id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.521 Rolnummer: A. 185955/XII-5285 Zaak: Arrest 190521 - Diploma's - 17/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-23 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 18:10 Fiche Arrest nr 190.521 van 17 februari 2009 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.521 van 17 februari 2009 in de zaak A. 185.955/XII-
- In zake : Olaf JACOBS, die woonplaats kiest bij advocaten D. Lindemans en T. Eyskens, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3 tegen : de VZW KATHOLIEKE HOGESCHOOL KEMPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Olaf Jacobs op 20 november 2007 heeft ingediend om een administratief cassatieberoep in te stellen tegen het besluit nr. 2007/056 van 18 oktober 2007 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen; Gelet op de beschikking nr. 1.650 van 6 december 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur J. Neuts; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van verzoeker; Gelet op de beschikking van 7 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 juni 2008, welke zitting wordt uitgesteld tot de terechtzitting van 9 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-5285-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Eyskens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat A. Haegeman, die loco advocaat A. Luyten verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
- De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft in het bestreden besluit van 18 oktober 2007 de volgende feitelijke gegevens in overweging genomen : “3.
- Verzoekende partij is ingeschreven in het academiejaar 2006-2007 in de professioneel gerichte bachelor (derde programmajaar) Toegepaste Informatica aan de Katholieke Hogeschool Kempen, departement Handelswetenschappen en bedrijfskunde - Geel. 3.
- Verzoekende partij heeft zich in het academiejaar 2007-2008 opnieuw ingeschreven in het derde bachelor Toegepaste Informatica gelijktijdig met een inschrijving voor een schakelprogramma aan de Katholieke Universiteit Leuven. 3.
- De Examencommissie beslist op vrijdag 7 september 2007 na de derde examenperiode om de student als niet geslaagd te verklaren met een percentage van 59,17%. Voorliggende verzoekschriften hebben specifiek betrekking op het opleidingsonderdeel ‘Stage’ (11/20) en het opleidingsonderdeel ‘Systeemanalyse’ (6/20). 3.
- Verzoekende partij tekent bij aangetekend schrijven van 8 en 9 september 2007 (addendum) een intern beroep aan tegen de examenbeslissing van 7 september
- 3.
- Verwerende partij verklaart bij brief van 19 september 2007 dat het beroep voor wat betreft het gedeelte ‘eerste’ klacht dat betrekking heeft op het opleidingsonderdeel ‘Systeemanalyse’ ontvankelijk is en dat hierover opnieuw door de examencommissie zal beraadslaagd worden op 20 september 2007 en het beroep voor wat betreft het gedeelte ‘tweede’ klacht dat betrekking heeft op het opleidingsonderdeel ‘Stage’ onontvankelijk is. 3.
- Verwerende partij verklaart bij brief van 20 september 2007 dat de klacht met betrekking tot het opleidingsonderdeel ‘Systeemanalyse’ van verzoekende partij door de examencommissie als ongegrond wordt verklaard en de quotering van 6/20 voor het opleidingsonderdeel ‘Systeemanalyse’ wordt behouden. 3.
- Verzoekende partij stelt bij aangetekend schrijven van 24 september 2007 en bij aangetekend schrijven van 26 september 2007 een beroep in bij de Raad”. XII-5285-2/7 Het voorwerp van het beroep
- In het bestreden besluit doet de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen gelijktijdig uitspraak over twee door verzoeker ingestelde beroepen. Het beroep nr. 2007/043 met betrekking tot het opleidings- onderdeel “Stage” wordt ontvankelijk en gegrond verklaard. Het beroep nr. 2007/056 met betrekking tot het opleidingsonderdeel “Systeemanalyse” wordt ontvankelijk en ongegrond verklaard. Huidig cassatieberoep is enkel gericht tegen de uitspraak inzake het beroep nr. 2007/
- De ontvankelijkheid van het beroep
- Ter terechtzitting werpt verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid op. Overeenkomstig het bij artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voorgeschreven schriftelijk karakter van de procedure, mogen luidens artikel 24, derde lid, van het koninklijk besluit van 30 oktober 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State, op de terechtzitting geen andere middelen worden aangevoerd dan die welke, al naar het geval, in het verzoekschrift of in de memories zijn uiteengezet. Zoals de vermelding “in het verzoekschrift of in de memories” aangeeft, slaat deze bepaling eveneens op eventuele middelen van onontvankelijkheid. De door verwerende partij in een cassatieprocedure slechts voor het eerst op de terechtzitting mondeling opgeworpen exceptie is niet ontvankelijk. De gegrondheid van het beroep Standpunt van de partijen
- Verzoeker put een eerste middel onder meer uit de schending van artikel 149 van de Grondwet. Hij wijst er op dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen ten onrechte de weigering van de examencommissie om de bijzondere omstandigheden in aanmerking te nemen en over hem te delibereren, niet heeft beoordeeld. XII-5285-3/7
- Volgens verwerende partij heeft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen wel degelijk geantwoord met betrekking tot de bijzondere omstandigheden die door verzoeker ingeroepen worden, namelijk door te stellen : “De Raad herinnert eraan dat hij zijn appreciatie niet in de plaats kan stellen van de examencommissie of de bevoegde instantie en enkel kan optreden wanneer het bevoegde orgaan binnen de grenzen van zijn beoordelings- bevoegdheid, kennelijk onredelijk heeft gehandeld”. In casu heeft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangs- beslissingen artikel 149 van de Grondwet volgens verwerende partij dus niet geschonden. Beoordeling
- De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen is een administratief rechtscollege. Artikel 149 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat elk vonnis met redenen is omkleed, vermeldt een regel die onafscheidbaar is van de opdracht tot berechting van een geschil. De regel geldt voor elk contentieus college. De motivering moet aantonen op welke feiten de rechter steunt en welke gedachtegang hij volgt om zijn beslissing te nemen, zodat die beslissing voor de partijen verstaanbaar en aanvaardbaar is en zij bovendien kunnen nagaan of zij een rechtsmiddel kunnen aanwenden en zodat de Raad van State in voorkomend geval zijn opdracht als cassatierechter naar behoren kan uitoefenen en nagaan of de wet correct werd toegepast.
