id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.503 Rolnummer: Zaak: Arrest 190503 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 16/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-23 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 18:00 Fiche Arrest nr 190.503 van 16 februari 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Samenvoeging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.503 van 16 februari 2009 in de zaak A. 155.727/IX-4669 A. 168.190/IX-
- In zake : Georges GORIS, die woonplaats kiest bij advocaat J. BRUYNINCKX, kantoor houdende te LEUVEN, Franz Tielemanslaan 10 tegen : BELGOCONTROL, dat woonplaats kiest bij advocaat D. DE MEULEMEESTER, kantoor houdende te GENT, Citadellaan
- tussenkomende partij : Miguel GARCIA DEL PINO, die woonplaats kiest bij advocaat V. DE WOLF, kantoor houdende te BRUSSEL, Gulden Vlieslaan 68/
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Georges GORIS op 18 september 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissingen van 14 juli 2004 van het directiecomité van BELGOCONTROL waarbij Miguel GARCIA DEL PINO en Roland VAN HERCK worden bevorderd tot de graad van stagedoend technisch bureauchef (radio) (de zaak A. 155.727/IX-4669); Gezien het verzoekschrift dat Georges GORIS op 28 november 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : - de beslissing van 13 september 2005 van de afgevaardigd bestuurder van BELGOCONTROL waarbij Miguel GARCIA DEL PINO wordt benoemd tot de graad van technisch bureauchef IX-4669-1/17 - de beslissing van 31 maart 2004 van het paritair comité van BELGOCONTROL tot goedkeuring van het collectief akkoord aangaande hogere functies en laureaten - de beslissingen van 28 februari 2000, 31 maart 2000, 27 april 2000, 9 juni 2000, 28 juni 2000, 26 oktober 2000, 8 februari 2001, 28 juni 2001, 16 januari 2002, 16 april 2002, 17 juli 2002, 24 september 2002, 21 januari 2003, 8 april 2003, 8 juli 2003, 9 oktober 2003, 23 januari 2004, 5 april 2004 en 1 juli 2004 van de afgevaardigd bestuurder van BELGOCONTROL waarbij aan Miguel GARCIA DEL PINO de hogere functie van waarnemend technisch bureauchef wordt toegekend - “de beslissing van Belgocontrol tot vacantverklaring van de betrekking van technisch bureauchef zoals bekendgemaakt op 22 september 2003 bij bericht nr. 66” (sic) (de zaak A. 168.190/IX-5146); Gezien de verzoekschriften tot tussenkomst van Miguel GARCIA DEL PINO; Gelet op de beschikkingen van 4 februari 2005 en 31 januari 2006 die de tussenkomst van Miguel GARCIA DEL PINO in de respectieve zaken toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikkingen van 24 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. BECKERS die, loco advocaat J. BRUYNINCKX, verschijnt voor de verzoeker, van advocaat IX-4669-2/17 D. DE MEULEMEESTER, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat P. GEERINCKX die, loco advocaat V. DE WOLF, verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- Verzoeker is sinds 1972 statutair personeelslid van de Regie der Luchtwegen. Sinds 1995 bekleedt hij de graad van chef radiotechnicus specialist. Bij de opsplitsing van de Regie der Luchtwegen gaat hij in die graad over naar Belgocontrol. 1.
- Bij bericht nr. 37 van 22 mei 2003 worden drie betrekkingen van technisch bureauchef (radio) vacant verklaard, twee bij Canac en één in Luik. Zoals hierna zal worden opgemerkt, vormt deze vacantverklaring het vierde voorwerp van het beroep in de zaak A. 168.190/IX-5146, ook al verwijst verzoeker naar een bericht nr. 66 van 22 september
- Verzoeker kandideert op 29 mei 2003 voor één van de betrekkin- gen bij Canac. 1.
