← België

Arrest 190618 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 18/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.618 Rolnummer: A. 123164/IX-3410 Zaak: Arrest 190618 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 18/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-06 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 18:34 Fiche Arrest nr 190.618 van 18 februari 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.618 van 18 februari 2009 in de zaak A. 123.164/IX-

  1. In zake : Erwin DE STAELEN, wonende te VILVOORDE, President Kennedylaan 75 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Erwin DE STAELEN op 28 juni 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing [...] meldend dat hij definitief mislukt is in een examengedeelte voorafgaand aan het vergelijkende kwalificatie-examen BM”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 29 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad B.THYS; Gehoord de opmerkingen van luitenant-kolonel militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; IX-3410-1/13 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  2. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker beroepsonderofficier bij de landmacht en heeft hij de graad van adjudant. 1.
  3. Op 21 mei 2001 dient de verzoeker zijn kandidatuur in voor deelname aan de cursussen en het vergelijkende kwalificatie-examen voor benoeming in de graad van adjudant-chef (oppermeester) - sessie
  4. 1.
  5. Luidens artikel 15, §1bis, van het koninklijk besluit van 25 oktober 1963 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht en van de medische dienst moeten de kandidaten, om aan het vergelijkende kwalificatie-examen voor benoeming in de graad van adjudant-chef te mogen deelnemen, geslaagd zijn voor: 1/ een examen over de algemene militaire kennis met betrekking tot de militaire reglementen en de organisatie van de krijgsmacht; 2/ een examen over de administratieve kennis inzake personeel en materieel. Luidens het reglement G9 betreffende “[de] opleiding van de onderofficieren van het actief kader”, - bedraagt het waardecijfer voor het examen over de administratieve kennis van het beheer van het personeel en het materieel 500 punten, die als volgt worden verdeeld: 250 punten voor de administratie van het personeel en 250 punten voor de administratie van het materieel (nummer 414, c, van het reglement); - moet de kandidaat, om te slagen, de helft van de punten behalen voor het examen over de militaire reglementen en de organisatie van de krijgsmacht en voor het examen over de administratieve kennis van het beheer van het personeel en het materieel (nummer 415, a, van het reglement); - mogen de kandidaten zich in geval van mislukken terug aanbieden op een herkansingsexamen, moeten zij in geval van mislukken in één van de twee examens enkel voor dat examen een herkansingsexamen afleggen, en betekent een IX-3410-2/13 tweede mislukking in één van de twee examens een definitieve mislukking (nummer 416, a tot c, van het reglement). 1.
  6. Op 24 april 2002 deelt de jury van het toelatingsexamen de punten die de verzoeker voor de examens heeft behaald, mee aan diens korpscommandant. De verzoeker behaalde voor het examen “beheer van het personeel en het materieel” bij een eerste poging 151,5/500 punten en bij een tweede poging 239/500 punten. Aangezien hij na twee pogingen voor één van de twee examens niet het vereiste minimum van 250/500 punten behaalde, is hij overeenkomstig het voornoemde reglement G9 definitief mislukt. 1.
