van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, ingevoerd bij wet van 22 december 1970 (B.S. 5 februari 1971), art. 56, § 4 van het decreet op de ruimtelijke ordening gecoor-dineerd dd 22 oktober 1996 (B.S. 15 maart 1997) en de art. 130 § 1 en 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening (B.S. 8 juni 1999) alsmede de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de materiele motiveringsverplichting” : “DOORDAT: EERSTE ONDERDEEL De bestreden beslissing de aanvraag toetst aan de verkavelingsvoorschriften uit de verkavelingsvergunning nr. 046/0046/02, op 15 juni 1966 afgeleverd aan Jozef Schellens en de aanvraag met verwijzing naar deze voorschriften wordt afgewezen; TERWIJL : De aanvraag tot regularisatie dateert van 27.4.2000 (cfr. ontvangstbewijs gemeente) terwijl het Decreet op de Ruimtelijke Ordening (verder : DRO) van 18 mei 1999 in werking getreden is op 1 mei 2000 (art. 204 ). Bij gebreke aan overgangsbepalingen zijn echter de bepalingen van art. 158 en 159 DRO van toepassing op de hangende regularisatieaanvragen. Art. 158 DRO voorziet in de mogelijkheid een vergelijk te treffen hetgeen na betaling van een transactiesom tot regularisatie kan leiden. Hiervoor dienen 2 voorwaarden te zijn voldaan : - het stedebouwmisdrijf mag niet bestaan in het uitvoeren van werken of verrichten of voortzetten van handelingen of wijzigingen die een inbreuk plegen op ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg, de X-11.144-7/14 uitvoering van verordeningen of de voorschriften van een verkavelings-vergunning. - de werken, handelingen of wijzigingen moeten in aanmerking komen voor de afgifte van de vereiste vergunning. Mbt de eerste voorwaarde stelt de stedebouwkundig inspecteur in haar beslissing dd 26.11.2001 dat het goed deel uitmaakt van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling, vergund op 15.6.1966 aan Jozef Schellens. Vermits deze verbouwingen een grove overtreding zouden zijn van de verkavelingsvoorschriften, is volgens haar regularisatie onmogelijk. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Herselt weigert de aanvraag met zo goed als woordelijk dezelfde motivering (...). In zijn beroep tegen deze weigeringsbeslissing argumenteert verzoeker als volgt : ‘1. M.b.t. de verkavelingsvergunning dd 15.6.1966 (ref. ROHM nr. 046/0046
van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, ingevoerd bij wet van 22 december 1970 (B.S. 5 februari 1971), van toepassing ten tijde van oprichting van de wintertuin (veranda) waarvan de regularisatie wordt gevraagd, maar tevens naar art. 56 § 4 van het decreet op de ruimtelijke ordening gecoordineerd dd 22 oktober
van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, ingevoerd bij wet van 22 december 1970, minstens art. 56 § 4 van het decreet op de ruimtelijke ordening gecoordineerd dd 22 oktober 1996. Thans is ingevolge art. 203 DRO het Decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening (DRO), en met name art. 130 DRO onmiddellijk van toepassing op de verkavelingsvergunningen die verleend zijn voor de inwerkingtreding van het decreet (1 mei 2000). Op grond van deze artikelen vervalt van rechtswege de verkavelings- vergunning die, zoals in casu, de aanleg en uitrusting van nieuwe verkeers- wegen of de wijziging van bestaande wegen inhoudt vermits 36 jaar na aflevering van de vergunning de voorgeschreven tracéwijziging van buurtweg nr. 15 Neerstraat nog steeds niet is uitgevoerd. De verkavelingsvergunning dd 15.6.1966 is dan ook in zijn geheel vervallen. - De verwerende partij bevestigt inderdaad dat de verkaveling overeenkomstig vaste rechtspraak van de Raad van State terzake in principe (‘normaliter’) vervallen is. Het spreekt dan ook voor zich dat verkavelingsvoorschriften en verkavelingsvergunning in die omstandigheden geen rechtsgrond kunnen uitmaken voor de weigering van een vergelijk of certificaat conform art. 158 - 159 DRO. De verwerende partij had dan ook moeten vaststellen dat de werken die het voorwerp uitmaken van de regularisatieaanvraag geen inbreuk plegen op ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg, stedebouwkundige verordeningen of voorschriften van een niet vervallen verkavelingsvergunning. De stedebouwkundige overheid had verder moeten nagaan of de tweede voorwaarde van art. 158 DRO voldaan was. In voorliggend geval bleef echter de stedebouwkundige overheid, Bestendige Deputatie inbegrepen, zich steunen op de (naar recht vervallen) verkavelings- voorschriften uit 1966 om de aanvraag af te wijzen. Zij bleef bovendien in gebreke om na te gaan of de tweede voorwaarde van art. 158 DRO voldaan was. Om al deze redenen miskent de bestreden beslissing in ieder geval art. 158 DRO. Door zich toch te steunen op een vervallen verkavelingsvergunning schendt zij tevens art.