- Op 31 maart 2004 wordt door het paritair comité van Belgocontrol een collectieve arbeidsovereenkomst goedgekeurd aangaande hogere functies en laureaten. In deze CAO wordt overeengekomen dat de ambtenaren waarvan de naam voorkomt op de als bijlage 3 aan de CAO gevoegde lijst die titularis zijn van de graad en rang vermeld in de tweede kolom van die bijlage in reaffectatie zijn en in aanmerking komen voor een bevordering in de graad en rang vermeld in de derde kolom van die bijlage. Overeengekomen wordt dat zij de procedure moeten doorlopen die is uitgewerkt in het collectief akkoord “reaffectatie” en dat indien zij IX-4669-3/17 dat met succes doen, zij zullen worden bevorderd tot de graad vermeld in de derde kolom. Dit collectief akkoord aangaande hogere functies en laureaten is het tweede voorwerp van het beroep in de zaak A. 168.190/IX-
- De als bijlage 3 bij deze CAO gevoegde lijst vermeldt onder meer de tussenkomende partij met de volgende gegevens: naam en taalrol huidige graad en rang graad hogere functies en rang Garcia Del Pino M. (N) chef radiotechnicus spe- technisch bureauchef cialist (r. 28) (rang 11) Verzoeker en de heer Roland Van Herck komen niet op de lijst voor. 1.
- De tussenkomende partij was van 1 februari 2000 tot 31 augustus 2004 reeds bekleed met de hogere functie van technisch bureauchef (rang 11) op een vacante betrekking bij Canac ingevolge opeenvolgende beslissingen van de afgevaardigd bestuurder. Deze beslissingen zijn het derde voorwerp van het beroep in de zaak 168.190/IX-
- 1.
- Met toepassing van de in het collectief akkoord voorziene procedure beslist de afgevaardigd bestuurder op 14 juli 2004 om de tussenkomende partij en de heer Van Herck met ingang van 1 september 2004 te bevorderen tot de graad van stagedoend technisch bureauchef. Dit zijn de bestreden beslissingen in de zaak A. 155.727/IX-
- Zij worden ter kennis gebracht van het personeel bij bericht nr. 28 van 22 juli
- 1.
- Bij bericht nr. 54 van 22 oktober 2004 wordt aan het personeel meegedeeld dat de afgevaardigd bestuurder bij beslissing van 14 oktober 2004 de benoeming van Roland Van Herck tot de graad van stagedoend technisch bureauchef heeft ingetrokken. IX-4669-4/17 1.
- Nadat de tussenkomende partij met gunstig gevolg haar stageperiode heeft doorlopen beslist de afgevaardigd bestuurder op 13 september 2005 om haar met ranginneming op 1 april 2004 vast te benoemen tot de graad van technisch bureauchef. Deze beslissing is het eerste voorwerp van het beroep in de zaak A. 168.190/IX-
- Zij wordt aan het personeel ter kennis gebracht bij bericht nr. 87 van 30 september
- De samenvoeging
- De eventuele vernietiging van de in de zaak A. 155.727/IX-4669 bestreden benoeming van de tussenkomende partij tot de graad van stagedoend technisch bureauchef heeft een weerslag op de in de zaak A. 168.190/IX-5146 bestreden benoeming van de tussenkomende partij tot de graad van technisch bureauchef. Daarenboven zijn de partijen in de beide zaken dezelfde en worden in de beide verzoekschriften deels dezelfde middelen aangevoerd. Bijgevolg dienen de zaken A. 155.727/IX-4669 en A. 168.190/IX- 5146 te worden samengevoegd. De ontvankelijkheid In de zaak A. 155.727/IX-4669 3.
- De verwerende partij werpt vooreerst op dat ingevolge de intrekking van de benoeming van Roland Van Herck tot de graad van stagedoend technisch bureauchef het beroep zonder voorwerp is geworden wat die benoeming betreft. Daarnaast werpt zij op dat verzoeker niet doet blijken van het vereiste belang bij dit beroep, vermits hij niet voldoet aan de voorwaarden om met toepassing van het collectief akkoord aangaande hogere functies en laureaten te worden bevorderd. Na een gebeurlijke vernietiging zou verzoeker op basis van de voorziene procedure dan ook niet kunnen worden bevorderd aangezien zijn naam niet is vermeld op de als bijlage 3 bij het collectief akkoord gevoegde lijst en kan hij zich derhalve geen kandidaat stellen voor de te begeven betrekkingen. Een eventuele nietigverklaring zou hem volgens de verwerende partij evenmin enig voordeel kunnen opleveren omdat het te dezen geen benoeming betreft, maar slechts IX-4669-5/17 een toelating tot de stage. Bovendien stelt zij dat verzoeker nooit is opgekomen tegen de beslissingen tot toekenning van de hogere functie van technisch bureauchef aan de tussenkomende partij. 3.
