← België

Arrest 190377 - Penitentiair recht - 12/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.377 Rolnummer: A. 191334/IX-6212 Zaak: Arrest 190377 - Penitentiair recht - 12/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-17 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 17:42 Fiche Arrest nr 190.377 van 12 februari 2009 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.377 van 12 februari 2009 in de zaak A. 191.334/IX-

  1. In zake : Brahim AANIFI, die woonplaats kiest bij advocaat N. LORENZETTI, kantoor houdende te BRUGGE, Langestraat 87 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Brahim AANIFI op 5 februari 2009 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de directeur van de strafinrichting te Brugge - Mannenafdeling 1 van 31 januari 2009 waarbij aan de verzoeker de volgende tuchtsanctie wordt opgelegd: “3 dagen strafcel voorwaardelijk gedurende 2 maand (tot en met 1 april 2009), 1 maand strikt, van 29 januari 2009 tot en met 27 februari 2009”; Gelet op de beschikking van 6 februari 2009 waarbij aan de verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 6 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 februari 2009, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. LORENZETTI, die verschijnt voor de verzoeker en van attaché V. ARICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-6212-1/9 Gehoord adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE in zijn eensluidend advies, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal P. DE WOLF van 31 oktober 2008; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
  2. De verzoeker is opgesloten in de gesloten afdeling van de strafinrichting te Brugge. Op 28 januari 2009 +s avonds doet zich een incident voor. De verzoeker wil die avond bellen met de zogenaamde “sociale telefoonkaart”, maar dit wordt hem geweigerd, in het bijzonder omdat hij de dag voordien al met die kaart gebeld heeft. De verzoeker vindt dat hij wel mag bellen met de sociale kaart, zoals hem dat trouwens door andere beambten in gelijkaardige omstandigheden wordt toegestaan. Er ontstaat een hevige woordenwisseling. Twee penitentiaire beambten stellen rapporten aan de directeur op, waarin zij melding maken van schelden, verbale agressie, stampen tegen de deur en het volledig openzetten van de stereo- installatie. Volgens de verzoeker wordt hij geviseerd door de twee beambten en is hij beginnen schelden nadat die beambten zelf hem hebben uitgemaakt. Op 29 januari 2009 +s middags doet zich een tweede incident voor. De twee beambten die betrokken waren bij het incident van de dag voordien komen de cel van de verzoeker binnen. Volgens de verzoeker hadden zij daar op dat ogenblik niets te zoeken en toonden zij zich uitdagend en agressief. Volgens de beambten waren zij in de cel om de verzoeker te spreken over het voorval van de dag voordien. Wat er ook van zij, de aanwezigheid van de twee beambten leidt tot een woordenwisseling, waarbij de verzoeker één van de beambten een duw geeft en beide beambten beledigingen naar het hoofd slingert. De twee beambten stellen rapporten aan de directeur op, waarin zij melding maken van verbale en fysieke agressie, alsmede van het aanzetten van medegedetineerden tot oproer. IX-6212-2/9 Na dit incident gaat de directeur van de gevangenis naar de cel van de verzoeker om zich te vergewissen van de toestand. De directeur vraagt ook uitleg aan één van de betrokken beambten. De partijen laten verstaan dat deze demarche van het hoofd van de inrichting ongewoon is. Volgens de verzoeker zou de directeur het met hem gehad hebben over de mogelijkheid om hem te transfereren naar een andere gevangenis, iets waarop de verzoeker al lang aandringt. Dezelfde dag, 29 januari 2009, stellen de twee bedoelde beambten +s avonds nieuwe rapporten aan de directeur op. Zij maken daarin melding van bedreigingen tijdens de bedeling van het avondeten. Volgens de rapporten zou de verzoeker gedreigd hebben hen met een mes te bewerken en zou hij door het raam getierd hebben en zo zijn medegevangenen aangezet hebben tot het maken van moeilijkheden. De verzoeker betwist dat dergelijke feiten zich hebben voorgedaan. Een vierde incident vindt plaats op 30 januari 2009 +s avonds. Twee andere beambten stellen rapporten aan de directeur op, waarin zij melding maken van nachtlawaai, namelijk het te luid laten spelen van de stereo-installatie, schreeuwen door het raam en bonken op de deur. De verzoeker betwist