van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, ingevoerd bij wet van 22 december 1970 , minstens art. 56 § 4 van het decreet op de ruimtelijke ordening gecoordineerd dd 22 oktober 1996, minstens art.130 § 1 DRO. - De argumentatie die de verwerende partij aanhaalt om zich te toch kunnen steunen op een onbetwistbaar vervallen verkavelingsvergunning - en voorschriften, kan absoluut niet overtuigen. X-11.144-9/14 De Bestendige Deputatie verantwoordt zich door te stellen dat ‘in het verleden de overheid echter deze houding niet heeft ingenomen en verwachtingen heeft gewekt;’ Deze redenering klinkt bekend in de oren. Zij behoort tot het standaardverweer van overtreders die, meestal om de instandhouding van zonder vergunning opgerichte werken te rechtvaardigen, verwijzen naar een jarenlang gedogen vanwege de overheid. Het wekt dan ook niet weinig verwondering dat in voorliggend geval de overheid zélf dit argument gebruikt om zich te beroepen op verkavelings- voorschriften, waarvan zij zelf moet toegeven dat deze vervallen zijn. Uiteraard kan de stedebouwkundige overheid zich niet beroepen op haar eigen nalatigheid om zich - in strijd met regelgeving en rechtspraak terzake - alsnog te kunnen beroepen op vervallen verkavelingsvoorschriften. De enige rechtsgrond waarmee de verwerende partij haar beslissing motiveert, deugt - zoals hoger aangetoond - geenszins, waardoor zij tevens tekortkomt aan haar verplichting tot materiele motivering, welke als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur op elke beslissing van de overheid van toepassing is. ZODAT: De verwerende partij , door de bestreden beslissing te baseren op naar vaste rechtspraak van de Raad van State vervallen verkavelingsvoorschriften, niet alleen de wet schendt maar tevens tekortkomt aan de materiele motiverings- verplichting die zich als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur aan haar opdringt. De bestreden beslissing dient te worden vernietigd. EN DOORDAT: TWEEDE ONDERDEEL De bestreden beslissing bepaalt dat een verkavelingswijziging, teneinde de mogelijkheid tot regulariseren van de bestaande bebouwing tot stand te brengen, uit stedebouwkundig oogpunt niet verantwoord zou zijn omdat de goede plaatselijke ordening in het gedrang zou komen. TERWIJL: In de eerste plaats wordt vastgesteld dat noch de stedebouwkundig inspecteur, noch het college van burgemeester en schepenen noch de Bestendige Deputatie er in slagen de aanvraag los te zien van de verkavelingsvoorschriften uit 1966 en deze louter te beoordelen in functie van een goede plaatselijke ordening. De aanvraag van verzoeker noch zijn beroep strekt immers tot wijziging van de verkavelingsvoorschriften. Vermits er geen geldige verkaveling bestond op het ogenblik van oprichting van de veranda is ook de vraag naar verkavelingswijziging niet aan de orde. Een niet-bestaande want vervallen vergunning kan immers niet gewijzigd worden. De argumentatie van de verwerende partij terzake is dan ook niet ter zake dienend. Ook om deze reden is er aanleiding de bestreden beslissing te vernietigen. EN TERWIJL (IN ONDERGESCHIKTE ORDE) De verwerende partij haar standpunt niet naar recht verantwoordt, waar zij poneert dat de bestaande bebouwing de goede ordening van de plaats in het gedrang zou brengen. Vooreerst wordt de situatie uitsluitend beoordeeld in functie van een eventuele verkavelingswijziging. Het weze herhaald : voor