id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.612 Rolnummer: A. 75202/X-11163 Zaak: Arrest 190612 - Onteigeningen - 18/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-02 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 18:32 Fiche Arrest nr 190.612 van 18 februari 2009 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.612 van 18 februari 2009 in de zaak A. 75.202/X-11.
- In zake : de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, die woonplaats kiest bij advocaten M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening op 4 augustus 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 29 april 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening betreffende de onteigening van onroerende goederen op het grondgebied van de gemeente Kerkhove die nodig zijn voor het vernieuwen en het ontdubbelen van de bestaande stuwsluis op de Bovenschelde; Gelet op het arrest nr. 69.646 van 18 november 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 9 januari 1998 ingediend door de verzoekende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; X-11.163-1/6 Gelet op de beschikking van 12 november 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 28 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. MERTENS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat I. BOCKSTAELE, die loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De verzoekende partij baat te Avelgem-Waarmaarde-Kerkhove een waterwinning uit waarvan het waterwingebied en de beschermingszones, gelegen rond die winning, zijn afgebakend bij besluit van 3 december 1991 van de Gemeenschapsminister van Leefmilieu, Natuurbehoud en Landinrichting. De verzoekende partij is eigenares van de kadastrale percelen sectie C, nrs. 280/l, 277/d, 276/d, 272/e en 354/e. Op het eerstgenoemd perceel na zijn al deze percelen gelegen in een door voornoemd besluit afgebakende beschermingszone type II. 1.
- Op 20 februari 1997 stelt de afdeling Waterwegen en Zeewezen, afdeling Bovenschelde, locatie Kortrijk, aan het departement Leefmilieu en Infrastructuur voor om voornoemde percelen evenals een aantal aanpalende percelen te onteigenen, omwille van volgende redenen: X-11.163-2/6 “
- Motivering van de noodzaak tot en het openbaar nut van de onteigening. In het urgentieprogramma nopens de waterbeheersingsproblematiek in Vlaanderen fungeert het vernieuwen en ontdubbelen van de stuwen op de Bovenschelde op een prioritaire plaats. De bestaande stuwen zijn immers vetust (meer dan 75 jaar oud) en bestaan slechts uit één opening : omwille van de bedrijfszekerheid is het daartoe dringend noodzakelijk deze vetuste stuwen te vernieuwen en te ontdubbelen. De studie voor deze nieuwe stuwen is geconcretiseerd in de projectnota ‘Bovenschelde - Vernieuwen van stuwen te Asper, Oudenaarde en Kerkhove’ - Uitgave september 1996 - opgemaakt door AWZ, Afdeling Bovenschelde en goedgekeurd door het COVA van dezelfde Administratie. In functie van de debieten (steeds stijgend) en de waterpeilen worden de nieuwe stuwen gedimensioneerd. Tevens werd het milieu-aspect niet uit het oog verloren - afdoende plaats voor het inpassen van vistrappen voor de vismigratie is voorzien op de onteigeningsplannen.
- Motivering waarom die bepaalde gronden worden onteigend. De nieuwe stuwen dienen ingeplant t.h.v. de bestaande sluizen, gezien het belang van de scheepvaart op deze waterweg. Deze stuwen regelen immers het op- en afwaarts waterpeil in de diverse panden van de Bovenschelde waarop de bestaande scheepvaartsluizen zijn ingesteld. De nieuwe stuwpalen en stuwen dienen aldus voorzien te worden t.h.v. de bestaande stuwsluizen.
- Motivering van de wijze van onteigening. Gezien het belang in het kader van de waterbeheersing en gezien de drukke scheepvaart op de Bovenschelde plus het feit dat de bestaande stuwen in een vetuste staat verkeren en slechts één opening bevatten, dienen de werken DRINGEND uitgevoerd en is de procedure bij hoogdringendheid een absolute noodzaak. De benodigde kredieten voor deze onteigening en voor een eerste fase der werken zijn trouwens reeds voorzien op het artikel van de waterbeheersingswerken van de begroting
- Verder uitstel hypothekeert de goede waterhuishouding en de drukke scheepvaart en kan aanleiding zijn tot heel nefaste gevolgen”. 1.
- Op 14 april 1997 legt het departement Leefmilieu en Infrastructuur een ontwerp van ministerieel besluit tot onteigening op grond van de hiervoor geciteerde motivering ter ondertekening aan de minister voor. 1.
