id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.624 Rolnummer: A. 158431/IX-4732 Zaak: Arrest 190624 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 18/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-05 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 18:36 Fiche Arrest nr 190.624 van 18 februari 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.624 van 18 februari 2009 in de zaak A. 158.431/IX-4732. In zake : Jürgen DE VUYST, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te GENT, Mazestraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale politie DGS/DSJ, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat 8. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jürgen DE VUYST op 17 december 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: “(
- a)de beslissingen zoals tot uiting komend in een schrijven van 19 oktober 2004 van de Directeur van de Federale politie - Algemene Directie Personeel, Directie van de rekrutering en van de selectie - waarbij: (
- aa)werd vastgesteld dat verzoeker momenteel niet beschikt over het gewenste profiel voor de functie van aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie, [...]; (
- ab)[verzoekers] kandidatuur als aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie ‘niet weerhouden’ werd, [...]; (
- b)de in (a), (
- aa)en/of (
- ab)impliciet besloten weigeringen om: (
- ba)te oordelen dat verzoeker beschikt over het gewenste profiel voor de functie van aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie, minstens het potentieel bezit om de persoonlijkheidskenmerken te ontwikkelen die hem toelaten de functie van aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie bij de politie uit te oefenen; (
- bb)de kandidatuur van verzoeker als aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie in aanmerking te nemen”; IX-4732-1/14 Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKE- RE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 29 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoeker, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.1. De verzoeker is sinds 1 april 2001 aangesteld als hoofdinspecteur van politie en tewerkgesteld in de eenheid GDA BXL-Asse, gespecialiseerde dienst. 1.2. In juli 2004 stelt de verzoeker zich kandidaat voor het extern vergelijkend examen voor aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie. Het betreft zijn tweede deelname aan een selectieproef voor het gespecialiseerd middenkader, nadat hij bij zijn eerste deelname door de selectiecommissie op 24 januari 2004 “ongeschikt” werd bevonden. IX-4732-2/14 1.3. Op 9 augustus 2004 en 9 september 2004 legt de verzoeker met gunstig resultaat de eerste proef van het vergelijkend examen af. Die proef peilt naar “de noodzakelijke cognitieve vaardigheden” van de kandidaten. 1.4. Op 14 oktober 2004 neemt de verzoeker deel aan de tweede proef, zijnde een “persoonlijkheidsproef”. De directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie adviseert naar aanleiding van deze proef dat de verzoeker “momenteel niet de persoonlijkheidskenmerken [bezit] die hem toelaten het ambt als gespecialiseerd middenkader uit te oefenen.” 1.5. Op 19 oktober 2004 deelt de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie aan de verzoeker mee: “Betreft: Uw kandidatuur als aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie [...] Het spijt me u te melden dat uw kandidatuur als aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie niet werd weerhouden. Tijdens de persoonlijkheidsproef waaraan u heeft deelgenomen, werd vastgesteld dat u momenteel niet beschikt over het gewenste profiel voor de hierboven vermelde functie. Volgens het Koninklijk Besluit van 30 maart 2001, Artikel IV.1.5 hebt u de mogelijkheid om aan deze proef maximum 3 maal deel te nemen. Het staat u vrij om persoonlijk te solliciteren naar bijkomende informatie omtrent de reden van deze mislukking. Deze opvraging dient te geschieden per post, binnen een redelijke termijn (maximum drie maanden na de proef) en conform met de wet van 11 april 1994 aangaande de openbaarheid van bestuur. Deze beslissing