id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.509 Rolnummer: A. 187845/XIV-30332 Zaak: Arrest 190509 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-13 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 18:03 Fiche Arrest nr 190.509 van 16 februari 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.509 van 16 februari 2009 in de zaak A. 187.845/XIV-30.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. BUYSSE, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Gambiaanse nationaliteit, op 11 april 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 8423 van 7 maart 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2807 van 10 juni 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 20 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 januari 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.332-1/16 Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. BUYSSE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché S. DUPONT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX komt op 9 september 2007 België binnen en vraagt op 11 september 2007 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 20 december 2007 door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
- Verzoekster tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 7 januari 2008 beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
- Op de zitting van 6 maart 2008 wordt verzoekster, bijgestaan door Advocaat D. DUMERY, loco Advocaat S. BUYSSE, gehoord. 1.
- Op 7 maart 2008 neemt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij aan verzoekster de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. Dit arrest is als volgt gemotiveerd : “
- Het feitenrelaas luidt volgens de bestreden beslissing als volgt: “U verklaart een Gambiaans staatsburger van Fulla-origine te zijn afkomstig van Serrekunda. Na het overlijden van uw ouders groeide u op bij uw tante (Y.S.). U leerde uw vriend (B.F.) kennen. Uw vriend was christen en u bent moslim. Uw tante wilde niet dat u uw vriend nog langer ontmoette. U werd zwanger en u dacht dat zo uw vriend door uw tante aanvaard zou worden, wat niet het geval was. In april 2004 werd uw dochter geboren. Toen uw dochter groot genoeg was om vast voedsel te eten, eiste uw tante dat u uw dochter naar uw vriend zou XIV-30.332-2/16 brengen. Zijn familie diende voor uw dochter te zorgen en u kon haar af en toe bezoeken. Hierna plande uw tante een traditioneel huwelijk voor u. U diende te trouwen met (M.B.), een religieuze leider. Uw familieleden brachten u in februari 2007 naar het huis van deze man, waar de traditionele huwelijksceremonie plaatsvond. U werd door deze man mishandeld en seksueel misbruikt. U kon de situatie niet langer houden en besloot te vluchten. U vluchtte naar London Corner in Serrekunda, waar u E., een Nigeriaanse man ontmoette. Hij beloofde u te helpen, nadat u hem uw situatie had uitgelegd. U verbleef enkele weken bij E., die uw reis regelde. U hebt Gambia per vliegtuig verlaten begin september 2007 en op 11 september 2007 in België asiel gevraagd.”
- De verklaringen van de kandidaat-vluchteling kunnen een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze plausibel, geloofwaardig en eerlijk zijn (J. HATHAWAY, The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto- Vancouver, 1991, 84). De verklaringen mogen niet in strijd zijn met algemeen bekende feiten. De bewijslast berust in beginsel bij de kandidaat-vluchteling die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas en bij het ontbreken van dergelijke elementen, hiervoor een aannemelijke verklaring dient te geven. Het voordeel van de twijfel kan slechts worden verleend indien alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, 204). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet niet bewijzen dat de feiten onwaar zouden zijn (R.v.St., X, nr. 43.027, 19 mei 1993) en het is niet de taak van de Raad zelf de lacunes in de bewijsvoering van de vreemdeling op te vullen (R.v.St., X, nr. 173.197, 5 juli 2007). De ongeloofwaardigheid van een asielrelaas kan niet alleen worden afgeleid uit tegenstrijdigheden, maar ook uit vage, incoherente en ongeloofwaardige verklaringen. 3.
- De motivering van de bestreden beslissing luidt als volgt: “(…) Zo dient te worden opgemerkt dat de door u aangehaalde problemen van familiale aard zijn, gezien u enkel problemen kende met uw tante en met de door haar aan u toegewezen echtgenoot. U stelt zelf uitdrukkelijk een familieprobleem te hebben gehad in uw land van herkomst (zie gehoor CGVS, p.18). Uit uw verklaringen blijkt dat u nooit enige problemen kende met de Gambiaanse autoriteiten. U verklaart dat uw tante tegen uw relatie was met uw vriend (B.) en dat zij uw huwelijk regelde met (A.M.). U blijkt echter niet te weten waarom uw tante wilde dat u met deze man diende te huwen (zie gehoor CGVS, p.12), noch blijkt u te weten waarom (A.M.) met u wilde trouwen (zie gehoor CGVS, p.16). Het is dan ook merkwaardig dat u niet meer uitleg vroeg of u zich sterker verzette tegen dit huwelijk, en u kortweg stelt dat u met hem diende te trouwen, omdat men een oudere, in dit geval uw tante, diende te gehoorzamen (zie gehoor CGVS, p.16), wat weinig overtuigend overkomt. Bovendien dient te worden opgemerkt dat u geen ernstige poging ondernam om u zich aan het huwelijk met (A.M.) te onttrekken. Zo stelt u dat u er wel aan had gedacht om voor het huwelijk weg te lopen, maar dat dit niet mogelijk was (zie gehoor CGVS, p.17). U stelt ontwijkend dat u geen liefde kreeg van uw tante. Toch gehoorzaamde u uw tante om terug te keren naar (A.M.), nadat u zijn huis had verlaten omdat hij u had geslagen (zie gehoor CGVS, p.15), waardoor men toch niet kan spreken over een