dat er sprake is geweest van nachtlawaai. Een andere directeur dan degene die de verzoeker gesproken heeft, beslist om voor de eerste drie incidenten een tuchtprocedure op te starten. Op de hoorzitting, die plaatsvindt op 31 januari 2009, gaat de verzoeker akkoord met het feit dat ook het vierde incident behandeld wordt. De hoorzitting vindt plaats in de cel van de verzoeker. Volgens het verslag van de hoorzitting betwist de verzoeker dat hij beambten bedreigd zou hebben of dat hij zich schuldig gemaakt zou hebben aan nachtlawaai. Hij geeft toe dat hij een beambte verwenst en geduwd heeft, maar volgens hem is hij door de betrokken beambte uitgelokt. Zowel de verzoeker als zijn raadsman leggen de nadruk op het feit dat het eerste incident zijn oorzaak vindt in de onduidelijkheid inzake het gebruik van de sociale telefoonkaart, waarbij de twee beambten die betrokken waren bij het incident restrictief optreden, terwijl andere beambten een soepeler houding aannemen. In haar uiteenzetting voor de Raad van State legt de raadsman van de verzoeker uit dat zij op de hoorzitting gevraagd heeft dat verscheidene getuigen gehoord zouden worden, namelijk de medegedetineerden die vanuit hun cel konden horen wat er gebeurd was, de directeur die met de verzoeker is komen spreken, en IX-6212-3/9 een beambte en een fatik die getuigen zouden moeten zijn van het derde, door de verzoeker betwiste incident. Op 31 januari 2009 legt de directeur aan de verzoeker de tuchtstraf op van “3 dagen strafcel voorwaardelijk gedurende 2 maand (tot en met 1 april 2009)” en van “1 maand strikt, van 29 januari 2009 tot en met 27 februari 2009”. De beslissing steunt op de volgende motieven: “Betrokkene bekent dat hij personeel heeft verweten en heeft geduwd. Hij ontkent het nachtlawaai en bedreigingen met een mes. Zowel betrokkene als raadsman bevestigen dat er spanningen zijn tussen hem en het personeel. Betrokkene heeft nood aan een consequent optreden. Betrokkene verklaart dat hieraan niet steeds werd voldaan op de sectie waar hij verbleef. Gedurende de hoorzitting werden de regels voor het gebruik van de sociale kaart uiteengezet en werd [aan betrokkene] ook het principe van de nachtrust uitgelegd. Betrokkene bevestigt dat hij de huidige regels momenteel begrijpt. Omwille van de fysieke bedreigingen en de fysieke aanraking getuigt betrokkene dat hij een fysiek gevaar en een morele dreiging vormt voor het personeel. Eén maand strikt achten wij bijgevolg aanvaardbaar. We hopen dat de uiteenzetting van het reglement tijdens de hoorzitting betrokkene tot besef heeft gebracht en dat de drie dagen voorwaardelijke strafcel een voldoende drukkingsmiddel zullen zijn om [zich] in de toekomst naar behoren te gedragen.” Deze beslissing vormt het voorwerp van de voorliggende vordering. Onderzoek van de vordering
  3. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  4. In verband met de uiterst dringende noodzakelijkheid stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dateert van 31 januari 2009, dat de straf uitwerking heeft met ingang van 29 januari 2009 en dat de beslissing op 31 januari 2009 aan de verzoeker ter kennis is gebracht. De verzoeker heeft met een op IX-6212-4/9 5 februari 2009 ter post aangetekend verzoekschrift de voorliggende vordering ingesteld. Uit deze chronologie kan worden afgeleid dat de verzoeker zich terecht beroept op de uiterst dringende noodzakelijkheid om de voorliggende vordering in te stellen, en dat hij de vordering ook met de vereiste spoed heeft ingesteld. De verwerende partij betwist de uiterst dringende noodzakelijkheid trouwens niet. 4.
  5. De verzoeker roept een eerste middel in, waarin hij de schending aanvoert van de motiveringsplicht, gehuldigd in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en als beginsel van behoorlijk bestuur. In essentie voert de verzoeker aan dat de bestreden beslissing steunt op feiten die zijn uitgelokt door leden van het personeel, die de regels inzake het gebruik van de sociale telefoonkaart niet consequent hebben toegepast. De rapporten aan de directeur zijn niet geloofwaardig, onder meer omdat ze opgesteld zijn door beambten die naar elkaar als getuigen verwijzen. De in de rapporten weergegeven feiten zijn trouwens niet correct. Ten slotte wordt in de motieven van de bestreden beslissing niet geantwoord op de argumentatie van de verzoeker, die betoogd heeft dat de ongepaste, foutieve houding van de beambten aan de basis ligt van het gebeurde. 4.
