id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.578 Rolnummer: A. 113284/X-10677 Zaak: Arrest 190578 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 17/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-26 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 18:13 Fiche Arrest nr 190.578 van 17 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Verwerping overige Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.578 van 17 februari 2009 in de zaak A. 113.284/X-10.677. In zake : 1. de Tijdelijke Vereniging REKIN, 2. de n.v. BELMAGRI, 3. de n.v. DRAGRASA, 4. de n.v. DRAGRATRA, die woonplaats kiezen bij advocaat R. VANHOYLAND, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Kuringsesteenweg 209 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg 187. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Tijdelijke Vereniging REKIN, de n.v. BELMAGRI, de n.v. DRAGRASA en de n.v. DRAGRATRA op 23 november 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 13 juli 2001 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Limburgs Maasland op het grondgebied van de gemeenten Dilsen-Stokkem, Kinrooi, Lanaken, Maaseik en Maasmechelen, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 september 2001; Gelet op het arrest nr. 188.661 van 9 december 2008 waarbij de debatten worden heropend en de zaak opnieuw wordt opgeroepen op de terechtzitting van 23 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. COX, die loco advocaat R. VANHOYLAND verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat N. D’HAENENS, die loco advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij; X-10.677-1/12 Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging 1.1. Op de terechtzitting van 23 januari 2009 verklaren de verzoekende partijen afstand te doen van hun beroep voor wat betreft de percelen gelegen in de zones 1 en 3 (zie punt 2.1 van het feitenrelaas). Voor wat betreft de percelen gelegen in zone 2 handhaven zij hun beroep. 1.2. Met een ter post aangetekende brief van 22 januari 2009 dienen de verzoekende partijen een “bijkomende memorie” in. Het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voorziet niet in de mogelijkheid tot het indienen van een dergelijk stuk. Het wordt om deze reden uit de debatten geweerd. 2. Feiten 2.1. De eerste verzoekende partij werd opgericht door de drie overige verzoekende partijen met het oog op de uitvoering van uitbatings- en baggerwerkzaamheden in het kader van het ontgrindingsproject Kinrooi. De percelen waar de werkzaamheden plaats vinden, zijn eigendom van die drie overige verzoekende partijen. Deze percelen liggen overeenkomstig de bestemmingsvoor- schriften van het bij het koninklijk besluit van 1 september 1980 vastgestelde gewestplan Limburgs Maasland deels in recreatiegebied (door de verzoekende partijen in het verzoekschrift aangeduid als zone 1), deels in agrarisch gebied met ecologisch belang (aangeduid als zone 2) en deels in ontginningsgebied met nabestemming recreatie (aangeduid als zone 3). 2.2. Op 28 april 2000 beslist de Vlaamse regering tot de voorlopige vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Limburgs X-10.677-2/12 Maasland op het grondgebied van de gemeenten Dilsen-Stokkem, Kinrooi, Lanaken, Maaseik en Maasmechelen. De bovenvermelde zone 1 krijgt de bestemming natuurgebied; zone 2 krijgt de bestemming natuurreservaat en zone 3 krijgt de bestemming ontginningsgebied met nabestemming natuurontwikkeling. Het ontwerpbesluit overweegt ter zake: “(...) Overwegende dat de voorgestelde wijzigingen in nabestemmingen conform het ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen kaderen in de ontwikkelingsperspectieven voor de gewenste ruimtelijke structuur van de Maasvallei; dat met name in het kader van een grensoverschrijdende ontwikkelingsvisie de ecologische waarden worden versterkt, inpasbare vormen van recreatie en landbouw worden ontwikkeld en ondersteund en een ruimtelijke inkadering van de vastgelegde afbouw van de grindwinning wordt voorzien; dat tevens het nodige waterbergend vermogen in de vallei wordt gecreëerd; Overwegende dat op basis van de bepalingen van het grinddecreet in het kader van de besprekingen in het herstructureringscomité zich een acuut probleem stelt in verband met de herbestemming in relatie tot het Grensmaasproject; Overwegende