  7. Op 26 april 2002 vraagt de verzoeker inzage in, afschrift van, en toelichting bij zijn examendossier. 1.5.
  8. Uit het examendossier blijkt dat vraag 17 van het examen “beheer van het personeel en het materieel”, die van belang is voor de beoordeling van het voorliggende beroep tot nietigverklaring, en de vooropgestelde typeoplossing van deze vraag als volgt luiden: “Vraag 17 Antwoord met juist of fout Minimum punten op de vraag = 0 Ptn Goed antwoord = + 12 punten Verkeerd antwoord = - 12 punten Geen antwoord = 0 punten a. Vanuit het oogpunt van het gebruik van het Mil gerij wordt het transport van goederen nodig voor het functioneren van de eenheid beschouwd als een behoefte van administratieve aard. b. Binnen de garage van een maintenance A2 mag een mecanicien, zonder rijbewijs, eender welk type Mil Vtg waaraan hij werkt verplaatsen. c. De chauffeur van een Mil Vtg is, in principe, verplicht de reisweg te volgen die hem opgelegd werd door de autoriteit verantwoordelijk voor het gerij van zijn eenheid. d. De kosten ten laste van de verantwoordelijke in geval van misbruik van Mil gerij worden berekend door de Comd van de BLT [bureau locale de transport] waarvan de eenheid van belanghebbende afhangt. e. Elk Vtg van een niet reglementair gemerkte Coln die Nederland doorkruist wordt beschouwd als een geïsoleerd Vtg. [...] IX-3410-3/13 ANTWOORD Ref TOEGEKENDE PUNTEN GESCHATTE ELEMENTEN DUUR a. JUIST Reg IF 133 Correct antwoord : + 12 3 Min. Art 201.a.

(1)Foutief antwoord : -12 Geen antwoord : 0 b. FOUT Reg IF 133 Correct antwoord : + 12 3 Min. Art 202 Foutief antwoord : -12 Geen antwoord : 0 c. JUIST Reg IF 133 Correct antwoord : + 12 3 Min. Art 204.a.
(1)Foutief antwoord : -12 Geen antwoord : 0 d. FOUT Reg IF 133 Correct antwoord : + 12 3 Min. Art 404.b. Foutief antwoord : -12 Bijl J 2 Geen antwoord : 0 e. JUIST Reg IF 133 Correct antwoord : + 12 3 Min. Art 806.e. Foutief antwoord : -12 Geen antwoord : 0 1.5.2. De verzoeker heeft vraag 17 als volgt beantwoord: “
  1. a)juist;
  2. b)fout;
  3. c)/;
  4. d)juist;
  5. e)/.” Met inachtneming van de typeoplossing werd het antwoord van de verzoeker op vraag 17, d, als foutief beschouwd. Voor vraag 17 verkreeg hij derhalve 12/60 (12 + 12 + 0 - 12 + 0 = 12) punten. Indien de verzoeker op vraag 17, d, correct had geantwoord of zelfs niet had geantwoord, dan had hij het vereiste minimum van 250/500 punten voor het examen “beheer van het personeel en het materieel” wel behaald. 1.5.3. Artikel 404, b, van het reglement IF 133 betreffende “administra- tieve onderrichting over het gebruik van de voertuigen” en bijlage J, 2, bij dit reglement, waarnaar de typeoplossing van vraag 17, d, verwijst, bepalen: “404. Geldelijke sancties in geval van misbruik a. Algemeen
(1)Onverminderd de tuchtmaatregelen valt de terugbetaling van de kosten voor het gebruik ten laste van de verantwoordelijke persoon IX-3410-4/13 en de teruggevorderde bedragen worden in de Schatkist, Rijksmiddelenbegroting gestort. De terugvordering van deze bedragen geschiedt overeenkomstig de voorschriften van het Reg over Financiële Comptabiliteit (Reg P 1).
(2)Misbruik van voertuigen kan eveneens een strafrechtelijke inbreuk uitmaken (bijvoorbeeld: gebruik van een militair voertuig voor persoonlijke doeleinden) die gerechtelijke vervolging tot gevolg kan hebben. b. Basisberekening voor de terugbetaling De kosten in geval van misbruik zullen ten laste gelegd worden van de verantwoordelijke en berekend volgens bijlage J aan dit Reg. [...] Bijlage J Tariefschaal voor gebruik van materieel tegen betaling
  1. Om redenen van economische, administratieve en technische aard wordt de tariefschaal voor het gebruik van rollend en niet-rollend materieel tegen betaling niet meer verspreid aan al de eenheden als bijlage bij onderhavig Reg, noch onder gelijk welke andere vorm.
