id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.641 Rolnummer: Zaak: Arrest 190641 - Milieuvergunningen - 19/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-06 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 18:47 Fiche Arrest nr 190.641 van 19 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.641 van 19 februari 2009 in de zaken I. A. 89.454/VII-20.464 II. A. 100.110/VII-23.169 III. A. 155.654/VII-32.768 IV. A. 183.378/VII-36.988. In zake : I. 1. Gabriëlle BRESSELEERS, 2. Hugo GEVERS, 3. de VZW WATERSTRAATSE VELDEN, II. 1. de VZW WATERSTRAATSE VELDEN, 2. Jan VAN GEEL, 3. Madeleine DE POTTER, 4. Maria VAN DER FLAAS, III. 1. de VZW WATERSTRAATSE VELDEN, 2. Maria VAN DER FLAAS, 3. Jan VAN GEEL, 4. Madeleine DE POTTER, 5. Roland DEBRUYNE, IV. 1. de VZW WATERSTRAATSE VELDEN, 2. Maria VAN DER FLAAS, 3. Madeleine DE POTTER, die allen woonplaats kiezen bij advocaat Chr. COEN, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210 A tegen : I. + II. + III. + IV. : de deputatie van de provincie Antwerpen. tussenkomende partijen : I. 1. de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT, die woonplaats kiest bij advocaat C. SERVAIS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Roderveldlaan 3, 2. de gemeente SCHILDE, die woonplaats kiest bij advocaat A. MEEUSEN, kantoor houdende te ANTWERPEN, Stoopstraat 1, bus 4, II. + III. + IV. : de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT, die woonplaats kiest bij advocaat C. SERVAIS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Roderveldlaan 3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- VII-20.464-23.169-32.768-36.988-1/52 D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gabriëlle BRESSELEERS, Hugo GEVERS en de VZW WATERSTRAATSE VELDEN op 8 februari 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 9 september 1999 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel van 8 juni 1998, houdende het verlenen van de vergunning aan de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT voor het exploiteren van een inrichting voor het bewerken van marmer en natuursteen te Zoersel, Kwikaard, gedeeltelijk gegrond verklaard worden (zaak A. 89.454/VII-20.464); Gezien het verzoekschrift dat de VZW WATERSTRAATSE VELDEN, Jan VAN GEEL, Madeleine DE POTTER en Maria VAN DER FLAAS op 5 februari 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 23 november 2000 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel van 3 juli 2000, houdende het verlenen van de vergunning aan de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT voor het veranderen door uitbreiding en toevoeging van de inrichting, gedeeltelijk gegrond verklaard worden (zaak A. 100.110/VII-23.169); Gezien het verzoekschrift dat de VZW WATERSTRAATSE VELDEN, Maria VAN DER FLAAS, Jan VAN GEEL, Madeleine DE POTTER en Roland DEBRUYNE op 15 september 2004 hebben ingediend om de nietigverkla- ring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 24 juni 2004 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel van 2 februari 2004, houdende onder meer de hernieuwing van de vergunning en de wijziging en uitbreiding van de inrichting van de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT, gedeeltelijk gegrond verklaard wordt (zaak A. 155.654/VII-32.768); Gezien het verzoekschrift dat de VZW WATERSTRAATSE VELDEN, Maria VAN DER FLAAS en Madeleine DE POTTER op 16 mei 2007 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 22 februari 2007 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel van 2 oktober 2006, houdende het verlenen van de vergunning VII-20.464-23.169-32.768-36.988-2/52 aan de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT voor het verder exploiteren van een betoncentrale te Zoersel, Kwikaard, gedeeltelijk gegrond verklaard wordt (zaak A. 183.378/VII-36.988); Gelet op het arrest nr. 97.222 van 28 juni 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit in de zaak A. 100.110/VII-23.169 wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partijen in de zaak A. 100.110/VII-23.169; Gezien de verzoekschriften tot tussenkomst van respectievelijk 24 maart 2000 en 2 augustus 2000 ingediend door de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT en de gemeente SCHILDE in de zaak A. 89.454/VII-20.464; Gelet op de beschikkingen van respectievelijk 31 maart 2000 en 18 augustus 2000 die de tussenkomsten van de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT en de gemeente SCHILDE in de zaak A. 89.454/VII-20.464 toelaten; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 10 september 2001 ingediend door de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT in de zaak A. 100.110/VII-23.169; Gelet op de beschikking van 14 september 2001 die de tussen- komst van de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT toelaat in de zaak A. 100.110/VII-23.169; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 18 november 2004 ingediend door de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT in de zaak A. 155.654/VII-32.768; Gelet op de beschikking van 3 januari 2005 die de tussenkomst van de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT toelaat in de zaak A. 155.654/VII- 32.768; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 12 juli 2007 ingediend door de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT in de zaak A. 183.378/VII-36.988; VII-20.464-23.169-32.768-36.988-3/52 Gelet op de beschikking van 30 augustus 2007 die de tussenkomst van de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT toelaat in de zaak A. 183.378/VII- 36.988; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord in de vier zaken; Gezien de verslagen opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikkingen van respectievelijk 23 februari, 13 maart en 3 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van de verslagen en van de dossiers gelasten in de zaken A. 89.454/VII-20.464, A. 100.110/VII-23.169 en A. 155.654/VII-32.768; Gelet op de kennisgevingen van de verslagen aan de partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partijen in de vier zaken en van de tussenkomende partij in de zaak A. 183.378/VII-36.988; Gelet op de beschikkingen van 10 en 11 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat Chr. COEN, die verschijnt voor de verzoekende partijen in de vier zaken, van bestuurssecretaris M. MICHIELS, die verschijnt voor de verwerende partij in de vier zaken, en van advocaat C. SERVAIS, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij in de vier zaken; Gehoord de eensluidende adviezen, behoudens wat de kosten in de zaak A. 155.654/VII-32.768 betreft, van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-20.464-23.169-32.768-36.988-4/52 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Op 13 maart 1998 dient de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel een milieuvergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een nieuwe inrichting voor het bewerken van marmer en natuursteen in de ambachtelijke zone te Zoersel, Kwikaard. Zij vraagt ook een vergunning voor een betoncentrale (rubriek 30.3.b van de indelingslijst), maar in de loop van het onderzoek van het dossier doet zij daarvan afstand. 