dat omwille van de hoogdringendheid van realisatie zowel in het kader van het project Levende Grensmaas als van de grindherstructurering thans een gewestplanwijziging noodzakelijk wordt geacht voor landschapsherstel en natuurontwikkeling in de meest prioritaire deelgebieden; dat tevens wordt rekening gehouden met de recreatieve potenties van de zone Maaseik-Kinrooi; (...) Overwegende dat voor de locaties te Kinrooi de uitbreidingszone voor ontginning als effectief ontginningsgebied wordt aangeduid met voor de specifieke onderdelen een wijziging van de bestemming of herbestemming die beantwoordt aan de vooropgestelde doelstellingen met name natuurontwikkeling in het noordelijk gedeelte, aansluitend bij het vijver-natuurcomplex de Grote Hegge in Nederland, agrarisch gebied in het westelijk gedeelte, aansluitend bij het agrarisch gebied Boterakker te Kessenich en reserve recreatiegebied in het zuidelijk gedeelte aansluitend bij het bestaand recreatiegebied van de Spanjaardplas als belangrijk knooppunt in de waterrecreatie tussen België en Nederland; Overwegende dat noordelijk aansluitend op het Kessenicherveld het natuurgebied van het Vijverbroek uitgebreid wordt op basis van de bestaande natuurwaarden en de potenties voor natuurontwikkeling door omzetting van ecologisch waardevol agrarisch gebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied naar respectievelijk natuurreservaat en natuurgebied aansluitend bij het bestaande natuurreservaat van het Vijverbroek; dat het agrarisch gebied, deels met landschappelijk waarde wordt gewijzigd in agrarisch gebied met ecologische waarde als overgang naar het ontginningsgebied met nabestemming natuurontwikkeling ter hoogte van de zgn. kleinzone met behoud van de bestemming agrarisch gebied met landschappelijk waarde in de omgeving van het Stokbroekhof; Overwegende dat ter hoogte van Kessenich een beperkt recreatiegebied voorzien wordt als verankeringspunt enkel op het einde van een aan te leggen natuurlijke inham; dat een toegang tot dit recreatiepunt via een vaargeul in het plassengebied gewaarborgd wordt op exploitatie- en beheersniveau; dat deze X-10.677-3/12 vaargeul evenwel niet expliciet ruimtelijk kan vastgelegd worden in een gewestplanwijziging; (...)”. 2.3. Het ontwerp-gewestplan wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek van 1 augustus 2000 tot en met 29 september 2000. 2.4. De verzoekende partijen dienen op 29 september 2000 een bezwaarschrift in. Zij beklagen zich erover dat het volledig ontwerp-gewestplan niet ter inzage heeft gelegen. Met name de intentieverklaring voor een grensover- schrijdend overlegkader inzake structuur en inrichting van de Grensmaasvallei, het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, de “bepalingen” van het grinddecreet, een grensoverschrijdende ontwikkelingsvisie, het Grensmaasproject, het project Levende Grensmaas, het B.P.A. “Uitbreiding Mechelse Heide Zuid” van de gemeente Maasmechelen, blz. 188-196 en 248-258 van het MER “Zandontginning Mechelse Heide door SXCR Sibelco” zijn niet ter inzage gelegd. Verzoekende partijen menen aldus te zijn verschalkt in hun bezwaarrechten. Voorts betogen zij dat niet duidelijk is of overeenkomstig de bepalingen van het grinddecreet het Herstructureringscomité een structuurvisie heeft opgemaakt en of de Vlaamse regering een ecologische impactstudie en een studie ter bepaling van de grindreserves heeft opgemaakt. Wat betreft de wijziging van de bestemming zelf roepen de verzoekende partijen in dat de voorgestelde bestemmingswijzigingen een verzwaring van bestemming inhouden, die niet altijd wordt gemotiveerd en doen zij voorstellen inzake wijziging van bestemming. 2.5. Op 16 oktober 2000 geeft de gemeente Kinrooi een gunstig advies over het ontwerp-gewestplan. 2.6. Op 5 maart 2001 brengt de Regionale Commissie advies uit. Onder “1. Algemene bemerkingen” stelt zij het volgende: “(...) - procedure: - openbaar onderzoek : Het openbaar onderzoek werd door de Gouverneur gevoerd zoals voorgeschreven door het decreet op de ruimtelijke ordening. De documenten waarnaar verwezen werd in het besluit van 28 april 2000, zoals het MER ‘Zandontginning Mechelse Heide door SCR Sibelco’, de intentieverklaring voor het Grensmaasproject enz. werden niet ter inzage gelegd. Deze documenten zijn niet in het bezit van de Gouverneur en werden evenmin samen met het besluit en de plannen toegezonden met het oog op het openbaar onderzoek. Volgens de principes van een behoorlijk bestuur was het wenselijk geweest deze documenten bij het dossier te voegen. (...)”