← België

Arrest 190636 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 19/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.636 Rolnummer: A. 154873/XII-4238 Zaak: Arrest 190636 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 19/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-26 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-29 18:45 Fiche Arrest nr 190.636 van 19 februari 2009 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.636 van 19 februari 2009 in de zaak A. 154.873/XII-

  1. In zake : André DELLAERT, die woonplaats kiest bij advocaten D. Van Heuven en S. Ronse, kantoor houdende te Kortrijk, President Kennedypark 6/24 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 28 (Westhoek Scholengroep), dat woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Amerikalei 220, bus 14 ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat André Dellaert op 19 augustus 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 22 juni 2004 van de raad van bestuur van Scholengroep 28 (Westhoek) van het Gemeenschapsonderwijs waarbij hij niet wordt toegelaten tot de proeftijd in het ambt van directeur van het KTA De Panne; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur J. Neuts; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-4238-1\14 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. Ronse, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. Fransen, die loco advocaat M. Stommels verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur J. Neuts bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  2. Verzoeker wordt met ingang van 1 juni 2002 bij hoogdringendheid aangesteld tot waarnemend directeur van het koninklijk technisch atheneum (KTA) De Panne, behorend tot de scholengroep 28 (Westhoek) van het Gemeenschapsonderwijs. In “triGOnaal” van 18 augustus 2003 verschijnt een oproep voor “toelating tot de proeftijd - nieuwe affectatie - mutatie” met betrekking tot het ambt van directeur van het KTA De Panne. Verzoeker stelt zich, als enige, kandidaat. 1.
  3. Intussen geeft de algemeen directeur van de scholengroep 28 met een brief van 19 augustus 2003 aan de centrale diensten van het Gemeenschaps- onderwijs te kennen dat er zich sinds enige tijd tal van conflicten en incidenten voordoen in het KTA De Panne en vraagt hij om “de Onderzoekscel de opdracht te geven het functioneren van [verzoeker] in kaart te brengen, waarbij zeker aandacht moet besteed worden aan zijn crisismanagement”. Een en ander leidt er uiteindelijk toe dat de raad van bestuur van de scholengroep op 22 januari 2004 de beslissing neemt waarbij verzoeker uit de waarnemende aanstelling als directeur van het KTA De Panne wordt verwijderd. Verzoeker vecht deze verwijderingsbeslissing aan bij de Raad van State met een vernietigingsberoep, gekend onder nummer A.153.395/XII-
  4. XII-4238-2\14 1.
  5. Bij brief van 27 januari 2004 wordt verzoeker uitgenodigd voor het interview op 9 maart 2004 door de selectiecommissie betreffende de toelating tot de proeftijd in het bevorderingsambt van directeur van het KTA De Panne. Verzoeker dient daarop, bij monde van zijn raadsman, een verzoek tot wraking in, gericht tegen de algemeen directeur R. Maurau en tegen de coördinerend directeur A. Uytersprot, die aangewezen worden als lid van de selectiecommissie. Met een schrijven van 4 maart 2004 deelt de algemeen directeur aan verzoeker mee “dat de selectiecommissie om organisatorische redenen wordt uitgesteld naar een latere datum. Een nieuwe uitnodiging volgt”. Bij brief van 28 april 2004 laat de algemeen directeur verzoeker weten dat het interview door de selectiecommissie zal plaatsvinden op 19 mei
  6. Met een brief van 12 mei 2004 herhaalt verzoekers raadsman het verzoek tot wraking van twee leden van de selectiecommissie. 1.