  6. Uit de bestreden beslissing blijkt dat aan de verzoeker een tuchtstraf is opgelegd wegens “de fysieke bedreigingen en de fysieke aanraking”. Daarmee wordt verwezen naar de feiten die de verzoeker heeft erkend, met name zijn verwijten aan personeelsleden en het duwen van één van hen. Die feiten geven er volgens de directeur blijk van dat de verzoeker “een fysiek gevaar en een morele dreiging vormt voor het personeel”. Aldus worden in de motieven van de bestreden beslissing de feiten aangegeven waarop die beslissing steunt, en wordt van die feiten ook aangegeven waarom ze als laakbaar worden beschouwd. De verzoeker betwist noch het bestaan van die feiten, noch de beoordeling die ervan gegeven is. Op zich is de motivering pertinent en draagkrachtig. IX-6212-5/9 De formele motiveringsplicht brengt voorts niet met zich mee dat de directeur verplicht was om uitdrukkelijk te antwoorden op de argumenten van de verzoeker in verband met de uitlokking van zijn daden. De directeur overweegt dat de verzoeker en zijn raadsman “bevestigen dat er spanningen zijn tussen hem en het personeel”, en toont begrip voor de vraag van de verzoeker naar een consequent optreden. Het gedrag van het personeel blijkt voor de directeur echter geen voldoende reden te zijn om aan te nemen dat de daden van de verzoeker zijn uitgelokt en daardoor hun laakbaar karakter verliezen. Het feit zelf dat de directeur de fysieke bedreigingen en de fysieke aanraking als strafbare feiten beschouwt, lijkt integendeel te impliceren dat de directeur van oordeel is dat, als er al van uitlokking sprake is, deze geen reacties als die van de verzoeker kan verantwoorden. De voorwaardelijke straf wordt trouwens uitdrukkelijk beschouwd als een drukkingsmiddel opdat de verzoeker zich in de toekomst “naar behoren [zou] gedragen”, wat andermaal illustreert dat de tuchtstraf wordt opgelegd wegens de wijze waarop de verzoeker gereageerd heeft. Voorshands lijkt uit het voorgaande te volgen dat de bestreden beslissing de motieven aangeeft waarop ze gesteund is, en dat die motieven ook afdoende zijn. Het middel is niet ernstig. 5.
  7. De verzoeker roept een tweede middel in, waarin hij de schending aanvoert van de rechten van de verdediging “overeenkomstig artikel 6 [van het Europees Verdrag over de rechten van de mens]”. Volgens de verzoeker schendt de bestreden beslissing de rechten van de verdediging doordat “geen enkel gevolg wordt gegeven aan zijn verzoek om verschillende getuigen te horen en één en ander uit te klaren nopens het gebruik van de sociale kaart”. Op die manier kan de verzoeker “nooit zijn gelijk aantonen en is het vechten met ongelijke wapens”. 5.
  8. Zoals in het antwoord op het eerste middel is uiteengezet, wordt aan de verzoeker een tuchtstraf opgelegd wegens “de fysieke bedreigingen en de fysieke aanraking”, of met andere woorden wegens de manier waarop hij zich tegenover de beambten gedragen heeft. De verzoeker betwistte niet dat hij verwijten gericht heeft tot de beambten en dat hij één van hen geduwd heeft. In het licht van IX-6212-6/9 de grondslag van de bestreden beslissing en van het niet-betwiste karakter ervan, valt moeilijk in te zien hoe de impliciete weigering om getuigen te horen beschouwd kan worden als een schending van het recht van verdediging. Met betrekking tot het gebruik van de sociale telefoonkaart erkent de directeur dat er nood is aan een consequent optreden. Hij legt aan de verzoeker ook de toepasselijke regels uit. De verzoeker wordt niet veroordeeld wegens het overtreden van die regels, maar wegens de wijze waarop hij zich tegenover de beambten gedragen heeft. In die omstandigheden valt moeilijk in te zien hoe de impliciete weigering om een nader onderzoek te verrichten naar het gebruik van de sociale kaart beschouwd kan worden als een schending van het recht van verdediging. Het middel is niet ernstig. 6.
  9. De verzoeker roept een derde middel in, waarin hij de schending aanvoert van het vertrouwensbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. Hij voert aan dat hij in het verleden meermaals, in identieke omstandigheden, gebruik heeft mogen maken van de sociale telefoonkaart, en zelfs nog de dag nadat hem de sociale kaart geweigerd werd. Hij wist niet, en kon niet weten, dat hij de kaart niet mocht gebruiken. Het feit dat de directeur op de hoorzitting heeft uitgelegd wanneer de sociale kaart mag worden gebruikt, illustreert meer dan afdoende dat de mogelijkheid van gebruik niet duidelijk was. 6.
  10. Zoals in het antwoord op het tweede middel is uiteengezet, wordt de verzoeker niet veroordeeld wegens het overtreden van de regels inzake het gebruik van de sociale telefoonkaart, maar wegens de wijze waarop hij zich tegenover de beambten gedragen heeft. De vraag of de verzoeker zich met betrekking tot het gebruik van de kaart al dan niet kon beroepen op gewekte verwachtingen, lijkt te dezen dan ook zonder belang te zijn voor de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing. In elk geval is het vertrouwensbeginsel een beginsel van behoorlijk bestuur dat beoogt te vermijden dat te kort wordt gedaan aan de rechtmatige verwachtingen die de burger uit het bestuursoptreden put. Dit beginsel houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de IX-6212-7/9 overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in een concreet geval heeft gedaan. De verzoeker voert niet aan dat er een zodanige vaste gedragslijn of zodanige beloften waren. Hij verwijst veeleer naar een inconsequente toepassing van de terzake toepasselijke regels. Er lijkt voorshands dan ook geen ruimte te zijn voor enige toepassing van het vertrouwensbeginsel. Het middel is niet ernstig.
  11. Nu geen van de ingeroepen middelen ernstig is, blijkt niet te zijn voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. Die vaststelling leidt ertoe dat de vordering verworpen moet worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
  12. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  13. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. IX-6212-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 12 februari 2009, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-6212-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.377 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.426 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.