  2. Deze inlichtingen kunnen voortaan schriftelijk (nota of bericht) aan de hiernavolgende organismen aangevraagd worden, die de volledige berekening van de gebruiksprijs zullen doen, indien zulks gevraagd wordt: a. in België: aan de Lokale Transportbureaus (BLT): b. in de SBSD: aan Comd 1 (BE)Corps - G4: c. voor organismen buiten België en de SBSD gelegerd: aan JSO-G/Tpt. [...]” 1.
  3. Op 2 mei 2002 ontvangt de voorzitter van de examenjury de verzoeker met het oog op inzage in zijn examendossier. Het proces-verbaal betreffende deze inzage vermeldt: “[...]
  4. Verloop van de inzage a. Betrokkene werd in het kort ingelicht over het reglementair verloop van het examen in onderwerp (opstellen van de vragen/typeantwoorden door de wapenscholen, goedkeuring ervan door de voltallige jury gedurende de periode van 12 tot 14 Dec 01, samenstelling van de vragenreeksen en lottrekking op 06 Feb 02, anonieme verbetering door twee verschillende verbeteraars in het bijzijn van waarnemers aansluitend op het afleggen van het examen en de eveneens anonieme geschillenregeling bij te groot IX-3410-5/13 scoreverschil, inschrijving van de resultaten en mededeling ervan aan de kandidaten). b. Nadien heeft de kandidaat de wens geuit om zijn antwoordenbladen van Beheer voor beide examens in te zien. c. Betrokkene gaat akkoord met de uitslagen van de eerste zit. d. Voor de tweede poging heeft betrokkene een bedenking aangaande de vraag 17d, waarbij de kandidaat wordt gevraagd te antwoorden met juist of fout (goed antwoord = +12, verkeerd antwoord = -12, geen antwoord = 0). Volgende bewering moet getoetst worden: ‘De kosten ten laste van de verantwoordelijke in geval van misbruik van Mil gerij worden berekend door de Comd van de BLT waarvan de eenheid van belanghebbende afhangt’. Het typeantwoord luidt: fout, verwijzende naar het Reg IF133 Art 404b Bijl J (Par) 2 waarin staat dat er drie gevallen moeten worden onderscheiden nl: voor eenheden in België is dit het BLT, voor eenheden in de BSD is dit G4 van het Corps en voor organismen buiten België en in SBSD gelegerd is dit JSO-G/Tpt. Het typeantwoord fout wordt als volgt gemotiveerd: de te staven bewering vermeldt niet over welke eenheid het gaat, bijgevolg is de bewering onvolledig en in dit geval dus fout. Dit werd bevestigd bij een telefonische contactname met de verantwoordelijke voor de vragen bij de Log Sch, Maj De Lepeleire, dewelke eveneens verwijst naar Par 305e, waar Comd MCG (of zijn afgevaardigde) verantwoordelijk zijn. Betrokkene neemt akte van deze vaststelling. e. Betrokkene heeft de gevraagde kopieën van de tweede zit verkregen.
  5. Ik beslis hierbij de behaalde scores van betrokkene te behouden en dat betrokkene definitief mislukt is.” De beslissing van de voorzitter van de examenjury om de door de verzoeker behaalde scores te behouden en hem derhalve als definitief mislukt te beschouwen, maakt het voorwerp uit van het voorliggende beroep tot nietigverklaring. Grond van de zaak 2.