1.2. Op 8 juni 1998 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel de vergunning. Na beroep van enkele personen die rechtstreeks hinder kunnen ondervinden van de geplande vestiging bevestigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna : de deputatie) op 29 oktober 1998 de essentiële bepalingen van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel. De NV BOUWMATE- RIALEN VAN PELT verkrijgt aldus voor twintig jaar een milieuvergunning voor het bewerken van marmer en natuursteen, en enkel de vergunning voor een wasinstallatie voor het wassen van meer dan tien voertuigen per dag wordt geweigerd. Bij arrest nr. 80.009 van 29 april 1999 schorst de Raad van State de beslissing van de deputatie. Het arrest overweegt dat in het bestreden besluit niet terdege wordt verantwoord waarom de deputatie heeft kunnen besluiten dat de vergunde inrichting verenigbaar is met de gewestplanbestemming "KMO-zone" waarin de geplande inrichting gelegen is. Na het schorsingsarrest heeft de verwerende partij niet om de voortzetting van het geding gevraagd en is het besluit van 29 oktober 1998 met het arrest nr. 87.629 van 25 mei 2000 expliciet vernietigd. Inmiddels had de deputatie op 9 september 1999 reeds formeel tot de intrekking van haar besluit van 29 oktober 1998 besloten. 1.3. In hetzelfde besluit van 9 september 1999 heeft de deputatie opnieuw uitspraak gedaan over het aanhangige beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel van 8 juni 1998. Dat besluit vormt het voorwerp van het annulatieberoep in de zaak A. 89.454/VII- 20.464. Dat besluit, waarbij de vergunning wordt verleend om tot 8 juni 2018 de gevraagde inrichting "voor het bewerken van marmer en natuursteen" uit te baten - VII-20.464-23.169-32.768-36.988-5/52 de vergunning wordt verleend voor de rubrieken 12.2.2, 15.1.2, 15.2, 16.3.2.2, 17.3.3.2, 17.3.6.2, 17.3.9.1, 29.5.2.2, 30.1.b, 30.10.1 en 30.7.2 van de indelings- lijst -, bevat uitvoerige verwijzingen naar de argumentatie die de raadsman van de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT op 9 juli 1999 aan de deputatie bezorgd heeft, naar de gunstige adviezen van de afdeling Milieuvergunningen (hierna : AMV) en van de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen (hierna : AROHM) en er wordt dan overwogen : "Overwegende dat uit de nota van meester Ciska Servais en de adviezen van de AMV en de AROHM samengevat het volgende blijkt : - de hinderlijkheid, de grootte van de onderneming, de relatie tot de omge- ving, de bestaande wegeninfrastructuur, de tewerkstelling, de aard van de productie of de bewerking, de weerslag op het leefmilieu en dergelijke zijn de beoordelingscriteria om uit te maken of een bedrijf vervuilend of milieubelastend is, dan wel of het bedrijf van ambachtelijke aard is of het gaat om een kleine of middelgrote onderneming; - bovendien dient volgens de omzendbrief dd. 8 juli 1997 rekening te worden gehouden met de omvang van het bedrijf en de aard van de activiteiten; Hinderlijkheid: * de inrichting zal in eerste instantie aangewend worden als stockageruimte voor bouwmaterialen, waarop slechts beperkt en ondergeschikt bewerking plaatsvindt; * de opslag van gevaarlijke stoffen is zeer beperkt en gebeurt op vrij ruime afstand van de woningen; de opslag voldoet aan de Vlarem II-bepalingen; * er worden sproei-installaties voorzien ter beperking van de stofhinder; * de opslag van bouwmaterialen is niet vergunningsplichtig; de opslag van minerale producten gebeurt in boxen en blijft eveneens onder de drempel van de vergunningsplicht; de opslag ligt op meer dan 100 m van de woningen; * de activiteiten die geluidshinder kunnen veroorzaken vinden alle binnen plaats (bewerking van metaal en steen (marmer); * voor wat de aktiviteiten betreft die buiten gebeuren dient de inrichting te voldoen aan de opgelegde geluidsvoorwaarden; bovendien wordt er een verbod van laad- en losaktiviteiten opgelegd op bepaalde ogenblikken ter beperking van eventuele geluids- en verkeershinder; tevens kan nog bijkomend als bijzondere voorwaarde worden opgelegd dat het aantal te stallen vrachtwagens maximum 25 mag bedragen; * van de aanvraag voor de betoncentrale werd afgezien; * de wasinstallatie voor vrachtwagens (rubriek 15.4.2.) is niet vergunbaar gelet op het feit dat het dossier over de lozing te weinig gegevens bevat; - Grootte van de onderneming/tewerkstelling * het bedrijf heeft een totale oppervlakte van ca. 40.000 m², waarvan slechts een 8.000 m² wordt bebouwd, ongeveer 6.000 m² bufferzone wordt voorzien rond het ganse terrein en 20.000 m² toegangs-, brand- en circulatiewegen; * het bedrijf is weliswaar groot in oppervlakte maar het aantal tewerkgestelde personen (7 werknemers) is niet van die aard dat het bedrijf niet meer kan beschouwd worden als een kleine of middelgrote onderneming; * de loutere omvang op zich zegt niets over de eventuele hinder die een bedrijf kan veroorzaken; - Relatie tot de omgeving * de inrichting zal fungeren als lokaal beleveringspunt van bouwmaterialen; * de inrichting grenst niet rechtstreeks aan een woongebied; de afstand tot de woningen bedraagt alleszins meer dan 100 m; VII-20.464-23.169-32.768-36.988-6/52 * in de KMO-zone zelf is reeds een gelijkaardig bedrijf in biologische bouwmaterialen gevestigd; - Bestaande wegeninfrastructuur De bereikbaarheid van het ambachtelijk gebied is niet problematisch. Via de N12 en de Waterstraat/R. Delbekelaan die als een doorgaande weg kan worden beschouwd kan men de kwikaard bereiken. De Waterstraat/Delbekelaan is op dit ogenblik reeds een drukke straat. De eerste 50 m van de kwikaard is woongebied met landelijk karakter in functie van de Waterstraat/Delbekelaan. De noordzijde van de kwikaard is woongebied met landelijk karakter, verderop woongebied. De zuidzijde van de kwikaard is gebied voor ambachtelijke bedrijven en/of KMO's. Na een 230 m vanaf de Waterstraat/Delbekelaan is een nieuwe insteekweg in het ambachtelijk gebied voorzien waarlangs de aanvraag is gevestigd. Het bijkomend aantal bewegingen is moeilijk in te schatten. Evenmin is het in te schatten wat het verschil is in het aantal bewegingen tussen een groter bedrijf en verschillende kleine die er zouden kunnen worden gevestigd. Hoe dan ook is volgens het gewestplan een ambachtelijke zone voorzien op 50 m van de Waterstraat/Delbekelaan dat te bereiken is via normaal uitgeruste wegen. Het bijkomend verkeer langs de drukke(
- n)Waterstraat/Delbekelaan lijkt niet van die aard te zijn dat het impact heeft op het leefklimaat langs deze weg; - Aard van de productie of de bewerking * de nadruk van de inrichting ligt op opslag van bouwmaterialen, en niet op productie; * de gebieden bestemd voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen zijn mede bestemd voor kleine opslagplaatsen van goederen met uitzondering van afvalproducten van schadelijke aard; * diverse opslagplaatsen van diverse goederen over een uitgestrekt terrein kunnen als kleinschalig beschouwd worden indien de stapelhoogten en stapelbreedten beperkt blijven tot redelijke afmetingen; in casu is de opslag verenigbaar met de voorschriften van het gewestplan; - Weerslag op het leefmilieu * er worden op het betreffende terrein hoofdzakelijk inerte materialen opgeslagen; * er is nauwelijks productie op zich zodat er bij de aktiviteiten geen stoffen kunnen vrijkomen die het leefmilieu kunnen vervuilen; * rond het terrein wordt een grote bufferzone voorzien; * indien aan de opgelegde voorwaarden wordt voldaan, is de weerslag op het leefmilieu tot een aanvaardbaar niveau beperkt; Overwegende dat in het advies van de AROHM gesteld wordt dat de aard en de omvang van een bedrijf voor bouwmaterialen hoe dan ook een zekere hinder met zich meebrengen; dat die hinder hoogstwaarschijnlijk van die aard is dat het niet verenigbaar is met de bestemming woongebied en de onmiddellij- ke omgeving; Overwegende dat de AROHM tevens stelt dat een bedrijf voor de opslag van bouwmaterialen niet noodzakelijk ingeplant dient te worden in een gebied voor milieubelastende of vervuilende industrie; Overwegende dat de inrichting van de n.v. Van Pelt bij voorkeur dient ingeplant in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en/of KMO' s : - het sterk regionaal karakter van bedrijven voor bouwmaterialen vereist dat de inplanting gebeurt in de buurt van woongebieden omdat de bouwmateria- len uiteindelijk daar worden verwerkt; - de nadruk ligt in casu op opslag, en niet op productie; - in een straal van 6 à 7 km rond de inplanting is er in casu geen industriege- bied ander dan ambachtelijk gebied voorhanden; VII-20.464-23.169-32.768-36.988-7/52 Overwegende dat, gelet op het voorgaande, gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergun- ningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de ligging in een gebied voor ambachtelijke bedrijven of voor kleine en middelgrote ondernemingen; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieuvergunningsvoor- waarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt, behalve voor wat betreft het gedeelte van de aanvraag dat betrekking heeft op de wasinstallatie voor het wassen van meer dan 10 voertuigen per dag (15.4.2.); Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen gedeelte- lijk gegrond te verklaren, het schepencollegebesluit op te heffen en de vergunning gedeeltelijk toe te staan voor een termijn van 20 jaar". 