  7. De selectiecommissie, waarvan de op voorhand door verzoeker gewraakte leden vervangen worden door directeur I. Desaeyer en directeur CLB A. Simoens, adviseert om verzoeker niet toe te laten tot de proeftijd. Het advies bevat een puntenfiche en een uitgeschreven verslag van de commissie. Verzoeker wordt van de strekking van dit advies met een brief van 19 mei 2004 op de hoogte gebracht. Op 28 mei 2004 vraagt verzoekers raadsman inzage in het “volledige administratieve dossier” betreffende de selectiecommissie, wat hem toegelaten wordt. De algemeen directeur wijst verzoekers raadsman er op “dat, aangezien het gaat om een advies van de selectiecommissie aan de Raad van Bestuur, enkel verhaal kan aangetekend worden tegen de beslissing van de Raad van Bestuur. Het is de Raad van Bestuur die beslist over de toelating tot de proeftijd”. Verzoeker vraagt daarop om een afschrift van dat dossier, hetgeen hem eveneens wordt afgeleverd, zonder evenwel het voornoemde uitgeschreven verslag van de commissie. XII-4238-3\14 1.
  8. Op 22 juni 2004 beslist de raad van bestuur van de scholengroep 28 om verzoeker niet tot de proeftijd in het ambt van directeur van het KTA De Panne toe te laten. Dit maakt de met het voorliggende beroep bestreden beslissing uit. De gegrondheid van het beroep
  9. Verzoeker voert in het inleidend verzoekschrift twee vernietigingsgronden aan. Uiteenzetting van het eerste middel
  10. Verzoeker voert in zijn eerste middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel en het fair play-beginsel. Verzoeker voert aan dat hij weliswaar zijn wrakingsrecht heeft kunnen uitoefenen tegen de oorspronkelijke samenstelling van de selectiecommissie, maar dat hij dat niet meer heeft kunnen doen ten aanzien van de nieuwe samenstelling van die commissie, nadat de gewraakte leden eruit verwijderd waren. Hij stelt dat hij nochtans “ernstige bedenkingen bij die nieuwe samenstelling” had, “onder andere bij de aanwezigheid van mevrouw Desaeyer en de afwezigheid van zijn mentor, de heer Viaene”. Wat de eerstgenoemde betreft, betwist verzoeker dat zij deel kon uitmaken van de commissie, nu zij niet “van hetzelfde niveau” is als verzoeker, hetgeen nochtans vereist is. I. Desaeyer is directeur van een middenschool, terwijl de toelating tot de proeftijd betrekking had op een hoger niveau. Bovendien, zo stelt verzoeker nog, is deze persoon nauw verbonden met de algemeen directeur, waarvan verzoeker eerder al om de wraking had verzocht. De heer Viaene is daarentegen directeur van de bovenbouw van het KTA Diksmuide en zijn mentor. Verzoeker stelt ter zitting van de commissie een opmerking gemaakt te hebben omtrent de schending van zijn wrakingsrecht en het onpartijdigheids- beginsel, hetgeen bevestigd kan worden door een afgevaardigde van de vakbond van verzoeker en de voorzitter van de schoolraad die op de zitting aanwezig waren. Nu hij niet de kans heeft gekregen om I. Desaeyer en A. Simoens te wraken, is het onpartijdigheidsbeginsel geschonden. Ondergeschikt biedt verzoeker een getuigenbewijs aan. Hij stelt voor om de vakbondsafgevaardigde die op de zitting aanwezig was, te horen. XII-4238-4\14 In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie houdt verzoeker staande dat het fair play-beginsel is geschonden omdat hij niet tijdig, dit wil zeggen voor de hoorzitting, op de hoogte is gebracht van de nieuwe samenstelling van de beoordelingscommissie ten einde nuttig zijn recht op wraking te kunnen uitoefenen. Beoordeling
