← België

Arrest 190613 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.613 Rolnummer: A. 109230/X-10523 Zaak: Arrest 190613 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-03 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 18:32 Fiche Arrest nr 190.613 van 18 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.613 van 18 februari 2009 in de zaak A. 109.230/X-10.

  1. In zake :
  2. de v.z.w. STICHTING MARCUS GERARDS,
  3. de v.z.w. WILLEMSFONDS, AFDELING BRUGGE,
  4. de v.z.w. BRUGGE DIE SCONE, die woonplaats kiezen bij advocaat J. BOUCKAERT, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat 25 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Y. FRANCOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
  5. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. STICHTING MARCUS GERARDS, de v.z.w. WILLEMSFONDS AFDELING BRUGGE en de v.z.w. BRUGGE DIE SCONE op 20 augustus 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 maart 2000 van de gemachtigde ambtenaar van AROHM West-Vlaanderen, waarbij aan de stad Brugge de bouwvergunning wordt verleend voor het oprichten van een fietsenstalling “’t Brugse Vrije”, Burg 11, Plein “De Caese”, op een perceel kadastraal bekend onder sectie B, nr. 1088/l. Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 23 maart 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-10.523-1/19 Gelet op de beschikking van 23 april 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 30 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. GERNAY, die loco advocaat J. BOUCKAERT verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat Y. FRANCOIS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  6. De feiten 1.
  7. Op 8 februari 2000 dient het stadsbestuur van Brugge bij de gemachtigde ambtenaar een bouwaanvraag in voor het oprichten van een fietsenstalling “’t Brugse Vrije,” Burg 11, Plein “De Caese”, in het historische centrum van de stad achter het stadhuis. De aanvraag beoogt midden op het plein een nieuwe fietsenberging op te richten van 12m op 5,57m met een hoogte van 2,72m, bestaande uit een halve gewelfde cilinder met gebogen stalen ribben, daartussen doorzichtige polycarbonaatplaten, en onderaan een plint met evenwijdige houten latten, op te richten op de bestaande kasseien, ten behoeve van het personeel van de stadsdiensten van Brugge. 1.
  8. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Brugge-Oostkust is het betrokken perceel gelegen in een woongebied met culturele, historische en/of esthetische waarde. 1.
  9. “Het Vrije” is bij koninklijk besluit van 25 maart 1938 beschermd als monument. X-10.523-2/19 Op 29 februari 2000 brengt de cel Monumenten en Landschappen het volgende advies uit : “Overwegende dat de nieuwe constructie op het plein’De Caese’ duidelijk zichtbaar zal zijn vanaf de Vismarkt en de Steenhouwersdijk, en door zijn materiaalgebuik een storend element zal vormen in een pas gerestaureerde en heraangelegde omgeving; BRENGEN WIJ BINDEND ADVIES UIT ALS VOLGT : GUNSTIG Mits de fietsenstalling aan de kant van de Steenhouwersdijk aan het oog wordt onttrokken door een permanent groenscherm”. 1.
  10. Bij het thans bestreden besluit van 23 maart 2000 van de gemachtigde ambtenaar wordt de gevraagde bouwvergunning verleend.
  11. Ontvankelijkheid 2.
  12. “Nietigheid van het verzoekschrift” 2.1.
  13. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord de “nietigheid van het verzoekschrift” op wegens schending van artikel 53 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 10 en volgende van de wetten op het gebruik van de talen in buurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, doordat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift twee Engelstalige woorden opnemen en een gans citaat in het Frans, zonder daarvan de vertaling, noch de zakelijke inhoud in het Nederlands weer te geven. 2.1.
  14. Artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de partijen die niet onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, zoals de verzoekende partijen, voor hun akten en verklaringen de taal mogen gebruiken welke zij verkiezen, en dat zo nodig, en inzonderheid op verzoek van een der partijen, beroep wordt gedaan op een vertaler, waarbij de kosten van de vertaling ten laste zijn van de Staat. De exceptie kan niet worden aangenomen. 2.
  15. Belang 2.2.
  16. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij onder de hoofding “belang” op wat volgt: X-10.523-3/19 “Verzoekende partijen stellen hun belang te putten uit het feit dat zij alle drie streven naar ‘de bescherming van het culturele erfgoed’. In het verzoekschrift verduidelijken zij echter niet in welke mate het streven naar een goede ruimtelijke ordening kadert in het doel waarvoor zij zijn opgericht. Voor de vzw Willemsfonds is het allerminst duidelijk in welke mate zij belang heeft bij huidig annulatieverzoek. Haar doel wordt als volgt omschreven: ‘...beschermen van de culturele, economische en wetenschappelijke ontplooiing van de Vlamingen...’ Het doel van de vzw Willemsfonds slaat klaarblijkelijk enkel op de bevordering van de ontplooiing van de persoon van de Vlaming. Hoe een fietsenstalling die ontplooiing kan belemmeren, wordt in het verzoekschrift in het midden gelaten. Verzoekende partijen tonen niet aan dat hun verzoekschrift kadert in het doel dat zij zich blijkens de statuten voorop stellen”. 2.2.
  17. De verzoekende partijen beantwoorden deze exceptie als volgt: “
  18. Zoals verweerster terecht opmerkt, putten verzoekers hun belang bij huidige annulatieprocedure uit het feit dat zij streven naar de bescherming van het culturele erfgoed, te weten de als monumenten beschermde panden en pleinen op en in de omgeving van het Brugse Vrije, evenals van het eeuwenoude archief dat wordt bewaard in het Brugse Vrije.
  19. Zoals voor de v.z.w. Stichting Marcus Gerards als voor de v.z.w. Brugge die Scone staat de maatschappelijke doelstelling, zoals deze in de statuten werd omschreven - en eveneens blijkt uit een jaren lange activiteit - uitsluitend in dienst van het beschermen, eerbiedigen en valoriseren van het bouwkundig erfgoed in de stad Brugge.