1.4. Op 19 april 2000 dient de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT een milieuvergunningsaanvraag in voor de verandering van haar inrichting. Zij wil de toegelaten activiteiten wijzigen door toevoeging van een betoncentrale, de opslag van minerale producten, een afvalwaterlozing en bronbemaling. Blijkens de aanvraag zal per dag gemiddeld 60 m³ beton, 40 m³ chape en 20 m³ mortels geproduceerd worden. De capaciteit van de motoren van de betoncentrale bedraagt 110 kW. Volgende opslag van ertsen en minerale producten wordt gevraagd : "Opslag minerale producten in voorraadboxen : 1 st. 200 m³ - 2 st. 150 m³ - 17 st. 100 m³ Opslag minerale producten in trechters : 7 x 36 m³ Opslag in silo's van betoncentrale : 2 x 45 m³ cement Opslag in open lucht van afgewerkte minerale producten zijnde bouwmateria- len : +/- 10.000 m², snelbouwsteen, dakpannen, betonblokken, vloeren, welfsels, ijzer, etc ... Overdekte opslag : cement 300 ton isolatiemateriaal : 150 m³". Er zullen voorts twee cementsilo's met een hoogte van 15 meter worden geïnstalleerd. Er worden 20 opslagplaatsen voor minerale producten voorzien. 17 daarvan hebben een nuttige breedte van 4 meter, twee andere zijn 5,5 meter breed en één heeft een nuttige breedte van 9,2 meter. 1.5. Op 3 juli 2000 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel de gevraagde vergunning voor een termijn tot 8 juni 2018. Na beroep hervormt de deputatie op 23 november 2000 de vergunning. De NV BOUWMATERIALEN VAN PELT verkrijgt nu voor een termijn van drie jaar - dit wil zeggen tot 3 juli 2003 - een vergunning voor de verandering en uitbreiding van haar inrichting met een mortel - en betoncentrale VII-20.464-23.169-32.768-36.988-8/52 (rubriek 30.3.
- b)en met opslag en overslag van ertsen en minerale producten (rubriek 30.10.1). Er wordt ook akte genomen van de melding van de lozing van huishoudelijk afvalwater (rubriek 3.3). Er worden wel twee bijkomende vergun- ningsvoorwaarden opgelegd : enerzijds het verbod van aan- en afrijden van betonmixers op zaterdag-, zon- en feestdagen en tussen 19.00 en 7.00 uur en anderzijds het opstellen, binnen het jaar, van een verkeersstudie over het vrachtver- voer. De beslissing van de deputatie van 23 november 2000 vormt het voorwerp van het annulatieberoep in de zaak A. 100.110/VII-23.169. 1.6. Op 17 september 2003 dient de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT een milieuvergunningsaanvraag in voor "het hernieuwen van een vergunning voor een bestaande inrichting" en voor het "veranderen van haar inrichting door wijziging en uitbreiding". De hernieuwing heeft inzonderheid betrekking op de tijdelijke vergunning voor drie jaar voor de betoncentrale, het lozen van huishoude- lijk afvalwater en de opslag van minerale producten. Er wordt voorts een aanpassing gevraagd van de basisvergunning wegens de verkeerde vermelding van drie rubrieken in de originele vergunning (de vergunning voor rubriek 12.2.2, 16.3.2.2 en 29.5.2.2 wordt vervangen door de vergunning voor rubriek 12.2.1, 16.3.1.1 en 29.5.2.1), de opslaghoeveelheid van gevaarlijke producten (rubriek 17.3.3.2.) verandert naar de opslag van één product, te weten 2.000 liter bindings- en verhardingsversneller. Er wordt verder een nieuwe aanvraag gedaan voor de "opslag van cement in bulk in twee silo's van max. 15 ton en in zakken van 25 kg (max 17 ton)" (rubriek 17.3.3.2) en voor een grondwaterwinning (rubriek 53.8.2) en er wordt melding gedaan van enkele inrichtingen van klasse 3 (rubrieken 17.4, 53.2.2 en 30.3.b). Samenvattend heeft de aanvraag betrekking op : "een inrichting voor bewerken van marmer en natuursteen, opslag van verschillende bouwmaterialen en een betoncentrale met opslag van zand en grind. Dit wordt gebruikt voor het maken van beton (cement, zand en grind) en stabilisatie (cement en zand) of voor rechtstreekse verkoop aan aannemers". 1.7. Op 2 februari 2004 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel de gevraagde vergunning voor een termijn van twintig jaar. In het kader van het administratief beroep tegen deze beslissing, dat inzonderheid steunt op de stedenbouwkundige onverenigbaarheid van de installaties, wint de deputatie een aantal adviezen in en op 24 juni 2004 beslist zij het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren. Zij verleent een vergunning voor de VII-20.464-23.169-32.768-36.988-9/52 uitbreiding van de handel in bouwmaterialen met een opslag van minerale producten (rubriek 30.10.1), een betoncentrale (rubriek 30.3.b), de opslag van 30 ton cement in één silo (rubriek 17.3.3.2) en een grondwaterwinning van 880 m³/jaar (rubriek 53.8.2), neemt akte van klasse 3-inrichtingen in de rubrieken 3.3, 16.3.1.1 en 17.4, en weigert de opslag van cement in een tweede silo. Er wordt bepaald dat de vergunning loopt tot 8 juni 2018 en dat de geldingstermijn aldus samenvalt met de einddatum van de vergunning verleend op 9 september 1999, met uitzondering van de opslag voor minerale producten, de betoncentrale en de cementopslag in één silo, waarvoor de vergunning beperkt wordt tot drie jaar (dus tot 24 juni 2007). De beslissing van de deputatie van 24 juni 2004 vormt het voorwerp van het beroep in de zaak A. 155.654/VII-32.768. Het besluit verwijst naar de verschillende ingewonnen adviezen en overweegt : "Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Turnhout, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn : zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen; Overwegende dat gesteld kan worden dat de verandering van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat in tegenstelling tot wat beroepers beweren de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden; dat de activiteiten kunnen worden aanvaard in het betreffende bestemmingsgebied en de gebouwen en constructies en inrichtingen van aanvaardbare omvang en impact zijn; dat dit blijkt uit het volgende : - Gebieden bestemd voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middel- grote ondernemingen zijn mede bestemd voor kleine opslagplaatsen van goederen, gebruikte voertuigen en schroot, met uitzondering van afvalpro- dukten van schadelijke aard (artikel 8 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen); - Het bedrijf heeft een oppervlakte van 42.000 m². De voorschriften bij de gewestplannen geven geen maximumoppervlakten waardoor bedrijven al dan niet kunnen worden aanvaard in het gebied voor ambachtelijke bedrijven of kleine en middelgrote ondernemingen. - Het bedrijf is weliswaar groot in oppervlakte maar het aantal tewerkgestelde personen is niet van die aard dat het bedrijf niet meer zou kunnen be- schouwd worden als een