uitdrukkelijk verzet tegen uw huwelijk. U verklaart dat (A.M.) eerder gehuwd was, maar van zijn eerste vrouw gescheiden is (zie gehoor CGVS, p.13). Uzelf stelt een scheiding niet te hebben gevraagd (zie gehoor CGVS, p.15), hoewel uit uw verklaringen en uit de aan uw dossier toegevoegde informatie blijkt dat dit een mogelijke optie was. Daarbij verklaart u uw kind nog te hebben bezocht bij haar vader, nadat het u door uw tante verboden was nog contact te hebben met (B.) (zie gehoor CGVS, p.4). U had (B.) over het geplande huwelijk ingelicht, maar hij antwoordde dat hij niets voor u kon doen (zie gehoor CGVS, p.5 en p.16). Uit de beschikbare informatie op het Commissariaat-generaal blijkt dat interreligieuze relaties en XIV-30.332-3/16 huwelijken in Gambia wettelijk zijn en sociaal aanvaard zijn (zie informatie administratieve dossier), waardoor het des te opmerkelijker is dat u zich niet meer hebt verzet tegen het huwelijk met (A.M.). Verder dient te worden opgemerkt dat uw verklaringen geen aanwijzingen bevatten dat u actueel nog door uw familie of door (A.M.) wordt gezocht met het oog op vervolging. Uw verklaring dat u, bij terugkeer naar Gambia, uw tante of uw echtgenoot zal ontmoeten en u zal worden vergiftigd of gedood (zie gehoor CGVS, p.20), is slechts gebaseerd op veronderstellingen en vermoedens waarvoor u geen concrete elementen aanbrengt. Vervolgens dient te worden opgemerkt dat u nagelaten heeft om bescherming te zoeken in Gambia om zo aan uw tante en (A.M.) te ontkomen. U stelt niet naar de politie te zijn geweest omdat de politie zou antwoorden dat het een familie- probleem is (zie gehoor CGVS, p.19). Toch hebt u niet getracht om uw situatie ergens bij de Gambiaanse autoriteiten of organisaties te melden, hoewel u met uw vriendin en (E.) over uw problemen had gesproken. U hebt bijgevolg de beschermingsmogelijkheden in uw land van herkomst, die er volgens de toegevoegde informatie toch zijn bij mishandeling binnen het huwelijk, niet uitgeput alvorens internationale bescherming te zoeken. Uit al het voorgaande blijkt dat u bezwaarlijk kan stellen dat u uw land uit ‘vrees voor vervolging’ in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève heeft verlaten of dat u bij een eventuele terugkeer naar uw land van oorsprong een ‘reëel risico op het lijden van ernstige schade’ zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming zou lopen. U bent niet in het bezit van enig reis- of identiteitsdocument dat uw asielrelaas zou kunnen staven.” 3.
- Verzoekster voert de schending aan van artikel 1 A
(2)van de Vluchtelingencon- ventie, de artikelen 52 en 62 van de voormelde wet van 15 december 1980, de artikelen 2 en 3 van de Uitdrukkelijke Motiveringswet, de algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de rechten van verdediging en de zorgvuldigheidsverplichting, alsook een manifeste beoordelingsfout. Verzoekster wijst erop dat zij zich op heden enkel kan verdedigen op de punten welke de Commissaris-generaal aanhaalt in zijn beslissing teneinde de geloofwaardigheid of toepasselijkheid van de Conventie te weerleggen. Zij vraagt voorbehoud indien in de loop der debatten nieuwe elementen of argumenten in de nota zouden worden aangebracht teneinde de weigering te verantwoorden, om gelegenheid te krijgen zich hierop te verdedigen. Verzoekster is ervan overtuigd dat haar leven in gevaar is en stelt dat zij niet alleen vanuit haar persoonlijke ervaring spreekt, doch dat ook uit de hedendaagse situatie blijkt hoe in haar land nog steeds ernstige misbruiken bestaan. Verzoekster wijdt uit over de wat onder “vrees voor vervolging” dient te worden verstaan en betoogt dat de bestreden beslissing niet expliciet, noch impliciet vaststelt dat de gegeven aanwijzingen van een gegronde vrees voor vervolging niet ernstig zijn. Verzoekster wijst erop dat haar relaas consistent en coherent is. 3.3. De uiteenzetting van een rechtsmiddel vereist dat zowel de geschonden rechtsregel of het geschonden rechtsbeginsel wordt aangeduid als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden rechtshandeling werd geschonden (R.v.St., X., nr. 168.403, 2 maart 2007; R.v.St., X., nr. 166.392, 8 januari 2007; R.v.St., X., nr. 165.291, 29 november 2006). Verzoekster geeft niet aan op welke wijze artikel 52 van de voormelde wet van 15 december 1980 door de bestreden beslissing zou geschonden zijn, waardoor dit onderdeel van het middel onontvankelijk is. De procedure voor de Commissaris-generaal is geen jurisdictionele procedure, maar een administratieve. De rechten van verdediging zijn niet onverkort van toepassing op beslissingen die worden genomen in het kader van de Vreemdelingenwet (R.v.St., nr. 167.415, 2 februari 2007; R.v.St., nr. 98.827, 12 september 2001). Er bestaat geen verplichting tot het houden van een tegensprekelijk debat zodat verzoekster niet aantoont hoe zij een recht van verdediging kan genieten met betrekking tot de bestreden XIV-30.332-4/16 beslissing die een bestuurlijk karakter heeft. Dit onderdeel kan niet dienstig worden ingeroepen. De uitdrukkelijke motiveringsplicht, voorgeschreven in artikel 62 van de voormelde wet van 15 december 1980 en de wet van 29 juli 1991, heeft tot doel de procespartij in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat de rechtszoekende kan oordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Verzoekster brengt kritiek uit op de inhoud van de motivering, zodat de schending van de materiële motiveringsplicht wordt aangevoerd en het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht. Verzoekster brengt geen begin van bewijs bij omtrent haar identiteit of reisweg, hetgeen een negatieve indicatie inhoudt voor haar geloofwaardigheid. Uit verzoeksters verklaringen kan worden