kan het voorwerp uitmaken van een beroep tot nietigverkla- ring bij de Raad van State. [...].” De verzoeker onderkent in dit schrijven de vier bestreden beslissingen. Ontvankelijkheid van het beroep De eerste bestreden beslissing IX-4732-3/14 2.1.1. De auditeur-verslaggever werpt in zijn verslag over de zaak ambtshalve een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op voor zover het gericht is tegen de beslissing dat de verzoeker momenteel niet beschikt over het gewenste profiel voor de functie van aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie. De auditeur-verslaggever argumenteert dat die zogenaamde beslissing in wezen niet méér is dan een herneming van het advies dat de directie van de rekrutering en van de selectie heeft uitgebracht, en slechts is vermeld ter motivering van de beslissing die het tweede voorwerp van het beroep uitmaakt, namelijk de beslissing dat “[de] kandidatuur [van de verzoeker] als aspirant- hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie niet werd weerhouden”. Op het standpunt van de verzoeker dat de eerste bestreden beslissing een “definitief grievende voorbeslissing” is, aangezien uit artikel IV.I.16 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: het RPPol) blijkt dat het in principe niet mogelijk is deel te nemen aan een proef van de selectieprocedure zonder de voor de voorafgaande selectieproef bepaalde minimumdrempel te hebben behaald, wat te dezen impliceert dat de verzoeker niet meer aan de volgende proeven kan deelnemen, antwoordt de auditeur-verslaggever dat de Raad van State in zijn arrest nr. 181.091 van 17 maart 2008, in zake Ulens, heeft geoordeeld dat “noch het RPPol, noch het UBPol [...] het bestuur [verbieden] de verschillende proeven derwijze te organiseren dat de kandidaten aan de opeenvolgende proeven deelnemen zonder dat hun uitslag op de vorige proef gekend is. In dat geval gebeuren hun deelname en de vaststelling van hun uitslag voor dat onderdeel, onder de opschor- tende voorwaarde dat zij op de vorige proef de vooraf vastgestelde minimumdrem- pel behalen.” 2.1.2. In zijn laatste memorie herhaalt de verzoeker dat de eerste bestreden beslissing wel degelijk een “definitief grievende voorbeslissing” is, nu ze onvermijdelijk aanleiding zal geven tot zijn ongeschiktverklaring door de selectiecommissie. De verzoeker betoogt dat hij zich niet kan voorstellen dat de selectiecommissie een kandidaat die de minimumdrempel op één van de proeven niet heeft behaald, toch geschikt verklaart. IX-4732-4/14 De verzoeker stelt voorts nog dat een verwijzing naar het arrest Ulens van de Raad van State te dezen niet dienstig is, vermits de desbetreffende zaak betrekking had op een opeenvolgende deelname aan proeven met minimum- drempels, zonder dat de resultaten van de proeven door de kandidaten gekend waren, waardoor hun deelname aan de volgende proef slechts gebeurde onder de opschortende voorwaarde van het behalen van de minimumdrempel op de vorige proef. De verzoeker betoogt dat zelfs indien het bestuur de deelname aan diverse proeven op die manier organiseert, dit hoegenaamd niet uitsluit dat de beslissing betreffende het niet behalen van de minimumdrempel op één der proeven, die het eindresultaat bepaalt, wel degelijk een definitief grievende voorbeslissing is. 2.1.3. Het standpunt van de verzoeker kan worden bijgevallen. De eerste bestreden beslissing houdt in dat wordt vastgesteld dat de verzoeker momenteel niet beschikt over het gewenste profiel voor de functie van aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie. Ze betreft aldus méér dan louter de motivering van de beslissing dat “[de] kandidatuur [van de verzoeker] als aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie niet werd weerhouden”. Ze is voor de verzoeker een definitief grievende voorbeslissing, vermits ze onvermijdelijk resulteert in zijn ongeschiktverklaring voor de geambieerde functie. Een dergelijke beslissing is een voor vernietiging vatbare rechtshandeling, die ontvankelijk voor de Raad van State kan worden bestreden. Het beroep is dan ook ontvankelijk voor zover het gericht is tegen de beslissing, die