een vervallen verkaveling is de vraag naar wijziging niet aan de orde. X-11.144-10/14 Anderzijds blijkt nergens dat , bij de beoordeling naar goede plaatselijke ordening, in min of meerdere mate werd rekening gehouden met de historische situatie (met name wat vergunning betreft) van het handelspand van verzoeker. Het oorspronkelijke geheel dateert van voor de Stedebouwwet van 1962 en is alsdusdanig onbetwistbaar vergund. Voorafgaand aan de verkavelingsvergunning uit 1966 vormde dit gebouw één geheel met het rechtsaanpalende gebouw op hetzelfde perceel. Pas bij de verkaveling in 1966 zijn beide gebouwen (juridisch) gesplitst : het hoofdgebouw nr. 64 staat echter nog steeds waar het al stond voor 1962, dit gekoppeld aan de woning met nr. 66 Het oorspronkelijke geheel was gericht naar de gemeenteweg Neerstraat, niet naar de gewestweg Aarschotsesteenweg. Dit verklaart waarom het gebouw van concluant dieper achterin (opzichtens de Aarschotsesteenweg) staat. De Stedebouwkundige overheid was zich in 1966 echter reeds bewust van het probleem. Waarom stelde zij immers destijds als voorwaarde voor de verkavelings- vergunning dat de weg Neerstraat zou worden verbreed en het tracé gewijzigd, als het niet was om de ligging van voornoemd gebouw, deels gelegen op het perceel van de heer Verlooy, deels op het rechts aanpalende perceel te regulariseren? Bij de beoordeling van overeenstemming met de goede plaatselijke ordening van de vraag tot regularisatie van een veranda en bergplaats aan het bestaande gebouw zijn dit toch belangrijke gegevenheden waarmee een normaal diligente overheid zou rekening houden. In concreto behoorde het een normaal voorzichtige stedebouwkundige overheid zich af te vragen of , rekening houdend enerzijds met de bestaande bebouwing ter plaatse in de onmiddellijke omgeving maar anderzijds ook met het historische gegeven dat het verschil in inplanting van het hoofdgebouw t.o.v. naburige gebouwen dateert van voor 1962 en bevestigd is in 1966, de aanbouw van een veranda en de oprichting van een bergplaats zoals in casu de goede plaatselijke ordening in het gedrang zou brengen. Ofschoon het antwoord op deze vraag tot de vrije appreciatie van de overheid behoort, kan men zich moeilijk voorstellen dat , gelet op de historische achtergrond, elke constructie, elke uitsprong uit het bestaande (en vergunde) gebouw ipso facto de goede plaatselijke ordening in het gedrang zou brengen, voorzover deze constructie niet zou geplaatst worden tot op de voorgevel-bouwlijn. Waar de bestreden beslissing, net zoals de stedebouwkundig inspecteur en de gemeente voordien, niet verder komt dan verwijzing naar evident vervallen verkavelingsvoorschriften, komt zij tekort aan haar materiele motiverings- verplichting. ZODAT: De verwerende partij opnieuw in strijd met de wet en tevens haar materiele motiveringsverplichting in de bestreden beslissing verwijst naar een volstrekt niet ter zake dienende vraag naar eventuele verkavelingswijziging; Zodat zij bovendien, in de mate dat de goede ordening van de plaats wordt beoordeeld, haar standpunt niet naar recht verantwoord, o.m. doch niet uitsluitend door haar beoordeling te maken louter in functie van genoemde vervallen verkavelingsvoorschriften, zonder oog voor de historische realiteit dat het hoofdgebouw vergund is sinds 1962 en de bevestiging van zijn inplanting hiervan in
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.