  20. Voor wat de v.z.w. Willemsfonds, afdeling Brugge betreft, is het aspect bescherming misschien niet met zoveel woorden in de doelstellingen verwoord, maar is ze in de praktijk sinds vele jaren duidelijk en dit sinds de oprichting van deze v.z.w. door de heer Julius Sabbe, één van de negentiende-eeuwse pioniers van de monumentenzorg in Brugge. Daarnaast dient beklemtoond te worden dat het belang van deze v.z.w. niet alleen bestaat in een streven naar bescherming van de historische panden, doch tevens in een streven naar bescherming van het genoemde historisch archief, dat documenten bevat die van uitzonderlijke waarde zijn voor de studie van de Nederlandse taal en de Vlaamse cultuur.
  21. Tevens moet worden beklemtoond dat de drie verenigingen sinds méér dan tien jaar hun krachten hebben gebundeld onder de naam ‘SOS voor een leefbaar Brugge’ en gezamenlijk talrijke acties hebben ondernomen, die zowel binnen als buiten Brugge aanzienlijke weerklank hebben gehad en nog hebben en die gericht zijn op het beschermen, behouden en valoriseren van het bouwkundig erfgoed en het bestrijden van alle acties die door overheid of particulieren worden ondernomen die hieraan afbreuk kunnen doen. De uitgebreide werking op het hier ter sprake komende domein van de monumentenzorg en de bescherming van het bouwkundig erfgoed in een uitzonderlijke historische stad zoals Brugge, die onlangs werd opgenomen op de Werelderfgoedlijst van UNESCO, blijkt zowel voor de afzonderlijke werking van elke vereniging als voor hun gezamenlijke acties, uit het dossier met overtuigingsstukken dat we dienaangaande bij het verzoekschrift hebben neergelegd.
  22. De bestreden vergunning verleent een bouwvergunning voor de oprichting van een industrieel gefabriceerde fietsenstalling temidden van het X-10.523-4/19 historische kader om en rondom het pleintje van het beschermde Brugse Vrije. De aanwezigheid van dit industriële bouwsel ontneemt evenwel in grote mate het zicht op alle beschermde panden die op het pleintje en in de omgeving van het Brugse Vrije gelegen zijn en ontluistert door zijn banaliteit de monumentale waarde van de ganse omgeving. Omwille van de gebruikte materialen enerzijds en de omvang van de constructie anderzijds vormt de fietsenstalling dan ook een storend element in dit bijzonder waardevolle culturele en historische kader.
  23. Verzoekers zijn van oordeel dat de verstoring van dit historisch kader in casu niet slechts een zaak is van goede ruimtelijke ordening, maar dat de aanwezigheid van deze constructie het behoud en de bescherming van het culturele erfgoed in het gedrang brengt. Immers, welke zin heeft het historisch en cultureel waardevolle panden te beschermen, terwijl het zicht ervan ontnomen wordt door een banaal en industrieel gefabriceerd bouwsel. Het toekennen van een bouwvergunning voor een dergelijke constructie brengt als het ware de impliciete opheffing van de beschermingsmaatregel met zich mee. Gelet op het feit dat voorliggend annulatieberoep werd ingesteld ter vrijwaring van het historisch kader op en in de omgeving van het Brugse Vrije, hoeft het geen verder betoog dat deze procedure kadert in een streven naar de bescherming van het culturele erfgoed en om deze reden reeds aansluit bij het doel van de verzoekende partijen.
  24. Verzoekers hebben des te meer belang bij deze procedure nu uit de bestreden vergunning blijkt dat door de oprichting van de vergunde fietsenstalling de brandveiligheid op het pleintje en de eromheen gelegen panden in het gedrang dreigt te komen. De brandveiligheid komt met name in gevaar omwille van het feit dat een 11 meter lange fietsenstalling wordt ingeplant op een pleintje met een lengte van amper 13 meter, waardoor het voor de brandweer zoniet onmogelijk dan toch zeer moeilijk wordt om in geval van nood de gebouwen rondom het plein te kunnen bereiken Overigens dient opgemerkt dat niet alleen de veiligheid van de panden rondom het pleintje in het gedrang komt, maar eveneens deze van het eeuwenoude en uitzonderlijk waardevolle stadsarchief van de Stad Brugge, dat in het Brugse Vrije bewaard wordt en dat enkele jaren geleden door het stadsbestuur op een waarde van minstens 25 miljoen i (1 miljard BEF) werd geschat.
  25. In het licht van wat voorafgaat moge het duidelijk zijn dat verzoekers belang hebben bij voorliggende procedure, ter bescherming van de als monumenten beschermde panden enerzijds en ter bescherming van het Stadsarchief in het Brugse Vrije anderzijds”. 2.2.