- Op 29 april 1997 wordt het thans bestreden besluit genomen. Daarin wordt het volgende overwogen: “Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1988 en de bijzondere wetten van 12 januari 1989, 16 januari 1989, 5 mei 1993 en 16 juli 1993; Gelet op de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, inzonderheid op artikel 5; Gelet op het decreet van 13 april 1988 tot bepaling van de gevallen en de modaliteiten waarbij de Vlaamse regering kan overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte inzake de gewestelijke aangelegenheden; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 20 juni 1995 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering; X-11.163-3/6 Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 20 oktober 1992 tot delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse regering en gewijzigd bij de besluiten van 20 januari 1993 en 7 oktober 1993; Gelet op het feit dat op het grondgebied van de gemeente Kerkhove gronden moeten worden ingenomen voor de uitvoering van de vernieuwing en de ontdubbeling van de stuw op de Bovenschelde te Kerkhove; Gelet op het feit dat de bestaande, verouderde en aan slijtage onderhevige stuw niet meer voldoet aan de veiligheidsvereiste op de druk bevaren Bovenschelde, zodat de werken voor het vernieuwen en het ontdubbelen van de stuw dringend dienen te starten; Gelet op het feit dat er rekening dient gehouden te worden met het leefmilieu zodat er voldoende plaats is voor het inpassen van vistrappen voor de vismigratie”.
- Ontvankelijkheid - voorwerp van het beroep In haar memorie van antwoord voert de verwerende partij aan dat de verzoekende partij slechts de vernietiging kan vragen in de mate dat het bestreden besluit betrekking heeft op haar eigendom. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat alle in de onteigening begrepen percelen een structureel geheel vormen, gelegen langsheen de Schelde en bedoeld voor de realisatie van één en hetzelfde project. Het isoleren van de percelen van de verzoekende partijen zou de algemene economie van het bestreden besluit aantasten. De exceptie wordt verworpen.
- De gegrondheid van de vordering 3.
- Het aangevoerde eerste middel In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 13 van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Het bestreden besluit is niet formeel gemotiveerd. Op zijn minst ontbreekt elke informatie over de invloed die het onteigeningsbesluit zal hebben op de waterwinning. Dit terwijl het voor de verwerende partij evident had moeten zijn dat zij met dit gegeven moest rekening houden. Het waterwingebied is immers vastgesteld bij besluit van de Vlaamse Regering van 03.02.1991 en reikt tot onmiddellijk aan de Schelde. Daar waar de verwerende partij wel rekening heeft gehouden met de gevolgen van de verplaatsing van de stuw op de vismigratie, had zij op zijn X-11.163-4/6 minst evenzeer rekening moeten houden met de gevolgen van de verplaatsing van de Schelde en van de stuw op het waterwingebied zelf”. 3.
- Beoordeling van het eerste middel In het middel wordt het bestreden besluit onder meer verweten dat het geen formele motieven bevat over de invloed van de voorgenomen onteigening op de waterwinning. Artikel 3 van het besluit van 27 maart 1985 van de Vlaamse regering houdende reglementering van de handelingen binnen de watergebieden en de beschermingszones, verbiedt in de beschermingszones type II, boringen, ontgrondingen en graafwerken van meer dan 2,50 m onder het maaiveld. In het licht van laatstgenoemde bepaling is het bestreden besluit niet afdoende gemotiveerd, daar het het stilzwijgen behoudt over de problematiek van de waterwinning in het algemeen en de beschermingszone in het bijzonder. De verwerende partij betoogt in haar memorie van antwoord dat het project na het nemen van het bestreden besluit onderworpen wordt aan een milieu-effectenrapport, in het kader van de stedenbouwkundige en/of milieuvergunning. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat het objectief verklaarbaar is dat de vismigratie wél reeds werd onderzocht in het bestreden besluit aangezien dit een rechtstreekse ruimtelijke impact heeft, wat niet het geval is voor technische aspecten zoals de eventuele schade aan de waterwinning. Aangezien het middel van de schending van de formele motiveringsplicht uitsluitend wordt beoordeeld aan de hand van de in het bestreden besluit uitgedrukte motieven, missen de argumenten van de verwerende partij pertinentie. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 29 april 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening betreffende de onteigening van onroerende goederen op het grondgebied van de gemeente X-11.163-5/6 Kerkhove die nodig zijn voor het vernieuwen en het ontdubbelen van de bestaande stuwsluis op de Bovenschelde. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien februari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.163-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.612 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.69.646 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.