blijkt uit de brief van 19 oktober 2004 van de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie, dat de verzoeker momenteel niet beschikt over het gewenste profiel voor de functie van aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie. De tweede bestreden beslissing 2.2. Het wordt niet betwist dat de beslissing waarbij “[de] kandidatuur [van de verzoeker] als aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie niet werd weerhouden” ontvankelijk het voorwerp kan uitmaken van een beroep bij de Raad van State. Het beroep is ook in zoverre ontvankelijk. IX-4732-5/14 De derde bestreden beslissing 2.3.1. De auditeur-verslaggever werpt in zijn verslag over de zaak ambtshalve een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, voor zover het gericht is tegen de impliciete weigering om te oordelen dat de verzoeker het gewenste profiel bezit voor de functie van aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie of dat de verzoeker minstens het potentieel heeft om persoonlijkheids- kenmerken te ontwikkelen die hem toelaten de functie van aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie bij de politie uit te oefenen. De auditeur-verslaggever laat gelden dat niet duidelijk is welk belang de verzoeker bij de vernietiging van de derde bestreden beslissing zou hebben. Ter adstructie verwijst hij naar zijn standpunt dat de eerste bestreden beslissing slechts een motief is van het niet in aanmerking nemen van verzoekers kandidatuur en dat ze als zodanig geen definitief grievende voorbeslissing is. Hij betoogt dat indien zou blijken dat de vaststelling dat de verzoeker niet beschikt over het gewenste profiel aangetast is door een onwettigheid, deze onwettigheid ook de beslissing vitieert om de kandidatuur van de verzoeker niet in aanmerking te nemen, en dat de verwerende partij, in dat geval, rekening zal moeten houden met het gezag van gewijsde van het arrest dat de laatstgenoemde beslissing vernietigt, hetgeen impliceert dat zij geen nieuwe beslissing zal kunnen nemen op grond van de vaststelling dat de verzoeker niet over het gewenste profiel beschikt. 2.3.2.1. Hiervóór werd reeds gesteld dat de eerste bestreden beslissing niet louter een motief is van de tweede bestreden beslissing, maar op zich een voor vernietiging vatbare rechtshandeling is. De exceptie opgeworpen door de auditeur- verslaggever dat de verzoeker om de uiteengezette redenen geen belang heeft bij de vernietiging van de derde bestreden beslissing, kan dan ook niet worden bijgevallen. 2.3.2.2. Wel is het zo dat, behoudens wanneer de verzoeker aantoont dat in hoofde van de overheid een rechtsplicht bestaat om te beslissen dat hij het gewenste profiel voor de functie van aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie bezit of dat hij minstens het potentieel heeft om persoonlijkheidsken- merken te ontwikkelen die hem toelaten de functie van aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie bij de politie uit te oefenen, een beroep tegen de impliciete weigering om een dergelijke beslissing te nemen niet tot een ruimer rechtsherstel IX-4732-6/14 kan leiden dan het rechtsherstel dat voortvloeit uit de vernietiging van de eerste bestreden beslissing. Ook kunnen er uitzonderlijke omstandigheden zijn die met zich brengen dat de verzoeker wel belang heeft bij het bestrijden van de voormelde impliciete weigeringsbeslissing. Of de verzoeker in zijn middelen het bestaan van dergelijke rechtsplicht of uitzonderlijke omstandigheden aanvoert en of de Raad van State dient aan te nemen dat ze inderdaad voorhanden zijn, moet blijken uit de beoorde- ling van de grond van de zaak. Het onderzoek van de ontvankelijkheid van de derde bestreden beslissing valt derhalve samen met het onderzoek van de grond van de zaak. De vierde bestreden beslissing 2.4.1. De verzoeker vermeldt de impliciete weigering om zijn kandidatuur voor de functie van aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisa- tie in aanmerking te nemen als vierde voorwerp van zijn beroep. 