- De tussenkomende partij wijst erop dat verzoeker het collectief akkoord aangaande hogere functies en laureaten, dat een recht toekent aan een precies aantal nominatief opgesomde personeelsleden om hen te reaffecteren in de hogere functies die zij reeds uitoefenden en dat dus het karakter van een individuele beslissing heeft, niet heeft aangevochten, dat de beslissingen die verzoeker wel heeft aangevochten slechts de uitvoering zijn van dit niet aangevochten collectief akkoord, zodat hij geen belang heeft bij zijn beroep en dat de vraag zich stelt naar het aanvechtbaar karakter van een beslissing tot toelating tot een stage. 3.
- Verzoeker repliceert dat het feit dat hij niet voldoet aan de voorwaarden om op grond van het collectief akkoord te worden benoemd niet relevant is, vermits de door het administratief statuut voorgeschreven procedure had moeten worden gevolgd en niet het collectief akkoord, dat bedoeld was om de normale procedure te omzeilen. Hij stelt dan ook dat een gebeurlijke vernietiging hem wel degelijk een voordeel kan opleveren, aangezien hierdoor de beoogde betrekkingen opnieuw vacant zouden worden en verzoeker vervolgens op grond van de normale procedure daarin zou kunnen worden benoemd. Hij merkt op dat het wel degelijk om een benoeming in een bepaalde graad gaat. Het argument dat hij nooit is opgekomen tegen de aanstellingen van de tussenkomende partij in de hogere functie is niet pertinent, daar vooreerst die aanstellingen niet worden bekendge- maakt en bovendien een aanstelling in een hogere functie in se tijdelijk en uitzonderlijk is en wordt opgeheven wanneer die betrekking ingevolge een normale benoemingsprocedure wordt ingevuld. 3.4.
- Er dient te worden vastgesteld dat het beroep zonder voorwerp is in de mate dat het gericht is tegen de benoeming van Roland Van Herck tot stagedoend technisch bureauchef, nu deze benoeming werd ingetrokken en dus geacht moet worden nooit te hebben bestaan. 3.4.
- Voorts stelt de verwerende partij terecht dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden om op grond van de procedure voorzien in het collectief akkoord aangaande hogere functies en laureaten te worden benoemd en hij om die reden niet wordt vermeld op de als bijlage 3 bij dit akkoord gevoegde IX-4669-6/17 lijst. Hierna zal evenwel ambtshalve worden onderzocht of dat collectief akkoord wel een wettige rechtsgrond kan vormen voor de bestreden benoeming van de tussenkomende partij. In die zin is de ontvankelijkheid van de vordering verbonden met het onderzoek van de grond van de zaak. 3.4.
- De beslissing van het directiecomité waarbij de tussenkomende partij wordt benoemd tot stagiair technisch bureauchef wijzigt diens rechtspositie en is derhalve voor vernietiging vatbaar. Uit het feit dat het een benoeming betreft tot de graad van “stagedoend” technisch bureauchef, kan geen gebrek aan belang in hoofde van verzoeker worden afgeleid. De bevorderingen gebeuren krachtens artikel 50 van het administratief statuut van de ambtenaren van Belgocontrol steeds slechts na het met vrucht doorlopen van een stage en zelfs als stagiair bezet de benoemde een betrekking van die graad in het kader. 3.4.
- Voorts kan niet worden ingezien hoe het feit dat verzoeker nooit de aanstelling van de tussenkomende partij in de hogere functie van waarnemend technisch bureauchef heeft aangevochten hem zijn belang zou ontnemen bij het aanvechten van de benoeming van de tussenkomende partij tot de graad van stagedoend technisch bureauchef, nu die aanstelling geen uitstaans heeft met de benoemingsprocedure, door andere noodwendigheden is ingegeven en van tijdelijke aard is, en in elk geval een einde neemt met de benoeming in die functie. In de zaak A. 168.190/IX-5146 4.