  26. In de laatste memorie laten de verzoekende partijen nog gelden wat volgt: “De tweede verzoekende partij betwist niet dat het maatschappelijk doel van de v.z.w. Willemsfonds omschreven werd als ‘de culturele, economische en wetenschappelijke ontplooiing van de Vlamingen in een ruim vrijzinnige geest en in een klimaat van geestelijke en politieke vrijheid’. Hoewel het maatschappelijk doel van deze v.z.w. erg ruim geformuleerd is, betwist de tweede verzoekende partij dat er geen evenredige verhouding zou bestaan tussen deze statutaire doelstelling en het voorwerp van de bestreden bouwvergunning, namelijk het oprichten van een fietsen stalling achter het Brugse stadhuis. Het oprichten van de bestreden fietsenstalling zou immers een X-10.523-5/19 zeer nadelige impact hebben op het brugse bouwkundige erfgoed, waarmee de v.z.w. wel degelijk - en dit sinds haar oprichting - actief begaan is. Dat de v.z.w. Willemsfonds wel degelijk een belang heeft bij de bescherming van het bouwkundig erfgoed en deze procedure in het bijzonder volgt in de eerste plaats uit de vaststelling dat de stichter van de v.z.w. Willemsfonds in Brugge, de heer Julius Sabbe, één van de initiatiefnemers en gangmakers was van de 19e-eeuwse belangstelling en zorg voor het bouwkundig erfgoed in Brugge. Ter nagedachtenis van de oprichter, is de v.z.w. Willemsfonds afdeling Brugge steeds actieve interesse blijven betonen in de zorg voor het bouwkundig erfgoed. Het Willemsfonds afdeling Brugge heeft trouwens de activiteiten die de vereniging onderneemt in het belang van de Brugse monumentenzorg, geconcentreerd in haar onderafdeling, de vereniging in feite Julius-Sabbestudiekring’, die de concrete uitdrukking is van de inspanningen van het Brugse Willemsfonds voor enerzijds de havenbelangen van Brugge en, anderzijds, voor de zorg ten aanzien van de historische binnenstad. Het is onder deze bijkomende naam (die evenwel activiteiten dekt die volledig onder de juridische verantwoordelijkheid vallen van het Brugse Willemsfonds) dat deze vereniging één van de drie stichters is van de vereniging in feite of actiegroep ‘SOS voor een leefbaar Brugge’, waarvan voldoende bekend is dat ze sedert nu bijna vijftien jaar de acties naar het brede publiek van de drie voornoemde verenigingen bundelt. Die acties zijn helemaal gericht op de problematiek van de bescherming en leefbaarheid van de historische binnenstad in Brugge, met inbegrip van de monumentenzorg. Een en ander moge overigens ook blijken uit de voordrachten, publicaties en andere acties waarmee het Brugse Willemsfonds de monumentenzorg in Brugge onder de aandacht brengt. Voor het overige verwijzen de verzoekende partijen naar hetgeen werd uiteengezet in het verzoekschrift tot nietigverklaring en de memorie van wederantwoord, waarin zij volharden”. 2.2.4.
  27. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. X-10.523-6/19 2.2.4.
  28. De v.z.w. STICHTING MARCUS GERARDS stelt zich luidens artikel 3 van haar statuten onder meer tot doel in alles tussen te komen teneinde “het kunstig uitzicht van de stad Brugge te bewaren en te bevorderen en maatregelen te nemen voor het behoud en de restauratie van oude gebouwen en monumenten binnen deze stad, die ofwel een architektonische betekenis hebben ofwel een integrerend deel uitmaken van een schoon en sprekend geheel, of waaraan historische herinneringen verbonden zijn”. Zij blijkt ook volgens een overzicht dat zij bijvoegt in het verleden reeds tal van initiatieven te hebben genomen en publicaties te hebben gedaan die in rechtstreeks verband staan met deze doelstellingen. De exceptie is niet gegrond in hoofde van de eerste verzoekende partij. 2.2.4.
  29. De v.z.w. BRUGGE DIE SCONE stelt zich luidens haar statuten tot doel het Brugse cultureel erfgoed in eer te houden en te promoten, en acties te ondernemen “om aan Brugge en omgeving een gelaat te geven dat streek- en volksgebonden is”. Ook deze vereniging blijkt volgens een overzicht dat zij bijvoegt in het verleden reeds meerdere initiatieven te hebben genomen die in rechtstreeks verband staan met deze doelstellingen. De exceptie is niet gegrond in hoofde van de derde verzoekende partij. 2.2.4.
  30. De v.z.w. WILLEMSFONDS, afdeling Brugge, heeft luidens artikel 5 van haar statuten tot doel “de culturele, economische en wetenschappelijke ontplooiing van de Vlamingen in een ruim vrijzinnige geest en in een klimaat van geestelijke en politieke vrijheid”, hetgeen zij via een diversiteit aan middelen kan nastreven. Ten aanzien van het voorwerp van de bestreden bouwvergunning, met name een vergunning voor het oprichten van een fietsenstalling achter het Brugse stadhuis, zijn deze statutaire doelstellingen dermate ruim geformuleerd, dat dient te worden vastgesteld dat er geen enkele band van evenredigheid bestaat tussen het materieel actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. In hoofde van de tweede verzoekende partij is de exceptie gegrond, en het beroep derhalve niet ontvankelijk. X-10.523-7/19 2.
  31. “Gebrek aan rechtspersoonlijkheid van de verzoekende partijen”. 2.3.
  32. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij onder de hoofding “gebrek aan rechtspersoonlijkheid” op wat volgt: “Behoudens bewijs van het tegendeel blijken de vzw’s nagelaten te hebben hun statuten en personalia van haar beheerders te laten publiceren in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad zoals voorgeschreven in art. 3 en 9 van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de vereniging zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend (B.S., 1 juli 1921). De sanctie verbonden aan dit verzuim is dat de vzw geen rechtspersoonlijkheid krijgt (art. 26 van voornoemde wet), en derhalve niet in rechte kan optreden. Voor wat de vzw Stichting Marcus Gerards en Bruge die Scone betreft, werden er sedert 1981 geen publicaties in het Belgisch Staatsblad aangetroffen. Uit de (beperkte) ledenlijsten blijkt nochtans dat er wijzigingen geweest zijn, zodat het weinig waarschijnlijk voorkomt dat er in 20 jaar tijd geen wijzigingen in de Raad van Beheer zouden geweest zijn. Indien de betrokken vzw’s het tegendeel menen te kunnen voorhouden, dan dienen zij daarvan het bewijs te leveren. Voor wat betreft de vzw Willemsfonds werd er wel een publicatie in het Belgisch Staatsblad aangetroffen, met name deze van 18.10.
