id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.637 Rolnummer: A. 177193/XII-4882 Zaak: Arrest 190637 - O.C.M.W. - 19/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-26 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 18:45 Fiche Arrest nr 190.637 van 19 februari 2009 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.637 van 19 februari 2009 in de zaak A. 177.193/XII-
- In zake : Mia DE MEYER, die woonplaats kiest te Evergem, Beekstraat 1 bus 5 tegen : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN EVERGEM, dat woonplaats kiest bij advocaat G. Van Durme, kantoor houdende te Gent, Kortrijksesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Mia De Meyer op 27 september 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de OCMW-secretaris van Evergem van onbekende datum waarbij zij werd overgeplaatst van nacht naar dagdienst”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekster; Gelet op de beschikking van 8 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Demeester, die loco advocaat G. Van Durme verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; XII-4882-1/12 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Verzoekster was van 1981 tot 1 november 2006 in dienst als bejaardenhelpster van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (hierna : OCMW) van Evergem. Zij was tewerkgesteld in het Woon- en Zorgcentrum Ter Caele te Evergem, waar zij vanaf april 2001 tot en met september 2005 permanent was ingeschakeld in een “nachtroulement”. 1.
- Tijdens de maand oktober 2005 wordt tegen haar een tuchtprocedure ingeleid op grond van een aantal feiten die “algemeen te maken [hebben] met de gebrekkige wijze van samenwerking met de verpleging tijdens de nachtdienst”. Deze tuchtprocedure leidt tot het besluit van 29 november 2005 van het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Evergem, waarbij verzoekster bij tuchtmaatregel een waarschuwing wordt opgelegd. Omdat het OCMW binnen de termijn voorgeschreven door artikel 307 van de nieuwe gemeentewet geen kennis heeft gegeven aan verzoekster van de met redenen omklede tuchtbeslissing, besluit de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen op 3 februari 2006 dat deze beslissing krachtens de voormelde wetsbepaling als ingetrokken moet worden beschouwd. 1.
- Tijdens de maand december 2005 wordt tegen verzoekster, die inmiddels op het werk afwezig is wegens ziekte, een nieuwe tuchtprocedure ingeleid. Nu wordt haar in essentie verweten onder de verpleegkundigen van het Woon- en Zorgcentrum Ter Caele onrust te hebben gezaaid door, tijdens haar ziekteverlof en naar aanleiding van de vorige tuchtprocedure, een enquête te hebben georganiseerd over de wijze waarop zij tijdens haar nachtdiensten werkte. Op 9 februari 2006 legt de raad voor maatschappelijk welzijn haar daarvoor de tuchtmaatregel van inhouding van 20% van de wedde gedurende twee maanden op. XII-4882-2/12 Op 11 april 2006 schorst de gouverneur van de provincie Oost- Vlaanderen de uitvoering van dit tuchtbesluit, onder meer op grond van de overweging dat de feiten die aan verzoekster worden verweten, niet als tuchtfeiten kunnen worden gekwalificeerd. De raad voor maatschappelijk welzijn rechtvaardigt zijn tuchtbesluit klaarblijkelijk niet, waardoor dat besluit krachtens artikel 112, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna: de OCMW-wet) geacht moet worden nietig te zijn. 1.
- Op 11 mei 2006 heeft op verzoek van het ACV een onderhoud plaats tussen vertegenwoordigers van deze vakorganisatie en vertegenwoordigers van het OCMW van Evergem met het oog op de reïntegratie van verzoekster, die nog steeds arbeidsongeschikt is. Tijdens dat onderhoud wordt door de vertegenwoordigers van het OCMW meegedeeld dat verzoekster niet langer permanent nachtdiensten mag uitvoeren. Op 6 juni 2006 heeft er nog een onderhoud plaats tussen verzoekster zelf, de OCMW-secretaris en de directrice van de woon- en zorgcentra van het OCMW, waarbij haar het voorgaande wordt bevestigd. Het uurrooster van haar dienstregeling vanaf 1 juli 2006, dat verzoekster vervolgens ontvangt, vermeldt geen nachtdiensten meer. De beslissing van de OCMW-secretaris om verzoekster tewerk te stellen in dagdienst in de plaats van in nachtdienst, maakt het voorwerp uit van het voorliggende beroep tot nietigverklaring. 1.
