id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.584 Rolnummer: A. 99426/X-12688 Zaak: Arrest 190584 - Varia (overheidsopdrachten en openbare werken) - 17/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-26 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 18:15 Fiche Arrest nr 190.584 van 17 februari 2009 Overheidsopdrachten en openbare werken - Varia (overheidsopdrachten en openbare werken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.584 van 17 februari 2009 in de zaak A. 99.426/X-12.
- In zake :
- Marc DE BEER, wonende te 9320 AALST, Blauwenbergstraat 26,
- Christiane DE BEER, wonende te 9300 AALST, Leo de Béthunelaan 72 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te 9255 BUGGENHOUT, Provincialebaan
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc DE BEER en Christiane DE BEER op 12 januari 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit nr. 97.481 HD van 16 november 2000 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw waarbij de wijziging van het tracé van een rioolwater- zuiveringsinfrastructuur op het grondgebied van de stad Zottegem volgens de procedure van hoogdringendheid van openbaar nut wordt verklaard ten gunste van de n.v. AQUAFIN; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 13 februari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; X-12.688-1/9 Gelet op de beschikking van 10 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. LENAERTS, die loco advocaat M. VAN DEN BERGHE verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat T. STEVENS, die loco advocaat I. LAUREYS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Feiten 1.
- De eerste verzoeker is eigenaar van een perceel gelegen te Zottegem (Leeuwergem), kadastraal bekend sectie A, nr. 616/d. Beide verzoekende partijen zijn ook gemeenschappelijk eigenaar van een perceel, kadastraal bekend sectie A, nr. 614/c. 1.
- Op 21 januari 2000 vraagt de n.v. AQUAFIN aan de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw op grond van artikel 32octies, § 3 van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging een ministerieel besluit te nemen houdende verklaring van openbaar nut voor de bouw van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur volgens het project nr. 97.481 “Zottegem: Aansluiting Leeuwergem” op het grondgebied van de stad Zottegem. Het project omvat onder meer de bouw van een collector op het perceel nr. 616/d van de eerste verzoeker, evenwijdig aan de lange perceelsgrens langs de spoorweg Kortrijk-Denderleeuw. Ook het perceel nr. 617/c, eigendom van mevrouw De Frenne-De Neve en eveneens gelegen naast de spoorweg, zou door een grondinneming worden belast. X-12.688-2/9 1.
- Tijdens het openbaar onderzoek dient mevrouw De Frenne- De Neve op 1 maart 2000 een bezwaarschrift in, waarin ze opmerkt dat haar bouwgrond een “grote waardevermindering” dreigt te ondergaan door het geplande tracé en waarin ze een alternatief tracé voorstelt langs het aanpalende perceel 614/c, want “door zijn kleine breedte (7,5 m min een voetwegel, nr. 22, van 2 m) is het vermoedelijk niet meer mogelijk daar een gebouw op te trekken”. Op 10 april 2000 verwerpt de n.v. AQUAFIN in een brief aan de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer (AMINAL) het bezwaar- schrift. Op 11 april 2000 stelt de dienst Milieuinvesteringen van AMINAL aan de n.v. AQUAFIN voor het alternatieve tracé nader te onderzoeken. 1.
- Op 25 juli 2000 vraagt de n.v. AQUAFIN een ministerieel besluit te nemen om, volgens de procedure bij hoogdringendheid, een wijziging van het oorspronkelijk geplande tracé van project nr. 97.481 van openbaar nut te verklaren, zodat de collector niet meer evenwijdig met de spoorwegbedding op het perceel 617/c loopt, maar naar het perceel nr. 614/c van de verzoekende partijen wordt verplaatst. De tracéwijziging wordt gunstig geadviseerd door het college van burgemeester en schepenen van de stad Zottegem en de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. 1.
- Op 23 augustus 2000 dient de eerste verzoeker bij het stadsbestuur van Zottegem een bezwaar in tegen het nieuwe tracé. 1.
- Op 13 september 2000 schrijft de n.v. AQUAFIN aan AMINAL “dat na nader onderzoek aan de vraag (van mevrouw De Frenne-De Neve) kan worden tegemoet gekomen en aldus de leiding komt te liggen op het perceel, kadastraal bekend sectie A, nr. 614/c dat gelegen is in woongebied maar door zijn configuratie onbebouwbaar is”. 1.