- De verwerende partij werpt op dat de vierde bestreden beslissing die door verzoeker wordt omschreven als “de beslissing van Belgocontrol tot vacantverklaring van de betrekking van technisch bureauchef zoals bekendgemaakt op 22 september 2003 bij bericht nr. 66” niet bestaat, aangezien dit bericht een benoemingsvoorstel bevat en geen vacantverklaring. Wat de tweede bestreden beslissing betreft, met name de goedkeuring van het collectief akkoord aangaande hogere functies en laureaten door het paritair comité, werpt de verwerende partij op dat deze niet binnen de annulatiebevoegdheid van de Raad van State valt. Het paritair comité is volgens haar geen administratieve overheid in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en het in de schoot van dit comité tot stand gekomen akkoord IX-4669-7/17 is dan ook geen éénzijdige beslissing maar wel het resultaat van een dialoog tussen werkgever en werknemers. De verwerende partij is voorts van mening dat het verzoekschrift laattijdig is voor zover het gericht is tegen de beslissingen waarbij aan de tussenkomende partij de hogere functie van waarnemend technisch bureauchef werd toegekend, zijnde het derde voorwerp van het beroep. Verzoeker was immers de facto op de hoogte van deze beslissingen, aangezien de tussenkomende partij geruime tijd die functie heeft uitgeoefend en als dusdanig de hiërarchische overste was van verzoeker. Minstens was hij hiervan reeds op de hoogte bij het indienen van zijn verzoekschrift in de zaak A. 155.727/IX-
- Wat de eerste bestreden beslissing betreft, met name de benoeming van de tussenkomende partij tot technisch bureauchef, stelt de verwerende partij dat verzoeker niet over het vereiste belang beschikt om die beslissing aan te vechten, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden om op basis van het collectief akkoord aangaande hogere functies en laureaten benoemd te worden tot technisch bureauchef. Zijn naam komt immers niet voor op de als bijlage 3 bij dat akkoord gevoegde lijst. Aldus zou een vernietiging hem geen voordeel kunnen opleveren, vermits hij op basis van de voorziene procedure toch niet zou kunnen worden benoemd. Ook om een andere reden doet verzoeker volgens de verwerende partij niet blijken van het vereiste belang om deze beslissing te bestrijden. Met name zou de benoemende overheid met toepassing van het collectief akkoord slechts over een gebonden bevoegdheid beschikken om de tussenkomende partij te benoemen, nu deze haar stage met een gunstig verslag heeft beëindigd. Aldus zou, na een eventuele vernie-tiging van haar benoeming tot ambtenaar in stage en van haar definitieve benoeming, de overheid geen andere keuze hebben dan de tussenkomende partij opnieuw te benoemen, zodat deze vernietiging verzoeker geen voordeel zou kunnen opleveren. 4.
- De tussenkomende partij voegt hieraan toe dat voormeld collectief akkoord een precies aantal personen beoogt en bijgevolg een individuele strekking heeft en dat de eerste bestreden beslissing slechts dat akkoord uitvoert, zodat verzoeker er geen belang bij heeft om die beslissing aan te vechten, nu dat akkoord definitief is. 4.
- Verzoeker repliceert dat het paritair comité wel degelijk een administratieve overheid is in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Hij stelt dat in elk autonoom overheidsbedrijf krachtens artikel IX-4669-8/17 30 van de wet van 21 maart 1991 een paritair comité wordt opgericht dat bevoegd is om krachtens artikel 35, § 2, van die wet het personeelsstatuut vast te stellen en dat het collectief akkoord aangaande hogere functies en laureaten een wijziging of aanvulling van het personeelsstatuut beoogt. Aldus oefent het paritair comité binnen Belgocontrol volgens hem een deel van de openbare dienst uit, met name het vaststellen van het personeelsstatuut en is de benaming (collectief akkoord) die het paritair comité aan de bestreden rechtshandeling geeft of de opvatting die het daarover heeft niet determinerend. De bepalingen van het personeelsstatuut van een autonoom overheidsbedrijf belast met een openbare dienst zijn van reglementaire aard, ook al worden ze vastgesteld door het paritair comité in een zogenaamd akkoord, dat wordt ondertekend door vertegenwoordigers van de vakbonden en van de verwerende partij. Voorts benadrukt verzoeker dat het niet het akkoord zelf is, maar wel de beslissing tot goedkeuring ervan door het paritair comité, waarvan de vernietiging wordt gevorderd. Wat het derde voorwerp van het beroep betreft, argumenteert verzoeker dat de beroepstermijn niet verstreken is daar hij tijdig is opgekomen tegen de benoeming van de tussenkomende partij tot stagedoend technisch bureauchef. Verzoeker stelt dat op het ogenblik dat de hogere functies werden toegekend hij er nog geen belang bij had deze te bestrijden, aangezien hij niet wist en ook niet moest verwachten dat zij tot een uiteindelijke benoeming zouden leiden. Met betrekking tot de eerste bestreden beslissing repliceert verzoeker dat het niet relevant is dat hij niet zou voldoen aan de voorwaarden die in het collectief akkoord zijn gesteld om te worden bevorderd, aangezien dit akkoord onwettig is en de normale bevorderingsprocedure uitsluit. Wat de gebonden bevoegdheid van de verwerende partij betreft om de tussenkomende partij te benoemen, stelt hij dat de verwerende partij zelf bepaalt of de stage met goed gevolg werd doorlopen, zodat er in casu geen sprake is van een gebonden bevoegdheid. 4.4.