  11. Het door verzoeker aangevoerde principe vergt dat een lid van enig beraadslagend orgaan zich dient te onthouden van deelname aan de vergadering waarin een beslissing wordt genomen over een onderwerp waarbij hij een rechtstreeks en persoonlijk belang heeft, zodat hij geacht moet worden niet meer op een objectieve wijze te kunnen oordelen. Voor zover aangenomen moet worden dat het advies van een partijdige selectiecommissie te dezen kan afkleuren op de uiteindelijke beslissing van de raad van bestuur en ook de wettigheid ervan kan aantasten, biedt het wrakingsrecht een adequaat initiatief aan de betrokkene om te vermijden dat in de commissie leden zetelen die partijdig zijn jegens hem, of door wier zetelen in de commissie minstens een schijn van partijdigheid gewekt zou worden. Met verwerende partij moet worden vastgesteld dat voor de betreffende selectieprocedure geen uitgeschreven wrakingsprocedure bestaat op grond waarvan, bijvoorbeeld, een belanghebbende vooraf op de hoogte wordt gesteld van de effectieve samenstelling van een beoordelings- of selectiecommissie en die voorschrijft hoe hij tegen de samenstelling van de commissie bezwaren kan doen gelden. Een bepaling in die zin kan dan ook niet geschonden zijn. De oorspronkelijke samenstelling van de beoordelingscommissie was aan verzoeker bekend. Hij heeft gevraagd om twee leden van die commissie te wraken. Verwerende partij heeft die twee leden effectief vervangen, door I. Desaeyer en A. Simoens. Aangenomen mag dan ook worden dat verzoeker geen bezwaar heeft tegen de overige leden van de commissie. In zoverre mist het middel dan ook feitelijke grondslag. Wil verzoeker een lid van de commissie enige daadwerkelijke of schijnbare partijdigheid verwijten, dan valt het hem toe concrete en specifieke feitelijke gegevens voor te leggen die dit vermoeden kunnen wettigen. De Raad van XII-4238-5\14 State stelt vast dat verzoeker, tot in de laatste memorie toe, geen enkel element naar voor brengt over directeur A. Simoens. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Wat dan directeur I. Desaeyer betreft, is zijn kritiek tweeledig. Ten eerste verwijt hij haar nauw verbonden te zijn met de algemeen directeur. Dit wordt niet alleen niet bewezen door verzoeker, hij levert ook geen enkele inspanning om aan te tonen hoe die beweerde nauwe verbondenheid het haar onmogelijk zou maken om op een onpartijdige wijze deel uit te maken van de selectiecommissie. Ten tweede acht hij haar niet “van hetzelfde niveau”. De Raad ziet niet in hoe dit verwijt in verband te brengen is met de vermeende onpartijdigheid, die in het middel wordt aangevoerd. In de veronderstelling echter dat verzoeker bedoelt dat de commissie onwettig is samengesteld, merkt de Raad van State op dat verzoeker slechts beweert dat de leden van de commissie van eenzelfde niveau moeten zijn zonder een specifiek geschonden rechtsregel te vermelden, terwijl verwerende partij steunt op het document “Criteria en procedure voor de selectie en voordracht in het bevorderingsambt ‘directeur’ binnen scholengroep Westhoek” waarin is bepaald dat de “jury” die de kandidaturen beoordeelt en advies verleent aan de raad van bestuur, “bestaat uit de algemeen directeur, de coördinerend directeur, 3 vastbenoemde directies van de betrokken geleding (als die er zijn, anders zoveel als er kunnen zetelen) waaronder desgevallend de (uittredend) titularis, de directeur van het CLB en de voorzitter van de betrokken schoolraad (of zijn afgevaardigde die tevens geen personeelslid is)”. Daarin staat niet verduidelijkt wat precies wordt bedoeld met “directie van de betrokken geleding”. In die omstandigheden kan enkel worden voortgegaan op hetgeen in de oproeping staat vermeld. Daarin is te lezen dat wordt gezocht naar kandidaten voor het ambt van “directeur KTA De Panne”. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar “middenschool” of “bovenbouw”, zoals verzoeker doet. Er bestaat derhalve geen reden om aan te nemen dat met het begrip “geleding” wel naar die onderverdelingen zou worden verwezen. Er kan dus niet worden aangenomen dat directeur I. Desaeyer niet tot dezelfde “geleding” als het te begeven ambt behoort, namelijk “directeur secundair onderwijs”, waarvoor verzoeker gekandideerd heeft. In zoverre is het middel ongegrond. Uit de ingeroepen beginselen kan voorts geen recht worden afgeleid om bepaalde personen -zoals de “mentor” Viaene- wél in een adviserend of beslissend orgaan op te nemen. XII-4238-6\14 Er bestaat geen aanleiding om over te gaan tot het verhoor van getuigen, nu dat aanbod slechts betrekking heeft op het feit dat verzoeker op het einde van de zitting van de selectiecommissie een opmerking heeft geformuleerd over de - naar zijn oordeel - “onmogelijkheid om te wraken”, en die opmerking vermeld staat in het administratief dossier en verder niet betwist wordt. Het eerste middel wordt niet aangenomen. Uiteenzetting van het tweede middel
  12. Als tweede middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 45, 52, b, en 53, b, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (hierna : rechtspositiedecreet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de hoorplicht en het recht om zijn standpunt naar voor te brengen, van het vertrouwensbeginsel en van het recht van verdediging. Verzoeker stelt vast dat de bestreden beslissing is gesteund op twee motieven, het negatieve advies van de selectiecommissie en de beslissing tot verwijdering uit het waarnemende ambt van directeur. Met een eerste middelonderdeel keert hij zich tegen het eerste motief, terwijl het tweede onderdeel van het tweede middel de grieven weergeeft die verzoeker inbrengt tegen het tweede motief. In het eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat het advies van de selectiecommissie van 19 mei 2004 niet afdoende is gemotiveerd, dat de commissie zich louter tot een toekennen van punten heeft beperkt, dat enkel punten niet volstaan als motivering, dat het voor hem onmogelijk is om na te gaan welke motieven aan die punten ten gronde liggen. Hij verwerpt als motivering a posteriori de poging die in de bestreden beslissing wordt ondernomen om het gebrek nog goed te maken. In het tweede middelonderdeel zet verzoeker uiteen dat geen rekening mag worden gehouden met de beslissing van 22 januari 2004 tot ver- wijdering uit het waarnemend ambt van directeur, dat enkel de laatste evaluatie daterend voor de oproep van de kandidaten gebruikt mag worden, dat zijn XII-4238-7\14 waarnemende aanstelling niet als een “pré-proeftijd” te beschouwen is. Voorts verwijst verzoeker naar zijn annulatieberoep tegen de beslissing van 22 januari 2004 en herneemt hij de grieven uit voornoemd beroep. In de memorie van wederantwoord doet verzoeker nog gelden dat het advies van de selectiecommissie weliswaar niet-bindend moge zijn, maar dat het als een essentieel onderdeel van de procedure is aan te merken. Hij blijft er bij dat een gebrek in de formele motivering niet meer kan worden goedgemaakt achteraf door de raad van bestuur, die daarenboven niet aanwezig was tijdens het interview. Beoordeling
  13. In het eerste onderdeel van het tweede middel verwijt verzoeker dat het advies van de selectiecommissie, door louter punten te vermelden, niet afdoende gemotiveerd is. Daarmee voert hij de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De artikelen 2 en 3 van de bedoelde formele-motiveringswet luiden : “Art.