  6. De verzoeker voert in een eerste middel aan dat de bestreden beslissing “niet gemotiveerd [is] in feite” en “kennelijk onredelijk” is. Hij laat in essentie gelden dat vraag 17, d, van het examen “beheer van het personeel en het materieel” onduidelijk werd gesteld en dat de typeoplossing die bij de verbetering werd gebruikt, niet de enig mogelijke was. Hij stelt dat hij redelijkwijze ervan kon uitgaan dat vraag 17, d, betrekking had op misbruik van een voertuig behorend tot een eenheid in België, zodat het antwoord dat de kosten IX-3410-6/13 worden berekend door “de Comd van de BLT”, als juist diende te worden beschouwd en hij derhalve in de plaats van 239/500 punten, 263/500 punten had moeten behalen. De motivering van de beslissing om hem voor vraag 17 slechts 12/60 punten toe te kennen, in de plaats van 36/60 punten, waardoor hij in het totaal minder dan 250/500 punten behaalde en hij definitief mislukt is, kan volgens de verzoeker dan ook niet deugdelijk worden genoemd. De verzoeker licht dit middel als volgt toe: “1.
  7. Bespreking a. De analyse van vraag 17.d geeft volgende gegevens: - het gaat om een geval van misbruik van militair gerij; - de kosten worden berekend door de Comd BLT van de eenheid waarvan betrokkene afhangt. b. De geldelijke sancties in geval van misbruik of onrechtmatig gebruik van een militair voertuig al dan niet strafrechtelijk gesanctioneerd worden geregeld in het militair reglement IF133, artikel 305.d en e en artikel 404 dat verwijst naar een bijlage J aan hetzelfde reglement.
(1)U zal vaststellen dat art 305.d en 404.a gelijkluidend zijn.
(2)Per geval van misbruik bedoeld in art 305.e stelt art 305.d dat ‘De kosten in geval van onrechtmatig gebruik berekend worden door de Comd MCG of door zijn afgevaardigde volgens de geldende tarieven voor het gebruik van militair materieel’.
(3)In geval van misbruik bedoeld in art 404.a dat hetzelfde is als dat bedoeld in art 305.e stelt art 404.b, verwijzend naar bijlage J dat de kosten worden berekend (dienen te worden aangevraagd (cf. Bijl J, punt 2)-) ‘a. in België: aan de lokale transportbureaus (BLT); b. in de SBSD: aan de Comd 1(BE)Corps-G4; c. voor de organismen buiten België en de SBSD gelegerd aan JSO-G/Tpt’.
(4)Merk op dat Bijlage J, punt 3 bepaalt dat de tariefschaal ieder jaar wordt hernieuwd en aan de Comd 1(BE)Corps-G4 en de MCG/Bnd (BLT) bezorgd worden (door JSO-G/Tpt). Noteer dat de lokale BLT’s Bnd (in België) in principe per Provincie afhangen van MCG (de Movement Control Group bevoegd voor gans het grondgebied van het Rijk). c. In het licht van de reglementaire teksten geanalyseerd in para b. supra en de vraagstelling (para a. supra) kon verzoeker aangezien de kosten berekend worden door de Comd BLT geredelijk veronderstellen dat het om misbruik ging van een voertuig behorend tot een eenheid in België. Immers alle eenheden in België hangen af van een BLT dat van de kostprijs wordt ingelicht door het MCG, kostprijs die jaarlijks wordt IX-3410-7/13 vastgesteld door JSO-G/Tpt en door deze aan MCG (en dus MBLT’