- Wat betreft de vierde bestreden beslissing, is het juist dat bericht nr. 66 van 22 september 2003 geen betrekking heeft op de vacantverklaring van de betrekking van bureauchef. Het is duidelijk dat de omschrijving van het voorwerp door verzoeker op dit punt door een vergissing is aangetast. In werkelijkheid blijkt het beroep gericht te zijn tegen bericht nr. 37 van 22 mei 2003, waarbij drie betrekkingen van technisch bureauchef (radio) vacant verklaard worden. IX-4669-9/17 Ambtshalve moet evenwel worden vastgesteld dat verzoeker tegen de laatstgenoemde vacantverklaring geen middel inroept. In zoverre het beroep daartegen gericht is, moet het onontvankelijk verklaard worden. 4.4.
- Wat de tweede bestreden beslissing betreft, is er geen verschil tussen een collectief akkoord en de beslissing van het paritair comité waarbij dat akkoord wordt goedgekeurd. Het paritair comité neemt slechts één beslissing, met name het sluiten van het collectief akkoord. De inhoud van die beslissing is het collectief akkoord. Aldus vordert verzoeker de vernietiging van het collectief akkoord aangaande hogere functies en laureaten. De verwerende partij voert terecht aan dat dit geen voor vernietiging vatbare akte is, evenwel niet omdat het een akte van contractuele aard zou zijn, maar wel omdat het geen uitvoerbare akte is. Immers, luidens artikel 34, § 1, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven is het de raad van bestuur die bevoegd is om het personeelsstatuut op te stellen en te wijzigen. Volgens artikel 30, § 2, 2/, van die wet hebben de paritaire comités in de autonome overheidsbedrijven enkel de bevoegd- heid gekregen om de onderhandelingen te voeren met de representatieve vakorgani- saties wat de vaststelling van het personeelsstatuut overeenkomstig de artikelen 33 of 35 van die wet betreft. Artikel 35, § 2, van die wet bepaalt dat de raad van bestuur gebonden is door elke regeling die door het paritair comité met tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen wordt vastgesteld en die het voorwerp uitmaakt van een voorstel in de zin van artikel 35, § 1, van die wet. Hieruit blijkt dat een akkoord met betrekking tot de vaststelling van de grondregelen van het personeelsstatuut, dat in het paritair comité wordt gesloten met een tweederde meerderheid, niet meer is dan een bindend advies aan de raad van bestuur over een voorstel van reglementering dat door deze zelf of door de syndicale organisaties is voorgelegd. Enkel de bevestiging ervan door de raad van bestuur maakt dat voorstel uitvoerbaar. Alleen die beslissing van de raad van bestuur is rechtscheppend en voor vernietiging vatbaar. Verzoeker vordert uitdrukkelijk de nietigverklaring van de beslissing van het paritair comité tot goedkeuring van voormeld collectief akkoord. Om de genoemde redenen is het beroep niet ontvankelijk voor zover het gericht is tegen de tweede bestreden beslissing. IX-4669-10/17 4.4.