  33. Uit de publicatie blijkt dat de Raad van Beheer bij besluit van 26.01.2001 gewijzigd is geworden, doch dat die wijziging niet conform art. 9 van de wet binnen de maand is gepubliceerd. Door de niet-naleving van die formaliteit - te meer de publicatie geschied is na het neerleggen van het verzoekschrift - heeft ook de vzw Willemsfonds haar rechtspersoonlijkheid verloren. Evenmin werd elk jaar een lijst van de leden van de vzw’s ter griffie neergelegd (art. 10), wat dezelfde sanctie tot gevolg heeft. Uit de dossiers die op de griffie berusten blijkt dat zij gedurende jaren geen ledenlijsten hebben neergelegd, behalve respectievelijk op 20.08.2001 voor Stichting. Marcus Gerard, op 22.08.2001 voor Willemsfonds en op 13.08.2001 voor Brugge die Scone, duidelijk om te proberen aan de sanctie van art. 26 te ontsnappen. Art. 10 bepaalt echter dat elk jaar de ledenlijst moet neergelegd worden. Volgens art. 26 verliest de vzw die aan die formaliteit niet voldoet haar rechtspersoonlijkheid ten aanzien van derden, sanctie waar niet kan aan ontsnapt worden door op het laatste nippertje een ledenlijst neer te leggen voor het jaar waarin het annulatieberoep ingediend wordt. De wet heeft immers aan een vzw die rechtspersoonlijkheid wil verwerven, bepaalde formaliteiten opgelegd. Men kan de rechtspersoonlijkheid niet verwerven door enkel maar te voldoen aan de formaliteiten telkens wanneer in rechte moet opgetreden worden”. In de laatste memorie laat de verwerende partij nog gelden dat uit een verklaring van de griffie van de Rechtbank van koophandel onder meer blijkt dat de v.z.w. STICHTING MARCUS GERARDS sedert 20 augustus 2001 geen enkele ledenlijst meer heeft neergelegd, en dat de v.z.w. BRUGGE DIE SCONE sedert 13 augustus 2001 geen enkele ledenlijst meer heeft neergelegd. X-10.523-8/19 2.3.2.
  34. Uit de door de verzoekende partijen neergelegde stukken blijkt dat zij elk op rechtsgeldige wijze in rechte zijn getreden. 2.3.2.
  35. Wat betreft de neerlegging van de ledenlijsten bepaalde artikel 10 van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, op het ogenblik van het instellen van het annulatieberoep, wat volgt: “Een lijst waarin al de leden van de vereniging naar alfabetische orde van hun naam zijn vermeld, met opgaaf van hun voornamen, woonplaats en nationaliteit, wordt binnen de maand na de bekendmaking van de statuten neergelegd op de griffie van de burgerlijke rechtbank van de plaats waar de vereniging haar zetel heeft. (...) Elk jaar wordt de lijst aangevuld met een opgaaf naar alfabetische orde opgemaakt, van de wijzigingen die zich met betrekking tot de leden hebben voorgedaan. Eenieder kan van die lijst kosteloos inzage nemen”. Artikel 26 van dezelfde wet bepaalde: “Ingeval de bekendmakingen en de formaliteiten, voorgeschreven door de artikelen 3, 9, 10 en 11, werden verzuimd, kan de vereniging zich niet op de rechtspersoonlijkheid beroepen tegenover derden; deze zijn echter wel gerechtigd ze in te roepen tegenover de vereniging”. Thans bepaalt artikel 10 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, wat volgt: “Art.
  36. Op de zetel van de vereniging wordt door de raad van bestuur een register van de leden gehouden. Dit register vermeldt de naam, voornamen en woonplaats van de leden of, ingeval het een rechtspersoon betreft, de naam de rechtsvorm en het adres van de zetel. Bovendien moeten alle beslissingen betreffende de toetreding, uittreding of uitsluiting van leden door toedoen van de raad van bestuur in dat register worden ingeschreven binnen acht dagen nadat hij van de beslissing in kennis is gesteld. Alle leden kunnen op de zetel van de vereniging het register van de leden raadplegen, alsmede alle notulen en beslissingen van de algemene vergadering, van de raad van bestuur en van de personen, al dan niet met een bestuursfunctie, die bij de vereniging of voor rekening ervan een mandaat bekleden, evenals alle boekhoudkundige stukken van de vereniging. De Koning bepaalt de nadere regels waaronder dit inzagerecht wordt uitgeoefend. Deze bepalingen zijn niet van toepassing ingeval de vereniging een commissaris heeft benoemd”. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de eerste en de derde verzoekende partij op het ogenblik van het instellen van het annulatieberoep hadden voldaan aan de op dat ogenblik geldende bepalingen van artikel
  37. Sedert de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen van artikel 10 op X-10.523-9/19 1 juli 2003 is geen neerlegging van de ledenlijst meer vereist. Het feit dat de eerste en de derde verzoekende partij na 20 augustus 2001, respectievelijk 13 augustus 2001 tot de inwerkingtreding van de nieuwe regeling geen ledenlijst meer hebben neergelegd heeft derhalve niet tot gevolg dat zij zich thans niet meer ten aanzien van derden op de rechtspersoonlijkheid kunnen beroepen. De exceptie kan niet worden aangenomen. 2.
