← België

Arrest 190502 - Organisatie van de dienst - 16/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.502 Rolnummer: Zaak: Arrest 190502 - Organisatie van de dienst - 16/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-26 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 18:00 Fiche Arrest nr 190.502 van 16 februari 2009 Openbaar ambt - Organisatie van de dienst Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.502 van 16 februari 2009 in de zaken A. 128.464/IX-3553 A. 128.465/IX-3554 A. 128.469/IX-3558 A. 128.470/IX-3559 A. 128.471/IX-3560 A. 128.472/IX-3561 A. 128.474/IX-

  1. In zake :
  2. Luc DE KEYSER (zaak A.128.464/IX-3553),
  3. Daniël NEIRINCK (zaak A.128.465/IX-3554),
  4. Gino FOLENS (zaak A.128.469/IX-3558),
  5. Ronny MARGODT (zaak A.128.470/IX-3559),
  6. Hendrik HOLLEZ (zaak A.128.471/IX-3560),
  7. Walter ‘T KINDT (zaak A.128.472/IX-3561),
  8. Rudy VAN EEGHEM (zaak A. 128.474/IX-3563) die allen woonplaats kiezen bij advocaat P. CHOME, kantoor houdende te BRUSSEL, Capouilletstraat 34 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien de verzoekschriften die Luc DE KEYSER, Daniël NEIRINCK, Gino FOLENS, Ronny MARGODT, Hendrik HOLLEZ, Walter ‘T KINDT en Rudy VAN EEGHEM op 24 oktober 2002 afzonderlijk hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de ministeriële besluiten nrs. 82.893, 82.918, 82.906, 82.913, 82.911, 82.934 en 82.935 van 4 juni 2002 waarbij zij in toepassing van het koninklijk besluit van 4 oktober 2001 effectief worden overgeplaatst naar het Ministerie van Landsverdediging in de graad van geschoold arbeider; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; IX-3553-1/11 Gelet op de beschikkingen van 22 februari 2005 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelasten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikkingen van 19 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van luitenant-kolonel militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  9. De verzoekers zijn tewerkgesteld bij de Radio Maritieme Dienst (hierna: RMD). Deze Dienst vormde oorspronkelijk een onderdeel van Belgacom. Bij koninklijk besluit van 3 april 1997 worden de personeelsleden die tewerkgesteld zijn bij de RMD overgedragen naar het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie (hierna: BIPT) met ingang van 1 april
  10. Volgens artikel 2 van dat besluit gebeurt deze overdracht in hun graad of in een gelijkwaardige graad en worden de bij Belgacom vastbenoemde statutaire ambtenaren (zoals de verzoekers) tot ambtenaar van het BIPT benoemd. Zij worden er aangewezen voor een betrekking van een aanvullende personeelsformatie met afsluiting tegenover de andere ambtenaren van het BIPT. IX-3553-2/11 Een koninklijk besluit van 4 mei 1998 stelt nadere regels vast voor de toepassing van het voornoemde koninklijk besluit van 3 april
  11. Onder meer wordt het statuut van het personeel van het BIPT aangepast aan het statuut van de personeelsleden van Belgacom die naar deze instelling werden overgedragen, waarbij wordt bepaald dat het personeel wordt ingedeeld in 4 niveaus (1, 2, 3 en 4) en de lijst van de bij het BIPT bestaande graden wordt aangepast. Bij ministerieel besluit van 7 augustus 1999 worden de bij Belgacom vastbenoemde ambtenaren die, met toepassing van het eerste artikel van het voornoemde koninklijk besluit van 3 april 1997 werden overgedragen aan het BIPT, bij dat Instituut met ingang van 1 april 1997 benoemd en aangewezen in de graad van de aanvullende personeelsformatie voor het onthaal van de overgedragen personeelsleden van de RMD. De verzoekers worden alzo bij het BIPT benoemd in de graad van technisch medewerker (rang 43). 1.
  12. Artikel 27 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen bepaalt dat de opdrachten van en de personeels- leden die tewerkgesteld zijn bij de RMD van het BIPT worden overgedragen aan het Ministerie van Landsverdediging op de datum en volgens door de Koning nader bepaalde regels. 1.