afgeleid dat de door haar weergegeven problemen van louter interpersoonlijke aard zijn en bijgevolg geen nexus vertonen met de criteria van de Conventie van Genève, gelet op het feit dat zij het land zou zijn ontvlucht nadat ze door haar tante gedwongen werd te huwen met A.M., gezien deze tante haar relatie met B., een christen, niet aanvaardde. De bestreden beslissing wijst er terecht op dat verzoekster zelf uitdrukkelijk verklaarde dat zij enkel een familiaal probleem kende in haar land van herkomst (administratief dossier, stuk 4, p. 18) en de motivering van de bestreden beslissing hieromtrent wordt door haar niet weerlegd. Zij weerlegt evenmin de argumentatie van de bestreden beslissing waar deze vaststelt dat (i) zij nooit problemen kende met de Gambiaanse autoriteiten (ii) uit haar verklaringen blijkt dat zij geen ernstige poging ondernam om zich aan het opgelegde huwelijk te onttrekken, terwijl uit de informatie die zich in het administratief dossier bevindt, blijkt dat interreligieuze relaties en huwelijken in Gambia wettelijk en sociaal aanvaard zijn (stuk 14: “landeninformatie”) (iii) haar verklaringen geen aanwijzingen bevatten dat zij actueel nog door haar familie of echtgenoot zou worden gezocht (iv) zij nagelaten heeft bescherming te zoeken in haar land van herkomst. Deze motivering, die pertinent is en steun vindt in het administratief dossier, wordt derhalve als niet- betwist en vaststaand beschouwd en door de Raad overgenomen. Het zorgvuldigheidsbeginsel legt het CGVS de verplichting op om zijn beslissing op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding. Uit de bestreden beslissing blijkt dat het CGVS gebruik heeft gemaakt van de stukken van het administratief dossier, meer bepaald de vragenlijst van het CGVS, het verslag van DVZ en het verhoorverslag van het CGVS en dat verzoekster de kans kreeg om haar asielmotieven omstandig uiteen te zetten en aanvullende bewijsstukken neer te leggen. Verzoekster ondertekende het verslag van DVZ, waarmee zij te kennen gaf dat de door haar verstrekte inlichtingen oprecht zijn. Zij maakte geen opmerkingen betreffende het gehoor bij het CGVS. De Commissaris-generaal heeft de asielaanvraag van verzoekster op een individuele wijze beoordeeld en zijn beslissing genomen met inachtneming van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak (R.v.St., X., nr. 169.222, 21 maart 2007; R.v.St., X., nr. 165.215, 28 november 2006). Het zorgvuldigheidsbeginsel is niet geschonden. Het voorafgaande in acht genomen, kan niet worden aangenomen dat verzoekster de bescherming van het land waarvan zij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging zoals bepaald in artikel 1, A
(2), van de Conventie van Genève van 28 juli
- 4.
- Verzoekster vraagt de toekenning van het statuut van subsidiaire bescherming en voert aan dat haar rechten in haar land van herkomst niet gevrijwaard zijn. Zij verwijst hiertoe naar een recent mensenrechtenrapport dat in bijlage aan het verzoekschrift toegevoegd zou zijn. Meer specifiek verwijst verzoekster naar de artikelen 2 en 3 EVRM met betrekking tot het recht op leven en het verbod van foltering. Het is volgens verzoekster onverantwoord dat zij zou moeten terugkeren naar haar land van herkomst, waar zijn gediscrimineerd en bedreigd wordt, mede gelet op haar onberispelijk verblijf in België. XIV-30.332-5/16 4.
- De Raad wijst erop dat hij in het kader van zijn bevoegdheid, bepaald in artikel 39/2,§1, van de voormelde wet van 15 december 1980, geen uitspraak doet over een terugleidingsmaatregel en aldus niet vermag artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden rechtstreeks te toetsen (zie R.v.St, nr. 173.134, 3 juli 2007). De Raad onderzoekt enkel het reële risico op foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van verzoekster in haar land van herkomst, in casu in het kader van de subsidiaire bescherming van artikel 48/4, §2, van de voormelde wet van 15 december
- Verzoeksters verwijzing naar een algemeen mensenrechtenrapport, dat bovendien niet toegevoegd werd aan het verzoekschrift, volstaat niet om in concreto aan te tonen dat zij in geval van terugkeer naar Gambia een reëel risico op ernstige schade loopt in de zin van voormeld artikel 48/
- Zij maakt bovendien niet aannemelijk dat zij de bescherming van de autoriteiten in haar land van herkomst, overeenkomstig artikel 48/5, §2 van de voormelde wet van 15 december 1980, niet kon inroepen. Ten overvloede merkt de Raad op dat verzoekster evenmin aantoont waarom zij zich niet elders in Gambia zou kunnen vestigen om de door haar voorgehouden problemen te ontvluchten. Derhalve kan haar de subsidiaire beschermingsstatus niet worden toegekend. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd.”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert: “EERSTE MIDDEL: Machtsoverschrijding; Schending van het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. Doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen meent dat de verzoeker niet als vluchteling erkend dient te worden; Terwijl de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het in volheid van rechtsmacht had dienen te onderzoeken en een beslissing nam tegen de wet. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingevolge de bepalingen van het art. 39/2 enkel de volgende bevoegdheid zou hebben met betrekking tot de beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan meer bepaald: 1/ bevestigen of hervormen; 2/ vernietigen omwille van substantiële onregelmatigheden of vernietigen omwille van het ontbreken van essentiële elementen gezien de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en hierdoor niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. Dat de Raad stelt dat: 4.