  1. s)en Comd 1(BE)Corps (in de BSD) wordt medegedeeld. d. Verzoeker toonde reeds aan dat de teksten van art 404.a en 305.d quasi gelijkluidend zijn. Het verschil wie wat berekent ligt in art 404.b en 305.e zelf. De vraag dient hier gesteld waarom in art 305.d de geleden schade wordt berekend door enkel de Comd MCG terwijl in het geval van art 404.b dat over dezelfde misbruiken gaat (al dan niet strafrechtelijk vervolgd) de vaststelling van de schade aan 3 verschillende autoriteiten toekomt terwijl in feite het tarief van de schade jaarlijks uniform wordt vastgesteld door de bevoegde dienst van de generale staf en aan de ondergeschikte overheden (MCG, BLT, Comd 1(BE)Corps) wordt medegedeeld. Derhalve als verzoeker in het licht van de vraagstelling antwoordt dat de Comd BLT bevoegd is dan is zijn standpunt juist aangezien hij op grond van de formulering van de vraag logisch mocht veronderstellen dat het eenheden in België betrof afhangend van een BLT. e. In de mate dat de tweede verwerende partij het antwoord als fout kwalificeert aangezien volgens haar betrokkene gelet op de vraagstelling niet kon weten dat het over een eenheid in België gaat en dus onvolledig is dan dient deze motivering als onjuist verworpen aangezien de vermelding van het feit dat de kosten worden berekend door de Comd BLT het antwoord beperkt tot eenheden in België. Moest meer worden geëist als antwoord dan had de vraag anders moeten zijn geformuleerd bijv: ‘De kosten ten laste van de verantwoordelijke in geval van misbruik van Mil gerij worden berekend door de overheid bevoegd voor het aanwenden van militair transport waarvan de eenheid van belanghebbende afhangt’. f. Dat in de typeoplossing (para 1.1.c supra) enkel verwezen wordt naar art 404.b en bijlage J2 van het Reg IF 133 is intrinsiek eveneens onjuist want onvolledig. Immers zoals hiervoor aangetoond is art 305.e eveneens toepasselijk op het gestelde in de opgave van vraag 17.d. Dit wordt expliciet toegegeven door de opstellers van de vragen waar deze verwijst naar art 305.e in het telefonisch onderhoud waarnaar wordt verwezen in de motivering van de bestreden beslissing (cf. punt 1.1.e supra en Bijlage 1). 1.3. Besluiten a. Het Reg IF 133 in zijn formulering van de overheden bevoegd om de kosten in geval van misbruik vast te stellen is op zijn minst verwarrend ja dubbelzinnig. Art 404.b verwijst naar een bijlage J, art 305.e doet dit niet. b. De typeoplossing die enkel steunt op art 404.b en bijlage J laat niet toe ondubbelzinnig te beslissen dat gelet op de formulering van de vraag 17.d het antwoord van verzoeker als fout moet worden gekwalificeerd. Derhalve is de motivering van de beslissing dat verzoeker voor deze vraag slechts 12/60 bekomt ipv 36/60 waardoor hij minder dan 250/500 bekwam en als definitief mislukt moet worden beschouwd niet deugdelijk gemotiveerd en weerstaat ze de toetsing niet aan de IX-3410-8/13 reglementaire teksten toegepast op het antwoord van verzoeker op de geformuleerde vraag 17.d. c. Zo wat betreft de inhoud van de motivatie de Raad van State accepteert dat de punten die op de onderscheiden vakken (of vragen) werden gegeven een voldoende motivering uitmaken van de beslissing (Raad van State nr 45694 van 19 januari 1994) moet hier een nadere motivatie worden vereist aangezien uit het dossier blijkt dat er vragen moeten gesteld worden bij de cijfers die deze verzoeker bij de examens (voor vraag 17.