  13. Het koninklijk besluit van 4 oktober 2001 betreffende de overplaatsing van sommige personeelsleden van het BIPT naar het Ministerie van Landsverdediging bepaalt dan in welke graad de personeelsleden die tewerkgesteld zijn bij de RMD van het BIPT ambtshalve worden overgedragen aan het Ministerie van Landsverdediging. Zij die zoals verzoekers de graad van technisch medewerker hebben bij het BIPT worden ambtshalve benoemd tot geschoold arbeider. 1.
  14. Bij ministeriële besluiten nrs. 82.893, 82.918, 82.906, 82.913, 82.911, 82.934 en 82.935 van 4 juni 2002 worden de verzoekers dan, in toepassing van het voornoemde besluit, effectief overgeplaatst naar het Ministerie van Landsverdediging in de graad van geschoold arbeider (rang 42). Dit zijn de bestreden besluiten. IX-3553-3/11 Over de samenvoeging
  15. Aangezien de feitelijke situatie in de zaken nrs. A.128.464/IX-3553, A.128.465/IX-3554, A.128.469/IX-3558, A.128.470/IX-3559, A.128.471/IX-3560, A.128.472/IX-3561 en A.128.474/IX-3563 dezelfde is en de middelen alsook de repliek in al deze zaken inhoudelijk identiek zijn, is het in het belang van de rechtsbedeling dat ze worden samengevoegd. Over de ontvankelijkheid van de vorderingen 3.
  16. De verwerende partij werpt in alle zaken op dat de verzoekers geen belang hebben bij hun beroep, omdat zij niet aanvoeren dat het koninklijk besluit van 4 oktober 2001 onwettig is, hoewel het dit besluit is dat de overplaatsing regelt en de bestreden besluiten slechts de gebonden uitvoering ervan zijn. 3.
  17. De verzoekers antwoorden dat zij een financieel belang hebben bij de vernietiging van de bestreden besluiten, omdat zij als geschoold arbeider slechts een rang 42 bekleden, terwijl zij bij het BIPT als technisch medewerker een rang 43 hadden. Zij doen daarbij ook een moreel belang gelden. 3.
  18. De bestreden besluiten zijn de uitvoering van de bepalingen van het koninklijk besluit van 4 oktober
  19. Het is dit laatste besluit dat bepaalt in welke graad de personeelsleden overgaan. Zo stelt artikel 1 dat de personeelsleden overgaan: “(...) in de graad of in één van de graden die naast hun graad die zij bekleedden bij het (BIPT) is vermeld: (...) - Technisch medewerker: Geschoold arbeider”. Verder bepaalt artikel 2 dat zij hun statutaire en geldelijke anciënniteit behouden en dat deze in hun nieuwe graad worden gevaloriseerd. Wat het moreel belang betreft rijst de vraag welk moreel belang de verzoekers zouden kunnen doen gelden, daar de bestreden ambtshalve overdracht en herbenoeming geenszins met de persoon van de verzoekers te maken hebben IX-3553-4/11 maar niets anders zijn dan het gevolg van een herstructurering binnen diverse overheidsdiensten. Er is dan ook niets oneervols aan. Evenwel voeren de verzoekers juist aan dat het koninklijk besluit van 4 oktober 2001 verkeerd is toegepast. Bijgevolg is de exceptie verbonden met de grond van de zaak en worden hierna de verschillende middelen onderzocht. Ten gronde 4.1.
  20. In een eerste middel voeren de verzoekers aan dat de bestreden besluiten de bepalingen van de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 4 oktober 2001 betreffende de overplaatsing van sommige personeelsleden van het BIPT naar het Ministerie van Landsverdediging hebben geschonden, doordat zij werden overgeplaatst naar een graad van rang 42 en dus een rangverlaging ondergaan, terwijl artikel 1 van het voornoemde besluit van 4 oktober 2001 bepaalt dat de personeelsleden overgeplaatst worden in de graad of in één van de graden die naast hun graad is vermeld en in artikel 2 van dat besluit wordt gesteld dat de overgeplaatste personeelsleden hun administratieve en geldelijke anciënniteit behouden. 4.1.