middelgrote onderneming. - Verder worden er een aantal producten opgeslagen en zal een betoncentrale geëxploiteerd worden. Het woord 'klein' kan hier misleidend zijn. Diverse opslagplaatsen van diverse goederen over een uitgestrekt terrein kunnen als kleinschalig beschouwd worden indien de stapelhoogten en stapelbreedten beperkt blijven tot redelijke afmetingen. Overwegende dat de activiteiten van het bedrijf ook wel degelijk verenigbaar zijn met de bestemmingen van de omliggende woongebieden, gezien het gewestplan zelf voorziet in de bestaanbaarheid van een gebied voor ambachte- lijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen met de omliggende woongebieden; dat het dus een kwestie is om na te gaan of het bedrijf in het betreffende gebied kan worden aanvaard, waarbij uiteraard onrechtstreeks de afweging wordt gemaakt of het bedrijf al dan niet verenigbaar is met de omliggende bestemmingen; dat in de aanvraag bovendien duidelijke groen- VII-20.464-23.169-32.768-36.988-10/52 schermen werden voorzien teneinde het bedrijf in de omgeving te integreren; dat het beroepschrift bijgevolg op die gronden eveneens niet kan worden bijgetreden; Overwegende dat pas op 11.8.2003 een uiteindelijke bouwvergunning werd bekomen voor de betoncentrale, doch deze bouwvergunning niet werd gedekt door een overeenstemmende milieuvergunning; dat bouwvergunning en milieuvergunning pas bij besluit van 2.2.2004 een identiek voorwerp hebben; dat hieruit kan geconcludeerd worden dat de milieuvergunning van 2000 vervallen is en er dus geen sprake kan zijn van een hervergunning van een bestaande betoncentrale; dat de aanvraag dus dient beschouwd te worden als de exploitatie van een nieuwe betoncentrale (meer bepaald een uitbreiding), waarvoor de vergunning in beginsel dient gekoppeld te worden aan de bestaande milieuvergunning; dat echter niet kan gesteld worden dat het openbaar onderzoek in eerste aanleg geschaad is door een 'foutieve' interpretatie van het begrip 'bestaand' aangezien in dit openbaar onderzoek duidelijk is aangegeven om welke betoncentrale het gaat; Overwegende dat het Vlarem inhoudelijk geen bepalingen bevat die zich verzetten tegen de uitbating van een 'nieuwe' betoncentrale indien aan de voorwaarden kan worden voldaan; dat dit in casu het geval is; Overwegende dat het maken van een inschatting van de hinder voor de buurt, en dit voornamelijk op het vlak van de verkeershinder, op dit ogenblik echter nog steeds niet mogelijk is; dat bijgevolg voor de rubrieken 30.10.1 (opslag van minerale producten), 30.3.b (betoncentrale) en voor 30 ton cement in de rubriek 17.3.3.2 slechts een kortlopende vergunning van 3 jaar wordt verleend, zodat de exploitant in staat zou zijn om bij de hervergunningsaan- vraag het dossier te onderbouwen met gegevens over de impact van de exploitatie van deze betoncentrale op het verkeer van en naar de gehele inrichting; dat door het opleggen van dergelijke kortlopende vergunning tevens wordt tegemoet gekomen aan de argumenten en bezwaren met betrekking tot verkeershinder; Overwegende dat het voorstel van de PMVC, om ook voor de rubriek 3.3 slechts een beperkte termijn van 3 jaar voor de aktename te voorzien, niet wordt gevolgd gezien Vlarem voor klasse 3-inrichtingen enkel een aktename voorziet zonder deze aktename te koppelen aan een bepaalde termijn; dat een beperkte aktename voor slechts drie jaar bijgevolg niet mogelijk is; Overwegende dat zoals opgemerkt door de PMVC de bronbemaling in rubriek 53.2.2. zonder voorwerp is, gezien uit de toelichtingen ter zitting blijkt dat de betoncentrale reeds geïnstalleerd werd; Overwegende dat de vergunning wordt geweigerd voor 1 van de 2 cement- silo's in de rubriek l7.3.3.2., gezien in de vergunning een opslag van 15 ton in elk van de 2 silo's wordt aangevraagd, terwijl de silo's die geplaatst worden een opslagcapaciteit hebben van 150 ton elk; dat het bijgevolg volstaat om slechts 1 silo te vergunnen voor een opslag van 30 ton cement; dat aan de overeenkom- stige afstand(s)regel kan worden voldaan; Overwegende dat voor de overige rubrieken (met inbegrip van rubriek 3.3 wat dan de aktename betreft) de vergunning wordt verleend voor een termijn verstrijkend op 8 juni 2018 in plaats van de termijn van 20 jaar zoals in het besluit van het schepencollege, omdat de onderhavige milieuvergunningsaan- vraag wordt beschouwd als een uitbreiding op de lopende milieuvergunning verleend door de bestendige deputatie op 9 september 1999; dat immers de procedure voor de Raad van State met betrekking tot deze basisvergunning inmiddels is afgerond, omwille van afstand van geding van de verzoeker; dat de exploitant derhalve beschikt over een basisvergunning tot 8 juni 2018, gezien door deze beslissing van de bestendige deputatie van 9 september 1999 alle voorgaande beslissingen met betrekking tot de betrokken inrichting vervallen; VII-20.464-23.169-32.768-36.988-11/52 Overwegende dat wat de bezorgdheid over de visuele hinder en de waardevermindering van het omliggende natuurlijke landschap betreft, kan opgemerkt worden dat dit in de bouwvergunning dient geregeld en niet in de milieuvergunning; dat de milieuvergunning bijgevolg niet omwille van deze stedenbouwkundige aspecten moet worden geweigerd; dat zoals reeds aangehaald bij de vergunningsaanvraag door de aanvrager bovendien duidelijke groenschermen werden geconcipieerd, teneinde het bedrijf in de omgeving te integreren; dat de activiteiten, gebouwen, constructies en infrastructuur een logisch gevolg is van de vastlegging van de bestemming van de betreffende gronden binnen het gewestplan als gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen; dat enige visuele, doch aanvaardbare impact naar de omgeving toe daarvan eveneens een logisch gevolg is; Overwegende dat het feit dat groenschermen volgens Vlarem voor betoncentrales niet verplicht zijn, (...) echter geen afbreuk (doet) aan de verplichting om de in de bouwvergunning opgelegde groenschermen volledig uit te voeren en deze groenschermen ook goed te onderhouden; dat deze groenschermen niet alleen de visuele impact (stedenbouwkundig aspect) van de inrichting naar de omgeving toe temperen, maar tevens ook een gedeelte van de geluidsproductie bufferen en de stofhinder beperken, zodat ook via deze weg enigszins wordt tegemoetgekomen aan de argumenten en bezwaren die hierop betrekking hebben; dat wat de stofhinder betreft bovendien uit het aanvraagdos- sier blijkt dat de nodige maatregelen worden voorzien; Overwegende dat voor de evaluatie van de elementen aangebracht door de aanvrager/de beroepers, gehoord door de PMVC, evenals voor de evaluatie van de tijdens het openbaar onderzoek uitgebrachte bezwaren en opmerkingen, die niet expliciet in de overweg(ingen) aan bod komen, ofwel kan verwezen worden naar het advies van de PMVC (hierboven weergegeven), ofwel hier van weinig relevantie zijn; Overwegende dat het grondwater zal gebruikt worden voor het aanmaken van beton, de stofbestrijdingsinstallatie en het spoelen van de betonmixers; dat de aanvrager als alternatieve bronnen beschikt over een capaciteit van 40 m³ voor de opvang van regenwater en 20 m³ voor de recuperatie van het waswater van de betonmixers; dat kan worden gesteld dat het schadelijk effect van de winning op het milieu en op het grondwatersysteem beperkt is; dat de vergunning voor de grondwaterwinning dd. 17 februari 2004 in principe nog loopt tot 2005 maar deze vergunning dient te worden opgeheven vanaf verlening van onderhavige vergunning, aangezien de grondwaterwinnïng thans voor een langere termijn kan worden vergund; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde verandering mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieuvergunningsvoor- waarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt". 1.8. Op 21 juni 2006 dient de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT een aanvraag in voor het hernieuwen van de milieuvergunning voor de opslag van 30 ton cement (rubriek 17.3.3.2), een betoncentrale met een totale drijfkracht van 125,7 kW (rubriek 30.3.