. X-10.677-4/12 Onder “2. Advies over de deelgebieden, volgens bijlagen” adviseert de Regionale Commissie het volgende: “2.1. BIJLAGE 1 2.1.1. Vijverbroek: gunstig advies, doch er moet rekening gehouden worden met de woning, gelegen Vijverbroekstraat 16, Kinrooi. Voor de bouw van deze woning werd een bouwvergunning afgeleverd in 1972; de woning is gelegen in AGEB. Deze woning moet in de juiste juridische context opgenomen worden. (...) 2.1.5. Vissenakker: het ontwerpplan voorziet in een wijziging van ontginningsgebied met nabestemming recreatie naar ontginningsgebied met nabestemming natuurontwikkeling. Deze wijziging wordt ongunstig geadviseerd, voor wat de nabestemming betreft. De commissie vraagt hier het behoud van de huidige bestemming, omwille van de investeringen die werden gedaan voor de ontwikkeling van de watersport, en wegens de erkenning van het recreatiegebied ‘De Spaanjerd’ in het ontwerp ruimtelijk structuurplan Limburg en in het ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. 2.1.6. Dragrasaplas: hier wordt recreatiegebied en ontginningsgebied met nabestemming recreatie gewijzigd in natuurgebied en ontginningsgebied met nabestemming natuurontwikkeling. Deze wijziging wordt gunstig geadviseerd op voorwaarde dat uitdrukkelijk rekening gehouden wordt met de mogelijkheid tot zachte recreatie. De commissie is daarom van oordeel dat een nieuw stedenbouwkundig voorschrift moet opgesteld worden waarbij de bestemming ‘recreatie rekening houdend met de natuurwaarden of bestemming natuur met faciliteiten voor natuurgerichte recreatie’ mogelijk moet zijn”. Onder “IV BEZWAARSCHRIFTEN” wordt het bezwaar van de verzoekende partijen als bezwaar nr. 358 weergegeven en beoordeeld als volgt: “Advies:
- b)het bezwaar tegen het niet ter inzage leggen van de documenten waarnaar verwezen wordt in het besluit van de Vlaamse regering wordt bijgetreden.
- c)bezwaren tegen de bestemmingswijzigingen: deze bezwaren worden niet bijgetreden, met uitzondering van de wijziging: ontginningsgebied met nabestemming recreatie naar ontginningsgebied met nabestemming NO Argumentatie:
- b)zie het eigen advies van de streekcommissie
- c)de wijziging van recreatiegebied naar natuurgebied: in het huidige gewestplan is dit gebied evenmin ingekleurd als ontginningszone. Wat de recreatie betreft heeft de commissie geadviseerd een stedenbouwkundig voorschrift op te nemen waardoor recreatie met aandacht voor de natuurwaarde of natuur met faciliteiten voor zachte recreatie. De wijziging van AGEB naar natuurreservaat ter hoogte van Vijverbroek brengt geen verzwaring van de bestemming mee voor de grindmaatschappijen, aangezien in het bestaande gewestplan evenmin ontginningsgebied is voorzien. Wijziging van ontginningsgebied met nabestemming recreatie: overeenkomstig het voorstel van het GHC wordt hier het behoud van de nabestemming recreatie gevraagd omwille van de investeringen die hier zijn gedaan”. X-10.677-5/12 2.7. Op 13 juli 2001 beslist de Vlaamse regering tot de definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Limburgs Maasland op het grondgebied van de gemeenten Dilsen-Stokkem, Kinrooi, Lanaken, Maaseik en Maasmechelen. De wijziging van recreatiegebied naar natuurgebied in de zone 1 blijft behouden. Ook de wijziging van agrarisch gebied met ecologisch belang naar natuurreservaat in de zone 2 blijft behouden. In de zone 3 wordt een wijziging doorgevoerd van ontginningsgebied met nabestemming recreatiegebied naar ontginningsgebied met nabestemming natuurontwikkeling of ontginningsgebied met nabestemming recreatie en natuur. Het bestreden besluit overweegt ter zake wat volgt: “(...) Overwegende dat de algemene principes en uitgangspunten in de motiveringen van het ontwerpplan, zoals ze vermeld staan in het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 nog relevant zijn; (...) Overwegende dat te Kinrooi de basisopties vanuit het herstructureringscomité ingewilligd worden met name enerzijds het behoud van het zuidelijk gedeelte van deze locatie (Spaanjerdplas) als volwaardig recreatiegebied en