- Op 9 juni 2006 dient het ACV, namens verzoekster, tegen deze beslissing een klacht in bij de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen, waarin wordt aangevoerd dat de beslissing een verdoken tuchtmaatregel betreft. Op vraag van de gouverneur, deelt het OCMW van Evergem met een brief van 3 juli 2006 zijn standpunt mede over de ingediende klacht. Het doet dat als volgt : “[...] Mevrouw De Meyer werd reeds kort na 20 september 2005 overgeplaatst naar de gewone dienst van het woon- en zorgcentrum, op basis van de verslagen XII-4882-3/12 van die datum, die door de directie en de hoofdverpleging aan de OCMW- secretaris werden bezorgd. Uit deze verslagen was namelijk duidelijk af te leiden dat betrokkene haar taak van bejaardenhelpster niet meer naar behoren uitvoerde en probeerde om het werk door te schuiven naar de nachtverpleegster. Tijdens de nacht kon zij hierover weinig gecontroleerd worden en zoals ze ons later (op 6 juni 2006) zou meedelen was het voor haar zo mogelijk om nog een aantal jaren rustig in dienst te blijven. Een dergelijke houding is naar onze mening onaanvaardbaar in een woon- en zorgcentrum met 94 zorgbehoevende residenten tijdens de nachtdienst. Met de verschuiving van de nacht- naar de dagdienst hadden we de bedoeling mevrouw De Meyer beter onder controle te krijgen van de hoofdverpleging en de overige verpleging, die tijdens de dag ruim aanwezig zijn, De tuchtprocedure die nadien werd opgestart had dan te maken met de inderdaad dominante houding van mevrouw De Meyer tegenover een nieuw in dienst gekomen verpleegster, die daarom binnen de kortste keren ontslag heeft genomen bij het OCMW. De overplaatsing naar de dagdienst moet beschouwd worden als een loutere organisatiemaatregel die tot de bevoegdheid van de OCMW-secretaris behoort, overeenkomstig de bepalingen van artikel 45 van de organieke OCMW-wet. Er zijn dan ook geen relevante documenten in verband met deze beslissing, met uitzondering van de nieuwe werkroulementen. De OCMW-secretaris heeft toentertijd aan de directie van het woon- en zorgcentrum enkel gevraagd om de nieuwe organisatie van de dienst uit te werken en ze aan betrokkene mee te delen. Op 11 mei 2006 heeft een delegatie van het ACV openbare diensten een onderhoud gehad met de OCMW-voorzitter, de OCMW-secretaris en de directie van het Woon- en zorgcentrum. Het ACV had slechts een vraag, namelijk mevrouw De Meyer terug overplaatsen naar de nachtdienst. Het was zo dat mevrouw De Meyer zich sedert september 2005 in de administratieve stand ‘ziekteverlof’ had laten plaatsen, een situatie die ondertussen tot eind 2006 verlengd werd. We hebben over de vraag een half uur discussie gevoerd en we dachten dat de delegatie toen inzag dat het onverantwoord was mevrouw De Meyer ’s nachts te laten werken voor 94 residenten. Er werd bovendien met het ACV afgesproken dat bij het hernemen van de tewerkstelling van mevrouw De Meyer in de dagdienst, de directie en de OCMW-secretaris met haar een gesprek zouden hebben, om haar duidelijk te maken hoe we de verdere tewerkstelling van mevrouw De Meyer zagen. Verder werd met het ACV ook afgesproken dat bij de effectieve herneming van de tewerkstelling van betrokkene, er een opvangvergadering