- b)en de opslag van minerale producten (rubriek 30.10.1). 1.9. Op 2 oktober 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel de gevraagde vergunning voor een termijn die eindigt op 2 oktober 2009. Als bijzondere voorwaarde wordt wel toegevoegd dat de VII-20.464-23.169-32.768-36.988-12/52 exploitant een verkeersstudie moet laten uitvoeren over het af- en aanrijdend verkeer naar de betoncentrale en dat die studie een maand voor de hernieuwingsaanvraag aan het gemeentebestuur moet worden overgemaakt. 1.10. Tegen voormeld besluit van 2 oktober 2006 wordt administratief beroep ingesteld. Op 22 februari 2007 bevestigt de deputatie het besluit van het schepencollege van 2 oktober 2006. Zij omschrijft de bijzondere voorwaarde met betrekking tot de verplichte verkeersstudie inhoudelijk enigszins anders en er wordt ook een nieuwe bijkomende voorwaarde ingevoegd door de exploitant te verplichten een akoestisch onderzoek, als voorzien in bijlage 4.5.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), te laten uitvoeren. Dit besluit van 22 februari 2007, dat het voorwerp vormt van het beroep in de zaak A. 183.378/VII-36.988, verwijst naar de ingediende bezwaren, naar de adviezen die werden uitgebracht en overweegt voorts : "Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Turnhout, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn: KMO-zone; Gelet op de ligging van de inrichting in het bijzonder plan van aanleg 'Joosten en omgeving' waar in de zone dichte buffer een strook van min. 5 m of 15 m grenzend aan de KMO-zone en min. 7 m grenzend aan het woongebied ingericht (
- is)als houtwal (...); Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de beroepsindieners vooral hinder ondervinden van het laden en lossen van de vrachtwagens en van het zware vrachtverkeer van en naar het bedrijf; dat er tevens geluidshinder, visuele hinder en stofhinder is en dat een verkeerstelling er nog steeds niet gebeurd is en dat er geen groenscherm werd geplaatst; tevens stellen beroepers dat de vergunning onwettig is wegens de schending van de wetgeving op de ruimtelijke ordening; dat de NV Van Pelt niet beschouwd kan worden als een KMO en de opslagplaatsen van Van Pelt geen 'kleine opslagplaatsen van goederen' zijn; Overwegende dat wat de bezorgdheid over de visuele hinder en de waardevermindering van het omliggende natuurlijke landschap betreft, kan opgemerkt worden dat dit in de bouwvergunning dient geregeld en niet in de milieuvergunning; dat de milieuvergunning bijgevolg niet omwille van deze stedenbouwkundige aspecten moet worden geweigerd; dat zoals reeds aangehaald bij de vergunningsaanvraag door de aanvrager bovendien duidelijke groenschermen werden geconcipieerd, teneinde het bedrijf in de omgeving te integreren; dat de activiteiten, gebouwen, constructies en infrastructuur een logisch gevolg is van de vastlegging van de bestemming van de betreffende gronden binnen het gewestplan als gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen; dat enige visuele, doch aanvaardbare, impact naar de omgeving toe daarvan eveneens een logisch gevolg is; Overwegende dat de groenschermen volledig dienen te worden uitgevoerd zoals ontworpen in de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag en tevens goed dienen onderhouden te worden; VII-20.464-23.169-32.768-36.988-13/52 Overwegende dat de activiteiten van het bedrijf ook wel degelijk verenigbaar zijn met de bestemmingen van de omliggende woongebieden, gezien het gewestplan zelf voorziet in de bestaanbaarheid van een gebied voor ambachte- lijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen met de omliggende woongebieden; dat het dus een kwestie is om na te gaan of het bedrijf in het betreffende gebied kan worden aanvaard, waarbij uiteraard onrechtstreeks de afweging wordt gemaakt of het bedrijf al dan niet verenigbaar is met de omliggende bestemmingen; dat in de aanvraag bovendien duidelijke groen- schermen werden voorzien teneinde het bedrijf in de omgeving te integreren; dat het beroepschrift bijgevolg op die gronden eveneens niet kan worden bijgetreden; Overwegende dat met betrekking tot de stedenbouwkundige aspecten uitdrukkelijk verder verwezen wordt naar het advies van de ARO, zoals hierboven weergegeven, dat een gunstig advies verleende en de voorgaande stedenbouwkundige argumenten weerlegde; Overwegende dat voor de evaluatie van de elementen aangebracht door de beroepers, gehoord door de PMVC, evenals voor de evaluatie van de tijdens het openbaar onderzoek uitgebrachte bezwaren en opmerkingen verwezen wordt naar het advies van de PMVC (...); Overwegende dat met betrekking tot voorgaande milieuvergunningen wordt vastgesteld dat in de milieuvergunningen van 2000 en 2003 er in een bijzondere voorwaarde specifieke uren en dagen gesteld werden waarop de betonmixers mochten rijden; dat in de milieuvergunning dd. 19 juli 2004 evenwel geen bijzondere voorwaarden hieromtrent werden opgelegd en deze vergunningsaan- vraag betreft de hernieuwing van de laatstgenoemde milieuvergunning; Overwegende dat de aandacht van de exploitant erop wordt gewezen dat (...) op de inrichting sowieso de algemene en sectorale Vlaremvoorwaarden van toepassing zijn en dat dit een verbod inhoudt op rustverstorende activiteiten tussen 19u en 7u; Overwegende dat het noodzakelijk wordt geacht dat artikel 3 §3 i.v.m. de opgelegde bijzondere voorwaarde van de verkeersstudie, van het schepencolle- gebesluit wordt gewijzigd en er bijkomend een bijzondere voorwaarde wordt opgelegd m.b.t. het uitvoeren van een volledig akoestisch onderzoek, zoals omschreven door de PMVC; Overwegende dat de adviezen van de AMV, de ARO en de PMVC, zoals hierboven weergegeven, in aanmerking worden genomen; Overwegende dat voor de evaluatie van de elementen aangebracht door de beroeper, gehoord door de PMVC, verwezen kan worden naar het advies van de PMVC, zoals hierboven weergegeven; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde verandering mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieuvergunningsvoor- waarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het ingediende beroep deels gegrond te verklaren en het bestreden collegebesluit te bevestigen mits wijziging van een bijzondere voorwaarde en toevoeging van een bijkomende bijzondere voorwaarde". 1.11. Op stedenbouwkundig vlak zijn met betrekking tot de inrichting van de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT een aantal annulatieberoepen ingediend. De beroepen tegen de vergunningen van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel van 6 april 1998 voor de bouw van opslagplaat- VII-20.464-23.169-32.768-36.988-14/52 sen en magazijnen en van 25 mei 1998 voor het afgraven van grond en het opvullen met steenslag zijn verworpen bij de arresten nrs. 160.443 en 160.444 van 22 juni 2006. Er is voorts ook beroep ingesteld tegen een besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 7 februari 2002 waarbij de stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van een opslagplaats gewijzigd wordt (de zaak A. 133.347/X-11.318) en tegen een besluit van het college van burgemees- ter en schepenen van de gemeente Zoersel van 11 augustus 2003 ter vergunning van de aanpassing aan de betoncentrale (de zaak A. 144.266/X-11.651). 