- De Raad wijst erop dat hij in het kader van zijn bevoegdheid, bepaald in artikel 39/2,§1, van de voormelde wet van 15 december 1980, geen uitspraak doet over een terugleidingsmaatregel en aldus niet vermag artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden rechtstreeks te toetsen (zie R.v.St, nr. 173.134, 3 juli 2007). De Raad onderzoekt enkel het reële risico op foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van XIV-30.332-6/16 verzoekster in haar land van herkomst, in casu in het kader van de subsidiaire bescherming van artikel 48/4, §2, van de voormelde wet van 15 december
- Verzoeksters verwijzing naar een algemeen mensenrechtenrapport, dat bovendien niet toegevoegd werd aan het verzoekschrift, volstaat niet om in concreto aan te tonen dat zij in geval van terugkeer naar Gambia een reëel risico op ernstige schade loopt in de zin van voormeld artikel 48/
- Dat de huidige Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen enkele appreciatiebevoegd- heid meer opneemt. Dat dit onder het oud wetgevend kader wel het geval was, doch actueel nog steeds nodig en verplicht is gelet op het onderstaande. Verzoekende partij betoogt dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet aan de waarborgen zoals wettelijk vastgesteld in aangehaalde middelen. Verzoekende partij meent dat zij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht tegen een beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Verzoekende partij meent dat zij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat haar beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoekende partij na het indienen van onderhavig beroep geen (geen) geactualiseerde memorie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoeker zal in eerste instantie uiteenzetten dat hij zich rechtstreeks kan beroepen op de grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. Verzoeker zal in tweede instantie uiteenzetten dat hij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat zijn beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoeker na het indienen van onderhavig beroep geen geactualiseerde memorie/conclusie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoeker zal aantonen dat het begrip "volle rechtsmacht" een bijzondere betekenis heeft en dat de betekenis varieert van materie tot materie. Verzoeker zal tenslotte in derde instantie aantonen dat de processuele waarborgen van het Europees gemeenschapsrechten volledig afwezig zijn en dit ondanks het feit dat de ganse materie van asiel thans onder het Europees recht.
- schending van de Grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten hebben rechtstreekse werking. Doordat de kern van het afdwingen van procedurele regels in het nationale recht met betrekking tot het EU gemeenschapsrecht is vervat in de Rewe Comet formule (...). “In the absence of Community rules governing the matter, it is for the domestic Legal system of each Member State to designate the courts and tribunals having jurisdiction and to lay down the detailed procedural rules governing actions for safeguarding rights which individuals derive from the direct effect of Community law. However, such rules must not be less favourable than those governing similar domestic actions, nor render virtually impossible or excessively difficult the exercise of rights conferred by Community law”. ( ECJ. 33/76 Rewe-Zentralfinanz eG & rewe-Zentral AG v. landwirtschafstskammer fur das Saarland, 1976; ECJ 45/76 Comet BVv Produktschap voor Siergewassen Eigen vertaling: Wanneer het Gemeenschapsrecht de materie niet behandelt, dient het eigen rechtssysteem van elk van de lidstaten de hoven en rechtbanken aan te duiden en dient zij gedetailleerde procedurele regels voor te schrijven die instaan voor de waarborg van de rechten waarop individuele personen zich kunnen beroepen op grond van de directe werking van het Gemeenschapsrecht. Echter deze regels mogen enerzijds XIV-30.332-7/16 niet minder gunstig zijn dan gelijkaardige rechten in het eigen rechtssysteem noch mogen zij de uitoefening van de rechten afgeleid uit het Gemeenschapsrecht virtueel onmogelijk of overdreven moeilijk maken. Richtlijn 2004/83 biedt effectief processuele grondrechten voor individuen. De richtlijn verwijst naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de "grondrech- ten” eigen aan het EU recht. Dat processuele grondrechten hier eveneens onder vallen. Overweging 10 stelt: Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder tracht deze richtlijn de menselijke waardigheid, het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden en de bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering op grond van de artikelen 1, 18 en 19 van het Handvest ten volle te eerbiedigen. Dat het begrip grondrechten duidt op de grondrechten zoals het Europees Hof van Justitie deze erkend in de rechtspraak of "grondrechten zoals zij uit de gemeenschappe- lijke constitutionele tradities van de lidstaten voorvloeien als beginselen van Gemeen- schapsrecht”. Het EHJ heeft reeds verschillende keren geoordeeld dat de algemene rechtsbeginselen waartoe ook de grondrechten behoren integraal deel uitmaken van het gemeenschaps- recht (...). Welke grondrechten juist deel uitmaken van het gemeenschapsrecht bepaalt het EHJ niet. Er bestaat geen lijst van grondrechten. Het achterliggende beginsel dat het EHJ gebruikt in zijn rechtspraak over 9 rondrechten is de bescherming van de waarheid en de vrijheid van de menselijke persoon (...). Het EHJ haalt deze grondrechten en fundamentele vrijheden uit de constitutionele tradities welke aan de Lidstaten gemeen zijn (...), alsook uit de internationale verklaringen inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de Lidstaten hun medewerking hebben verleend of waartoe ze later zijn toegetreden (...). Zo heeft het EHJ al enkele keren een grondrecht uit het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten als integraal deel uitmakend van het gemeenschaps- recht aanvaard (...). De bescherming van de grondrechten als integraal