  38. Ontvankelijkheid ratione temporis 2.4.
  39. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van niet ontvankelijkheid ratione temporis op, die zij uiteenzet als volgt: “Wanneer een administratieve rechtshandeling niet betekend of bekendgemaakt wordt, begint de termijn van 60 dagen slechts te lopen vanaf het ogenblik dat de betrokken derde er kennis van kón krijgen (...). Wanneer die derde er effectief kennis van genomen heeft, is irrelevant. Verzoekende partijen - die uit de gegevens van het dossier klaarblijkelijk de toestand op de voet volgen - konden uiterlijk in juni 2001 kennis krijgen van het bestaan van een bouwvergunning daar in die maand de werken werden uitgevoerd. In se konden zij dat al veel vroeger doen daar de werken aan het ‘Brugse Vrije’ reeds lange tijd bezig waren. De bestreden vergunning dateert van 23.03.2000 (...). Verkeerdelijk nemen verzoekende partijen 19.07.2001 als startdatum, zijnde de dag waarop zij kennis zouden gekregen hebben van het feit dat een vergunning werd verleend. Niet de datum waarop door de overheid kennis gegeven wordt van het bestaan van een vergunning is bepalend, enkel de datum waarop kennis kón gekregen worden. Na de aanvatting van de restauratiewerken, en zeker vanaf de aanvang van de werken aan de fietsenberging dienden verzoekende partijen de nodige informatie ingewonnen te hebben. Zij konden daarbij desnoods beroep doen op art. 2 van het K.B. van 22 oktober 1971 tot uitvoering van art. 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. Door hun langdurig stilzitten, is de termijn verstreken. Het indienen van een annulatieberoep 17 maand na het verlenen van de vergunning, en meer dan 2,5 maand na de mogelijkheid tot kennisname ervan is zonder meer laattijdig”. 2.4.
  40. De verzoekende partijen beantwoorden deze exceptie in hun memorie van wederantwoord als volgt: “1.4 Het verzoekschrift werd tijdig ingediend
  41. Naar luid van artikel 4 van het procedurereglement bij de Raad van State verjaren beroepen zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze bekendgemaakt, noch betekend dienen te worden, gaat de termijn voor het indienen van een annulatie- of schorsingsberoep in met de dag waarop de verzoeker van de bestreden beslissing kennis heeft gekregen. X-10.523-10/19
  42. Overeenkomstig de vaste rechtspraak van uw Raad rust er op de burger een verplichting tot waakzaamheid, wanneer er in hoofde van het bestuur geen wettelijke verplichting bestaat om een welbepaalde administratieve rechtshandeling bekend te maken of te betekenen (...).
  43. Gelet op het feit dat niet alleen de overheid, maar ook de burger te goeder trouw moet handelen, is de burger er volgens deze rechtspraak toe gehouden binnen een redelijke termijn te proberen een voldoende inzicht te verwerven in een voor de rechter te bestrijden beslissing (...).
  44. In het bijzonder met betrekking tot bouwvergunningen is uw Raad van oordeel dat zodra een derde op de hoogte is van het bestaan van een bouwvergunning of kan vermoeden dat er één is afgeleverd, hij het nodige dient te doen om er kennis van te krijgen. Wanneer echter niet blijkt dat de verzoeker de bouwvergunning vroeger kende of kon kennen dan op het ogenblik waarop hij er een afschrift van kreeg, is de exceptie van laattijdigheid niet gegrond (...).
  45. In de loop van de maand juni 2001 stelden verzoekers vast dat op het plein aan het Brugse Vrije een industrieel geprefabriceerde constructie werd opgetrokken. Gelet op het feit dat op datzelfde ogenblik belangrijke restauratiewerken werden uitgevoerd aan de gevels van het Brugse Vrije, waren verzoekers van oordeel dan het ging om een voorlopig bouwsel dat werd opgericht in functie van de aan de gang zijnde werken.
  46. Toen verzoekers in de loop van de maand juli 2001 vaststelden dat er een fietsenstalling werd opgetrokken die geen voorlopig bouwsel was, maar een permanente constructie die met beton stevig in de grond was bevestigd, richtten zij zich per e-mail tot de bevoegde dienst van de Stad Brugge met het verzoek om nadere inlichtingen omtrent het opgetrokken bouwsel. Ook de omstandigheid dat er - op onwettige wijze - geen openbaar onderzoek was gehouden (hoewel dit verplicht is voor alle bouwaanvragen die beschermde monumenten betreffen), had verzoekers op een verkeerd spoor gezet.
  47. Als antwoord op dit verzoek werd de voor de oprichting van de fietsenstalling afgeleverde bouwvergunning op 18 juli 2001 aan de heer Van de Abeele, voorzitter van v.z.w. Marcus Gerards overgemaakt, die van de inhoud daarvan derhalve ten vroegste op 19 juli 2001 kennis heeft kunnen nemen.
  48. Gelet op het feit dat op het pleintje reeds restauratiewerken aan de gang waren en de fietsenstalling in dergelijke materialen werd opgericht dat het een geprefabriceerd voorlopig bouwsel lijkt, konden verzoekers in redelijkheid aannemen dat dit slechts een tijdelijk bouwwerk was dat in functie van de restauratiewerken werd opgetrokken en waarvoor geen bouwvergunning vereist was. Nu verzoekers zich bij de bevoegde stadsdiensten hebben geïnformeerd zodra het duidelijk werd dat de fietsenstalling een permanente constructie was, die in het geheel niets te maken had met de restauratiewerken aan het Brugse Vrije, hebben zij de nodige diligentie aan de dag gelegd om zich zo spoedig mogelijk te informeren omtrent de stedenbouwkundige toestand van het bouwsel.
  49. Uit het feit dat verzoekers deze zaak op de voet volgen, kan overigens niets worden afgeleid met betrekking tot de datum waarop zij kennis kregen van het bestaan en de inhoud van de bestreden bouwvergunning.
  50. Het voorgaande betekent dat de datum van 19 juli 2001 als startdatum genomen moet worden bij de berekening van de termijn voor het indienen van een verzoekschrift tot nietigverklaring. Het verzoekschrift werd derhalve tijdig - d.w.z. binnen 60 dagen na kennisname van de bestreden beslissing - ingediend”. X-10.523-11/19 2.4.3.