1.12. De verzoekende partijen stippen in hun laatste memorie ook nog aan dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel aan de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT een vergunning verleend heeft voor een handelsvestiging voor het uitbaten van een klein- en groothandelszaak met een netto-verkoopsoppervlakte van 733 m² en dat zij op 11 februari 2008 ook tegen dat besluit een annulatieberoep hebben ingediend. 2. De samenvoeging 2.1. De beroepen die hier onderzocht worden betreffen alle de milieuvergunningen verleend aan de NV BOUWMATERIALEN VAN PELT. Er is reden om de zaken samen te voegen. 2.2. In hun laatste memorie in de zaak A. 89.454/VII-20.464 vragen de verzoekende partijen dat de zaken ook samen behandeld zouden worden met de beroepen in de zaken A. 78.970/X-8189, A. 78.988/X-8195 en A. 144.266/X-11.651 en dat de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak leidt de kamer zou aanwijzen die van al deze zaken kennis zal nemen. 2.3. De zaken A. 78.970/X-8189 en A. 78.988/X-8195 hebben reeds definitief hun beslag gekregen met de arresten nrs. 160.443 en 160.444 van 22 juni 2006. In de zaak A. 144.266/X-11651 vragen de VZW WATER- STRAATSE VELDEN, Maria VAN DER FLAAS, Jan VAN GEEL en Madeleine DE POTTER de nietigverklaring van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel van 11 augustus 2003 waarbij aan de NV IMVAP een stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor de aanpassing van de betoncentrale. Met de beschikking van 3 december 2008 heeft de korpschef VII-20.464-23.169-32.768-36.988-15/52 die de afdeling bestuursrechtspraak leidt overeenkomstig artikel 60 van het algemeen procedurereglement beslist dat er geen reden is om de onderhavige zaken samen te voegen met de zaak A.144.266/X-11.651. De zaken zijn niet verknocht. 3. De ontvankelijkheid van het beroep in de zaak A. 89.454/VII-20.464 3.1. Volgens de eerste tussenkomende partij rijzen vragen bij het belang van tweede verzoeker, aangezien hij zijn woning aan de Waterstraat te Schilde verkocht zou hebben en daar niet meer zou wonen. In zijn laatste memorie werpt deze verzoeker op dat hij verhuisd is wegens de hinder die hij van het bedrijf van de eerste tussenkomende partij ondervond en dat hij, zodra de betrokken zone opnieuw een ambachtelijke zone wordt, opnieuw in de omgeving van de Kwikaard wil gaan wonen. Hij vindt dat zijn verhuis omwille van de hinder hem niet kan worden tegengeworpen en dat het ontzeggen van een belang een inbreuk vormt op zijn recht op een eerlijk proces. 3.2. In het arrest nr. 160.444 van 22 juni 2006 heeft de Raad van State vastgesteld dat tweede verzoeker, wegens de verkoop van zijn eigendom in de Waterstraat, geen actueel belang meer heeft bij het beroep tegen de bouwvergunning voor de betrokken inrichting. Dezelfde conclusie dringt zich op voor de onderhavige zaak. Immers, dat de verhuis van tweede verzoeker louter te wijten zou zijn aan de hinder van de vergunde vestiging, is slechts een niet gestaafde bewering. De intentie van tweede verzoeker om ooit terug te keren naar de Waterstraat is, wegens de vrijwillige verkoop van zijn eigendom aldaar, een losse hypothese. Het betrekken van het actueel belang van tweede verzoeker bij de vraag naar de ontvankelijkheid van het beroep houdt verband met de door het algemeen belang geïnspireerde opzet om de administratieve actie minimaal door rechtsgedingen te laten verstoren en heeft niets van doen met het recht van tweede verzoeker op een eerlijk proces. Het beroep is, wat tweede verzoeker betreft, niet langer ontvankelijk. 3.3. In het arrest nr. 160.443 van 22 juni 2006 heeft de Raad van State vastgesteld dat ook eerste verzoekster haar eigendom aan de Kwikaard in de onmiddellijke omgeving van de vergunde inrichting verkocht heeft en dat zij bijgevolg geen belang meer heeft bij het bestrijden van de bouwvergunning toegekend aan de eerste tussenkomende partij. VII-20.464-23.169-32.768-36.988-16/52 Getransponeerd naar de onderhavige zaak, leidt dat gegeven tot de ambtshalve vaststelling dat ook die verzoekster geen belang meer heeft bij het bestrijden van de beslissing waarbij de betrokken inrichting een milieuvergunning verkrijgt. 3.4. Het beroep is enkel ontvankelijk in hoofde van de derde verzoekende partij. 4. De ontvankelijkheid van het beroep in de zaak A. 100.110/VII-23.169 4.1. De vernietiging wordt gevorderd van de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 23 november 2000 waarbij aan de tussenkomende partij de vergunning wordt verleend om voor een termijn van drie jaar een mortel- en betoncentrale uit te baten. De verzoekende partijen erkennen dat de vergunning liep tot 3 juli 2003. Aangezien de geldigheidsduur van de vergunning verstreken is, rijst de vraag naar het actueel belang van de verzoekende partijen. De auditeur- verslaggever heeft te dien aanzien vastgesteld dat het belang van de verzoekende partijen teloorgegaan is, aangezien een vernietiging hen geen direct voordeel meer kan opleveren. 4.2. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat zij nog wel belang hebben bij de vernietiging, aangezien de tussenkomende partij inmiddels opnieuw een vergunning verkregen heeft en zij daartegen een annulatieberoep ingediend hebben. Zij hebben er alle belang bij dat er een einde komt aan de steeds maar voortdurende hinderlijke activiteiten, maar door het tijdelijk karakter van de opeenvolgende vergunningen komen zij voor de onrechtvaardige toestand te staan dat, zonder dat zij daar zelf verantwoordelijk voor zijn, hun beroepen steeds op niets uitdraaien. Bovendien zal een uitspraak ten gronde de rechtszekerheid dienen. Zij vragen dat de Raad van State, wanneer hij de artikelen 19 en 24 van zijn gecoördineerde wetten verder interpreteert in de zin dat een verzoekende partij, die beroep instelt tegen een vergunning die drie jaar geldig is en die op het ogenblik van het indienen van het beroep over het vereiste belang beschikt, haar belang verliest om de loutere reden dat de vergunning tijdens de annulatieprocedure buiten haar schuld om verstrijkt, aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag VII-20.464-23.169-32.768-36.988-17/52 zou stellen over de conformiteit van de genoemde wetsbepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 4.3. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 117/99 van 10 november 1999 aangenomen dat een ambtenaar die zich verzet tegen een benoeming in openbare dienst, niet noodzakelijk zijn belang verliest door zijn pensionering en dat, in die zin begrepen, het onderzoek van het actueel belang zoals de Raad van State dat vereist, geen schending inhoudt van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Wegens zijn pensionering kan de teleurgestelde ambtenaar niet meer zelf in de geambieerde betrekking aangesteld worden en is zijn oorspronkelijk belang teloorgegaan. Overeenkomstig de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof mag de betrokkene het belang wel niet ontzegd worden zonder dat hij de gelegen- heid gehad heeft aan te tonen welk materieel of moreel belang hij alsnog bezit bij de gevraagde vernietiging. 4.4. De rechtspraak met betrekking tot het ambtenarenrecht kan doorgetrokken worden naar het contentieux inzake de vergunningen. Aldus zal de Raad van State nagaan of een verzoeker, ondanks het aflopen van zijn vergunning, nog een belang als bedoeld in artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State aanvoert. De verzoekende partijen hadden in dezen de gelegenheid daartoe in hun laatste memorie. 