id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.639 Rolnummer: A. 79549/XII-1512 Zaak: Arrest 190639 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 19/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-20 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 18:46 Fiche Arrest nr 190.639 van 19 februari 2009 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.639 van 19 februari 2009 in de zaak A. 79.549/XII-
- In zake : de GEMEENTE WEZEMBEEK-OPPEM, die woonplaats kiest bij advocaat L. Van Hout, kantoor houdende te Berlaar, Markt 78 tegen : het VLAAMSE GEWEST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente Wezenbeek-Oppem op 27 juli 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 25 mei 1998 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant waarbij in artikel 2 van de beslissing van 19 maart 1998 van de gemeenteraad van Wezembeek-Oppem houdende “vaststelling tijdelijke formatie voor uitzonderlijke behoeften aan technisch personeel, bestaande uit een industrieel ingenieur, voor een periode van 6 maanden” niet wordt goedgekeurd het voorschrift “in staat zijn te voldoen aan de bepalingen van artikel 31 van het K.B. van 18 juli 1966, houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 26 maart 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 juni 2008; XII-1512-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Ronse, die loco advocaat L. Van Hout verschijnt voor verzoekster, en van advocaat I. Verhelle, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten
- Op 19 maart 1998 beslist de gemeenteraad van de gemeente Wezembeek-Oppem een tijdelijke formatie voor uitzonderlijke behoeften aan technisch personeel vast te stellen, bestaande uit één industrieel ingenieur, voltijds, in contractueel verband voor een periode van 6 maanden, “om reden dat een technisch personeelslid van universitair niveau dient [te] worden aangesteld voor o.a. de volgende functies waar te nemen: zorgen voor technische analyses; opstellen van technische bestekken; het maken van technische offertevergelijkingen en dergelijke; instaan voor de veiligheid en te zorgen voor de toepassing van het algemeen reglement op de arbeidsbescherming; technisch adviseur naar het College toe”. In artikel 2 van de beslissing worden de “formele vereisten waaraan de kandidaat moet voldoen” bepaald. Een van de vereisten luidt : “in staat zijn te voldoen aan de bepalingen van artikel 31 van het K.B. van 18 juli 1966, houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken”. Dat vereiste wordt bij besluit van 25 mei 1998 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant niet goedgekeurd om de volgende reden : “Overwegende dat artikel 31 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, van toepassing op de randgemeenten Wezembeek-Oppem en Sint-Genesius-Rode, het volgende bepaalt : ‘De bevoegde overheden organiseren de diensten die te Sint-Genesius-Rode en te Wezembeek-Oppem gevestigd zijn derwijze dat, zonder moeite, kan voldaan XII-1512-2/7 worden aan de artikelen 23 tot 27 en aan artikel 30’; dat dit concreet betekent dat de personeelsleden van de gemeente Wezembeek-Oppem het Franstalig cliënteel moeten te woord kunnen staan, doch dat nergens uit de taalwetgeving blijkt dat de gemeente de kennis van de Franse taal mag voorschrijven als aanwervingsvoorwaarde; dat dit a contrario kan afgeleid worden uit artikel 29 van de samengestelde wetten, dat enkel van toepassing is op de overige randgemeenten, m.n. Drogenbos, Kraainem, Linkebeek en Wemmel, en dat bepaalt dat ‘niemand een ambt mag bekleden, waarin hij omgang heeft met het publiek, zo hij geen elementaire kennis van de Franse taal bezit’; Overwegende dat bijgevolg de bepaling ‘in staat zijn te voldoen aan de bepalingen van artikel 31 van liet KB van 18 juli 1966, houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken’ niet kan geïnterpreteerd worden als zijnde een aanwervingsvoorwaarde voor de betrokkene, betreffende kennis van de Franse taal; dat deze bepaling bijgevolg niet als ‘formele vereiste’ kan gesteld worden; Overwegende dat de genoemde bepaling in artikel 2 van de beslissing van de gemeenteraad van Wezembeek-Oppem dd. 19 maart 1998 derhalve niet in redelijkheid aanvaardbaar is”. De procedure
- Volgens verzoekster is de memorie van antwoord niet ontvankelijk omdat ze volgens haar bewoordingen is opgesteld voor het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant. Dit strookt niet met artikel 82 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen dat voorschrijft dat het de regering is die het gewest in rechte vertegenwoordigt en namens wie de rechtsgedingen van het gewest gevoerd worden.