  51. De bestreden bouwvergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekende partij er kennis van heeft gehad of geacht moet worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van een potentiële verzoekende partij liggen, wanneer zij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die zij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen vandien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van de administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen mee dat degene die meent te worden benadeeld door een bouwvergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de hem ter beschikking staande middelen om kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven bouwvergunning, bijvoorbeeld van de mogelijkheid die hem door het toentertijd geldende artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw werd geboden om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven bouwvergunning. Eens die redelijke termijn verstreken, neemt de termijn van 60 dagen om een annulatieberoep in te dienen, een aanvang. Het is zaak van de partij die aanvoert dat het beroep laattijdig is, het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partij kennis had of kon hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning, bijvoorbeeld door aan te tonen wanneer de kwestieuze werken werden aangevat. Het is dan weer zaak van de verzoekende partij in voorkomend geval aan te tonen dat zij binnen de redelijke termijn, via de geëigende middelen de nodige inlichtingen over de bestreden vergunning heeft proberen in te winnen. X-10.523-12/19 2.4.3.
  52. De verzoekende partijen stellen dat de werken voor het plaatsen van de vergunde constructie pas in juni 2001 werden aangevat. Zij worden daarin niet tegengesproken door de verwerende partij. Anderzijds wordt een brief van het college van 18 juli 2001 aan de voorzitter van de eerste verzoekende partij voorgelegd, waarbij een kopie van de bestreden vergunning wordt meegedeeld. Het beroep tot nietigverklaring werd ingesteld op 20 augustus
  53. De verwerende partij brengt geen enkel concreet element bij waaruit kan blijken dat de verzoekende partijen reeds meer dan zestig dagen voor deze datum kennis hadden of dienden te hebben van het bestaan van de bestreden vergunning. 2.4.3.
  54. De exceptie is dan ook niet gegrond.
  55. Ten gronde - tweede middel 3.
  56. Standpunt van de partijen 3.1.
  57. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 3, 3/ van het koninklijk besluit van 6 februari 1971 betreffende de behandeling en openbaarmaking van de bouwaanvragen, van artikel 52, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van het motiveringsbeginsel”, “DOORDAT de bestreden bouwvergunning werd afgeleverd zonder dat voorafgaandelijk een openbaar onderzoek werd georganiseerd met betrekking tot de aangevraagde werken ; TERWIJL overeenkomstig artikel 3, 3/ van het KB van 6 februari 1971 betreffende de openbaarmaking van bouwaanvragen een openbaar onderzoek moet worden georganiseerd voor zover de aangevraagde bouwwerken binnen het gezichtsveld liggen van een beschermd monument ; de bestreden beslissing een vergunning verleent voor het uitvoeren van bouwwerken aan het beschermde monument ‘Het Vrije’ ; de vergunde bouwwerken bovendien in het gezichtsveld liggen van talrijke andere beschermde monumenten ; EN TERWIJL overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van de wet op de formele motivering van bestuurshandelingen de bestuurshandeling uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd, meer bepaald zodat in de akte zelf de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen moeten worden vermeld. De motivering bovendien afdoende moet zijn ; In de bestreden beslissing evenwel geenszins wordt verduidelijkt om welke redenen de aangevraagde bouwwerken niet binnen het toepassingsgebied zouden vallen van artikel 3, 3/ van het KB betreffende de openbaarmaking van X-10.523-13/19 bouwaanvragen en het derhalve niet nodig werd geacht de bouwaanvraag te onderwerpen aan een openbaar onderzoek ; (...) ZODAT de bestreden beslissing met miskenning van de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen werd getroffen en derhalve door machtsoverschrijding is aangetast. TOELICHTING BIJ HET MIDDEL
  58. Artikel 3, 3/ van het KB van 6 februari 1971 betreffende de behandeling en openbaarmaking van de bouwaanvragen (B.S. 13 februari 1971; hierna ‘het KB betreffende de openbaarmaking van bouwaanvragen”) bepaalt dat : ‘Wanneer voor het gebied waarin het perceel begrepen is, noch een bij Koninklijk besluit goedgekeurd bijzonder plan van aanleg,[...], noch een behoorlijk vergund en niet vervallen verkavelingsplan bestaat, moeten de bouwaanvragen voor de hieronder omschreven werken of handelingen openbaar gemaakt worden’ [...] : 3/ bouwen, herbouwen of verbouwen van gebouwen binnen het gezichtsveld van een beschermd monument of in een beschermd landschap of in een landschap dat op een door de Minister van Openbare Werken vastgestelde lijst is geplaatst; [...]’
  59. Het voorgaande impliceert dat bouwaanvragen die betrekking hebben op een pand dat gelegen is in het gezichtsveld van een beschermd monument, steeds aan een openbaar onderzoek moeten worden onderworpen. Volgens vaste rechtspraak van uw Raad zoals o.a. geformuleerd in zijn arrest van (...), noopt zelfs een gedeeltelijke zichtbaarheid van de voorgenomen constructie vanaf een bepaalde plaats van een beschermd monument tot de uitvoering van een openbaar onderzoek (...). A fortiori zullen bouwaanvragen die betrekking hebben op een beschermd monument openbaar gemaakt moeten worden.