4.5. De bestreden vergunning is vervallen sinds 3 juli 2003, zodat zij de verzoekende partijen geen nadeel meer kan berokkenen. De verzoekende partijen kunnen wel worden gevolgd in hun redenering dat, hoewel zij geconfronteerd worden met een permanente situatie die blijft voortduren, zij wegens de relatief korte termijn van de vergunningen verhinderd worden om de onwettigheid ervan vastgesteld te zien. Het aflopen van de vergunning mag op zich, gelet op deze bijzondere omstandigheid, dan ook geen reden zijn om het gebrek aan actueel belang vast te stellen. Evenwel, aangezien de vergunningen van 23 november 2000, van 24 juni 2004 en van 22 februari 2007 alle betrekking hebben op dezelfde uitbreiding van de basisvergunning van 9 september 1999 en de laatste vergunning van 22 februari 2007 nog niet verstreken is, bereiken de verzoekende partijen met het VII-20.464-23.169-32.768-36.988-18/52 onderzoek van de wettigheid van de laatstgenoemde vergunning het beoogde doel. Vanuit dat oogpunt noodzaakt het onderhavige beroep geen nader onderzoek. 4.6. De verzoekende partijen verwijzen naar de rechtszekerheid. Dat belang wordt evenwel niet nader toegelicht. Het kan niet aangenomen worden. 4.7. De verzoekende partijen zijn niet verantwoordelijk voor het teloorgaan van hun belang. De kosten van het geding worden ten laste van het Vlaamse Gewest gelegd. 5. De ontvankelijkheid van het beroep in de zaak A. 155.654/VII-32.768 5.1. De vergunningsaanvraag van 17 september 2003 had betrekking op de "hermachtiging" voor de inrichtingsrubrieken die tijdelijk vergund waren met de beslissing van de deputatie van 23 november 2000 (tot 3 juli 2003, wegens opschorting uitgesteld tot 17 september 2004), op de aanpassing van de basisvergun- ning (met name de correctie van een aantal rubrieken die verkeerd of ten onrechte waren vermeld in de basisvergunning), op de aanvraag van opslag van cement in twee silo's en een tijdelijke grondwaterwinning en op de melding van opslag van gevaarlijke stoffen, bronbemaling en de installatie voor waterrecuperatie. 5.2. In de mate de bestreden vergunning enkel tekortkomingen uit de basisvergunning rechtzet of aanpassingen toelaat die de hinder waarover de verzoekende partijen zich beklagen niet beïnvloedt, kan de vernietiging ervan de verzoekende partijen, die zich in essentie verzetten tegen de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de inrichting van de tussenkomende partij, geen wezenlijk voordeel opleveren. 5.3. In de mate met de bestreden beslissing een vergunning verleend wordt voor drie jaar, dient vastgesteld dat de vergunning volledige uitwerking gekregen heeft. Zoals sub 4.5 hiervoor vastgesteld ten aanzien van het beroep in de zaak A. 100.110/VII-23.169, ziet de Raad van State ook in deze zaak geen reden om het beroep alsnog te onderzoeken. 5.4. Ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep bij gebrek aan actueel belang niet ontvankelijk is. Omdat de verzoekende partijen niet verantwoor- delijk zijn voor het teloorgaan van hun belang, worden de kosten van het geding ten laste van het Vlaamse Gewest gelegd. VII-20.464-23.169-32.768-36.988-19/52 6. De ontvankelijkheid van het beroep in de zaak A. 183.378/VII-36.988 6.1. De hier bestreden beslissing ligt in het verlengde van de beslissingen die het voorwerp vormen van de zaken A. 100.110/VII-23.169 en A. 155.654/VII-32.768. Zij heeft betrekking op de milieuvergunning voor de - tijdelijke - uitbating van een betoncentrale in de KMO-zone Kwikaard en voegt zich aldus bij de basisvergunning die bestreden is in de zaak A. 89.454/VII-20.464. De verzoekende partijen voeren er grosso modo dezelfde middelen tegen aan. 6.2. De tussenkomende partij betwist het belang van de verzoekende partijen. Wat de eerste verzoekende partij betreft, argumenteert zij in essentie dat uit de mobiliteitsrapporten blijkt dat het talrijke verkeer dat de Kwikaard in- en uitrijdt slechts zeer gedeeltelijk op haar conto kan worden geschreven en dat er ook een snelheidsbeperking ingevoerd is. Aldus kunnen de leden van de eerste verzoekende partij, die aan de overzijde van de Waterstraat/Delbekestraat wonen op 400 meter van de inrichting, zich niet beklagen over de verkeershinder die de inrichting veroorzaakt, is er ook geen aantasting van het groene karakter van de buurt waarin de leden van de eerste verzoekende partij woonachtig zijn en wordt er geen afbreuk gedaan aan de verkeersveiligheid. Wat de andere verzoeksters betreft, stelt de tussenkomende partij dat uit de vaststelling van een deurwaarder blijkt dat zij geen of slechts een gering uitzicht hebben op de gebouwen van de vergunde inrichting en er geen geluids-, stof- of andere hinder vastgesteld kan worden. Bovendien voldoet de betoncentrale aan de Vlarem-normen en is zij opgericht volgens de beste beschikbare technieken. De tussenkomende partij kan niet verantwoordelijk gesteld worden voor het feit dat de KMO-zone grenst aan de wijk waarin verzoeksters wonen en er is ter plaatse een zes meter breed groenscherm aangebracht. 6.3. In zijn verslag heeft de auditeur-verslaggever gewezen op de statutaire doelstelling van de eerste verzoekende partij, op het feit dat de vergunde inrichting binnen haar actieterrein valt en heeft hij vastgesteld dat zelfs een geringe verhoging van de verkeershinder die de vergunde inrichting met zich brengt, aan de eerste verzoekende partij een voldoende belang verleent. Hij heeft ook vastgesteld dat tweede verzoekster haar woning dicht bij de insteekweg naar het bedrijf van de tussenkomende partij heeft en dat derde verzoekster als omwonende hinder kan ondervinden van licht vrachtverkeer en particulier verkeer. De tussenkomende partij, noch de verwerende partij betwisten in hun laatste memorie deze vaststellingen. De Raad van State maakt de uiteenzetting van de auditeur tot de zijne. Er is geen reden om aan de verzoekende partijen het belang te ontzeggen. VII-20.464-23.169-32.768-36.988-20/52 7. De gegrondheid van het beroep in de zaak A. 89.454/VII-20.464 7.1.1. In het eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van het gewestplan Turnhout, van artikel 8.2.1.3 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit) en van het beginsel van de goede ruimtelijke ordening. Zij is van oordeel dat de betrokken inrichting, die betrekking heeft op "een opslagplaats en magazijnen voor bouwmate- rialen en minerale producten, parkeerruimte voor meer dan 25 vrachtwagens, onderhouds- en herstelwerkplaats, inrichting voor bewerken van marmer, natuursteen of kunststeen en de mechanische behandeling van metalen", steden- bouwkundig niet verenigbaar is met de zone voor KMO's waarin het gewestplan voorziet voor de plaats van inplanting. Zij onderbouwt haar stelling met de volgende argumenten : - De verleende milieuvergunning heeft betrekking op een bedrijf dat een oppervlakte van 42.390 m² bestrijkt en dat aldus "de helft van de oppervlakte van de KMO-zone (beslaat)". - De bedrijvenzone waarin de inrichting gepland is sluit aan bij zuiver residentiële woonzones, zij is langs twee kanten omsloten door landelijke woongebieden en maakt feitelijk deel uit van een homogeen landschappelijk waardevol agrarisch gebied. - Artikel 8.2.1.3 van het inrichtingsbesluit bepaalt dat gebieden voor KMO's ook geschikt zijn voor kleine opslagplaatsen van goederen, hetgeen betekent dat grote opslagplaatsen in dergelijk gebied niet thuishoren en een opslagplaats van 4 ha kan moeilijk als een kleine opslagplaats aangemerkt worden. - Uit het aantal voorziene parkeerplaatsen blijkt dat er op een oppervlakte van 3 ha een intense kleinhandelsactiviteit in bouwmaterialen zal worden uitgebaat. - De eerste tussenkomende partij heeft de bedoeling om op het perceel een betoncentrale uit te baten. - De geplande inrichting sluit niet aan bij de bedrijven die reeds in de betrokken KMO-zone gevestigd zijn. - Volgens de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : omzendbrief van 8 juli 1997) moet bij de beoordeling van de vraag of een bedrijf al dan niet als een KMO kan worden beschouwd, rekening gehouden worden met de "omvang van het