  14. De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Art.
  15. De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen”.
  16. De door deze wet opgelegde verplichting tot formele motivering is beperkt tot de “bestuurshandeling”, dit wil zeggen de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur. Te dezen is de enige “bestuurshandeling” de eindbeslissing van 22 juni 2004 van de raad van bestuur van de scholengroep
  17. Dit is de enige beslissing die rechtsgevolgen beoogt. Aan die beslissing verwijt verzoeker dat zij een motivering a posteriori inhoudt van het advies van de selectiecommissie. Die kritiek kan niet worden bijgevallen, eenvoudigweg omdat niet valt in te zien hoe er sprake zou kunnen zijn van een “motivering a posteriori”, nu het de raad van bestuur - en alleen de raad van bestuur - is die een eindbeslissing terzake kan nemen en zijn beslissing formeel moet motiveren. XII-4238-8\14 Het niet-bindend advies van de selectiecommissie is slechts een voorbereidende handeling in de besluitvorming en dit advies is -in beginsel- niet onderworpen aan de formele-motiveringsplicht. Dit beginsel kent weliswaar een uitzondering wanneer de formele motivering van de eindbeslissing er toe beperkt zou zijn naar een voorafgaand advies te verwijzen, in welk geval inderdaad onder meer vereist is dat dan het advies zelf voldoet aan de formele-motiveringsplicht. Evenwel beperkt de raad van bestuur zijn beslissing niet tot een loutere verwijzing naar de punten die in het advies van de selectiecommissie werden genoteerd. Hij herinnert aan het belang van het door de kandidaat samen te stellen dossier, dat de basis vormt voor de toekenning van de punten : “Op 11 december 2002 besliste de Raad van Bestuur van de Scholengroep Westhoek, na advies van het College van Directeurs (d.d. 8 oktober 2002) en een protocol van akkoord van het TOC (d.d. 11 februari 2002) een specifieke selectieprocedure voor de aanstelling van directeur uit te tekenen. Er werd tevens beslist - het in te dienen dossier voor 110 punten; - het te houden interview voor 90 punten te laten meetellen. De punten voor het dossier worden als volgt verdeeld : - 50 punten : pedagogische beroepsbekwaamheid. - 30 punten : anciënniteit. - 30 punten : andere (bijkomende troeven). Bij de pedagogisch en beroepsbekwaamheid wordt - basisdiploma voor : 5 punten; - bijkomend diploma, brevet, getuigschrift, voor : 5 punten; - verplichting nascholing in functie van de betrekking voor : 5 punten; - de niet verplichte nascholing in functie van de betrekking voor : 10 punten; - de gegeven cursussen in functie van de betrekking voor : 5 punten; - de speciale verdiensten in het te begeven ambt voor : 10 punten; - de laatste evaluatie voor : 10 punten; in rekening gebracht. De dertig punten inzake anciënniteit zijn als volgt verdeeld : - anciënniteit in het te begeven ambt : 10 punten. - dienstanciënniteit binnen het GO : 10 punten. - schoolanciënniteit binnen SG 28 : 5 punten. - anciënniteit in de school van het te begeven ambt : 5 punten. Voor ‘bijkomende troeven’ worden de punten als volgt verdeeld : - ervaring met specifieke leerlingenpopulatie : 10 punten. - gehechtheid aan het GO : 5 punten. - concrete bewijzen van inspanningen ten gunste van het GO : 10 punten. - verdiensten op sociaal en cultureel vlak : 5 punten. De Raad van Bestuur wenst aan te stippen dat hoger vermelde items en subitems beoordeeld worden op basis van de inhoud van het dossier. De kandidaten zijn hiervan perfect op de hoogte gezien zij beschikken over het document ‘Richtlijnen voor de selectieprocedure voor de aanstelling als directeur’. Zo wisten de kandidaten dat zij een visietekst moeten schrijven. In de ‘Richtlijnen’ wordt terzake vermeld : XII-4238-9\14 ‘De kandidaat moet een visietekst schrijven naar eigen inzicht, over hoe zijn beleid als directeur er zou uitzien, rekening houdend met het pedagogisch project van het gemeenschapsonderwijs.’ Wat de in te dienen dossierstukken betreft wordt vermeld : ‘De kandidaat maakt voor ieder dossierstuk de nodige vermeldingen op het betreffende formulier F2 (zie onder punt 2.5) bij die criteria waarvoor hij dit element wenst in te brengen. Een dossierstuk mag voor meerdere criteria ingebracht worden. Een dossierstuk kan zijn : • een bewijs van deelname aan een cursus, seminarie, ...; • een kopie van het titelblad en de inhoudstafel van een publicatie; • een beschrijving van een project waaraan de kandidaat heeft meegewerkt; • bewijs van lidmaatschap van een commissie, eventueel aan de hand van een uittreksel uit verslagen; • een controleerbare verklaring op eer van de kandidaat, door hem ondertekend en zo mogelijk geattesteerd door een derde, i.v.m. bijzondere verdiensten of prestaties van de kandidaat of specifieke inspanningen die de kandidaat geleverd heeft; • andere ...’ ‘Omdat een dossierstuk (bijvoorbeeld een bewijs van deelname aan een opleiding) niet altijd duidelijk weergeeft wat de concrete inhoud en waarde ervan is, worden de kandidaten verzocht, waar nodig, technische toelichting te geven waarin inhoud, omvang en tijdstip aanvullend worden toegelicht. Indien dit niet blijkt uit het dossierstuk zelf of indien er te weinig ruimte is in de kolommen ‘omvang’ en ‘tijdstip’ op het formulier F
  18. Ieder dossierstuk wordt genummerd. De nummering moet doorlopend zijn. Als een dossierstuk ingebracht wordt voor verschillende criteria, moet de kandidaat een technische toelichting toevoegen, waaruit dat duidelijk blijkt”. De raad van bestuur motiveert vervolgens : “De Raad van Bestuur akteert dat de heer Dellaert een opleiding Onderwijsmanagement bij de Vlerick-school volgde. Er werd hem door de selectiecommis[s]ie hiervoor in het item ‘pedagogische en beroepsbekwaamheid’ 2 punten toegekend voor het subitem ‘verplichte nascholing’. De door hem ingebrachte nascholing ‘Geïntegreerde Boekhouding voor directeurs’ en ‘Functiebeschrijving en evaluatie’ werden beide met 2 punten gequoteerd en ondergebracht bij ‘niet verplichte nascholing’. Gezien de heer Dellaert geen documenten inbracht waaruit zou blijken dat hij ‘cursussen in functie van de betrekking’ gaf of ‘speciale verdiensten heeft in het te begeven ambt’ werden hem voor deze subitems geen punten toegekend. De heer Dellaert liet ook na de laatst toegekende evaluatie aan het dossier toe te voegen. Als tegemoetkoming aan de heer Dellaert besliste de selectiecommissie betrokkene met 5 op 10 te quoteren. Strikte toepassing van de regels had ertoe geleid dat hier een 0 op 10 had moeten worden toegekend. Wat het item ‘anciënniteit’ betreft werd ‘de schoolanciënniteit binnen de Scholengroep 28’ met 2,5 punt gequoteerd. De heer Dellaert is sinds 5 jaar actief in de Scholengroep
  19. leder jaar werd gequoteerd met 1/2 punt. Inzake ‘anciënniteit in de school van het te begeven ambt’ scoort de heer Dellaert 1 punt (2 jaar actief met 1/2 punt per jaar). Inzake het item ‘bijkomende troeven’ werd het subitern ‘ervaring met specifieke leerlingenpopulatie’ met 2 punten gequoteerd. De heer Dellaert XII-4238-10\14 fungeerde gedurende 2 jaar als directeur in een TSO/BSO-school (2 x 1 punt). Voorheen was de heer Dellaert niet actief met BSO/TSO-leerlingen. De Raad van Bestuur akteert samen met de selectiecommissie dat de heer Dellaert inzake ‘Concrete bewijzen van inspanningen ten gunste van het gemeenschapsonderwijs’ en ‘Verdiensten op sociaal en cultureel vlak’ geen bewijzen inbrengt. Voor beide subitems werden de heer Dellaert dan ook geen punten toegekend. Het dossier van de heer Dellaert werd uiteindelijk op 51,5 op 110 gequoteerd”. Aldus verduidelijkt de raad van bestuur de toegekende punten in de mate waarin verzoeker voor een criterium niet ofwel het maximum (100%, bijvoorbeeld voor het behaalde basisdiploma 5/5, voor de gehechtheid aan het gemeenschapsonderwijs 5/5 of voor de dienstanciënniteit binnen het gemeenschaps- onderwijs 10/10) ofwel het minimum (0%, bijvoorbeeld