zou worden georganiseerd in het woon- en zorgcentrum, samen met haar verantwoordelijken en haar nieuwe collega’s. Dat het ACV, anderhalve maand later, hierover klacht neerlegt bij uw Ambt is onbegrijpelijk en gaat in tegen wat we met hen hadden afgesproken. Op 6 juni 2006 werd ondertussen het gesprek gevoerd tussen de directie, de OCMW-secretaris en mevrouw De Meyer. Tijdens dit gesprek bleef mevrouw De Meyer hardnekkig de nachtdienst opeisen en opmerkelijk was dat ze ons zonder meer meedeelde dat deze tewerkstelling de enige mogelijke was die ze, gezien haar gezondheidstoestand, nog enkele jaren zou kunnen volhouden. Mevrouw De Meyer gaf dus onomwonden toe dat ze in feite niet meer in staat is om normaal te functioneren en de nachtdienst was voor haar de mogelijkheid om een deel van haar werk door anderen te laten uitvoeren. Zoals reeds vermeld is mevrouw De Meyer er ondertussen in geslaagd haar ziekteverlof te laten verlengen tot eind dit jaar. Omwille van de langdurige ziekteperiodes, is mevrouw De Meyer in de administratieve stand ‘disponibiliteit wegens ziekte’ terecht gekomen en zal haar dossier voor vervroegde pensionering eerlang aan de Gezondheidsdienst worden overgemaakt. XII-4882-4/12 We hopen, geachte Heer Gouverneur, U hiermee voldoende te hebben geïnformeerd over een personeelslid dat meermaals heeft aangegeven dat ze enkel nog wenst te werken op de wijze die zij interessant vindt. Dat de secretaris hiertegen organisatorisch heeft gereageerd, lijkt ons dan ook meer dan normaal en maakt deel uit van de aan die functie toegekende bevoegdheden; van een verkapte tuchtmaatregel is hier helemaal geen sprake. [...]”. Met een brief van 10 augustus 2006 deelt de gouverneur aan verzoekster mede dat haar “overplaatsing” van de nacht- naar de dagdienst een beslissing betreft die door de OCMW-secretaris om organisatorische redenen op grond van artikel 45 van de OCMW-wet werd genomen en dat dergelijke beslissingen alsnog buiten het toepassingsgebied van het administratief toezicht vallen. 1.
- Bij besluit van 9 november 2006 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Evergem wordt aan verzoekster met ingang van 1 november 2006 een vervroegde pensionering wegens medische redenen toegestaan. De ontvankelijkheid Standpunt van de partijen
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord verscheidene excepties op met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep. Onder meer laat zij gelden dat verzoekster niet doet blijken over het nodige belang te beschikken om een vernietigingsprocedure te voeren. Te dezen wijst zij er vooreerst op dat verzoekster met ingang van 1 november 2006 om medische redenen vervroegd op pensioen is gesteld, zodat zij niet langer deel uitmaakt van het personeel van het OCMW. De verwerende partij leidt hieruit af dat elke vordering van de verzoekster met betrekking tot haar toestand als personeelslid ontdaan is van belang. Voorts argumenteert zij dat verzoekster ingevolge de bestreden maatregel geen financieel nadeel lijdt en zoals alle andere personeelsleden overeenkomstig haar rang en anciënniteit werd vergoed. Volgens de verwerende partij toont verzoekster ten slotte niet aan een moreel nadeel te lijden.
- Verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord dat zij wel degelijk belang heeft bij het behoud van haar “nachtroulement”, vermits zij XII-4882-5/12 sedert 2001 daarin ononderbroken tewerkgesteld is geweest en zij haar volledige leven daarop heeft afgestemd, dat zij bovendien een zwakke rug heeft en de prestaties tijdens de nacht minder belastend zijn voor haar rug, dat zij wel degelijk een moreel belang heeft bij haar beroep, omdat de bestreden beslissing haar na twee tenietgedane tuchtstraffen uiteindelijk toch sanctioneert voor haar zogenaamde dominante en harteloze houding ten aanzien van collega’s, dat zij ook een financieel belang heeft, aangezien zij ingevolge de bestreden maatregel ziek is geworden en na een periode van langdurige ziekte met weddeverlies, vroegtijdig werd gepensioneerd, wat ook weer inkomensverlies heeft teweeggebracht. Beoordeling
- Ingevolge de vervroegde oppensioenstelling van verzoekster met ingang van 1 november 2006, rijst ter dege de vraag naar haar actueel belang bij een nietigverklaring van de bestreden beslissing. Alleszins zou een eventuele nietig- verklaring er nu niet meer toe kunnen leiden dat zij terug wordt ingeschakeld in de nachtdiensten, waarvan zij beweert dat zij haar leven erop had ingesteld en dat ze minder belastend waren voor haar rug. Daargelaten dat verzoekster geenszins aantoont dat het aan de bestreden beslissing is toe te schrijven dat zij ziek is geworden, kan een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing bovendien hoe dan ook niet het financiële verlies goedmaken dat zij zou hebben geleden ingevolge haar indisponibiliteitstelling wegens ziekte en haar daaropvolgende vroegtijdige oppensioenstelling. Hoogstens kan verzoekster nog een moreel nadeel laten gelden, althans indien zij aannemelijk maakt dat de bestreden maatregel een verdoken tuchtstraf betreft, hetgeen zij in haar eerste middel aanvoert. In zoverre hangt de opgeworpen exceptie betreffende het gebrek aan actueel belang van de verzoekster bij haar beroep, samen met de grond van de zaak. Daarom wordt hierna dat eerste middel nader onderzocht. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
- Wat betreft dit eerste middel, laat verzoekster in haar verzoekschrift tot nietigverklaring gelden dat in casu de bestreden beslissing die XII-4882-6/12 inhoudt dat zij niet langer permanent nachtdiensten mag uitvoeren voorzeker een tuchtmaatregel betreft, vermits ze gebaseerd is op een schuldig gedrag, namelijk “haar dominante en harteloze houding ten opzichte van collega’s”, zoals deze zou zijn gebleken tijdens de nacht van 27 augustus 2005, dat de vertegenwoordigers van het OCMW tijdens het onderhoud op 11 mei 2006 naar die houding van verzoekster hebben verwezen, maar dat deze ook al aan de grondslag lag van de tuchtmaatregelen van 29 november 2005 en 9 februari 2006, dat het bestuur, toen zijn pogingen om verzoekster een tuchtstraf op te leggen mislukten, haar alsnog heeft willen treffen door middel van een ordemaatregel die in feite een verdoken tuchtmaatregel is, dat de motivering van de bestreden beslissing en de context waarin ze werd genomen, aantonen dat in werkelijkheid een disciplinaire sanctie werd opgelegd, dat ook de ernstige gevolgen van de bestreden beslissing voor verzoekster een indicatie zijn dat het om een tuchtstraf gaat.
- De verwerende partij betoogt hieromtrent in haar memorie van antwoord dat de mogelijke tuchtsancties zijn vastgelegd conform artikel 51 van de OCMW-wet en de artikelen 282 en 283 van de nieuwe gemeentewet, dat die tuchtsancties variëren van de waarschuwing tot de afzetting, dat nergens erin is voorzien dat het toebedelen van een andere uurregeling in het belang van de dienst, een tuchtsanctie zou zijn, dat in het geval van verzoekster een wijziging van de uurregeling met omschakeling van nacht- naar dagdienst noodzakelijk was voor de goede werking van de dienst, dat aangezien verzoekster in oktober 2005 geen bezwaar had aangetekend tegen een wijziging van “het nachtroulement” en zij ook geen monopolieaanspraken op nachtdienst kan laten gelden, de directie een omschakeling van nacht- naar dagdienst de meest adequate oplossing achtte, dat de thans aangevochten wijziging van de uurregeling er gekomen is in het belang van de bewoners van het Woon- en Zorgcentrum Ter Caele en in het belang van de dienst en niet omdat verzoekster een enquête heeft georganiseerd, noch omwille van de feiten die het voorwerp waren van de eerste tuchtprocedure tegen haar, dat indien verzoekster meent dat de bestreden beslissing een verdoken tuchtmaatregel betreft, zij het bewijs moet leveren van twee elementen, namelijk de sanctie en het tuchtrechtelijke aspect, dat verzoekster er niet in slaagt dat bewijs te leveren.
- Verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord dat zij niet van bij de aanvang heeft geprotesteerd, omdat haar nooit werd meegedeeld dat de omschakeling van nacht- naar dagdienst een definitief karakter vertoonde, dat zij weliswaar geen monopolieaanspraken op nachtdienst kan laten gelden, maar zij niettemin van april 2001 tot september 2005 permanent in nachtdienst was XII-4882-7/12 tewerkgesteld, zodat zij haar volledige leven daarop had afgestemd en haar zwakke rug minder werd belast, dat verwerende partij zichzelf tegenspreekt waar zij enerzijds stelt dat de opgelegde maatregel van organisatorische aard is en steunt op andere redenen dan de eerder gevoerde tuchtprocedure en anderzijds vertegenwoordigers van het OCMW tijdens het onderhoud van 11 mei 2006 ter verantwoording van het ontnemen van “het nachtroulement” aan verzoekster verwezen naar haar dominante en harteloze houding ten opzichte van collega’s, die ook reeds aan de grondslag lag van de tuchtprocedures die tegen haar werden gevoerd, dat het duidelijk de bedoeling van verwerende partij was om haar te straffen, dat toen bleek dat haar pogingen om een tuchtstraf op te leggen mislukten, zij alsnog verzoekster heeft willen treffen door een organisatorische maatregel op te leggen die in feite een verdoken tuchtstraf is. In haar laatste memorie onderstreept verzoekster opnieuw dat het niet gaat om een ordemaatregel maar om een verkapte tuchtstraf. Voorts brengt zij hieromtrent nog naar voren dat zij niet meer kan worden gestraft voor dezelfde feiten als die welke aanleiding gaven tot de tuchtprocedures, dat ze ook niet kunnen dienen als basis voor een “interne maatregel van reorganisatorische aard”, nu deze feiten niet waren bewezen en ze geen tuchtfeiten uitmaken, dat het niet begrijpelijk is waarom ongeveer één jaar nadat de feiten, die waren voorgevallen in de nacht van 27 augustus 2005, zich hebben voorgedaan en nadat tussentijds twee pogingen door verwerende partij waren ondernomen om haar hiervoor een tuchtsanctie op te leggen, het plots nodig was om dringende maatregelen van organisatorische aard te nemen, dat een verschillende motivering wordt gegeven ter verantwoording van de genomen maatregel, doordat verwerende partij aanvoert, enerzijds, dat zij haar werk niet meer naar behoren uitvoerde en dit probeerde door te schuiven naar de nachtverpleegster, waarop tijdens de nacht weinig controle kan worden uitgeoefend en dat het onverantwoord was om haar nog te laten werken voor 94 residenten en, anderzijds, tijdens het gesprek op 11 mei 2006 met de vertegenwoordigers van het ACV verwijst naar haar dominante en harteloze houding ten opzichte van haar collega’s zoals deze zou zijn voorgekomen in de nacht van 27 augustus 2005, dat de omschakeling van nacht- naar dagdienst haar wél meer heeft geschaad dan nodig was om de oorzaak van de ordemaatregel weg te nemen, nu zij als gevolg daarvan ziek is geworden en om medische redenen vervroegd op pensioen is gesteld, dat zij bovendien nooit de mogelijkheid heeft gekregen om persoonlijk te verschijnen en nooit gehoord is geweest omtrent de haar verweten tekortkomingen. XII-4882-8/12 Beoordeling
- De loutere omstandigheid dat de omschakeling van nacht- naar dagdienst niet is opgenomen onder de tuchtstraffen die krachtens artikel 51 van de OCMW-wet juncto artikel 283 van de nieuwe gemeentewet aan personeelsleden van het OCMW kunnen worden opgelegd, sluit, in tegenstelling tot wat de verwerende partij meent, niet uit dat het bestuur met een dergelijke omschakeling aan het betrokken personeelslid een verdoken tuchtmaatregel kan opleggen. Dat is namelijk het geval wanneer het bestuur daarmee het schuldige gedrag van het betrokken personeelslid beoogt te bestraffen. De omschakeling van nacht- naar dagdienst is dan een tuchtstraf, ook al zou een tuchtstraf wettelijk niet dergelijke inhoud mogen hebben.