- Wat het derde voorwerp van het beroep betreft, dient te worden vastgesteld dat verzoeker geen enkel middel aanvoert dat gericht is tegen de beslissingen van de afgevaardigd bestuurder waarbij aan de tussenkomende partij de hogere functie van waarnemend technisch bureauchef wordt toegekend. In zoverre het beroep tegen die beslissingen is gericht, is het niet ontvankelijk. 4.4.
- Wat de eerste bestreden beslissing betreft, dient te worden vastgesteld dat de beslissing van de afgevaardigd bestuurder waarbij de tussen- komende partij wordt bevorderd tot technisch bureauchef diens rechtspositie wijzigt en derhalve vatbaar is voor vernietiging. Voor het overige zal hierna ambtshalve worden onderzocht of het collectief akkoord aangaande hogere functies en laureaten wel een wettige rechtsgrond kan vormen voor de bestreden benoeming van de tussenkomende partij en is de ontvankelijkheid van de vordering in die zin verbonden met het onderzoek van de grond van de zaak. De grond van de zaak 5.
- Er dient ambtshalve te worden onderzocht of de bestreden benoemingen van de tussenkomende partij in beide zaken een wettige rechtsgrond hebben. Deze benoemingen steunen, zoals blijkt uit het administratief dossier en uit de verwijzingen in de benoemingsbesluiten zelf, op het collectief akkoord aangaande hogere functies en laureaten dat op 31 maart 2004 werd goedgekeurd in het paritair comité. Dit collectief akkoord is eigenlijk een wijziging van de statutaire regels daar het, zij het slechts voor welbepaalde bij naam aangeduide ambtenaren, een speciale bevorderingsregeling invoert. De bedoeling van het akkoord is om ambtenaren die met een hogere functie zijn belast, vast te kunnen benoemen in die graad zonder de normale bevorderingsprocedure te moeten volgen. Het staat vast dat het regels invoert die moeten worden gerekend tot het statuut van het personeel. Evenwel is het paritair comité daarvoor niet bevoegd. Het kan terzake enkel, mits een tweederde meerderheid, een bindend advies geven aan de raad van bestuur die, zoals reeds gezegd, het enig bevoegde orgaan is om statutaire regels vast te stellen. Het is alleen de raad van bestuur die het paritair akkoord kan omzetten in statutaire bepalingen. IX-4669-11/17 Zolang dat niet is gebeurd, is dit paritair akkoord niet meer dan een bindend advies aan de raad van bestuur. 5.
- In haar laatste memorie in beide zaken zet de verwerende partij uiteen dat het collectief akkoord aangaande hogere functies en laureaten, als onderdeel van een pakket van vier collectieve akkoorden, op omstandige wijze werd toegelicht aan de leden van de raad van bestuur tijdens zijn vergadering van 25 maart 2004, dat dit akkoord bij unanimiteit tot stand is gekomen in de vergadering van het paritair comité van 31 maart 2004 en dat dit akkoord tijdens de zitting van de raad van bestuur op 7 april 2004 een laatste maal werd besproken, waarbij er consensus bestond onder de aanwezigen omtrent de totstandkoming ervan. Zij wijst op artikel 35, § 2, van voormelde wet van 21 maart 1991 dat uitdrukkelijk bepaalt dat een regeling “vastgesteld” in het paritair comité met een tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen bindend is voor de raad van bestuur en zij stelt, in essentie, dat nu het collectief akkoord met unanimiteit door het paritair comité werd goedgekeurd, de raad van bestuur over geen enkele bevoegdheid ter zake meer beschikte, zodat een rechtskrachtige statutaire bepaling tot stand is gekomen bij beslissing van het paritair comité van 31 maart
- 5.
- Uit voornoemde memorie en uit het proces-verbaal van de vergadering van 25 maart 2004 blijkt dat de raad van bestuur over ontwerpen van collectief akkoord heeft gedebatteerd op een ogenblik dat de collectieve akkoorden nog niet waren gesloten binnen het paritair comité. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de raad van bestuur ter zake enig standpunt heeft ingenomen. Uit het proces- verbaal van de vergadering van 7 april 2004 blijkt dat de voorzitter van de raad van bestuur onder het agendapunt “Diversen” heeft meegedeeld dat vier akkoorden (waaronder het collectief akkoord aangaande hogere functies en laureaten) als één collectief akkoord met unanimiteit waren goedgekeurd. Dit is evenwel niet meer dan een mededeling. Er blijkt dan ook niet dat de raad van bestuur de in het paritaire comité gesloten overeenkomst werkelijk heeft bevestigd en aldus omgezet in rechtskrachtige statutaire bepalingen. Bijgevolg is het collectief akkoord geen uitvoerbare reglementaire tekst. 5.