- Op 25 oktober 2000, in een brief aan de n.v. AQUAFIN, herhaalt de eerste verzoeker zijn bezwaar tegen de voorgestelde tracéwijziging en klaagt hij “het dubieus karakter van dit project” aan. Op 13 november 2000 antwoordt de n.v. AQUAFIN daarop als volgt: “In navolging van uw schrijven dd. 25 oktober 2000 erkennen wij dat het vooropgestelde tracé parallel met de spoorwegbedding technisch de betere X-12.688-3/9 oplossing is. Temeer daar bij een gravitaire collector de afwatering in rechte lijn onmiskenbaar de voorkeur geniet. Tijdens het openbaar onderzoek is in onderling overleg met het Vlaams Gewest besloten dat de bezwaring van de naastliggende bouwgrond niet opweegt tegenover de technische aanpassing van het tracé. Daar Aquafin niet enkel de verantwoordelijkheid heeft om zowel technisch de beste oplossing te zoeken alsook financieel en maatschappelijk de meest aanvaardbare uitvoering, zijn wij de mening toegedaan dat hier geen sprake kan zijn van een ‘dubieus karakter’”. 1.
- Op 6 november 2000 verleent de afdeling Water, dienst Milieuinvesteringen twee adviezen, waarin de dreigende waardevermindering voor het perceel 617/c wordt erkend en de tracéwijziging wordt verdedigd, aangezien het perceel 614/c “door zijn configuratie onbebouwbaar is”. 1.
- Op 16 november 2000 verklaart de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw de bouw van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur volgens het project nr. 97.481 op het grondgebied van de stad Zottegem van openbaar nut. Ingevolge de tracéwijziging wordt het perceel nr. 617/c evenwel niet in het ministerieel besluit tot verklaring van openbaar nut opgenomen. 1.
- Met een tweede ministerieel besluit van 16 november 2000 wordt, volgens de procedure bij hoogdringendheid, de tracéwijziging voor de bouw van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur volgens het project nr. 97.481 op het grondgebied van de stad Zottegem van openbaar nut verklaard. De verklaring van openbaar nut heeft betrekking op de grondinneming op het perceel nr. 614/c van de verzoekende partijen. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “Overwegende dat bij de eerste VON-aanvraag ter hoogte van inneming 13, kadastraal bekend onder afdeling 3, sectie A, perceelnummer 617 c eigendom van mevrouw Weduwe De Frenne-De Neve, de collector was voorzien langs de spoorweg en naast de zone aëdificandi; dat zoals gevraagd in het bezwaarschrift van mevrouw Weduwe De Frenne-De Neve de collector werd verplaatst naar het naast gelegen perceel nr. 614 c dat gelegen is in woongebied maar door zijn configuratie onbebouwbaar is; dat er aldus geen sprake meer kan zijn van een mogelijkse waardevermindering op haar perceel nr. 617 c; Overwegende dat daar de mogelijkheid bestaat dat de onderhandelingen met de bewuste eigenaars negatief zou verlopen en gelijktijdig voor het volledig tracé der werken met uitzondering van de innemingen 13 en 26 een ministerieel besluit tot verklaring openbaar nut met nr. 97481 aan mevrouw de minister van Leefmilieu en Landbouw ter goedkeuring wordt voorgelegd en daar de werken reeds werden aanbesteed en de inschrijvingen ingevolge de wetgeving op de overheidsopdrachten, slechts een beperkte termijn geldig blijven, werd wegens dringende redenen in toepassing van artikel 4 §7 van het besluit van de X-12.688-4/9 Vlaamse regering van 20 maart 1991 de termijn van de procedure verkort tot 30 kalenderdagen ; Overwegende dat alle stukken bij de aanvraag werden gevoegd ; Overwegende dat het openbaar onderzoek werd georganiseerd door de stad Zottegem van 21 augustus 2000 tot 30 augustus 2000 ; Overwegende dat het afsluitend proces-verbaal van het openbaar onderzoek werd opgesteld op 30 augustus 2000 door de burgemeester van de stad Zottegem ; Gelet op het gunstig advies van het college van burgemeester en schepenen van de stad Zottegem van 18 augustus 2000 ; Gelet op het gunstig advies van de bestendige deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 7 september 