anderzijds de bijkomende aanduiding van ontginningsgebied met nabestemming recreatie voor het zuidelijk op te vullen gedeelte van Boterakker in functie van toekomstige uitbreiding en versterking van het recreatief knooppunt voor watersport; de aanduiding van het noordelijk nog op te vullen gedeelte van de Spaanjerdplas, de volledige Kessenichplas, de kleizone en de overgang naar het gebied Boterakker met nabestemming natuurontwikkeling, aansluitend met het noordelijker gelegen natuurreservaat Vijverbroek en het vijvernatuurcomplex de Grote Hegge in Nederland en de aanduiding van een overgangsgebied met nabestemming recreatie en natuur, dit evenwel in evenwaardigheid; dat deze evenwaardigheid gebaseerd is op het gegeven dat onder meer de volledige Spanjerdplas voldoet aan een aantal wetenschappelijke criteria waardoor het de facto een watergebied van internationale betekenis is; dat deze evenwaardigheid kan inhouden dat bepaalde activiteiten verboden worden in de overwinteringsperiode van watervogels; dat deze evenwaardigheid dient vastgelegd te worden in een overeenkomst op initiatief van de Vlaamse Minister, bevoegd voor Toerisme en de Vlaamse Minister, bevoegd voor Natuurbehoud; dat tenslotte het recreatief verankeringspunt te Kessenich bevestigd wordt en de aanleg van een vaargeul als toegang voor de watersport gewaarborgd wordt; Overwegende dat een bijzonder voorschrift aangewezen is met name als ‘ontginningsgebied met nabestemming recreatie en natuurontwikkeling’ om binnen in het middengedeelte, een concreter antwoord te bieden voor de evenwaardige verweving van de functies recreatie en natuur op dezelfde plaats, zoals binnen de adviezen en bezwaren wordt bepleit; Overwegende dat in het westen van dit gebied, conform het advies van de Regionale Commissie de aanleg van een vaargeul wordt voorzien, aangeduid onder een afzonderlijke bestemming met het voorschrift ‘aan te leggen waterweg’, teneinde het recreatief verankeringspunt voor watersport te Kessenich te ontsluiten; Overwegende dat aanpassingen voorgesteld zijn aan de gebieden te Kinrooi en te Maaseik, zoals weergegeven in bijlage 1, die tegemoet komen aan X-10.677-6/12 specifieke bezwaren en adviezen van Regionale Commissie over delen van het gebied; Overwegende dat perceelsgewijze uitsparing doorgevoerd wordt aan het natuurreservaat voor de bestaande vergunde woning op de grens van het landelijk woongebied en het voorziene natuurreservaat langsheen de Vijverbroekstraat te Kessenich; dat een gedeelte van het agrarisch gebied, onmiddellijk aansluitend bij het Stokbroekhof als landschappelijk waardevol agrarisch gebied kan behouden blijven; dat ter hoogte van de Nederlandse grens in ditzelfde gebied een beperkte strook met bestemming natuurontwikkelingsgebied in plaats van ecologisch waardevol agrarisch gebied aangewezen is als verbinding tussen het gebied met nabestemming natuurontwikkeling op de vroegere kleizone ten zuiden en het natuurreservaat Vijverbroek ten noorden; dat een strook natuurontwikkelingsgebied aangeduid wordt op de westgrens van het ontginningsgebied Boterakker ter vrijwaring en ontwikkeling van de natuurwaarden op de oevers langsheen de Witbeek; dat voor het gedeelte ontginningsgebied met nabestemming agrarisch gebied de overdruk ‘H’ als overstromingsgebied kan vervallen; (...)”. 3. Ontvankelijkheid 3.1. De tijdelijke vereniging, thans de tijdelijke handelsvennootschap, heeft overeenkomstig de artikelen 2, § 1 en 47 van het wetboek van vennoot- schappen geen rechtspersoonlijkheid en ontbeert bijgevolg de vereiste proces- bekwaamheid. Het beroep is bijgevolg onontvankelijk in hoofde van de eerste verzoekende partij. 3.2.1. De verwerende partij voert aan dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij de vernietiging. De verzoekende partijen doen op de percelen waarvan zij eigenaar of exploitant zijn weliswaar aan grindwinning, maar het bestreden besluit wijzigt de bestemming van de percelen, gelegen in zone 2 van agrarisch gebied met ecologisch belang naar natuurreservaat. Er kan dus geen sprake zijn van een verzwaring van de bestemming in hoofde van de verzoekende partijen. 