  2. d)behaalde (Raad van State nr 44014 van 14 september 1993, T.O.B.R. 1993-1994, p 191). d. Verzoeker meent dat hier over de gegeven punten de marginale toetsing zich opdringt aangezien uit de gegeven motivering niet blijkt dat het oordeel van de jury niet willekeurig was of gebaseerd op concrete onderliggende reglementaire bepalingen die toegepast op de vraagstelling ondubbelzinnig toelaten te besluiten dat verzoeker fout heeft geantwoord. Zo, zoals in onderhavig geschil niet te begrijpen is hoe de bestreden beslissing tot stand is gekomen en ze dus kennelijk onredelijk is, zal de beslissing een inhoudelijk onderzoek niet doorstaan (Raad van State nr 62082 van 1 oktober 1996, T.O.B.R., 1996-97, p 137). Het middel is dus gegrond.” 2.2. De verwerende partij repliceert hierop in haar memorie van antwoord: “[...] Er moet opgemerkt worden dat: - JSO-G/Tpt de tariefschaal voor het gebruik van het rollend en niet-rollend materieel opstelt en overmaakt aan Comd 1(BE)Corps-G4 (in de BSD) en MCG/Bnd
(5)(BLT) [...]; - de in het reglement IF 133 bevoegde autoriteiten deze tariefschaal als basis gebruiken voor het berekenen van o.m. de kosten in geval van misbruik van militair gerij; - de kosten in geval van misbruik ten laste gelegd worden van de verantwoordelijke en berekend worden volgens bijlage J van het reglement IF 133 [...]; - de kosten in geval van onrechtmatig gebruik zullen worden aangerekend aan de aansprakelijke persoon en worden berekend door de Comd MCG of door zijn afgevaardigde volgens de geldende tarieven voor het gebruik van het militair materieel [...]; - ook al lijkt er op het eerste zicht verwarring te bestaan omtrent de autoriteiten die bevoegd zouden zijn voor de berekening van de kosten in geval van misbruik van militair gerij [...], dan nog kan het antwoord op de vraag 17.d. alleen maar ‘fout’ zijn, en moet verzoekers antwoord verworpen worden; IX-3410-9/13 - verzoekers argumentatie zich beperkt tot het citeren van bepaalde artikels uit het reglement IF 133 zonder dat hij ondubbelzinnig duidelijk maakt waarom hij er logischerwijze mocht van uitgaan dat het ging over een voertuig van een eenheid in België; - van de 60 Nederlandstalige kandidaten die de vraag 17.d. hebben beantwoord, er 15 kandidaten op de vraag verkeerd hebben geantwoord, en er 45 kandidaten, dus de meerderheid, op de vraag correct hebben geantwoord [...]; - van de 62 Franstalige kandidaten die de vraag 17.d. hebben beantwoord, er 20 kandidaten op de vraag verkeerd hebben geantwoord, en er 42 kandidaten, dus de meerderheid, op de vraag correct hebben geantwoord [...]; - de voorzitter duidelijk en correct gemotiveerd heeft waarom verzoekers antwoord fout was. d. Aangezien uit de constante rechtspraak van de Raad van State voortvloeit dat een beslissing wegens schending van het redelijkheidsbeginsel door de Raad van State slechts kan worden vernietigd in geval zij kennelijk onredelijk is, dit wil zeggen dat geen redelijk denkende overheid tot een dergelijke beslissing zou kunnen zijn gekomen, kan in casu alleen maar worden vastgesteld dat uit de door de voorzitter van de jury verstrekte motivering blijkt dat de beslissing tot het foutief beoordelen van verzoekers antwoord op vraag 17.d. niet onredelijk is, en bijgevolg zeker niet kennelijk onredelijk. In dat kader moet nog vastgesteld worden dat het feit dat verzoeker een ellenlang technisch betoog nodig heeft om zijn visie te staven, op zich reeds aantoont dat er in casu geen sprake is van een kennelijk onredelijke beslissing.” 2.
  1. De verzoeker blijft in zijn memorie van wederantwoord bij zijn standpunt dat vraag 17, d, van het examen “beheer van het personeel en het materieel” onduidelijk werd gesteld. Hij betoogt dat artikel 305, d en e, van het reglement IF 133 evenzeer in aanmerking kon worden genomen als grondslag voor de oplossing van de vraag. Indien die bepalingen worden toegepast, is het niet van belang of de eenheid in België, de SBSD of daarbuiten ligt. Het reglement IF 133 is, aldus de verzoeker, geen toonbeeld van een klare en duidelijke reglementering. De omstandigheid dat de meerderheid van de kandidaten een antwoord heeft gegeven dat overeenstemt met het typeantwoord betekent volgens de verzoeker nog niet dat het typeantwoord het enig mogelijke antwoord was. De verzoeker houdt voorts staande dat de beslissing om hem slechts 12/60 punten toe te kennen in de plaats van 36/60 punten, waardoor hij in het totaal voor het examen “beheer van het personeel en het materieel” minder dan 250/500 punten behaalde en hij definitief mislukt is, niet deugdelijk is gemotiveerd. IX-3410-10/13 Hij stelt dat uit de gegeven motivering niet blijkt dat het oordeel van de jury niet willekeurig was of gebaseerd op reglementaire bepalingen die ondubbelzinnig toelaten te besluiten dat hij foutief heeft geantwoord. Bovendien bestaat er volgens de verzoeker een kennelijke wanverhouding tussen de ingeroepen motieven en de inhoud van de beslissing. 2.