2000 ; Gelet op het gunstig advies van afdeling Water, Milieu-investeringen van AMINAL van 6 november 2000 ; Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek de heer Marc De Beer, Leo de Bethunelaan 61 te 9300 Aalst, eigenaar van het perceel kadastraal bekend onder afdeling 3, sectie A, nr 614 c, bezwaar indiende bij aangetekend schrijven van 23 augustus 2000 ; Overwegende dat het rechtlijnige tracé en evenwijdig met de spoorweg nr. 89 Kortrijk - Denderleeuw over het perceel kadastraal bekend onder afdeling 3, sectie A, nr. 617c, niet werd weerhouden daar het hier een perceel betreft in woongebied dat omwille van zijn breedte aan de straat bebouwbaar is en bij uitvoering van het rechtlijnige tracé een deel van de bebouwbaarheid komt te vervallen en er aldus een waardevermindering zal optreden ; Overwegende dat er aldus na overleg tussen Aquafin en het Vlaams Gewest werd besloten om de collector aan te leggen in het perceel 614 c dat omwille van zijn configuratie (beperkte breedte aan de straatzijde) niet bebouwbaar is ; Overwegende dat tijdens de uitvoering van de werken er zal voor gezorgd worden dat de achterliggende percelen toegankelijk blijven voor de landbouwers ; dat de uitvoering van de collector derwijze wordt uitgevoerd dat na uitvoering der werken er geen probleem is voor het overrijden met rollend materieel en er dus geen gevaar is voor de onderliggende collector; Overwegende dat na uitvoering der werken de percelen opnieuw wederinstaat gesteld worden en aldus de bestaande losweg naar de achterliggende percelen gebruikt kan worden zoals voorheen”;
- Het enig middel 2.
- Het aangevoerde enig middel De verzoekende partijen voeren in hun enig middel de schending aan van het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “
- Het door Aquafin NV aanvankelijk voorgestelde tracé van afwateringsleiding liep rechtlijnig langsheen de spoorwegbedding langs de rand van de percelen 619/R,613/c (een klein hoekje),616/D (eigendom eerste verzoeker), 615 (een klein hoekje) en 617/C naar de Wassenhovestraat te Leeuwergem/Zottegem. Dat was een logisch trac(é) waarbij de lasten voor alle eigenaars gelijkelijk werd verdeeld. X-12.688-5/9 Dit op plan gestelde aanvankelijk trac(é) werd uiteindelijk qua te onteigenen eigendommen niet doorgegeven aan de Minister vermits deze in haar basis-onteigeningsbesluit voor openbaar nut nr. 97481 geen enkele melding maakt van perceel 617/C te Leeuwergem. Dit roept op zich reeds vragen op vermits in het aanvankelijke trac(é) de grond 617/C over de gehele lengte werd belast langs de spoorweggrens met de afvoerleiding. In de ministeriele beslissing 97481 wordt dit gemotiveerd als volgt: ‘Overwegende dat na controle de aanpassingen werden uitgevoerd door het studiebureau dd.19/06/2000 en er op 2 augustus 2000 een overeenkomst in der minne werd afgesloten met mw.wwe De Frenne-De Neve. Overwegende dat ingevolge deze trac(é)wijziging het perceel 617 C niet wordt opgenomen in dit ministerieel besluit tot verklaring van openbaar nut maar samen met de bijkomende inneming op het perceel kadastraal bekend als afdeling 3 sectie A nr 614 C...’ Dat betekent dat nog voordat de Minister heeft besloten tot de trac(é)wijziging bij hoogdringende onteigening voor openbaar nut in beslissing 97481 HD het kwestige perceel 917/C reeds was weggelaten. In diezelfde tweede beslissing van dezelfde datum wordt perceel 917/V opnieuw opgevist omdat aan de korte achtergrens toch een twintigtal meter zou worden ingenomen. Dat wekt de indruk als dat hoedanook het perceel 617/c moest worden gevrijwaard van enige belasting en dat de bestuurlijke beslissingen daarnaar zijn gericht en wel zodanig dat in de basisbeslissing reeds wordt vooruit- gelopen op de aanvullende wijzigende beslissing. Aldus wordt hier op zijn minst reeds de indruk gewekt dat noch Aquafin NV noch de beslissing nemende overheid de passende objectiviteit aan de dag legden om alle particulieren op dezelfde lijn te stellen qua belasting van hun eigendommen.