  60. De voorliggende bouwvergunning vergunt de uitvoering van bouwwerken aan het beschermd monument ‘Het Vrije’, dat werd beschermd bij KB van 25 maart
  61. Het perceel waarop de fietsenbergplaats is opgericht, behorende tot het beschermd gebouw ‘Brugse Vrije’ is omringd door beschermde monumenten (...) : 1) monumenten gelegen in het gezichtsveld van het Brugse Vrije (achterzijde): - Huis De Caese: beschermd in 1938, samen met het Brugse Vrije Huis - De Zeven Torens, evenals huizen Casselberg en Fransch Schild, Hoogstraat 6-8, beschermd bij K.B. van 9 juli 1974 (B.S. 19 september 1974) - Mallebergplein 4, beschermd bij K.B. van 9 juli 1974 (B.S. 19 september 1974) - De Vismarkt, beschermd bij K.B. van 5 december 1962 (B.S. 15 februari 1963); - Steenhouwersdijk 3, ambachtshuis van de kleermakers, beschermd bij M.B. van 10 december 1991 (B.S. 23 april 1992) - Braambergstraat 14, beschermd bij M.B. van 16 december 1991 (B.S. 23 april 1992) 2) monumenten gelegen in het gezichtsveld van het Brugse Vrije (voorzijde): - H. Bloedkapel, Burg, beschermd bij K.B. van 25 maart 1938 (B.S. 23 april 1938) - Stadhuis, Burg, beschermd bij K.B. van 25 maart 1938 (B.S. 23 april 1938) - Civiele Griffie, Burg, beschermd 3 juli 1942 (B.S. 16 augustus 1942) X-10.523-14/19 - Proosdij Sint-Donaas, Burg, beschermd bij K.B. van 5 december 1962 (B.S. 15 februari 1963) - Resten van de Sint-Donaaskerk, beschermd bij M.B. van 2 maart 1990 (B.S. 5 oktober 1990) - Gouvernementspaleis, Burg, beschermd bij M.B. van 16 december 1991 (B.S. 23 april 1992) 3) voorlopig beschermde monumenten (april 2001) in afwachting van binnenkort te beslissen definitieve bescherming: in het gezichtsveld van het Brugse Vrije (achterzijde): - Blinde Ezelbrug - Meebrug, Groenerei - Peerdenbrug, Groenerei
  62. Voornoemde bouwwerken vallen dan ook overduidelijk binnen het toepassingsgebied van artikel 3, 3/ van het KB betreffende de openbaarmaking van bouwaanvragen. De gemachtigde ambtenaar heeft in ieder geval nagelaten met concrete argumenten te motiveren waarom de voorliggende bouwvergunning kon worden afgeleverd zonder dat voorafgaandelijk een openbaar onderzoek werd georganiseerd.
  63. In tegenstelling tot wat de gemachtigde ambtenaar hierover stelt in de bouwvergunning, diende deze bouwaanvraag in casu derhalve aan een openbaar onderzoek te worden onderworpen. Aangezien de bestreden bouwvergunning werd afgeleverd zonder dat met betrekking tot de bouwaanvraag een openbaar onderzoek werd georganiseerd, maakt zij inbreuk op artikel 3, 3/ van het KB betreffende de openbaarmaking van bouwaanvragen en artikel 52, §3 van het gecoördineerd stedenbouwdecreet”. 3.1.
  64. De verwerende partij beantwoordt dit middel als volgt: “
  65. Verzoekende partijen putten een tweede middel uit de vermeende schending van art. 3,3/ van het K.B. van 6 februari 1971 betreffende de behandeling en openbaarmaking van de bouwaanvragen. Volgens verzoekende partijen diende in casu een openbaar onderzoek georganiseerd te zijn. Aangezien de gemachtigde ambtenaar niet zou gemotiveerd hebben waarom geen openbaar onderzoek georganiseerd werd, zou ook de wet op de formele motiveringsverplichting geschonden zijn.
  66. Betreffende dit laatste kan het volstaan met te wijzen op het feit dat een positieve motivering volstaat (...). De overheid is niet verplicht om te motiveren waarom zij en bepaalde vormvereiste al dan niet toepast. In het tegenovergestelde geval zou de overheid immers verplicht zijn telkens te motiveren waarom zij om het even welke voorbereidende handeling neemt of niet. Het naleven de substantiële vormvereisten volstaat. Waarom andere niet voorgeschreven vormvereisten niet toegepast worden, dient niet gemotiveerd te worden.
  67. Verzoekende partijen tonen niet aan in welke mate hun belangen zouden geschaad zijn door het vermeend niet naleven van de regels inzake openbaar onderzoek. Zij bezitten op het ogenblik van het annulatieberoep geen rechtspersoonlijkheid en hadden deze in geen geval ten tijde dat de bouwaanvraag onderzocht werd. Zij konden met andere woorden hoe dan ook geen rechtsgeldig bezwaar indienen, zodat zij desbetreffend niet in hun belangen geschaad zijn”. X-10.523-15/19 3.1.
  68. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen: “
  69. Overeenkomstig artikel 3, 3/ van het KB van 6 februari 1971 betreffende de behandeling en openbaarmaking van de bouwaanvragen (B.S. 13 februari 1971; hierna “KB betreffende de openbaarmaking van bouwaanvragen) moeten de volgende bouwaanvragen aan een openbaar onderzoek worden onderworpen ‘(...)Wanneer voor het gebied waarin het perceel begrepen is, noch een bij Koninklijk besluit goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, (...) noch een behoorlijk vergund en niet vervallen verkavelingsplan bestaat, moeten de bouwaanvragen voor de hieronder omschreven werken of handelingen openbaar gemaakt worden (...) : 3/ bouwen, herbouwen of verbouwen van gebouwen binnen het gezichtsveld van een beschermd monument of in een beschermd landschap of in een landschap dat op een door de Minister van Openbare Werken vastgestelde lijst is geplaatst; (....)’
  70. Dit betekent dat bouwaanvragen die betrekking hebben op een pand dat is gelegen in het gezichtsveld van een beschermd monument, steeds aan een voorafgaand openbaar onderzoek moeten worden onderworpen.
  71. Volgens een vaste rechtspraak van uw Raad (...) volstaat zelfs een gedeeltelijke zichtbaarheid van de voorgenomen constructie vanaf een bepaalde plaats van een beschermd monument, opdat de aanvraag onderworpen moet worden aan een openbaar onderzoek.
  72. Zoals duidelijk aangeduid werd op het als bijlage gevoegde plannetje van de Brugse stadskern en zoals eveneens duidelijk blijkt uit de bijgevoegde fotoreportage is de bestreden fietsenstalling aan de achterzijde gelegen binnen het gezichtsveld van: - Huis De Caese; - Huis de Zeven Torens, Huizen Casselberg en Fransch Schild, Hoogstraat 6-8; - Huis, Mallebergplein 4; - De Vismarkt; - Ambachtshuis van de kleermakers, Steenhouwersdijk 3; - Huis, Braambergstraat
  73. Uit het dossier blijkt eveneens duidelijk dat de bestreden constructie aan de voorzijde gelegen is binnen het gezichtsveld van: - Heilige Bloedkapel, Burg; - Stadhuis, Burg; - Civiele Griffie, Burg; - Proosdij Sint-Donaas, Burg; - Resten van de Sint-Donaaskerk; Gouvernementsplein, Burg.