2.4.2. Ambtshalve dient erop te worden gewezen dat uit de brief van 19 oktober 2004 van de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie aan de verzoeker de uitdrukkelijke beslissing blijkt om verzoekers kandidatuur voor de functie van aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisa- tie niet in aanmerking te nemen. Hetgeen aldus expliciet is beslist, kan geen impliciete beslissing meer zijn. Met de auditeur-verslaggever moet dan ook worden aangenomen dat het beroep niet ontvankelijk is voor zover het gericht is tegen de vierde bestreden beslissing. Grond van de zaak 3.1. De grond van de zaak wordt door de auditeur-verslaggever in zijn verslag over de zaak onderzocht voor zover het beroep gericht is tegen de beslissing IX-4732-7/14 waarbij “[de] kandidatuur [van de verzoeker] als aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie niet werd weerhouden”. De auditeur-verslaggever werpt ambtshalve een middel op, afgeleid uit de onbevoegdheid van de steller van de bestreden beslissing. Nadat hij had vastgesteld dat in het administratief dossier geen beslissing van de selectiecommissie was opgenomen betreffende het niet in aanmerking nemen van de kandidatuur van de verzoeker, heeft hij de verwerende partij aangeschreven met het verzoek dit ontbrekende stuk over te leggen. De verwerende partij heeft met een brief van 29 augustus 2008 geantwoord: “Wat betreft het ontbreken van de beslissing van de selectiecommissie voor de tweede deelname, dien ik op te merken dat betrokken personeelslid bij zijn tweede deelname aan de selectieprocedure niet geslaagd werd bevonden op de persoonlijkheidsproef. Samenlezing van de artikelen IV.I.15, 4/ RPPol en IV.I.16 RPPol verklaren waarom geen eindevaluatie is opgemaakt door de selectiecommissie. Mijnh. De Vuyst is immers niet opgeroepen voor een selectiegesprek met de selectiecommissie daar hij niet geslaagd was voor zijn persoonlijkheidsproef.” De auditeur-verslaggever stelt dat deze interpretatie niet kan worden bijgevallen, vermits ze voorbijgaat aan artikel IV.I.17 van het RPPol, dat bepaalt dat de selectiecommissie beslist of de kandidaat al dan niet geschikt wordt bevonden op grond van de vier proeven bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 1/ tot 4/, van het RPPol. Hij wijst voorts op artikel IV.26 van het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: het UBPol), dat bepaalt dat de algemene geschiktheid van de kandidaat aan de hand van het selectiegesprek bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 4/, van het RPPol, wordt nagegaan op basis, onder meer, van een samenvatting van het geheel van de voorafgaande selectieproeven, opgesteld door een gekwalifi- ceerd lid van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie. De auditeur-verslaggever stelt dat het niet aan de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie, maar aan de selectiecommissie toekwam om op basis van de “beoordeling” naar aanleiding van het persoonlijk- IX-4732-8/14 heidsonderzoek te besluiten dat bij de persoonlijkheidsproef werd vastgesteld dat de verzoeker niet over het gewenste profiel beschikt. Hij wijst er ten slotte op dat uit het stuk van het administratief dossier, waarbij de bedoelde “beoordeling” werd gegeven, blijkt dat ze slechts een advies betrof, aangezien ze is vermeld onder de hoofding “advies dpr”. Dit advies kon, aldus de auditeur-verslaggever, gelet op de duidelijke bewoordingen van artikel IV.I.17 van het RPPol, slechts bestemd zijn voor de selectiecommissie, die een beslissing moet nemen over het al dan niet geschikt bevinden van de kandidaat op grond van de resultaten van de vier proeven die luidens artikel IV.I.15 van het RPPol deel uitmaken van de selectieprocedure. Nu de tweede bestreden beslissing volgens de auditeur-verslag- gever werd genomen door een onbevoegde overheid, adviseert hij deze beslissing te vernietigen. 