3.2.2. Aangezien het bestreden besluit een wijziging aanbrengt in de bestemming van de percelen waarvan de verzoekende partijen de eigenaar of de exploitanten zijn en zij zich door die wijziging gegriefd weten, beschikken zij over het rechtens vereiste belang om het bestreden besluit aan te vechten.Wel moet worden aangenomen dat het belang van de verzoekende partijen bij de vernietiging beperkt blijft tot de percelen gelegen in zone 2. 3.3. De exceptie is niet gegrond. X-10.677-7/12 4. Ten gronde 4.1.1. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 11, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), van het recht van verdediging, het fair play-beginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht. Zij betogen in een eerste onderdeel dat het volledige gewestplan niet ter inzage lag bij elke betrokken gemeente, waardoor de verzoekende partijen hun rechten niet volledig hebben kunnen uitoefenen. Door het ontbreken van bepaalde gedeelten van het ontwerp-gewestplan konden de verzoekende partijen hun bezwaarrecht niet op volledige wijze uitoefenen. Daardoor bestaat de kans dat de verwerende partij het bestreden besluit heeft genomen zonder te beschikken over alle noodzakelijke elementen. In een tweede onderdeel stellen de verzoekende partijen dat het ontwerp-gewestplan verwijst naar een aantal stukken die tijdens het openbaar onderzoek niet ter inzage lagen, met name de intentieverklaring voor een grensoverschrijdend overlegkader inzake structuur en inrichting van de Grensmaasvallei, het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, de bepalingen van het grinddecreet, het Grensmaasproject, het project “Levende Grensmaas” en het bijzonder plan van aanleg “Uitbreiding Mechelse Heide Zuid”. Door het niet ter inzage leggen van deze documenten zijn de verzoekende partijen in hun bezwaarrecht geschaad, aangezien zij hun bezwaarschrift beter hadden kunnen toespitsen op de beleidskeuzen die in het ontwerp-gewestplan werden gemaakt. 4.1.2. Artikel 11, § 2, eerste lid van het gecoördineerde decreet bepaalt het volgende: “§ 2. Na de aankondiging wordt het ontwerp-gewestplan gedurende 60 dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van elke bij het gewestplan betrokken gemeente. Het begin en het einde van deze termijn wordt in de aankondiging aangegeven”. Deze decretale bepaling schrijft voor dat in elke bij het gewestplan betrokken gemeente het ontwerp-gewestplan ter inzage moet worden gelegd. De verzoekende partijen hebben op 29 september 2000 een bezwaarschrift ingediend en stellen dat zij “bij nazicht tijdens het openbaar onderzoek van het ontwerp- gewestplan (...) op de gemeente Maaseik (...) hebben moeten vaststellen dat niet het volledige ontwerp-gewestplan ter inzage lag van elke betrokken gemeente”. Zij X-10.677-8/12 wijzen meer bepaald op “het ontbreken van bepaalde gedeeltes van het ontwerp- gewestplan”. Nog daargelaten de vraag of de verzoekende partijen zich kunnen beroepen op een beweerde tekortkoming van het openbaar onderzoek in de gemeente Maaseik of zelfs, zoals zij lijken te stellen, in “elke betrokken gemeente”, terwijl zij hun bezwaarrecht uitoefenden voor percelen gelegen in de gemeente Kinrooi, moet worden vastgesteld dat zij niet verduidelijken welke gedeeltes van het ontwerp-gewestplan precies ontbraken en in welke gemeenten dat het geval zou zijn, behalve dan de meer concreet geformuleerde grief die aan bod komt in het tweede middel-onderdeel. 4.1.3. Het eerste middelonderdeel mist feitelijke grondslag. 4.1.4. Artikel 11, § 2, eerste lid van het gecoördineerde decreet moet zo worden geïnterpreteerd dat elk onderdeel dat formeel een onderdeel uitmaakt van het door de Vlaamse regering vastgestelde ontwerp-gewestplan, ter inzage moet worden gelegd. Uit deze bepaling kan evenwel niet worden afgeleid dat de werkzaamheden, voorbereidingen of studies die tot het ontwerp-gewestplan hebben geleid of waarvan het ontwerp-gewestplan het uiteindelijke resultaat is, eveneens ter inzage moeten worden gelegd. 4.1.5. Ook uit de in het middel aangehaalde beginselen van behoorlijk bestuur kan in dezen geen actieve verplichting worden afgeleid in hoofde van de overheid om de door de verzoekende partijen aangehaalde documenten samen met de stukken die formeel behoren tot het ontwerp-gewestplan ter inzage te leggen. De verzoekende partijen laten immers na aan te tonen wat het wezenlijk belang is. Het loutere feit dat in het ontwerp-gewestplan naar deze documenten wordt verwezen, kan alleszins niet worden beschouwd als een voldoende reden om te besluiten tot een actieve verplichting in hoofde van de overheid. 