleen niet-draagkrachtig is, maar bovendien getuigt van onzorgvuldigheid. De klachten waarover sprake gingen immers alle uit van de beroepsindiener zelf, zodat het volgens verzoekster "onbegrijpelijk" is dat de verwerende partij daardoor de hinder voor de buurt bewezen acht. De procedure voor de politierechtbank leidde tot een vrijspraak van verzoekster, waarbij uit dit vonnis bleek dat de opgestelde processen-verbaal subjectief en ongeloofwaardig waren. Voorts gaat het bestreden besluit ten onrechte uit van "geruchten" van de gebruikers van het voetbalveld, terwijl die beweringen niet eens zijn gestaafd. De bewering dat de activiteit ter plaatse last en hinder voor de buurt oplevert, steunt volgens verzoekster op deze gegevens en is bijgevolg niet draagkrachtig gemotiveerd. Ook verwijst verzoekster naar alle gunstige adviezen en naar het feit dat zij in het verleden wel vergunningen bekwam. Thans heeft de verwerende partij zich niet beperkt tot het opleggen van strengere voorwaarden, maar heeft ze de aanvraag geweigerd. Verzoekster stelt dat de verwerende partij aldus van een gedragslijn is afgeweken zonder in redelijkheid aanvaardbare motieven. 2.2. De verwerende partij stelt in wezen dat tijdens de herneming van de beroepsprocedure nieuwe elementen aan het licht zijn gekomen - inzonderheid recente klachten van de buren, een "procedure voor de politierechtbank" en een "gewijzigd" standpunt van het college van burgemeester en schepenen van de stad Peer - die er op wijzen dat er "wel degelijk een serieus, onoverkomelijk, probleem van hinder wordt ervaren tengevolge van de exploitatie van de inrichting" en dat op grond van die nieuwe elementen de vergunning terecht kon worden geweigerd. Beoordeling 2.3. De motivering in het bestreden besluit dat "gelet op het voorgaande niet kan ontkend worden dat het houden van maximum 20 honden ter plaatse last en hinder voor de buurt oplevert", vindt geen steun in de adviezen van de raadgevende instanties. In geen enkel van die adviezen wordt voorgesteld om de vergunning te weigeren. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt bovendien dat dezelfde gegevens waarop de verwerende partij zich heeft gebaseerd minstens gekend waren door de Provinciale Milieuvergunningscommissie die evenwel unaniem van oordeel was dat de vergunning kon worden verleend mits het opleggen van een bijkomende voorwaarde. Ook wijkt de huidige weigeringsbeslis- sing af van de standpunten die de verwerende partij voordien had ingenomen. Zij VII-37.275-6/8 heeft zich immers thans voor de derde maal uitgesproken over een vergunning die zij voorheen reeds tweemaal had verleend - weze het onder voorwaarden - en waarbij zij toen telkens uitdrukkelijk heeft overwogen dat de activiteiten geen overdreven hinder of gevaar voor de omgeving opleveren. De verwijzing naar de bijkomende klachten die sedert 9 november 2007 zouden zijn ingediend, is geen deugdelijk motief voor de beoordeling van de graad van hinderlijkheid van een inrichting, omdat het louter indienen van klachten niet gelijkstaat met de gegrond- heid ervan, ook niet wanneer dezelfde of gelijkaardige klachten bij herhaling opnieuw worden geformuleerd. De klachten gaan uit van de beroepsindiener zelf of van diens vader. Uit de loutere indiening van deze klachten heeft de verwerende partij niet op goede gronden kunnen afleiden dat er een reëel probleem van geluidshinder aanwezig is, noch dat het beweerde probleem de weigering van de milieuvergunning kan verantwoorden. Het in de motivering vermelde proces-verbaal van 15 januari 2008 is niet meer dan een proces-verbaal van verhoor aangaande een beweerde miskenning van de opgelegde vergunningsvoorwaarden. Dit proces- verbaal bevat geen vaststellingen van de beweerde overtreding. De verwerende partij heeft daaruit dan ook niets wezenlijks kunnen concluderen omtrent de milieukundige beoordeling van de haar voorgelegde milieuvergunningsaanvraag. De verwerende partij kan evenmin een argument putten uit de strafprocedure. Verzoekster werd immers vrijgesproken. Wat zou worden beweerd door "de gebruikers van de nabijgelegen voetbalvelden" is niet meer dan een niet gestaafde bevestiging van geruchten. De omstandigheid dat de hondenkennels gebeurlijk niet stedenbouwkundig vergund zijn, is ten slotte volledig vreemd aan de milieukundige beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag. Het tweede middel is gegrond. 2.4. Het gegrond bevinden van het tweede middel volgens de procedure van artikel 93 van het algemeen procedurereglement leidt tot de vernietiging van het bestreden besluit. De vordering tot schorsing van de tenuitvoer- legging van dat besluit heeft geen voorwerp meer en moet dus worden verworpen, VII-37.275-7/8 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de deputatie van de provincie Limburg van 17 september 2008 waarbij het beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Peer van 6 juni 2006 waarbij aan Huberdina KANTELBERG een voorwaardelijke milieuvergunning wordt verleend voor het hobbymatig houden van maximum 20 volwassen honden voor een termijn van 10 jaar wordt ingewilligd, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt geweigerd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 4. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf februari tweeduizend en negen, door : de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. E. BREWAEYS. VII-37.275-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.371 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div