wegens gegeven cursussen in functie van de betrekking of speciale verdiensten in het ambt telkens 0/5) kreeg. Verzoeker weet aan de hand van die motivering dan ook perfect, als hij voor een criterium geen 100% kreeg, dat hij volgens de verwerende partij ofwel géén nuttige gegevens voorlegde in zijn dossier en dus geen punten kreeg, ofwel waarom hij voor andere criteria wel punten kreeg maar niet het maximum. De puntentoekenning voor het dossier is dan ook formeel afdoende gemotiveerd. Ook wat het interview betreft geeft de raad van bestuur in een onder woorden gebrachte motivering duiding over de toekenning van die punten aan verzoeker : “Wat het interview betreft vermelden ‘De Richtlijnen’ : ‘De visietekst wordt het vertrekpunt of de ‘kapstok’ van het interview. Naargelang de inhoud van het dossier worden voor elke kandidaat vragen voorbereid die het schriftelijke deel moeten toelichten en die rekening houden met de specifieke vereisten van de instelling. Er kunnen hiervoor extra criteria/vragen gesteld worden vanwege de schoolraad. Vermits het dossier het resultaatsgebied ‘R04 Kwaliteitszorg’ niet bevraagt, komt dit item steeds op het interview aan bod. Daarnaast wordt het deel ‘competenties’ getoetst. Welke competenties meer specifiek getoetst worden, hangt af van de dossierinhoud, het gedrag van de kandidaat tijdens het interview en het verloop van het interview. De jury kan zich daarbij door de gedragsindicatoren in bijlage 3 laten leiden.’ De screeningscommissie en de Raad van Bestuur stellen vast dat de heer Dellaert zich wat zijn visietekst betreft beperkt tot : ‘Voor de visietekst verwijs ik naar de 7 pijlers van het PPGO en onderschrijf ik het algemeen strategisch plan van het Gemeenschapsonderwijs.’ De screeningscommissie en de Raad van Bestuur achten deze ‘visie’ volstrekt beneden alle peil. Heeft de heer Dellaert dan geen visie over hoe het KTA De Panne zich moet ontwikkelen. Ook tijdens het interview kwam de heer Dellaert niet veel verder dan de mededeling dat het directieambt van het KTA De Panne ‘een uitdaging is’. De screeningscommissie kende voor de items ‘motivering XII-4238-11\14 van de kandidatuurstelling’ en ‘visie op de functie en het ambt’ dan ook respectievelijk 3 en 7 punten op 20 toe. De screeningscommissie confronteerde de heer Dellaert met een aantal problemen en situaties waarbij zijn kennis in didactische en pedagogische materies werd getoetst. De heer Dellaert werd o.a. geconfronteerd met de problematiek van twee scholen, waaronder een Hogeschool die op dezelfde campus resideert en waar lokalennood ontstaat. Ook de begrippen vrij van reaffectatie, TADD, immune tijdelijke, GOK werden behandeld. Ook het AL3- document (overzicht aanwendbare versus ingerichte uren-leraar) werd besproken. De screeningscommissie was van oordeel dat de kennis van de heer Dellaert terzake eerder rudimentair, en zeker niet accuraat is. Antwoorden bleven vaag, waren soms duidelijk foutief. De screeningscommissie en de Raad van Bestuur stellen vast dat de heer Dellaert zich wat betreft de opdrachten - welke aantoonbare ervaring hebt u m.b.t. de schoolorganisatie; - welke aantoonbare ervaring hebt u m.b.t. personeelsbeleid; - welke aantoonbare ervaring hebt u m.b.t. leerlingen-cursistenbegeleiding; - welke aantoonbare ervaring hebt u m.b.t. communicatie en samenwerking met de ouders; - welke aantoonbare ervaring hebt u m.b.t. overleg en samenwerking met interne partners; - welke aantoonbare ervaring hebt u m.b.t. overleg en samenwerking met externe partners; - welke aantoonbare ervaring hebt u m.b.t. public relations; beperkt tot de mededeling: ‘voor de opdracht Rl tot en met R12 verwijs ik naar mijn ervaring tijdens de drie periodes, gedurende dewelke ik een directie waarnam.’ De Raad van Bestuur en de screeningscomissie betreuren deze strikt minimalistische invulling van de gegeven opdrachten. Blijkbaar wil de heer Dellaert nauwelijks enige energie besteden aan zijn kandidatuurstelling. De screeningscommissie kende de heer Dellaert inzake het item ‘vaardigheden i.v.m. samenwerking’, omwille van een aantal verklaringen gegeven tijdens het interviewen de persoonlijke contacten als directeur 12 punten toe (op 15). Tijdens het interview bleken daarentegen ‘de vaardigheden i.v.m. leiding nemen’ onvoldoende aanwezig. Dit item werd met 2/5 gequoteerd. Voor het interview scoorde de heer Dellaert dan ook 40 op 90”. Die verduidelijking heeft de raad van bestuur trouwens kunnen puren uit het bij het advies gevoegde en met de hand geschreven verslag van die commissie. Verzoeker kan de Raad van State dan ook niet ervan overtuigen dat de raad van bestuur zijn beslissing met betrekking tot het interview niet kon motiveren omdat de leden van de raad van bestuur het interview niet hadden bijgewoond. Verzoeker heeft de eindbeslissing en de formele motivering van die eindbeslissing gekregen. Uit de formele-motiveringswet kan hij niet ook het recht putten om daarenboven vooraf kennis te krijgen van dit voorbereidend commissieverslag. XII-4238-12\14 De motivering van de beslissing van de raad van bestuur is dus geenszins beperkt tot loutere cijfers. Zij is wel degelijk afdoende gemotiveerd. Het was, met andere woorden, voor verzoeker mogelijk om, aan de hand van de bestreden beslissing de onder woorden gebrachte motivering van de cijfers te bekritiseren, hetgeen hij dan opvallend weer niet doet. Het eerste onderdeel van dit middel is ongegrond.
  20. De bestreden beslissing is gesteund op twee onderscheiden motieven, zoals verzoeker trouwens zelf aangeeft. Hiervoor is gebleken dat verzoeker zonder succes het eerste motief heeft bestreden. Het eerste motief, dat er finaal toe besluit dat verzoeker “ver beneden de noodzakelijke 120/200 d.i. 60% van de punten, blijft” op de selectie- proef, houdt stand en volstaat op zichzelf genomen reeds om de bestreden beslissing te schragen en verzoeker niet toe te laten tot de proeftijd. De binnen de scholengroep aangenomen selectiecriteria en -procedure bepalen immers dat “geslaagd zijn de kandidaten die minimum 60% behalen op de selectieproef”. Verzoeker heeft dat minimum niet behaald, zodat hij niet geslaagd is en geen aanspraak kan maken op de toelating tot de proeftijd. Dit houdt in dat het tweede motief, waarbij wordt verwezen naar het rapport van de onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs, een overtollig motief is. Kritiek op een overtollig motief is evenwel onontvankelijk. In het tweede onderdeel van zijn tweede middel, levert verzoeker uitsluitend kritiek op dit tweede motief. Dat onderdeel moet derhalve onontvankelijk worden verklaard.
  21. In zijn laatste memorie merkt verzoeker nog op “dat er in het auditoraatsverslag niet wordt ingegaan op de vaststelling in het inleidende verzoek- schrift dat het advies van de selectiecommissie niet werd ondertekend door alle leden” omdat de handtekening van de voorzitter van de schoolraad ontbreekt. Vooreerst kan het bevoegde lid van het auditoraat moeilijk verweten worden niet in te gaan op een opmerking die verzoeker zelf als louter een “vaststelling” omschrijft. Nog minder duidelijk is het hoe die “vaststelling” kadert in een betoog dat binnen het raam van de formele-motiveringsplicht wordt gevoerd. Hoe dan ook stelt de Raad van State vast, net zoals reeds verwerende partij in de XII-4238-13\14 memorie van antwoord, dat onderaan de toetsingsfiche (stuk 25 van het administratief dossier) behalve vijf directeurs ook de voorzitter van de schoolraad S. Verfaille zijn handtekening heeft geplaatst, zodat de grief feitelijke grondslag mist. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  22. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  23. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien februari 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4238-14\14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.636 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.