onderdeel van het gemeenschaps- recht geldt niet enkel met betrekking van de maatregelen van de EU zelf. De bescherming geldt ook voor maatregelen die de Lidstaten mogen of moeten nemen uit hoofde van het gemeenschapsrecht (...). Zodat in casu de Vreemdelingenwet voor zover zij handelt inzake materies die geregeld worden door het Europees Gemeenschapsrecht waaronder het asielrecht in overeenstemming dient te zijn met deze grondrechten. Dat in elk geval deze grondrechten rechtstreekse werking hebben. Dat het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie een samenvatting vormt van deze grondrechten. De rechtsleer stelt onder andere: "Het Handvest voegt dus strikt genomen geen rechte toe, maar visualiseert enerzijds de bekende op neutrale wijze en expliciteert anderzijds de potentie van de het gemeen- schappelijk constitutioneel erfgoed en de internationale verplichtingen van de lidstaten, onder de vorm van zogenaamde nieuwe rechten. (...)”. De preambule van het Handvest laat over de bedoeling ervan geen twijfel bestaan: "Onder eerbiediging van de bevoegdheden en taken van de Gemeenschap en de Unie en van het subsidiariteitsbeginsel, bevestigt dit Handvest de rechten die met name voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele verdragen, uit het EVRM, uit de door de Gemeenschap en de Raad van Europa aangenomen sociale handvesten, alsook uit de jurisprudentie. van het Hof van Justitie en van het Europees Hof voor de rechten van de Mens. Verzoeker verwijst naar de zaak 222/86 (Heylens) waarin voormeld principe van de rechten van verdediging bevestigd wordt. 2 . AANGEZIEN DE VRIJE TOEGANG TOT HET ARBEIDSPROCES EEN FUNDAMENTEEL RECHT IS DAT HET VERDRAG AAN IEDERE WERKNEMER VAN DE GEMEENSCHAP INDIVIDUEEL TOEKENT, IS DE MOGELIJKHEID XIV-30.332-8/16 VAN BEROEP IN RECHTE TEGEN IEDERE BESLISSING VAN EEN NATIONA- LE INSTANTIE WAARBIJ DE UITOEFENING VAN DAT RECHT WORDT GEWEIGERD, VAN WEZENLIJK BELANG OM DE PARTICULIER EEN DOELTREFFENDE BESCHERMING VAN ZIJN RECHT TE WAARBORGEN . DIT VEREISTE VORMT EEN ALGEMEEN BEGINSEL VAN GEMEENSCHAPS- RECHT, DAT VOORTVLOEIT UIT HET CONSTITUTIONELE ERFGOED DAT ALLE LID-STATEN GEMEEN HEBBEN EN DAT EVENEENS IS NEERGELEGD IN DE ARTIKELEN *6 EN *13 VAN HET EUROPEES VERDRAG TOT BESCHER- MING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS Dat de rechten van verdediging in elk geval grondrechten zijn die gegarandeerd worden door het gemeenschapsrecht. Dat verzoeker ook betoogt dat het recht op een beroep in volle rechtsmacht een grondrecht is dat wordt gegarandeerd door het gemeenschapsrecht. Volle rechtsmacht Doordat verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben en thans niet voldoet aan deze vereist. Dat de behandelingstermijn ter zitting amper 2 minuten betrof. Dat de principes van het recht van verdediging eveneens te ontwaren vallen art. 6 EVRM welke uiteraard ook een grondrecht vormt in het gemeenschapsrecht. Terwijl voor zover verzoekster verwijst naar art. 6 EVRM, zij dit enkel doet om het begrip volle rechtsmacht nader uiteen te zetten. Dat zij derhalve geen schending van het artikel op zich inroept daar het asielrecht in de huidige stand van de rechtspraak niet van toepassing is op asielaanvragen. Zodat betoogt dat het principe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen eigen onderzoek kan stellen in strijd is met het begrip "full jurisdiction" volle rechtmacht zoals vastgelegd in het EVRM en dus indirect van toepassing zijn door het feit dat dit een grondrecht uitmaakt in het gemeenschapsrecht. 'Full jurisdiction' Van belang is om te beginnen dat artikel 6 lid 1 EVRM niet alleen toegang tot een rechter garandeert maar ook eisen stelt aan de rechterlijke toetsing van overheidsoptre- den. In het kader van een procedure moet op grond van vaste jurisprudentie ten minste één rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht ('full jurisdiction') de betreffende besluiten kunnen controleren (...). De eis van 'full jurisdiction' houdt in dat de betreffende rechter de bevoegdheid moet hebben: 'to examine all questions of fact and law relevant to the dispute before it.’ (...) De rechter moet op grond van artikel 6 lid 1 EVRM dus alle voor het betreffende geschil relevante vragen van juridische en feitelijke aard kunnen onderzoeken. Het is belangrijk om expliciet te constateren dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen rechtsvragen en feitelijke vragen (...). Uit het voorgaande volgt dat de rechter om te voldoen aan de eisen van artikel 6 EVRM dus ook moet kunnen oordelen over de vaststelling van de feiten als deze relevant zijn in het geschil. Daarmee is van belang wat wordt bedoeld met 'facts relevant to the dispute'. Immers alleen met betrekking tot deze feiten geldt het vereiste van 'full jurisdiction'. Daarmee is de vraag aan de orde hoe intensief de rechter terzake moet kunnen toetsen. Uitgangspunt van de jurisprudentie van het EHRM lijkt te zijn dat de rechter een eigen oordeel over de feiten moet geven hetgeen impliceert dat hij de bestuurlijke feitenvast- stelling vol moet kunnen toetsen. Gewezen kan hier worden op de uitspraak van het EHRM in de zaak Terra Woningen t. Nederland. Daarin werd een schending van artikel 6 lid 1 EVRM aangenomen omdat de kantonrechter bij het vaststellen van een huurprijs niet zelfstandig wilde onderzoeken of er sprake was van bodemverontreini- ging (een factor bij het bepalen van de huurprijs) en het standpunt van Gedeputeerde Staten daarover zonder meer overnam. Dit ondanks het feit dat partijen van mening verschilden over de vraag of er inderdaad sprake was van bodemverontreiniging. Uit het voorgaande zou kunnen worden afgeleid dat een meer terughoudende - marginale toetsing van de feitenvaststelling nooit door de beugel zou kunnen,365 maar XIV-30.332-9/16 uit de zaak Bryan t. Verenigd Koninkrijk blijkt dat het EHRM onder bepaalde omstandigheden daarmee wel genoegen neemt (...). Deze zaak betrof een handhavings- besluit op grond waarvan de heer Bryan twee huizen moest slopen en bouwmateriaal moest