- Uit het voorgaande volgt dat de bestreden benoemingen geen rechtsgrond kunnen vinden in de regels van dat akkoord en dat de voorwaarden van het akkoord derhalve niet kunnen worden ingeroepen om verzoeker zijn belang bij het aanvechten van die benoemingen te ontzeggen. Integendeel zou een gebeurlijke IX-4669-12/17 vernietiging verzoeker wel degelijk een voordeel kunnen opleveren, indien hij blijkt te voldoen aan de voorwaarden om volgens de regelmatig vastgestelde statutaire regels te worden bevorderd. Beide beroepen zijn dan ook ontvankelijk in de mate dat ze gericht zijn tegen de benoeming van de tussenkomende partij tot stagedoend technisch bureauchef of tot technisch bureauchef in vast verband. Het feit dat de verwerende partij in haar laatste memorie te kennen geeft dat de raad van bestuur op één van zijn volgende zittingen zal worden uitgenodigd om in duidelijke bewoordingen het collectief akkoord te bevestigen, doet hieraan geen afbreuk. 6.
- In een eerste middel voert verzoeker in beide zaken de schending aan van artikel 36, § 1, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven en van artikel 43, §§ 3 en 5, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Hij citeert artikel 36, § 1, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, dat bepaalt dat deze bedrijven onderworpen zijn aan de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken en stelt dat Belgocontrol een dienst is waar krachtens artikel 43, § 3, van die wetten taalkaders moeten worden opgesteld en krachtens artikel 43, § 5, de bevorderingen moeten geschieden per taalkader. Verzoeker voert aan dat er voor Belgocontrol geen taalkaders bestaan, zodat de eerste bestreden benoeming, die gebeurde bij opstoting van de vijfde naar de derde taaltrap, zoals deze trappen indertijd bestonden bij de Regie der Luchtwegen, onwettig is. 6.
- De verwerende partij stelt in de eerste zaak dat er geen sprake is van een bevordering in de zin van artikel 43, § 5, van de gecoördineerde wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, omdat het slechts gaat om een toelating tot de stage in de graad van technisch bureauchef en niet om een bevordering in die graad. Bovendien zijn verzoeker en de tussenkomende partij van dezelfde taalrol, zodat het middel volgens haar niet dienstig is. In de tweede zaak repliceert zij dat de procedure “reaffectatie”, voorzien in het collectief akkoord, een punctuele procedure betreft die tot doel heeft IX-4669-13/17 een oplossing te voorzien voor een door de sociale partners geïdentificeerd probleem, met name met betrekking tot toegekende hogere functies. De procedure reaffectatie heeft, zo stelt de verwerende partij, in die zin geen uitstaans met de gebruikelijke regels inzake bevordering en heeft de facto geen enkele wijziging gebracht in de functionele en hiërarchische structuren en verhoudingen. De impact van de regularisatie op de taalverhoudingen zou dan ook onbestaande zijn. 6.
- In haar laatste memorie in beide zaken stelt de verwerende partij dat verzoeker niet aantoont dat het taalevenwicht zou zijn geschonden en dat aldus de ratio legis van de gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken van 18 juli 1966 niet zou zijn gerespecteerd. Zij stelt dat zij er bij de organisatie van haar diensten rekening mee houdt om over het nodige personeel te beschikken teneinde de zaken conform de taalwetgeving te kunnen afhandelen. 6.4.