  74. Er wordt niet betwist dat voornoemde panden en pleinen werden gerangschikt als monument: - Huis De Caese, samen met het Brugse Vrije: geklasseerd bij KB van 25 maart 1938 (B.S. 23 april 1938); - Huis de Zeven Torens evenals de Huizen Casselberg en Fransch Schild, Hoogstraat 6-8 : beschermd bij KB van 9 juli 1974 (B.S. 19 september 1974); - Mallebergplein 4 : beschermd bij KB van 9 juli 1974 (B.S. 19 september 1974); - De Vismarkt : beschermd bij KB van 5 december 1962 (B.S. 15 februari 1963); - Ambachtshuis van de kleermakers, Steenhouwersdijk 3 : beschermd bij MB van 10 december 1991 (B.S. 23 april 1992); X-10.523-16/19 - Huis, Braambergstraat 14 : beschermd bij MB van 16 december 1991 (B.S. 23 april 1992); - Heilige Bloedkapel, Burg : beschermd bij KB van 25 maart 1938 (B.S. 23 april 1938); - Stadhuis, Burg : beschermd bij KB van 25 maart 1938 (B.S. 23 april 1938); Civiele - Griffie, Burg : beschermd bij KB van 3 juli 1942 (B.S. 16 augustus 1942); - Proosdij Sint-Donaas, Burg : beschermd bij KB van 5 december 1962 (B.S. 15 februari 1963); - Resten van de Sint-Donaaskerk : beschermd bij MB van 2 maart 1990 (B.S. 5 oktober 1990); - Gouvernementspaleis, Burg : beschermd bij MB van 16 december 1991 (B.S. 23 april 1992).
  75. De bouwaanvraag voor het oprichten van een fietsenstalling op het pleintje van het Brugse Vrije diende derhalve overeenkomstig de bepalingen van artikel 3, 3/ van het KB betreffende de openbaarmaking van bouwaanvragen onderworpen te worden aan een openbaar onderzoek.
  76. Nu niet wordt betwist dat de bestreden bouwvergunning werd toegekend zonder dat de bouwaanvraag voorafgaandelijk aan een openbaar onderzoek werd onderworpen - en in de bestreden beslissing evenmin wordt toegelicht om welke reden deze bouwaanvraag niet werd openbaar gemaakt - volgt uit het voorgaande dat de bestreden vergunningsbeslissing werd genomen met miskenning van artikel 3, 3/ van het KB betreffende de openbaarmaking van bouwaanvragen. Vermits deze substantiële vormvereiste is miskend, is de bestreden beslissing onwettig.
  77. In tegenstelling tot wat verweerster lijkt te beweren - en zoals reeds omstandig werd uitgelegd onder hoofdstuk 1.2 - hebben verzoekers wel voldaan aan de formaliteiten, zoals voorgeschreven in de wet van 21 juni
  78. Zij hebben dan ook rechtspersoonlijkheid en konden dan ook rechtsgeldig bezwaar indienen tegen de bouwaanvraag”. 3.
  79. Onderzoek van het middel 3.2.
  80. Artikel 3, 3/ van het op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing toepasselijke koninklijk besluit van 6 februari 1971 betreffende de behandeling en de openbaarmaking van de bouwaanvragen bepaalt dat een openbaar onderzoek is vereist voor aanvragen met betrekking tot het “bouwen, herbouwen of verbouwen van gebouwen binnen het gezichtsveld van een beschermd monument of in een beschermd landschap of in een landschap dat op een door de Minister van Openbare Werken vastgestelde lijst is geplaatst”. Uit de door de verzoekende partijen bijgebrachte gegevens, die door de verwerende partij overigens niet worden betwist, blijkt dat de bouwplaats niet enkel gelegen is binnen het gezichtsveld van een aantal gerangschikte monumenten, maar dat zij zelfs deel uitmaakt van het beschermd monument “Het Vrije”, gerangschikt bij koninklijk besluit van 25 maart
  81. Dit laatste wordt overigens in het bestreden besluit zelf uitdrukkelijk vermeld. X-10.523-17/19 Er wordt evenmin betwist dat er geen openbaar onderzoek over de bouwaanvraag werd gehouden. 3.2.
  82. De verzoekende partijen doen ook blijken van het vereiste belang bij het middel, aangezien, ingeval van vernietiging van het bestreden besluit, op grond van het thans van toepassing zijnde artikel 3, § 3, 8/ van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen, de aanvraag aan een openbaar onderzoek dient te worden onderworpen, en de verzoekende partijen alsdan een bezwaar kunnen indienen. Het komt de Raad van State niet toe om vooruit te lopen op de beslissing die de bevoegde administratieve overheid over de ingediende bezwaarschriften zal nemen. 3.2.
  83. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  84. Het beroep wordt verworpen in hoofde van de tweede verzoekende partij. Artikel
  85. Vernietigd wordt het besluit van 23 maart 2000 van de gemachtigde ambtenaar van AROHM West-Vlaanderen, waarbij aan de stad Brugge de bouwvergunning wordt verleend voor het oprichten van een fietsenstalling aan “’t Brugse Vrije”, Burg 11, Plein “De Caese”, op een perceel kadastraal bekend onder sectie B, nr. 1088/l. Artikel
  86. De kosten van het beroep, bepaald op 520,59 euro, komen ten belope van 347,06 euro ten laste van de verwerende partij, en ten belope van 173,53 euro ten laste van de tweede verzoekende partij. X-10.523-18/19 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien februari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.523-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.613 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.