- Ook voor deze procedure blijft de Raad van State bij het oordeel dat hij eerder al in het arrest nr. 81.547 van 30 juni 1999 aannam en volgens hetwelk artikel 82 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen niet uitsluit dat in bijzondere gevallen het gewest in rechte vertegenwoordigd kan worden door andere organen dan de regering. Als zo een bijzonder geval is te beschouwen datgene waarin de provinciegouverneur op grond van de zelfstandige beslissingsbevoegdheid die artikel 146, § 1, eerste lid, 2/, van de nieuwe gemeentewet hem als orgaan van het gewest toebedeelt, het in die bepaling bedoelde goedkeuringstoezicht uitoefent. De besproken tegenwerping van verzoekster wordt verworpen. XII-1512-3/7 Ten gronde
- Verzoeker voert in een eerste middel aan : “Het middel is afgeleid uit de schending van artikel 30 van de gecoördineerde grondwet ; uit de schending van art. 29 en 31 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, uit de schending van art. 146 van de Nieuwe Gemeentewet en uit machtsoverschrijding, doordat de bestreden beslissing weigert haar goedkeuring te verlenen aan het gemeenteraadsbesluit dd. 19 maart 1998 van verzoekende partij, om reden dat nergens uit de taalwetgeving zou blijken dat de kennis van de Franse taal mag voorgeschreven worden als aanwervingsvoorwaarde en om reden dat zulks o.g.v. art. 29 van voormelde wetgeving enkel mogelijk zou kunnen zijn voor de overige randgemeenten (m.n. Drogenbos, Kraainem, Linkebeek en Wemmel), terwijl ingevolge het bij art. 30 van de gecoördineerde grondwet gehuldigde principe van taalvrijheid, de wetten die de eentaligheid opleggen, restrictief moeten worden geïnterpreteerd, en terwijl art. 15 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken dd. 18 juli 1966 weliswaar het benoemingsrecht van de gemeenteoverheden beperkt, waar het bepaalt dat niemand tot openbare ambten of betrekkingen van de eentalige gebieden mag benoemd of bevorderd worden zo hij niet vertrouwd is met de taal der gemeente of streek waar hij zijn ambt of betrekking moet uitoefenen, de gemeente, die deze verplichting is nagekomen, niettemin in bepaalde omstandigheden van haar personeelsleden een bijkomende taalkennis kan eisen zonder dat deze vrijheid een inbreuk zou uitmaken op het beginsel der eentaligheid, zoals het bij de wet is vastgelegd, zodat door het nemen van de bestreden akte verwerende partij de in het middel geviseerde grondwettelijke en wettelijke bepalingen heeft geschonden en haar macht heeft overschreden”. Een tweede middel luidt : “Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, uit de manifeste beoordelingsvergissing en uit machtsoverschrijding, doordat de verwerende partij in de thans bestreden beslissing voorhoudt dat nergens uit de taalwetgeving blijkt dat verzoekende partij de kennis van de Franse taal mag voorschrijven als aanwervingsvoorwaarde en dat zulks a contrario kan ,afgeleid worden uit art 29 van de samengestelde wetten, terwijl aan de verwerende partij toekomt aan te tonen dat uit voormelde taalwetten een verbod zou blijken om de kennis van de Franse taal voor te schrijven als aanwervingsvoorwaarde en terwijl in voormeld art. 29 enkel een absolute gebodsbepaling kan worden gelezen voor de betrokken gemeenten doch zeker geen verbodsbepaling in hoofde van verzoekende partij, zodat door het nemen van de kwestieuze beslissing tot niet-goedkeuring de verwerende partij de in het middel geviseerde wettelijke bepalingen heeft geschonden, zich manifest heeft vergist in haar beoordeling en haar macht heeft overschreden”. XII-1512-4/7
- Artikel 30 van de Grondwet bepaalt dat het gebruik van de in België gesproken talen vrij is en niet kan worden geregeld dan door de wet en alleen voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken. Krachtens die bepaling zijn de bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken vastgesteld. Wat het gebruik van de talen betreft in de plaatselijke diensten van de zogenaamde randgemeenten, voorziet hoofdstuk III, afdeling IV, van die gecoördineerde wetten in, eensdeels, gemeenschappelijke bepalingen voor al de randgemeenten (artikelen 23 tot en met 27), en anderdeels in bijzondere bepalingen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen “Bijzondere bepalingen ten behoeve van de te Drogenbos, Kraainem, Linkebeek en Wemmel gevestigde plaatselijke diensten” (artikelen 28 en 29) en “Bijzondere bepalingen ten behoeve van de te Sint-Genesius-Rode en Wezembeek-Oppem gevestigde plaatselijke diensten” (artikelen 30 en 31).