- Hetzelfde gedrag van een ambtenaar kan zowel aanleiding geven tot een tuchtmaatregel als een ordemaatregel, die beide gericht zijn op de goede werking van de openbare dienst. Waar een tuchtmaatregel evenwel beoogt een sanctie op te leggen voor schuldig gedrag van het betrokken personeelslid, laat een ordemaatregel de schuldvraag buiten beschouwing, in die zin dat niet het schuldig zijn aan dit gedrag de overheid tot het treffen van de maatregel brengt, maar wel het gedrag op zichzelf beschouwd, als een de goede orde verstorend element.
- Verzoekster leidt uit het gegeven dat de bestreden maatregel op 11 mei 2006 door vertegenwoordigers van het OCMW tijdens een onderhoud met vertegenwoordigers van het ACV werd verantwoord op grond van “haar dominante en harteloze houding ten opzichte van collega’s” en dat die houding ook reeds ten grondslag lag van een eerder tegen haar gevoerde tuchtprocedure, af dat het gaat om een verdoken tuchtmaatregel. Het voormelde gegeven is echter ontoereikend om te kunnen besluiten dat te dezen ten laste van verzoekster een verdoken tuchtmaatregel werd genomen. Zoals vermeld, kan immers het gedrag dat aan de basis ligt van een tuchtsanctie terzelfder tijd een ordemaatregel verantwoorden. Van belang is na te gaan of er gegevens voorliggen die ervan overtuigen dat de maatregel werd genomen teneinde het betrokken personeelslid te sanctioneren voor schuldig gedrag, dan wel of aannemelijk is dat de maatregel werd genomen met de enkele bedoeling de goede werking van de dienst veilig te stellen. Verzoekster brengt alvast geen enkel gegeven aan dat de Raad van het eerste kan overtuigen. Niet ongeloofwaardig doet de verwerende partij van haar kant in haar memorie van antwoord gelden dat, na de opgelegde tuchtmaatregelen XII-4882-9/12 die uiteindelijk geen definitieve uitwerking hebben gekregen, de verstoorde verhouding tussen verzoekster en de andere personeelsleden op de dienst is blijven bestaan, zodat een maatregel van organisatorische aard noodzakelijk was om de goede werking van de dienst en de behoorlijke dienstverlening aan de bewoners van het Woon- en Zorgcentrum Ter Caele te garanderen, en dat zij van verzoekster zelf signalen had opgevangen dat zij haar taak niet meer ten volle aankon. In haar brief van 3 juli 2006 aan de provinciegouverneur stelt verwerende partij onder meer dat uit de verslagen van de directie en de hoofdverpleging aan de OCMW-secretaris was gebleken dat verzoekster haar werk niet meer naar behoren uitvoerde en probeerde door te schuiven naar de nachtverpleegster, dat tijdens de nacht daarop weinig controle kon worden uitgeoefend, dat het onverantwoord was verzoekster ’s nachts nog te laten werken voor 94 residenten, dat het de bedoeling was van de omschakeling van nacht- naar dagdienst om verzoekster beter onder de controle te krijgen van de hoofdverpleging en de overige verpleging, die overdag ruim aanwezig zijn, dat verzoekster op 6 juni 2006 onomwonden toegaf dat zij niet meer in staat was om normaal te functioneren en dat de nachtdienst het haar mogelijk maakte om een deel van haar werk door anderen te laten uitvoeren, dat het niet meer dan normaal is dat de OCMW-secretaris daarop met een organisatorische maatregel heeft gereageerd.