- Die indruk wordt meteen nog versterkt wanneer verzoekers, geconfronteerd met een geplande er(f)dienstbaarheid op hun eigendom 614/C, vaststellen dat bijzonder eigenaardige kronkels in de gravitaire leiding worden gemaakt om toch maar zoveel mogelijk perceel 617/0 te ontwijken. Inderdaad wordt vanaf perceel 615 (aansluitend bij 617/C en 614/C) plotseling een dubbele knik van telkens ongeveer 90 in de leiding gelegd om langs de achterzijde van perceel 617/C de leiding te brengen op 614/C dat aldus over de gehele lengte met erfdienstbaarheid wordt belast om de Wassenhovestraat te bereiken en onder de straat door aan te sluiten op een andere aftakking van het gehele afvoerstelsel. Van deze dubbele hoekvorming zegt Aquafin NV zelf in een schrijven van 13/11/00 aan eerste verzoeker: ‘...erkennen wij dat het vooropgestelde trac(é) parallel met de spoorwegbedding technisch de betere oplossing is. Temeer da(a)r bij een gravitaire collector de afwatering in rechte lijn onmiskenbaar de voorkeur geniet. Tijdens het openbaar onderzoek echter is in onderling overleg met het Vlaams Gewest besloten dat de bezwaring van de naastliggende bouwgrond niet opweegt tegenover de technische aanpassing van het trac(é). Daar Aquafin niet enkel de verantwoordelijkheid heeft om zowel technisch de beste oplossing te zoeken alsook financieel en maatschappelijk de meest aanvaardbare uitvoering, zijn wij de mening toegedaan dat hier geen sprake kan zijn van een ‘dubieus karakter’...’ X-12.688-6/9 Inderdaad had eerste verzoeker aan Aquafin zijn verwondering uitgedrukt over deze plotse en slechts aanpassing in het trac(é) dat meteen een tweede eigendom in zijnen hoofde ging bezwaren. En dit blijkbaar na tussenkomst van een niet nader bepaald iemand bij het Vlaams Gewest, wat meteen beelden oproept van politieke tussenkomsten ten gunste van bepaalde aanhangers van partijen of ideologieën.
- Dat het ‘financieel en maatschappelijk meest aanvaardbaar’ is dat de eigendom 614/C van verzoekers wordt bezwaard met de erfdienstbaarheid, eerder dan de grond 617/C is een onhoudbaar argument. Indien 617/C een bouwgrond is tot op zekere diepte geldt dit evenzeer voor perceel 614/C dat evengoed in de bouwzone ligt en dat dus gelijkelijk moet worden vergoed. Ook al is dit een smalle strook grond aan de straat, ze is een brede toegangspijp tot de achtergrond die ook bebouwbaar is. Bovendien geldt voor de bouwgrond 617/c hetzelfde als voor 614/C namelijk dat de infrastructuur na afwerking zich onder de grond bevindt en dat dus de bovengrond opnieuw bruikbaar wordt voor gebruik. In casu kan er dus gemakkelijk een grasveld worden aangelegd en zou de bestaande leiding langs de rand van 617/C geen echte impact hebben om de bouwmogelijkheden, juist omdat de leiding zou aangelegd worden in de zone die stedebouwkundig hoedanook vrijgelaten dient te worden langs de perceelsgrenzen. Bovendien dient de rand van perceel 617/C niet bereden te worden terwijl de eigendom van verzoekers, zijnde de toegangsstrook langs de straat, onvermijdelijk ook toegangsweg is voor het achterdeel van die grond en dus ook berijdbaar moet zijn (bv met voertuigen, ook vrachtwagens of landbouwmachines).
- Indien nu blijkt dat naar objectieve maatstaven de bezwaring voor perceel 617/C niet zwaarder kan zijn dan voor 614/C en waar vaststaat dat de technische uitvoering van de gravitaire leiding door twee haakse bewegingen van die leiding belangrijk negatief wordt beïnvloed kan niet anders worden besloten dan dat het perceel 617/C wordt bevoordeeld (en dus ook de eige- naars ervan) ten nadele van perceel 614/C (en de eigenaars ervan waarvan eerste verzoeker reeds door een erf- dienstbaarheid op zijn eigendom 616/D is bezwaard over de gehele diepte langs de spoorweg).
