id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.598 Rolnummer: A. 191367/XII-5712 Zaak: Arrest 190598 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 17/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-19 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 18:20 Fiche Arrest nr 190.598 van 17 februari 2009 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.598 van 17 februari 2009 in de zaak A. 191.367/XII-
- In zake : Luc DEVRIENDT, die woonplaats kiest bij advocaten W. Van der Gucht en F. Dieu, kantoor houdende te Gent, Sint-Denijslaan 201 tegen : het ALGEMEEN STEDELIJK ZIEKENHUIS (AV), dat woonplaats kiest bij advocaat A. Coolsaet, kantoor houdende te Antwerpen, Arthur Goemaerelei
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Luc Devriendt op 9 februari 2009 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 6 februari 2009 van de raad van bestuur van het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis te Aalst (autonome verzorgingsinstelling) waarbij hij preventief wordt geschorst voor een periode van vier maanden met gedeeltelijke inhouding van wedde; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 10 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 februari 2009, om 9.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. Van der Gucht, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat A. Coolsaet, die verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; XII-5712-1\6 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van de zaak
- Verzoeker is algemeen directeur van de autonome verzorgings- instelling Algemeen Stedelijk Ziekenhuis te Aalst. Op 6 februari 2006 vergadert de raad van bestuur van het ziekenhuis en neemt hij enkele beslissingen betreffende verzoeker. Vooreerst wordt vastgesteld “dat er sterke aanwijzingen zijn dat [verzoeker] een aantal onregelmatigheden zou hebben begaan, die als tuchtfeiten zouden kunnen worden gekwalificeerd”. De raad van bestuur beslist daarom tegen verzoeker een tuchtprocedure te starten. Vervolgens beslist de raad van bestuur met de thans bestreden beslissing om verzoeker bij hoogdringendheid preventief te schorsen “voor de duur van vier maanden met ingang van de dag waarop deze beslissing aan de betrokkene ter kennisname wordt aangeboden”. Die schorsing gaat luidens de bestreden beslissing gepaard met een inhouding van wedde ten belope van 50% van de brutowedde. Verzoeker wordt bij hetzelfde besluit opgeroepen om te worden gehoord over de preventieve schorsing bij hoogdringendheid op maandag 16 februari
- De schorsingsvoorwaarden
- Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. XII-5712-2\6 Beoordeling van de derde schorsingsvoorwaarde
- Verzoeker doet als nadeel gelden dat hij het ziekenhuis niet verder kan leiden en sturen. Hij wijst op de tegen hem gevoerde hetze, die zijn gezag als directeur van het ziekenhuis ernstig en op onherstelbare wijze ondermijnt. De morele genoegdoening van een later annulatiearrest kan niet volstaan, want er zal volgens verzoeker altijd een vermoeden op zijn persoon blijven kleven dat hij getracht heeft zijn functie te misbruiken ten einde zijn eigen profijt na te streven. Alleen wanneer nu een einde aan de schorsing wordt gemaakt zal hij nog enigszins zijn geloofwaardigheid kunnen herstellen. Verzoeker wijst ook op het gegeven dat de schorsing gepaard gaat met de inhouding van de helft van zijn wedde. Terugvallen op de helft van wedde is een meer dan behoorlijke aderlating, a fortiori nu hij enige kostwinner is van het gezin. Dit gezin heeft maandelijkse kosten, waaronder de “gebruikelijke kosten” en de last van de autolening, die afgestemd waren op de wedde van de kostwinner. Bovendien heeft verzoeker zich verbonden voor plaatsing van zonnepanelen voor meer dan i 18.000,
- De halvering van het gezinsinkomen betekent dat verzoeker en zijn gezin het financieel zwaar kunnen krijgen.