  21. De verwerende partij antwoordt dat er een correcte toepassing is gemaakt van het koninklijk besluit van 4 oktober
  22. 4.1.
  23. De verzoekers voeren in essentie aan dat zij een rangverlaging ondergaan omdat zij vanuit een graad van rang 43 (technisch medewerker bij het BIPT) overgaan naar een graad van rang 42 (geschoold arbeider). Dit zou een schending zijn van de bepalingen van de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 4 oktober
  24. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 4 oktober 2001 bepaalt dat de personeelsleden van de RMD van het BIPT ambtshalve worden overgeplaatst naar het Ministerie van Landsverdediging in de graad of één van de graden die is vermeld naast de graad die zij bekleedden bij het BIPT. Voor de graad van technisch medewerker is dat de graad van geschoold arbeider. De verzoekers hadden de graad van technisch medewerker bij het BIPT en ze zijn overgegaan in de graad van geschoold arbeider. Zij kunnen niet worden gevolgd in zoverre zij aanvoeren dat zij IX-3553-5/11 in uitvoering van de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 4 oktober 2001 moesten overgaan naar een graad van rang
  25. Dit volgt geenszins uit die artikelen. Daarbij komt nog dat ten gevolge van de vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren in de Rijksbesturen die voor de gemene graden werd doorgevoerd door het koninklijk besluit van 14 september 1994 voor de niveaus 2, 3 en 4 en door het koninklijk besluit van 10 april 1995 voor de niveau's 1 en 2+, de graden bij het Ministerie van Landsverdediging werden vereenvoudigd. Uit de artikelen 35, §§ 5 en 6, en 47 van het koninklijk besluit van 14 september 1994 blijkt dat voor het meesters-, vak- en dienstpersoneel er nog slechts twee graden bestaan in niveau 4, met name de graad van arbeider (rang 40) en de graad van geschoold arbeider (rang 42) en dat de vroegere graden van de rangen 42, 43 en 44 in de nieuwe graad van geschoold arbeider opgaan. De nieuwe graad van geschoold arbeider (rang 42) is dus gelijkwaardig aan de oude graden van de rangen 42 tot
  26. Artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 4 oktober 2001 stelt dat de overgeplaatste personeelsleden hun administratieve en geldelijke anciënniteit behouden in hun nieuwe graad. Uiteraard kan er niet meer worden gekeken naar de graad en weddeschaal die zij bekleedden en genoten bij de RMD-Belgacom daar zij intussen op definitieve wijze zijn benoemd bij het BIPT in de graad van technisch medewerker en het ten opzichte van die toestand is dat de administratieve en geldelijke situatie moet worden behouden. Uit de dienststaat en de weddefiche van de verzoekers blijkt dat hun weddeanciënniteit integraal werd gevaloriseerd in hun nieuwe graad zodat artikel 2 werd nageleefd. De bepalingen van de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 4 oktober 2001 werden correct toegepast. Het eerste middel is niet gegrond. 4.2.
  27. In een tweede middel voeren de verzoekers aan dat artikel 29 van het koninklijk besluit van 16 juli 1998 betreffende de mobiliteit van het personeel van sommige overheidsdiensten werd geschonden, doordat er onzekerheid bestaat of de verzoekers dezelfde inkomsten zullen genieten als deze die zij in hun vorige functie genoten. Zij betogen dat zij als personeelslid van het BIPT drie wedde- schalen genoten in hun rang, zoals blijkt uit artikel 23 van het koninklijk besluit van IX-3553-6/11 3 april 1997 (lees: 4 mei 1998), waarbij zij na negen jaar van de ene schaal overgingen naar de andere. Zij stellen dat het niet zeker is dat dit voordeel voor hen werd behouden. 4.2.
  28. De verwerende partij antwoordt dat de bestreden ministeriële besluiten niet voorzien in een regeling met betrekking tot de van toepassing zijnde weddeschaal en dat het middel dus niet pertinent is. Verder stelt zij dat het betrekking heeft op de erkenning van een subjectief recht op weddeschaal. Ten slotte wijst zij er op dat uit de respectieve dienststaten van de verzoekers blijkt dat zij verder het voordeel genieten van de weddeschaal die zij bij het BIPT bezaten. 4.2.