- Verzoekers roepen dan ook de schending in van het GELIJKHEIDSBEGINSEL door de voornoemde ministeriele beslissing van 16/11/2000 en van de ZORGVULDIGHEIDSPLICHT waaraan elke overheidsinstantie dient te voldoen en welke zij dienen te respecteren. Verzoekers worden overeenkomstig art.10 van de grondwet gelijk te zijn voor de wet evenals derden bijzonderlijk de eigenaars van perceel 617/C sectie A te Zottegem (Leeuwergem). Het is niet omdat eerste verzoeker voor zijn perceel 616/D aldaar gemakkelijk en redelijkheidshalve is ingegaan op de voorstellen van NV Aquafin dat deze (op instigatie van het Vlaams Gewest blijkbaar) lastiger partijen (zoals de eigenaars van perceel 617/C die bezwaar aantekenden tegen het oorspronkelijke trac(é)) dient te ontlasten ten nadele van degenen die minder ophef maken en aan wie bovendien nog vergoedingen worden aangeboden die onvoldoende de bezwaring van de grond vergoeden. (Wat mag gezegd worden ook al behoort dat aspect tot de bevoegdheid van de gemeenrechtelijke rechter)”. X-12.688-7/9 2.
- Beoordeling van het enige middel 2.2.
- Het gelijkheidsbeginsel dat vervat is in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet verzet er zich tegen dat personen die zich in dezelfde toestand bevinden ongelijk behandeld worden, tenzij er voor het verschil in behandeling een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De eerste vraag is of de verzoekende partijen zich in dezelfde toestand bevinden als de eigenaars van het perceel 617/c. Het bestreden besluit vermeldt dat het perceel 614/c van de verzoekende partijen “door zijn configuratie onbebouwbaar is”. Dezelfde bewoordingen worden in de ‘aanvraag tot verklaring van openbaar nut bij hoogdringendheid’ en in het advies van de dienst Milieuinvesteringen gebruikt. Over het perceel 617/c stelt het bestreden besluit: “een perceel (...) in woongebied dat omwille van zijn breedte aan de straat bebouwbaar is en bij uitvoering van het rechtlijnige tracé een deel van de bebouwbaarheid komt te vervallen en er aldus een waardevermindering zal optreden”. Alhoewel zowel het perceel 614/c als het perceel 617/c in woongebied gelegen zijn, kunnen zij allerminst als ‘gelijke gevallen’ worden beschouwd als gevolg van het feit dat het eerstgenoemde perceel onbebouwbaar is. Aan deze vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de hypothese die de verzoekende partijen in hun laatste memorie aanhalen dat hun perceel in de toekomst aan een aanpalend perceel kan gehecht worden en zodoende wel bebouwbaar zou kunnen worden gemaakt. Aangezien het bestreden besluit terecht rekening heeft gehouden met de van elkaar verschillende specifieke kenmerken van de respectievelijke percelen is het gelijkheidsbeginsel niet geschonden. 2.2.
- Omtrent het bezwaarschrift van de eerste verzoeker stelt het bestreden besluit “dat tijdens de uitvoering van de werken (...) de achterliggende percelen toegankelijk blijven voor de landbouwers; dat (...) na uitvoering der werken er geen probleem is voor het overrijden met rollend materieel” en “dat na uitvoering der werken de bestaande losweg naar de achterliggende percelen gebruikt kan worden als voorheen”. Uit deze door de verzoekende partijen niet betwiste overwegingen blijkt dat het bezwaar van de eerste verzoeker onderzocht werd en er een belangenafweging is gebeurd. X-12.688-8/9 Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling van de opportuniteit van de gekozen oplossing in de plaats te stellen van die van de vergunningverlenende overheid. De vraag of de technisch betere oplossing verkozen diende te worden boven een oplossing die de waardevermindering van een bebouwbaar perceel verhindert, betreft de opportuniteit van de beslissing en niet de wettigheid. De Raad van State is niet bevoegd om zich hieromtrent uit te spreken. 2.2.
- Het enig middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien februari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-12.688-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.584 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.