- Artikel 36, § 1, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven luidt als volgt: “De autonome overheidsbedrijven (...) zijn onderworpen aan de bepalingen van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.” Krachtens artikel 170 van de voornoemde wet van 21 maart 1991 heeft Belgocontrol tot taak: 1/ de veiligheid van het luchtverkeer te waarborgen in het luchtruim waarvoor de Belgische Staat verantwoordelijk is; 2/ op de luchthaven Brussel-Nationaal de bewegingen van de luchtvaartuigen te controleren bij de nadering, de landing en het opstijgen en op de landings- en rolbanen, alsook de geleiding van de luchtvaartuigen op de platforms, en de veiligheid te waarborgen op de gewestelijke openbare luchthavens en luchtvaart-terreinen overeenkomstig het samenwerkingsakkoord dat daarover met de gewesten is gesloten; 3/ aan de politie-, luchtvaart- en luchthaveninspectiediensten inlichtingen te verschaffen betreffende de luchtvaartuigen, de besturing, de bewegingen en de waarneembare gevolgen ervan; 4/ weerkundige inlichtingen te verschaffen voor de luchtvaart, alsook telecommu- nicatiediensten of andere diensten te verstrekken die verband houden met de activiteiten genoemd in 1/ en 2/. IX-4669-14/17 Uit die opsomming van taken blijkt dat Belgocontrol een “centrale dienst” is, dit is een dienst waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt. Belgocontrol valt derhalve onder de toepassing van artikel 43 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Paragraaf 3 van die laatste bepaling voorziet in de verplichting voor de Koning om voor de centrale diensten taalkaders vast te stellen. Weliswaar bepaalt artikel 48, tweede lid, van de genoemde gecoördineerde wetten dat de Koning bijzondere maatregelen kan nemen, met het oog op de regeling van de toepassing van die wetten op onder meer Belgocontrol, maar van die mogelijkheid heeft de Koning geen gebruikgemaakt. De bestreden benoemingen van de tussenkomende partij, zowel deze tot stagedoend technisch bureauchef als deze tot vastbenoemd technisch bureauchef, zijn benoemingen in de zin van de taalwetgeving. Er kan niet worden ingezien hoe het feit dat ze gebeuren op grond van een regeling die tot doel heeft een punctueel probleem op te lossen, tot een andere conclusie zou leiden. Ook het feit dat de tussenkomende partij de functie in dewelke zij werd benoemd reeds zou bezetten op grond van een hogere functie is geenszins van aard om te kunnen besluiten dat die benoemingen zouden kunnen gebeuren zonder taalkaders. Het gaat immers om benoemingen in welbepaalde betrekkingen. Met zijn arresten nr. 34.839 van 2 mei 1990, nr. 40.175 van 27 augustus 1992 en nr. 45.695 van 19 januari 1994, heeft de Raad van State de taalkaders van de Regie der Luchtwegen in hun totaliteit vernietigd. De verwerende partij toont niet aan, en beweert trouwens ook niet, dat er sinds deze vernietiging nieuwe taalkaders zijn opgesteld. De bestreden benoemingen zijn dan ook gebeurd zonder dat de rechtens vereiste taalkaders waren vastgesteld. 6.4.
- Het is uiteraard zo dat de verzoeker zelf evenmin rechtsgeldig benoemd zou kunnen worden, zolang er geen taalkaders zijn vastgesteld maar dit betekent niet, gelet op de verschillende arresten waarmee de Raad van State benoemingen vernietigde wegens ontstentenis van taalkaders, dat daarom de verzoeker geen belang heeft bij dit middel of bij zijn beroep. Een middel gesteund IX-4669-15/17 op de schending van de taalwetgeving moet trouwens, aangezien deze van openbare orde is, zelfs ambtshalve worden opgeworpen en de Raad van State moet op grond daarvan, ongeacht het belang van verzoeker bij zulk middel, de bestreden akte nietig verklaren. 6.4.
- Het middel is in beide zaken gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De zaken A. 155.727/IX-4669 en A. 168.190/IX-5146 worden samengevoegd. Artikel
- Vernietigd worden de beslissing van 14 juli 2004 van het directiecomité van BELGOCONTROL waarbij Miguel GARCIA DEL PINO wordt bevorderd tot de graad van stagedoend technisch bureauchef en de beslissing van 13 september 2005 van de afgevaardigd bestuurder van BELGOCONTROL waarbij diezelfde persoon in vast verband wordt benoemd tot de graad van technisch bureauchef. Artikel
- Voor het overige worden beide beroepen verworpen. IX-4669-16/17 Artikel
- De kosten van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst in beide zaken, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 16 februari 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-4669-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.503 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.