  2. Als motief voor het typeantwoord “fout” op vraag 17, d, en voor het behouden van de door de verzoeker op die vraag behaalde score “- 12”, wordt in de bestreden beslissing vermeld: “de te staven bewering vermeldt niet over welke eenheid het gaat, bijgevolg is de bewering onvolledig en in dit geval dus fout”. Luidens artikel 404, b, van het reglement IF 133 worden de kosten in geval van misbruik van voertuigen berekend overeenkomstig bijlage J. Uit bijlage J, 2, blijkt dat, indien zulks wordt gevraagd, in België de berekening door de lokale transportbureaus (BLT) wordt gemaakt, in de SBSD door “Comd 1(BE)Corps-G4” en voor organismen gelegerd buiten België en de SBSD door “JSO-G/Tpt” . De stelling die onder examenvraag 17, d, ter beoordeling aan de kandidaten werd voorgelegd, betreft -zo blijkt uit haar formulering- het geval dat de eenheid van de belanghebbende afhangt van een lokaal transportbureau. De verwerende partij spreekt niet tegen dat, zoals de verzoeker voorhoudt, alle eenheden in België afhangen van een lokaal transportbureau. De verzoeker laat dan ook terecht gelden dat hij, op grond van de wijze waarop examenvraag 17, d, werd geformuleerd, ervan mocht uitgaan dat de vraag betrekking had op een voertuig van een eenheid in België en, a fortiori, dat -zoals in de examenvraag gesteld- het in dat geval inderdaad het lokaal transportbureau is dat de kosten van het misbruik ervan berekent. De wijze waarop examenvraag 17, d, werd geformuleerd, liet derhalve niet toe te besluiten dat het door de verzoeker gegeven antwoord niet correct was. Het door de voorzitter van de examenjury aangevoerde motief dat de stelling van de voormelde examenvraag niet vermeldt over welke eenheid het gaat en ze dus onvolledig en “in dit geval [...] fout” is, kan dan ook niet als een deugdelijk motief in aanmerking worden genomen. IX-3410-11/13 De omstandigheid dat de meerderheid van de kandidaten examenvraag 17, d, overeenkomstig het typeantwoord heeft beantwoord, doet hieraan geen afbreuk. Evenmin relevant is het in de bestreden beslissing vermelde feit dat de verantwoordelijke voor de vragen bij de logistieke school “eveneens verwees naar Par 305e”. Zodra de examenjury de voorgestelde vragen en typeantwoorden had goedgekeurd en de examenwerken van de kandidaten aan de hand van die typeantwoorden had verbeterd, vermocht zij, wanneer de correctheid van één van die typeantwoorden in vraag werd gesteld, niet terug te grijpen naar bepalingen waarvan in het typeantwoord geen sprake is. Het eerste middel is, in zoverre het ontleend is aan de schending van de materiële motiveringsplicht, in de aangegeven mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  3. Vernietigd wordt de beslissing van 2 mei 2002 van de voorzitter van de examenjury waarbij Erwin DE STAELEN definitief mislukt wordt verklaard in het toelatingsexamen voorafgaand aan het vergelijkende kwalificatie-examen voor benoeming in de graad van adjudant-chef - sessie
  4. Artikel
  5. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-3410-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 februari 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3410-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.618 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.