3.2. De verwerende partij repliceert in haar laatste memorie dat een dergelijke interpretatie ingaat tegen “de ratio van de gehele selectieprocedure”. Zij betoogt dat de selectieprocedure is opgebouwd aan de hand van een cascadesysteem waarbij het, overeenkomstig artikel IV.I.16 van het RPPol, in principe niet mogelijk is aan een proef deel te nemen zonder de minimumdrempel van de voorafgaande proef te hebben behaald. Het gesprek met de selectiecommissie vormt de vierde en laatste fase van de selectieprocedure. Alleen de kandidaat die geslaagd is voor de drie voorafgaande proeven, wordt uitgenodigd voor een gesprek met de selectiecom- missie, die vervolgens, op basis van artikel IV.I.17 van het RPPol, een beslissing over de geschiktheid van de kandidaat zal nemen. Het standpunt van de auditeur-verslaggever zou, aldus de verwerende partij, tot gevolg hebben dat de kandidaat na elk onvoldoende resultaat voor een proef toch nog de andere proeven zou moeten afleggen, waarna de selectiecommissie tot diens ongeschiktheid zou moeten besluiten. De verwerende partij wijst er voorts op dat artikel IV.31 van het UBPol bepaalt dat het de taak is van de selectiecommissie om, op basis van de proeven bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2/ en 4/, van het RPPol, twee lijsten op te stellen van kandidaten die al dan niet geschikt worden bevonden. Dit toont volgens haar duidelijk aan dat de selectiecommissie in de selectieprocedure zijn rol IX-4732-9/14 pas opneemt vanaf het moment dat de kandidaat voor de drie voorafgaande proeven voldeed aan de ter zake vastgestelde minimumdrempels. Ten slotte laat de verwerende partij nog gelden dat ook artikel IV.26 van het UBPol duidelijk vermeldt dat de selectiecommissie aan de hand van het selectiegesprek de algemene geschiktheid van de kandidaat nagaat op basis van een samenvatting van het geheel van de voorafgaande selectieproeven. Zij betoogt dat vermits de selectieprocedure drie voorafgaande fasen omvat, de selectiecommis- sie dan ook slechts kan tussenkomen in de vierde en laatste fase van de selectie- procedure om tot een beoordeling te komen van de geschiktheid van de kandidaat op basis van het gehele selectiedossier. De verwerende partij besluit dat het wel degelijk de bevoegde overheid is geweest die de persoonlijkheidsproef van de verzoeker heeft beoordeeld. 3.3.1. De te dezen relevante bepalingen van het RPPol en het UBPol luiden als volgt: - RPPol: • Art. IV.I.15: “De selectieprocedure bedoeld in deze afdeling omvat : 1/ een proef die toelaat de noodzakelijke cognitieve vaardigheden te beoordelen; 2/ een persoonlijkheidsproef met aan het ambt aangepaste selectietechnie- ken; 3/ een fysiek-medische geschiktheidsproef met onderzoek van beide componenten in relatie tot het ambt; 4/ een selectiegesprek met de betrokken selectiecommissie waarna een eindevaluatie wordt uitgebracht. De kandidaat maakt eveneens het voorwerp uit van een onderzoek met het oog op het nagaan of de vereiste bepaald bij artikel IV.I.4, 3/, vervuld is.” • Art. IV.I.16: “De proeven vinden in principe derwijze plaats dat het niet mogelijk is aan een proef deel te nemen zonder de voor de voorafgaande selectieproef bepaalde minimumdrempel te hebben behaald.” • Art. IV.I.17: IX-4732-10/14 “De in artikel IV.I.15, eerste lid, 4/, bedoelde selectiecommissie beslist of de kandidaat al dan niet geschikt wordt bevonden op grond van artikel IV.I.15, eerste lid, 1/ tot 4/.” •Art. IV.I.18: “De directeur van de directie van de rekrutering en de selectie beslist, overeenkomstig de richtlijnen van de minister, of de kandidaat al dan niet beantwoordt aan de vereiste bepaald bij artikel IV.I.4, 3/, en legt, in voorko- mend geval, en na de betrokkene te hebben gehoord, een beperking op van de territoriale inzetbaarheid van de kandidaat. De directeur licht de kandidaat schriftelijk in van zijn gemotiveerde beslissing. Deze kennisgeving omvat eveneens, in voorkomend geval, de bewoordingen van artikel IV.I.19. De kandidaat kan de minister steeds verzoeken de in het eerste lid bedoelde beperking van de territoriale inzetbaarheid te herzien. De minister beslist op advies van, naar gelang van het geval, de korpschef of de commissaris- generaal.” • Art. IV.I.24: “De kandidaat die op grond van artikel IV.I.17 door de selectiecommissie geschikt wordt bevonden en beantwoordt aan de in artikel IV.I.4, 3/, bedoelde vereiste, kan worden toegelaten.” - UBPol: • Art. IV.6, derde lid: “Na afloop van de in artikel