- De preventieve schorsing is een ordemaatregel, die vanwege haar uiteraard tijdelijke en niet-tuchtrechtelijke aard in beginsel geen nadeel kan veroorzaken dat niet naar behoren hersteld kan worden door een vernietigingsarrest. Verzoeker betoogt niet dat het te dezen uitzonderlijk anders moet zijn om reden van de aard van de aangeklaagde onwettigheid of wanneer de bestreden beslissing kennelijk onwettig lijkt te zijn. Om de Raad van State toch te overtuigen tot een uitzondering op de regel, voert verzoeker een moreel en een financieel nadeel aan. Wat het moreel nadeel betreft, wordt ook in de regel aangenomen dat een preventieve schorsing op zich geen aantasting inhoudt van de reputatie en goede naam, die niet kan hersteld worden door de morele genoegdoening van een later tussen te komen vernietiging. Verzoeker meent dat de aard van zijn functie en het gezag waarover hij moet kunnen beschikken om als directeur te functioneren, elk uitstel moet doen uitsluiten. De Raad van State bedenkt daartegenover dat de preventieve schorsing is opgelegd omdat nu eenmaal door de raad van bestuur is beslist om jegens verzoeker een tuchtprocedure te starten wegens vermeende XII-5712-3\6 onregelmatigheden. Het is niet de preventieve schorsing, maar het zijn die aangewreven onregelmatigheden die, zoals verzoeker het samenvat, bij collega’s en de buitenwereld het vermoeden kunnen wekken “dat hij getracht heeft zijn functie te misbruiken ten einde zijn eigen profijt na te streven”. Een schorsing van de tenuitvoerlegging van de preventieve schorsing zal hieraan niets kunnen verhelpen. Wat het financieel nadeel betreft dat in beginsel steeds herstelbaar wordt geacht, kan de Raad van State meegaan met het betoog dat het uitgavenpatroon van het gezin van verzoeker is afgestemd op zijn inkomsten, dat dit bepaalde vaste en “gebruikelijke” kosten impliceert en dat rekening moet worden gehouden met het feit dat verzoeker enige kostwinner is. Evenwel staat daar tegenover dat verzoekers inkomen als algemeen directeur niet krap bemeten is, zodat aangenomen moet worden dat hij ook over een in het verleden opgebouwde financiële reserve kan beschikken. Het tegendeel wordt alleszins door verzoeker niet beweerd. Verzoeker spreekt verwerende partij ook niet tegen, dat zijn inwonende kinderen reeds over een beroepsinkomen zouden beschikken. In het licht van dit alles is de Raad van State niet overtuigd dat het voor verzoeker financieel zo zwaar moet vallen, als hij voor de duur van de preventieve schorsing en dus gedurende ten hoogste vier maanden zijn spaarreserve moet aanspreken, dat hij hierdoor een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel ondergaat.
- Er is bijgevolg niet voldaan aan de besproken schorsings- voorwaarde.
- Overigens stelt de Raad van State vast dat verzoeker in het verzoekschrift twee middelen aanvoert. In het eerste middel doet hij gelden dat de hoorplicht is geschonden. In het tweede middel wordt betoogd dat hij pas ná de beslissing om hem bij hoogdringendheid te schorsen inzage van bepaalde stukken kon nemen, zodat zijn rechten van verdediging zijn geschonden. De Raad van State stelt vast dat verzoeker is uitgenodigd om op 16 februari 2009 gehoord te worden vooraleer de raad van bestuur zich over de bevestiging zou uitspreken, dat hij ondertussen inzage had van de bedoelde stukken, dat hij op 16 februari 2009 daadwerkelijk is gehoord en dat hij dus in tussentijd de kans lijkt gekregen te hebben om zijn verweer te voeren. Om die reden ontzegt verwerende partij in de nota met opmerkingen aan verzoeker belang bij de middelen. Ter terechtzitting slaagt verzoeker er niet in om die exceptie te weerleggen en aan XII-5712-4\6 te geven welk belang hij-althans in de schorsingsprocedure- nog kan hebben bij de gevraagde schorsing, die enkel voor de toekomst uitwerking heeft. In de huidige stand van de procedure wordt dan ook aangenomen dat de middelen niet ernstig zijn.
- Wat voorafgaat volstaat om de gevraagde schorsing te verwerpen. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien februari 2009, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, XII-5712-5\6 F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5712-6\6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.598 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.