- In het verzoekschrift waarmee hij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen adieerde, werpt verzoeker in essentie op dat de examencommissie zich, naar zijn oordeel ten onrechte, voor zijn niet-geslaagd verklaren alleen gebaseerd heeft op het mathematische resultaat (6/20 voor het opleidingsonderdeel “systeemanalyse” en een globaal resultaat van 59%) en de (eveneens mathematische) deliberatieregels, en dat de examencommissie, opnieuw naar zijn oordeel ten onrechte, geen rekening gehouden heeft met de door hem aangevoerde bijzondere omstandigheden, zoals bepaald in artikel 36 van de Onderwijs- en examenregeling. Die bijzondere omstandigheden worden in zijn XII-5285-4/7 bezwaarschrift van 8 september 2007 omschreven als:
(1)de niet-naleving van de examenvorm en -inhoud zoals omschreven in de studeerwijzer,
(2)de medische toestand van verzoeker en
(3)het recente overlijden van verzoekers grootvader.
- Wat de argumentatie van verzoeker betreft, dat de examen- commissie ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de tweede en de derde door hem ingeroepen bijzondere omstandigheden - de medische toestand van verzoeker en het recente overlijden van zijn grootvader - is in de bestreden beslissing te lezen : “De Raad herinnert eraan dat hij zijn appreciatie niet in de plaats kan stellen van de examencommissie of de bevoegde instantie en enkel kan optreden wanneer het bevoegde orgaan, binnen de grenzen van zijn beoordelings- bevoegdheid, kennelijk onredelijk heeft gehandeld. Na onderzoek van het dossier en de toelichting gegeven tijdens de hoorzitting, is de Raad van oordeel dat de Hogeschool niet manifest onredelijk heeft gehandeld door verzoekende partij als niet geslaagd te beschouwen voor het opleidingsonderdeel ‘Systeemanalyse’.”
- De enkele overweging dat “na onderzoek van het dossier en de toelichting gegeven tijdens de hoorzitting”, de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen van oordeel is dat de hogeschool niet manifest onredelijk heeft gehandeld door verzoekende partij als niet geslaagd te beschouwen voor het opleidingsonderdeel ‘Systeemanalyse’”, levert géén voldoende inzicht in de gedachtegang van de administratieve rechter. Met name blijft iedere gedingpartij, en met hen ook de Raad van State, in het ongewisse over welke elementen -in feite of in rechte - nu precies hebben meegespeeld om tot de conclusie te komen dat de bestreden examenbeslissing “niet manifest onredelijk” is. Het wordt de Raad van State op die manier onmogelijk gemaakt om na te gaan of de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen op grond van dat onderzoek met recht tot die eindconclusie kon komen, met andere woorden om zijn wettigheidsonderzoek terzake te voeren. Nu het op grond van artikel II.21 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs, aan de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangs- beslissingen toevalt om te oordelen of de hem voorgelegde studievoortgangs- beslissing in overeenstemming is met de decretale en reglementaire bepalingen, met XII-5285-5/7 de onderwijs- en examenregeling en met de algemene administratieve beginselen, behoort het eveneens tot zijn bevoegdheid om uit te maken of de examencommissie op goede gronden en rekening houdend met alle relevante elementen - dus onder meer in overeenstemming met het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht - tot de voor hem bestreden beslissing is gekomen. Door daarover te oordelen, treedt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen geenszins in de plaats van de examencommissie.
- De door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangs- beslissingen veruitwendigde motieven voldoen niet aan de motiveringsverplichting die volgt uit artikel 149 van de Grondwet. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 18 oktober 2007 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen in zoverre er uitspraak in wordt gedaan over het beroep nr. 2007/
- Artikel
- Dit arrest zal in de registers van voormeld rechtscollege worden overgeschreven en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde beslissing. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, anders samengesteld. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de Katholieke Hogeschool Kempen vzw. XII-5285-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien februari 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-5285-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.521 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div