IV.I.15, eerste lid, 2/, RPPol, bedoelde proef brengt een gekwalificeerd lid van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie, aangewezen door de directeur van die directie, over elke kandidaat één van de volgende beoordelingen uit : 1/ de kandidaat bezit de persoonlijkheidskenmerken die hem toelaten een ambt bij de politie uit te oefenen; 2/ de kandidaat bezit het potentieel om de persoonlijkheidskenmerken te ontwikkelen die hem toelaten een ambt bij de politie uit te oefenen; 3/ de kandidaat bezit momenteel niet de persoonlijkheidskenmerken die hem toelaten een ambt bij de politie uit te oefenen.” • Art. IV.26: “Aan de hand van het selectiegesprek bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 4/, RPPol, wordt de algemene geschiktheid van de kandidaat nagegaan op basis van een samenvatting van het geheel van de voorafgaande selectieproeven, opgesteld door een gekwalificeerd lid van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie, aangewezen door de directeur van die directie, evenals van elk ander element dat nuttig wordt geacht en verzameld tijdens het gesprek.” IX-4732-11/14 3.3.2. Uit de voormelde bepalingen blijkt niet dat de bevoegde overheid te dezen de selectiecommissie zou zijn. Zoals de verwerende partij terecht laat gelden kan uit de voormelde reglementaire bepalingen integendeel worden afgeleid dat de selectiecommissie enkel optreedt in de vierde en laatste fase van de selectieprocedure. Gelet op het cascadesysteem van de selectieprocedure, zoals omschreven in artikel IV.I.16 van het RPPol, wordt immers enkel de kandidaat die geslaagd is voor de drie voorafgaande proeven, uitgenodigd voor een gesprek met de selectiecommissie. Pas dan dient de selectiecommissie een beslissing over de geschiktheid van de kandidaat te nemen op basis van artikel IV.I.17 van het RPPol. Ook uit artikel IV.26 van het UBPol kan worden afgeleid dat de selectiecommissie in de selectieprocedure pas tussenkomt nadat de kandidaat de voorafgaande proeven succesvol heeft afgelegd. Luidens deze bepaling wordt de algemene geschiktheid van de kandidaat aan de hand van het selectiegesprek nagegaan op basis van een samenvatting van het geheel van de voorafgaande proeven, opgesteld door een gekwalificeerd lid van de directie van de rekrutering en van de selectie, dat is aangewezen door de directeur van die directie. Het valt niet in te zien welk nut de bedoelde samenvatting kan hebben, indien de selectiecommis- sie zelf reeds over het resultaat van de voorafgaande selectieproeven zou hebben beslist. De omstandigheid dat de beoordeling van de persoonlijkheids- proef van de verzoeker werd opgenomen onder de hoofding “advies dpr” doet hieraan geen afbreuk. Het is te dezen dan ook de in artikel IV.6, derde lid, van het UBPol aangewezen overheid, namelijk het gekwalificeerd lid van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie dat bevoegd was om de bestreden beslissing te nemen. Nu de kennisgeving aan de verzoeker van de bestreden beslissing uitgaat van de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie, moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing wel degelijk genomen is door de bevoegde overheid. Het ambtshalve aangevoerde middel kan niet worden aangeno- men. IX-4732-12/14 4. Aangezien het auditoraatsverslag wat het onderzoek van de grond van de zaak betreft, beperkt is tot het ambtshalve aangevoerde middel, dient een aanvullend onderzoek te worden bevolen. IX-4732-13/14 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen in zoverre de vernietiging wordt gevorderd van de impliciete weigering de kandidatuur van Jürgen DE VUYST als aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie in aanmerking te nemen. Artikel 2. De debatten worden heropend. Artikel 3. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 februari 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter S. DE TAEYE, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. D. MOONS. IX-4732-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.624 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.226 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div