4.1.6. Het tweede middelonderdeel is niet gegrond. 4.1.7. Het eerste middel is niet gegrond. 4.2.1. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 9, 10 en 17 van het decreet van 14 juli 1993 tot X-10.677-9/12 oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning (hierna: het grinddecreet). Zij betogen dat artikel 17, § 1 van het grinddecreet voorschrijft dat de Vlaamse regering naar aanleiding van een initiatief tot het wijzigen van een gewestplan binnen een grindzone een ecologische impactstudie, inclusief eco-hydrologische aspecten, moet opmaken. De Vlaamse regering staat tevens in voor een studie ter bepaling van de grindreserves waarvan de exploitatie economisch en milieutechnisch kan worden verantwoord. Uit geen enkel stuk blijkt dat deze studies werden opgemaakt, zodat een schending van een essentiële advies- verplichting voorligt die de onwettigheid van het bestreden besluit tot gevolg heeft. 4.2.2. Artikel 17, § 1 van het grinddecreet luidt als volgt: “§ 1. De Vlaamse regering neemt het initiatief tot wijziging van de betrokken gewestplannen. Zij laat een ecologische impactstudie, inclusief eco-hydrologische aspecten, maken ter bepaling van de ecologisch waardevolle zones. Daarnaast wordt een studie gemaakt ter bepaling van de grindreserves waarvan de exploitatie economisch en milieutechnisch kan worden verantwoord. De kosten van de studie vallen ten laste van het grindfonds”. 4.2.3. Opdat uit de betrokken decretale bepaling een substantiële vormvereiste kan worden afgeleid, zoals de verzoekende partijen stellen, is vereist dat uit die bepaling op voldoende duidelijke wijze naar voor komt dat de bedoelde studies moeten zijn opgemaakt opdat het betrokken gewestplan rechtsgeldig kan worden uitgevaardigd. De betrokken decretale bepaling koppelt de opmaak van de betrokken studies uitdrukkelijk aan de herziening van een betrokken gewestplan. In artikel 17, § 2 is sprake van “de overeenkomstig § 1 gewijzigde gewestplannen”, terwijl artikel 18 bepaalt dat vergunningen voor de exploitatie van nieuwe grindwinningsgebieden slechts kunnen worden afgeleverd nadat onder meer “het betrokken gewestplan is gewijzigd overeenkomstig artikel 17”. Daaruit kan worden opgemaakt dat de decreetgever de opmaak van de betrokken studies aanzag als een noodzakelijk onderdeel van de procedure voor de totstandkoming van de betrokken gewestplannen, ook al heeft hij deze verplichting niet formeel geïntegreerd in de regeling met betrekking tot deze gewestplannen. 4.2.4. Nu het bestreden besluit wijzigingen aanbrengt in de planologische bestemming van grindwinningsgebieden, waaronder de percelen van de verzoekende partijen, zonder dat de studies bedoeld in artikel 17, § 1 van het grinddecreet zijn opgemaakt, ligt een schending van deze decretale bepaling voor. X-10.677-10/12 4.2.5. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen in hoofde van de eerste verzoekende partij. Artikel 2. De afstand van het geding wordt voor de overige verzoekende partijen vastgesteld voor de percelen gelegen in zone 1 en zone 3. Artikel 3. Vernietigd wordt het besluit van 13 juli 2001 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Limburgs Maasland op het grondgebied van de gemeenten Dilsen-Stokkem, Kinrooi, Lanaken, Maaseik en Maasmechelen, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 september 2001, in zoverre het betrekking heeft op de percelen van de derde verzoekende partij gelegen te Kinrooi, ter hoogte van de Vijverbroek, kadastraal bekend sectie B, nrs. 33/c en 23/d en die bestemd werden als natuurreservaat. Artikel 4. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel 5. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit. Artikel 6. X-10.677-11/12 De kosten van het beroep, bepaald op 694,12 euro, komen ten belope van 520,59 euro ten laste van de verwerende partij en ten belope van 173,53 euro ten laste van de eerste verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien februari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-10.677-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.578 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.661 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div