- De laatstgenoemde bijzondere bepalingen schrijven in artikel 31 voor dat de bevoegde overheden de diensten die te Sint-Genesius-Rode en te Wezembeek-Oppem gevestigd zijn, derwijze organiseren dat, zonder moeite, voldaan kan worden aan de artikelen 23 tot 27 en aan artikel
- Aldus gaat, zoals de bestreden beslissing goed laat verstaan, het artikel 31 minder ver dan het artikel 29, dat met betrekking tot de gemeenten Drogenbos, Kraainem, Linkebeek en Wemmel bovendien voorschrijft dat niemand een ambt mag bekleden, waarin hij omgang heeft met het publiek, zo hij geen elementaire kennis van de Franse taal bezit. Dit kan alleen maar betekenen dat in de plaatselijke diensten van de gemeente Sint-Genesius-Rode en Wezembeek-Oppem niet alle personeelsleden die omgang hebben met het publiek tweetalig hoeven te zijn. In de lijn van wat de Raad van State in het arrest Hendrikx, nr. 81.356 van 28 juni 1999, overwoog, wordt ook te dezen aangenomen dat het artikel 31 aldus moet worden geïnterpreteerd dat het aan de overheid bevoegd voor de organisatie van de betrokken dienst heeft overgelaten om, aan de hand van de concrete behoeften van de dienst, bij iedere benoeming of bevordering zelf te bepalen of in het ambt al dan niet een tweetalige dient te worden benoemd. XII-1512-5/7
- Weliswaar dient de bevoegde overheid bij het gebruik maken van die beoordelingsbevoegdheid altijd voor ogen te houden dat in eentalige gebieden in beginsel steeds de taal van het gebied moet worden gebruikt en dat de gevallen waarin een andere taal moet of mag worden gebruikt uitzonderingen zijn die strikt geïnterpreteerd moeten worden. Hieruit volgt dat van de mogelijkheid om voor het bekleden van een bepaald ambt de kennis van de tweede taal te eisen, slechts gebruik mag worden gemaakt binnen de grenzen van wat voor het naleven van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 nodig is. Dat brengt dan weer mee dat om te beoordelen of ten tijde van de gemeenteraadsbeslissing van 19 maart 1998 de in de technische dienst van verzoekster te benoemen industrieel ingenieur tweetalig moest zijn, rekening diende te worden gehouden met de in de dienst bestaande toestand, zoals de omvang van de in het Frans te behandelen zaken en het aantal en de bekwaamheden van de reeds tewerkgestelde tweetaligen. Noch uit de formele motivering van de gemeenteraadsbeslissing, noch uit het aan die beslissing ten grondslag liggend administratief dossier, noch overigens uit enig ander door verzoekster bijgebracht element, blijkt dat de gemeenteraad zich op 19 maart 1998, bij het vaststellen van het niet-goedgekeurde vereiste, heeft laten leiden door de concrete toestand in de dienst waarin de aan te werven industrieel ingenieur zou moeten werken.
- Waar er aldus voor de plaatselijke diensten van verzoekster geen algemene verplichting van tweetaligheid bestaat voor de personeelsleden die omgang hebben met het publiek, wordt in de bestreden beslissing terecht overwogen dat uit de taalwetgeving niet blijkt dat verzoekster (zonder meer) de kennis van de Franse taal mag voorschrijven als aanwervingsvoorwaarde en dat zij niet (zonder meer) als een formele aanwervingsvoorwaarde mag vereisen dat de kandidaat aan het artikel 31 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken kan voldoen. Even terecht heeft verwerende partij het gestelde tweetaligheidsvereiste “niet in redelijkheid aanvaardbaar” geacht, aangezien het niet is aangetoond dat ervoor op deugdelijke motieven -in verband met de concrete gegevens betreffende de betrokken dienst- kon worden gesteund. Verzoekster heeft in de gegeven omstandigheden niet wettig tot het tweetaligheidsvereiste beslist. Ook al is de motivering van de bestreden beslissing eerder beperkt, het doet er niet aan af dat de verwerende partij gerechtigd en zelfs verplícht was het vereiste niet goed te keuren. Als toezichthoudende XII-1512-6/7 overheid met een goedkeuringstoezicht belast, was zij immers tot rechtshandhaving gehouden. De middelen kunnen niet tot nietigverklaring leiden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien februari 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1512-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.639 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.