  29. In hun memorie van wederantwoord repliceren de verzoekers Luc DE KEYSER, Daniël NEIRINCK, Hendrik HOLLEZ, Walter ‘T KINDT en Rudy VAN EEGHEM dat zij niet verder aandringen op dit middel. De verzoekers Gino FOLENS en Ronny MARGODT stellen dat de overplaatsing op zichzelf, door de aanduiding van de functie waarin zij overgaan wel degelijk een invloed kan hebben op de weddeschaal en geen zekerheid biedt op het behoud van hun vroegere wedderegeling en meer bepaald van de automatische weddeschaalverhoging na negen jaar en achttien jaar die van toepassing was bij het BIPT. 4.2.
  30. Aangezien de verzoekers Luc DE KEYSER, Daniël NEIRINCK, Hendrik HOLLEZ, Walter ‘T KINDT en Rudy VAN EEGHEM afstand doen van dit middel moet het te hunnen opzichte niet onderzocht worden. De bestreden ministeriële besluiten doen niets anders dan de verzoekers overplaatsen van het BIPT naar het Ministerie van Landsverdediging en hen daar benoemen in de graad van geschoold arbeider. De vaststelling van hun wedde in die graad of van hun weddestatuut maakt niet het voorwerp uit van de bestreden besluiten. De verwerende partij voert dan ook terecht aan dat het middel niet pertinent is. Het tweede middel kan niet worden aangenomen. IX-3553-7/11 4.3.
  31. In een derde middel voeren de verzoekers de schending aan van artikel 21 van het koninklijk besluit van 2 januari 2001 houdende sociale en andere bepalingen. De verzoekers menen dat zij hun verworven rechten niet hebben behouden, meer bepaald de automatische overgang naar een andere weddeschaal na telkens negen jaar waarvan zij konden genieten bij het BIPT. 4.3.
  32. De verwerende partij repliceert dat zij het koninklijk besluit waarnaar de verzoekers verwijzen niet kan terugvinden in de rechtsorde. 4.3.
  33. In hun memorie van wederantwoord delen de verzoekers Luc DE KEYSER, Hendrik HOLLEZ, Walter ‘T KINDT en Rudy VAN EEGHEM mee dat zij niet verder aandringen op dit middel. De verzoekers Daniël NEIRINCK, Gino FOLENS en Ronny MARGODT daarentegen repliceren dat het de wet van 2 januari 2001 is waarvan zij de schending aanvoeren en niet het koninklijk besluit van 2 januari
  34. Zij citeren voormeld artikel 21 als volgt: “Artikel 21 stelt dat de opdrachten en de personeelsleden van het B.I.P.T. die bij de Radiomaritieme dienst zijn tewerkgesteld, worden overgedragen naar het Ministerie van Landsverdediging; Hierbij zal rekening gehouden worden met de verworven rechten die de betrokken personeelsleden bij het B.I.P.T. genoten; Ze bewaren ten persoonlijke titel hun administratieve en geldelijke anciënniteit, alsook de wedde, het vakantiegeld, de toelagen, de vergoedingen, premies en sociale voordelen die ze in BELGACOM verkregen hebben en behouden hebben bij het B.I.P.T., op datum van hun overdracht bij deze instelling”. Zij stellen dat de automatische overgang naar een hogere weddeschaal niet van kracht is bij Landsverdediging en dat er proeven zullen moeten worden afgelegd om naar een hogere weddeschaal te kunnen overgaan, terwijl bij het BIPT zij die reeds meer dan achttien jaar dienst hebben zonder enige proef automatisch in de hogere weddeschaal werden opgenomen. 4.3.
  35. Aangezien de verzoekers Luc DE KEYSER, Hendrik HOLLEZ, Walter ‘T KINDT en Rudy VAN EEGHEM meedelen dat zij niet verder aandringen op dit middel moet het te hunnen opzichte niet onderzocht worden. IX-3553-8/11 Voor wat de verzoekers Daniël NEIRINCK, Gino FOLENS en Ronny MARGODT betreft, dient er op gewezen te worden dat wat zij citeren als zijnde artikel 27 (en niet 21) van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, niet de tekst van het artikel is maar wel de tekst van de memorie van toelichting bij dat artikel zoals die is afgedrukt in het Belgisch Staatsblad van 3 januari 2001, tweede uitgave, blz.