- Aldus blijkt de opgelegde maatregel uitsluitend ingegeven door de bekommernis van de verwerende partij om de prestaties van verzoekster terug op peil te brengen en de goede dienstverlening aan de bewoners, ook ’s nachts, te verzekeren. De feiten die zich tijdens de nacht van 27 augustus 2005 hadden voorgedaan en die aanleiding gaven tot de eerste tuchtprocedure vormen geenszins de onmiddellijke aanleiding van de thans betreden maatregel, ook al werd tijdens het gesprek van 11 mei 2006 naar deze feiten opnieuw verwezen. Uit het bovenstaande is immers gebleken dat de maatregel vooral werd ingegeven doordat nadien de verstoorde verhouding tussen verzoekster en de overige personeelsleden op de dienst is blijven bestaan en verder dat zij haar werk niet meer naar behoren uitvoerde. Al die hiervoor genoemde elementen samen genomen vormden de aanleiding voor de ordemaatregel en niet de feiten die het voorwerp waren van de tegen verzoekster ingeleide tuchtprocedures.
- Voorts worden door verzoekster geen precieze, gestaafde gegevens aangebracht die tot de conclusie nopen dat de opgelegde omschakeling van nacht- naar dagdienst haar meer heeft geschaad dan nodig om de oorzaak van XII-4882-10/12 de ordemaatregel weg te nemen. Reeds hiervoor is opgemerkt dat verzoekster geenszins aantoont dat het aan de bestreden beslissing is toe te schrijven dat zij ziek is geworden en vervolgens vervroegd op pensioen is gesteld. Uit de door verwerende partij overgemaakte stukken kan trouwens worden afgeleid dat zij bij de omschakeling naar de dagdienst na 20 september 2005, reeds in ziekteverlof was (“sedert september 2005”). Zij kan overigens niet als deugdelijk motief tegen haar overplaatsing naar de dagdienst inroepen dat de nachtdiensten voor haar minder belastend zijn, nu dit gegeven juist het gevolg is van het feit dat zij haar eigen werk tijdens die nachtdiensten niet meer naar behoren uitvoerde en het tijdens de nachtdiensten voor haar gemakkelijker bleek haar werk naar anderen door te schuiven.
- Of, tenslotte, verzoekster de kans heeft gekregen om gehoord te worden, is vreemd aan de in dit middel besproken vraag of de bestreden maatregel terecht als een ordemaatregel te kwalificeren is.
- Wat voorafgaat leidt tot de conclusie dat er geen reden is om te gewagen van een verdoken tuchtmaatregel ten laste van verzoekster, doch slechts van een ordemaatregel die weliswaar gesteund is op het gedrag van de verzoekster, maar haar daarvoor niet beoogde te bestraffen en slechts de goede werking van de dienst voor ogen had. Het eerste middel is dan ook niet gegrond.
- Waar de bestreden maatregel niet als een verdoken tuchtmaatregel kan worden aangemerkt, valt niet in te zien dat verzoekster sedert haar vervroegde oppensioenstelling nog enig belang kan laten gelden bij een vernietiging ervan. Het voorliggende beroep is derhalve bij gemis aan actueel belang niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. XII-4882-11/12 Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien februari 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4882-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.637 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.