verwijderen. Daartegen kwam hij vergeefs op bij het bestuursorgaan dat het besluit nam, waarna er beroep werd ingesteld bij de rechter. Daar kon echter de juistheid van de vastgestelde feiten die de basis vormden van het besluit niet meer direct worden betwist. De rechter was alleen bevoegd ten aanzien van rechtsvragen en kon geen nader bewijs ontvangen. Wel had de rechter de bevoegdheid om te beoordelen of de procedure waarin de feiten waren vastgesteld rechtmatig was en of de feitenvaststel- ling 'perverse or irrational' was. Beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling bevinden zich dus 'in de gevarenzone van artikel 6 EVRM', maar zijn gelet op de zaak Bryan niet zonder meer ongeoorloofd. Voor dergelijke beperkingen moet wel een overtuigende rechtvaardigingsgrond bestaan, zoals de aard van het materiële rechtsgebied en de daaraan verbonden bestuurlijke vrijheid en het gespecialiseerde karakter van de feitenvaststelling. Daarbij is van belang dat de bestuurlijke feitenvaststelling in een met voldoende waarborgen omklede - quasirechterlijke gespecialiseerde administratieve voorprocedure heeft plaatsgevonden. Hieruit lijkt voort te vloeien dat het in dergelijke gevallen in het licht van artikel 6 EVRM ook mogelijk is grenzen te stellen aan het inbrengen van bepaald nieuw bewijsmateriaal in de rechterlijke procedure. Sommige bewijsmateriaal vergt immers een geheel nieuwe beoordeling door de rechter, iets waartoe hij echter juist niet in staat is gelet op, bijvoorbeeld, de daartoe vereiste specialisatie. De beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling mogen in ieder geval nooit zo ver gaan dat de rechter zich geheel verlaat op het oordeel van het bestuur. Dat zou immers feitelijk betekenen dat de betrokkene opdat punt geen toegang heeft tot de rechter. Er moet in het kader van de rechterlijke procedure een debat kunnen worden gevoerd over de juistheid van het bestuurlijke feitenoordeel en de wijze waarop dat tot stand is gekomen. Het geheel uitsluiten daarvan kan blijkens de jurisprudentie van het EHRM niet door de beugel. Gewezen kan worden op de al genoemde zaak Terra Woningen t. Nederland en op de meer recente zaak Chevrol t. Frankrijk (...). Deze laatste zaak werd aan het EHRM voorgelegd nadat de Franse Raad van State (Conseil d’Etat) het beroep van verzoekster tegen de weigering haar Algerijnse artsexamen te erkennen had afgewezen. Daarbij heeft de Raad van State zijn eigen jurisprudentie gevolgd, waarbij hij, bij de beantwoording van de vraag of de betreffende verdragen toepasselijk waren, zich geheel heeft verlaten op het oordeel van een bestuursorgaan, ook waar dat de feitenvaststelling betrof. Het EHRM is daarover kritisch: ook al lijkt raadpleging van de minister door de Raad van State over de beoordeling van de voorwaarde van wederkerigheid bij de erkenning van diploma's noodzakelijk, door deze wijze van werken verplicht de Raad van State zich het oordeel te volgen van de minister, dat wil zeggen van een buiten de Raad staande en tot de uitvoerende macht behorende autoriteit, zonder het oordeel van die autoriteit aan kritiek of aan een contradictoir debat te onderwerpen. Het Hof is verder van oordeel dat met betrekking tot het inwinnen van het oordeel van de minister, dat bepalend zou zijn voor hetgeen in het geschil ter beslissing stond, voor appellante geen enkele voorziening openstond. Zij heeft geen enkele gelegenheid gekregen zich uit te spreken over het gebruik van het ministerieel oordeel, of over de formulering van de aan de minister gestelde vraag, of over de elementen van de beantwoording van die vraag. Appellante heeft aan de Raad van State verscheidene stukken overgelegd om aan te tonen dat de Algerijnse overheid de betreffende regelingen feitelijk wel degelijk toepaste. Deze stukken zijn zelfs niet onderzocht door de Raad, die derhalve niet heeft willen onderzoeken of zij een goede grondslag voor het betoog van appellante vormden. Aldus heeft de Raad zich gebonden geacht aan het oordeel van de minister, en zichzelf de bevoegdheid ontzegd om feitelijke gegevens die beslissend konden zijn voor het aan hem voorgelegde geschil in zijn beoordelingen te betrekken. Onder deze omstandighe- den kan volgens het EHRM niet worden gezegd dat appellante toegang heeft gehad tot XIV-30.332-10/16 een rechterlijke instantie die een toereikende bevoegdheid had, dan wel erkende dat zij een dergelijke bevoegdheid had, om zich te buigen over alle feitelijke en juridische kwesties die relevant waren om het geschil te beoordelen. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit evenwel niet heeft gedaan. Gebrek aan rechten van verdediging en volle rechtsmacht Zodat toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, meent verzoeker dat deze procedure geenszins voldoet. Dat de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoeker geen enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan wanneer hij terug zou keren naar zijn land van herkomst. Dat het een schending van de rechten van verdediging is daar verzoeker van mening is dat hij zich dienstig moet kunnen verweren tegen de repliek van het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Dat deze mogelijkheid in casu verboden is. Dat verzoeker eveneens verzoekt aan de Raad voor State prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luiden: "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten, die nuttig zijn om de zaak te beoordelen". "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat eenieder het recht heeft om schriftelijk te antwoorden op de antwoordbesluiten van de Lidstaat".”; 2.1.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord integraal het in het inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt en op het einde van haar “samenvattende memorie van wederantwoord” enkel stelt dat zij “kennis neemt van het verweer van verwerende partij”, “(d)at dit verweer geen afbreuk doet aan de opgeworpen middelen in al haar onderdelen” en “(d)at verzoek(st)er volhardt in zijn (haar) middelen”; 2.1.