  36. Uit deze memorie van toelichting volgt, ook al blijkt dat niet met zoveel woorden uit artikel 27 zelf, dat het toch de bedoeling was dat de overgedragen personeelsleden hun verworven geldelijke rechten zouden behouden. De bestreden besluiten doen daar evenwel geen afbreuk aan daar zij, zoals reeds gezegd bij de bespreking van het tweede middel, daarover geen regeling inhouden. Het derde middel kan niet worden aangenomen. 4.4.
  37. In een vierde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 april
  38. Dit artikel zou zijn geschonden omdat artikel 28,§1, voorziet dat aan de ambtenaren bedoeld in artikel 1 en die houder zijn van een graad van niveau 2 en 3, een anciënniteitsuitkering wordt toegekend (sic). 4.4.
  39. De verwerende partij antwoordt dat artikel 28, §§ 1 en 2 van het koninklijk besluit van 4 mei 1998 het volgende bepaalt: “(...) Art.
  40. §
  41. Wordt toegekend aan de ambtenaren bedoeld in artikel 1 en houder van een graad van niveau 2 en 3 een anciënniteitsuitkering, waarvan het jaarlijks bedrag is opgenomen in de hierna volgende tabel, naast de schaal waarover de ambtenaar beschikt: (...) §
  42. De uitkering bedoeld in §1 wordt toegekend op de eerste dag volgend op de tweede verjaardag na de datum waarop de ambtenaar het maximumbe- drag van zijn schaal heeft bereikt. (...)”. Volgens de verwerende partij dient er, daar waar de verzoekers in dit middel trachten aan te tonen dat de bestreden besluiten werden genomen met miskenning van artikel 28 van het koninklijk besluit van 4 mei 1998, te worden vastgesteld dat de bestreden besluiten niet voorzien in de regeling van een anciënniteitsuitkering, dat dit middel bijgevolg niet pertinent is. Bovendien dient IX-3553-9/11 er volgens de verwerende partij vastgesteld te worden dat artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit van 4 mei 1998 voorziet in een regeling met betrekking tot een anciënniteitsuitkering voor sommige ambtenaren van niveau 2 en 3, maar dat uit het koninklijk besluit van 4 mei 1998 valt af te leiden dat de verzoekers bij het BIPT waren benoemd als “technisch medewerker” rang 43 van het niveau 4 en uit het ministerieel besluit van 12 november 1997 valt af te leiden dat de verzoekers werden overgeplaatst naar het Ministerie van Landsverdediging als “geschoold arbeider” in rang 42 eveneens van niveau 4, zodat de verzoekers nooit aanspraak konden maken op een anciënniteitsuitkering. 4.4.
  43. Aangezien de verzoekers Luc DE KEYSER, Hendrik HOLLEZ, Walter ‘T KINDT en Rudy VAN EEGHEM in hun memorie van wederantwoord meedelen dat zij niet verder aandringen op dit middel, moet het te hunnen opzichte niet onderzocht worden. 4.4.
  44. Wat de verzoekers Daniël NEIRINCK, Gino FOLENS en Ronny MARGODT betreft, moet worden vastgesteld, in hoofdorde, dat het middel om dezelfde reden als de twee voorgaande middelen niet pertinent is en, in onder- geschikte orde, dat uit het door hen geciteerde artikel blijkt dat de anciënniteits- toeslag geldt voor ambtenaren van de niveaus 2 en 3 zodat die regeling op hen, als ambtenaren van niveau 4, niet van toepassing is. Het vierde middel kan niet worden aangenomen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  45. De zaken nrs. A.128.464/IX-3553, A.128.465/IX-3554, A.128.469/IX-3558, A.128.470/IX-3559, A.128.471/IX-3560, A.128.472/IX-3561 en A.128.474/IX-3563 worden samengevoegd. Artikel
  46. De beroepen worden verworpen. IX-3553-10/11 Artikel
  47. De kosten van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 1225 euro, komen ten laste van de verzoekers, elk voor een zevende. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 16 februari 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, S. DE TAEYE, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. D. MOONS. IX-3553-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.502 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.