- Overwegende dat uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan, niet blijkt - en verzoekster ook niet beweert - dat zij voor de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen de in het middel vermelde grieven betreffende de beweerde miskenning van de rechten van verdediging heeft aangevoerd; dat deze grieven niet voor het eerst voor de Raad van State kunnen worden aangevoerd; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; XIV-30.332-11/16 2.2.
- Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: “TWEEDE MIDDEL: Schending van art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verzoeker verwijst naar het eerste middel en stelt dat zijn recht op een beroep in volle rechtsmacht en zijn recht op verdediging eveneens grondrechten zijn welke door het Handvest worden gegarandeerd. Doordat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ondertekend werd op 12 december
- Dat het Handvest door verzoeker kan ingeroepen worden op grond van het adagium “patere legem quem ipsi fecisti" en dit enkel in de verticale wijze. Hij kan het met andere woorden inroepen ten aanzien van de Belgische Staat. Doordat de Kwalificatierichtlijn (2004/83) als de Procedurerichtlijn verwijzen direct naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dus ook naar art. 47 van het Handvest. In juni 2006 citeerde het Europees Hof van Justitie het Charter derwijze dat het zijn rechtstreekse werking bevestigde. Het stelde dat de vermelding in de preambule in de richtlijn voldoende was om het Charter van toepassing te maken (...). Een Advocaat Generaal van het Europees Hof van Justitie stelde dat het Handvest de uitdrukking is van het hoogste niveau , van een democratisch gevestigde politiek consensus welke thans beschouwd moet worden als een catalogus van fundamentele rechten gewaarborgd in het Gemeenschapsrecht. Dat ook het UNHCR deze visie is toegedaan. Dat verzoeker verwijst naar "The European asylum procedures directive in Legal context." Research Paper No.
- p. 20 ev. (www.unhcr.org) Dat de toepassing van art. 47 van het Handvest dan ook gewaarborgd dient te worden in alle zaken die de Europese Unie regelt waaronder het asielrecht. Dat art. 47 als volgt luidt: Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordi- gen. Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen. Terwijl de invulling van art. 47 gelijklopend is met de invulling van art. 6 EVRM met het verschil dat het toepassingsgebied zich uitstrekt niet alleen over burgerlijke en strafrechtelijke materies maar ALLE materies die het Europees recht regelt waaronder dus ook het asielrecht. Dat de tekst zowel art. 13 EVRM als art. 6 EVRM incorporeert. Zodat de rechtspraak ivm art. 6 EVRM dan ook relevant is ter beoordeling van het feit of dat onderhavig beroep voldoet aan de voorwaarde zoals gesteld in het Europees Handvest. Dat evenwel art. 47 van het handvest geen vereiste stelt van burgerlijke of politieke rechten. Dat voor het overige verzoeker verwijst naar het eerste middel.”; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord integraal het in het inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt en op het einde van haar “samenvattende memorie van wederantwoord” enkel stelt dat zij “kennis neemt van XIV-30.332-12/16 het verweer van verwerende partij”, “(d)at dit verweer geen afbreuk doet aan de opgeworpen middelen in al haar onderdelen” en “(d)at verzoek(st)er volhardt in zijn (haar) middelen”; 2.2.
- Overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - in tegenstelling tot hetgeen verzoekster meent - tot op heden geen bindende kracht heeft; dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03, waarnaar verzoekster verwijst, overigens uitdrukkelijk stelt dat “het Handvest geen bindend rechtsinstrument is”; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 2.3.
- Overwegende dat verzoekster als derde middel aanvoert: “DERDE MIDDEL: Schending van het artikel 39/56 van de Vreemdelingenwet. Schending van het artikel 39/59 van de Vreemdelingenwet. Schending van het artikel 3 van het Koninklijk besluit houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen. Doordat Art. 39/56 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: "Art. 39/
- De beroepen bedoeld in artikel 39/2 kunnen voor de Raad worden gebracht door de vreemdeling die doet blijken van een benadeling of van een belang. De Minister of diens gemachtigde kan een beroep instellen tegen een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die hij strijdig acht met de wet of met de Koninklijke besluiten die ermee in verband staan. De partijen mogen zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der Advocaten of op de lijst van de stagiairs, alsook, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, door de onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gerechtigd zijn om het beroep van advocaat uit te oefenen. Onverminderd deze mogelijkheid, wordt bij een beroep tegen een beslissing van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, deze partij vertegenwoordigd door de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, door een van de adjuncten of door een door de Commissaris-Generaal aangewezen gemachtigde." Terwijl op de zitting van de Raad was de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in casu beweerdelijk vertegenwoordigd door een attaché. Uit geen enkel stuk uit het administratief dossier blijkt dat de attaché een aangewezen gemachtigde van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen zou zijn. Verzoeker is van mening dat elkeen die beweert gemachtigd te zijn door de Commissa- ris Generaal voor de Vluchtelingen en verschijnt voor de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen hiervan bewijs dient te leveren op de zitting zelf, of minstens dat het dossier zelf een spoor bevat van deze machtiging. Ondergeschikt meent verzoeker dat een dergelijke machtiging een procedurestuk betreft dat in elk dossier dient te worden bijgevoegd zodat het controleerbaar is. Verzoeker stelt vast dat van de opgeworpen procedurekwestie geen spoor in het arrest hieromtrent te vinden. Derhalve kan geen machtiging worden aangetoond. Dat zulks een machtiging een procedurestuk betreft dat zich in het dossier dient te bevinden. Dat een algemene machtiging niet kan en indien er zulks een algemene machtiging zou bestaan dan diende de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen zulks een bewijs ten laatste op de zitting voor te brengen. XIV-30.332-13/16 Zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook toepassing had moeten maken van het artikel 39/59 § 2 van de Vreemdelingenwet. Dit artikel 39/59 §2 luidt als volgt: "§
- Alle partijen verschijnen ter terechtzitting of zijn er vertegenwoordigd. Wanneer de verzoekende partij noch verschijnt noch vertegenwoordigd is, wordt het beroep verworpen. De andere partijen die niet zijn verschenen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering of het beroep. In elke kennisgeving van een beschikking tot vaststelling van de rechtsdag wordt melding gemaakt van deze paragraaf." De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had dus moeten vaststellen dat de Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen niet geldig was vertegen- woordigd en dat het artikel 39/59 volle uitwerking diende te krijgen, met name dat er ingestemd werd met de vordering. Terwijl, toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistin- gen, Verzoekende partij meent dat deze procedure geenszins voldoet omwille van het feit dat er geen enkel onderzoek is gevoerd in feiten. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoekende partij geen enkel risico op een mensonterende behande- ling zal ondergaan wanneer zij terug zou keren naar het land van herkomst. Uiteraard schendt dit het recht van verdediging. Volgens de rechtspraak van Uw Raad dient ook de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen zich zorgvuldig te gedragen bij het nemen van zijn beslissingen. Dat het middel derhalve gegrond is. Dat verzoeker ook aantoont dat er een schending is. Er is een schending van de wet en een machtsoverschrijding. Dat door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen grondige controle naar het onderzoek van het Commissariaat Generaal werd doorgevoerd naar de mogelijke vervolging van verzoeker, in de zin van de Vluchtelingenconventie, en in de zin van de subsidiaire bescherming bij een terugkeer naar zijn land. Dat de motivatie in de bestreden beslissing, die besluit tot de ongegrondheid van verzoekers ingestelde beroep, niet afdoende en onwettig is. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nalaat de situatie van de mensenrechten grondig te beoordelen, waardoor de zorgvuldigheidsverplichting geschonden wordt. Dat derhalve verzoeker wegens zijn vlucht, wordt vervolgd bij een terugkeer naar zijn land waardoor zijn vrees en ressorteert onder de Vluchtelingenconventie. Dat de Raad van State niet oordeelt in feiten maar wel dient na te gaan of de overheid de feiten correct heeft vastgesteld. Dat de feiten hier niet werden vastgesteld. Dat de bestreden beslissing volgens de wet en hogere rechtsnormen zoals reeds uiteengezet hierdoor schendt. Dat verweerder derhalve een fout maakte en de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoeker, niet afdoende motiveerde en de wetgeving schond.”; 2.3.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord integraal het in het inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt en op het einde van haar “samenvattende memorie van wederantwoord” enkel stelt dat zij “kennis neemt van het verweer van verwerende partij”, “(d)at dit verweer geen afbreuk doet aan de opgeworpen middelen in al haar onderdelen” en “(d)at verzoek(st)er volhardt in zijn (haar) middelen”; XIV-30.332-14/16 2.3.
- Overwegende dat uit het proces-verbaal van de zitting van 6 maart 2008 en uit het bestreden arrest van 7 maart 2008 blijkt dat verzoekster en haar raadsman zonder enig voorbehoud op voormelde zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn verschenen; dat niet blijkt dat zij opmerkingen of voorbehoud hebben geformuleerd omtrent de vertegenwoordiging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat verzoekster in een administratief cassatieberoep geen rechtsmiddel kan doen gelden dat zij niet vooraf heeft onderworpen aan het administratief rechtscollege waarvan zij de beslissing bestrijdt; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster overigens meent, er geen verplichting bestaat het machtigingsbesluit in het administratief dossier op te nemen; dat voor zover verzoekster meent dat door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “geen grondige controle naar het onderzoek van het Commissariaat Generaal werd doorgevoerd naar de mogelijke vervolging van verzoek(st)er, in de zin van de Vluchtelingenconventie, en in de zin van de subsidiaire bescherming bij een terugkeer naar zijn (haar) land”, uit de motivering van het bestreden arrest genoegzaam blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen heeft onderzocht of verzoekster in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus, hetgeen, haars inziens, in casu evenwel niet het geval is; dat het derde middel, in de mate dat het al ontvankelijk zou zijn, niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-30.332-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien februari tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.332-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.509 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div