bedrijf en de aard van de activiteit" en de toelating van een vestiging hangt af van VII-20.464-23.169-32.768-36.988-21/52 talrijke beoordelingscriteria. Het bestreden besluit heeft bij de toetsing van de vergunnningaanvraag aan die criteria rekening gehouden met de argumenten van de eerste tussenkomende partij en met de adviezen van AMV en AROHM, maar de argumenten van de verzoekende partij zijn niet onderzocht en de criteria werden soms op tegenstrijdige wijze afgewogen. Aldus strijdt de vaststelling dat de inrichting voornamelijk als opslagplaats zal worden gebruikt met de stelling dat de hinderlijke activiteiten in loodsen zullen worden uitgevoerd de vaststelling dat de helft van de terreinen uit toegangswegen, brand- en circulatiewegen bestaat strijdt met de overgelegde plannen en de grote open ruimtes zijn eigenlijk voorzien voor de opslag van materialen; de vaststelling dat de inrichting zal fungeren als een lokaal beleveringspunt strijdt met de stelling van de eerste tussenkomende partij dat er geen distributieactiviteit zal plaatsvinden. - De ruimtelijke draagkracht van het omliggende gebied wordt manifest overschre- den door een vestiging op een oppervlakte van meer dan 40.000 m². - De verwijzing naar de tewerkstelling van zeven werknemers strookt niet met de vaststelling dat er 50 parkeerplaatsen zijn voor personenwagens en er een opper- vlakte van 0,5 ha is voor het parkeren van vrachtwagens. Ook AROHM had in haar advies rekening gehouden met een tewerkstelling van 45 personen. - Volgens de bestreden beslissing zegt de omvang van het bedrijf niets over de hinder die het bedrijf veroorzaakt en AROHM neemt ook aan dat diverse opslag- plaatsen van diverse goederen over een uitgestrekt terrein als kleinschalig beschouwd kunnen worden, maar hier gaat het om de oprichting van twee grote loodsen (120 x 25 meter en 100 x 40 meter) en zeer grote voorraadboxen. - De kritiek op de verkeersinfrastructuur was door AMV bijgevallen waar dit bestuur kritiek had op de vestiging van de KMO-zone, maar het bestreden besluit negeert die kritiek. - De deputatie stelt verkeerdelijk dat de inrichting geen hinder teweeg zal brengen, want het laden en lossen van grondstoffen zal ernstige stof- en geluidshinder met zich brengen. - De bufferzone is veel te klein. - Er is ook geen rekening gehouden met de eertijds door het college van burgemees- ter en schepenen van de gemeente Zoersel genomen optie om in de zone enkel ondernemingen toe te laten die "geen abnormale hinder voor de omgeving veroorzaken". VII-20.464-23.169-32.768-36.988-22/52 7.1.2. De verwerende partij betoogt in de memorie van antwoord dat de inrichting wel degelijk verenigbaar is met het bestemmingsvoorschrift van het gewestplan. Bij de beoordeling van de vraag of een bedrijf al dan niet als een ambachtelijk bedrijf of een KMO kan worden beschouwd, dient rekening te worden gehouden met de omvang van het bedrijf en de aard van de activiteiten. De mogelijke hinder die een bedrijf kan veroorzaken speelt uiteraard ook een rol. De verwerende partij staat dan uitgebreid stil bij de overwegingen uit de aanhef van het bestreden besluit en gaat in detail in op de volgende elementen : de hinderlijkheid, de grootte van de onderneming/tewerkstelling, de relatie tot de omgeving, de bestaande wegeninfrastructuur, de aard van de productie of de bewerking en de weerslag op het leefmilieu. De verwerende partij wijst nog op enkele bijkomende elementen uit de adviezen van AROHM, en betoogt dat uit de beoordeling van alle elementen kan worden geconcludeerd dat de hinder van de inrichting aanvaardbaar voorkomt, mits stipte naleving van de opgelegde voorwaarden. 7.1.3. De verzoekende partij repliceert dat de verwerende partij niet antwoordt op de argumenten uit het verzoekschrift, maar dat zij gewoon de motivering van het bestreden besluit herhaalt. Zij benadrukt dat de eerste tussen- komende partij inmiddels ook een milieuvergunning aangevraagd heeft voor de uitbating van een betoncentrale, hetgeen aantoont dat zij op de site wel degelijk een productieactiviteit wenst te houden. Wat betreft de verkeersdrukte stelt zij nog dat de verschillende gebruikers van de bedrijven uit de ambachtelijke zone niet meer in een deel van de Kwikaard mogen parkeren om aldus het druk en zwaar verkeer voor de industriële opslagplaats van de eerste tussenkomende partij niet te hinderen. 7.1.4. De eerste tussenkomende partij wijst erop dat de inrichting verenigbaar is met de voorschriften van het gewestplan Turnhout en dat zij voldoet aan de voorschriften die gelden voor de indeling in het vastgestelde bestemmingsge- bied. Het vergunde bedrijf is een klasse 2-bedrijf, zelfs indien men reeds rekening houdt met de aangevraagde betoncentrale. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel heeft bij het verlenen van de vergunning in eerste aanleg de bezwaren weerlegd en mits naleving van de opgelegde voorwaarden kan de hinder tot een strikt minimum beperkt worden. Vanuit de hinderlijkheid bekeken betreft de inrichting een KMO en zeker geen industrieel gegeven. Ook de verkeersinfrastructuur is geschikt. Met name wordt het verkeer gespreid en dat beperkt de verhoging van de verkeersdruk als gevolg van de nieuwe vestiging. In VII-20.464-23.169-32.768-36.988-23/52 ieder geval is de verhoging van de verkeersdruk eerder het gevolg van de zonering opgelegd door het gewestplan dan van de onderhavige milieuvergunning. Er zal in de nieuwe vestiging geen kleinhandelsactiviteit uitgeoefend worden, want die activiteit gebeurt in de vlakbij gelegen showroom en de klanten rijden vervolgens naar de magazijnen op het bedrijventerrein om hun bestelde materialen op te halen en daarom is op die plaats voldoende parkeergelegenheid voorzien. De eerste tussenkomende partij besluit : "De weerslag op het leefmilieu kan dan ook miniem genoemd worden. Het kan echter het bedrijf niet ten kwade geduid worden of in haar nadeel zijn dat zij een grote opslagplaats nodig heeft voor alle verschillende materialen, terwijl het duidelijk is dat zulk een grote opslagplaats niet thuishoort in een industriezone voor milieubelastende/hinderlijke activiteiten". 7.1.5. In haar laatste memorie brengt de verzoekende partij nog argumenten aan ter ondersteuning van de punctuele kritiek waarmee zij in het verzoekschrift trachtte aan te tonen dat de inrichting van de eerste tussenkomende partij niet verenigbaar is met de ter plaatste ingestelde KMO-zone. 7.1.6. Het wordt niet betwist dat de inrichting van de eerste tussen- komende partij volgens het gewestplan Turnhout gelegen is in een gebied voor ambachtelijke bedrijven of voor kleine en middelgrote ondernemingen. De verzoekende partij wil vastgesteld zien dat het bedrijf van de eerste tussenkomende partij geen KMO is en derhalve niet thuishoort in dergelijk gebied. In het kader van het onderzoek van de wettigheid van de aan de eerste tussenkomende partij verleende milieuvergunning moet de Raad van State nagaan of het bedrijf, wegens de hinder die het veroorzaakt, wel een plaats heeft in de planologisch vastgestelde KMO-zone. 7.1.7. Artikel 8 van het inrichtingsbesluit bepaalt : "2.1. Voor de industriegebieden kunnen de volgende nadere aanwijzingen worden gegeven : 2.1.1. de gebieden voor vervuilende industrieën. Deze zijn bestemd voor de vestiging van bedrijven die ter bescherming van het leefmilieu moeten worden afgezonderd; 2.1.2. de gebieden voor milieubelastende industrieën. Deze zijn bestemd voor bedrijven die om economische of sociale redenen moeten worden afgezonderd; 2.1.3. de gebieden voor ambachtelijke bedrijven en de gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen. Deze gebieden zijn mede bestemd voor kleine opslagplaatsen van goederen, gebruikte voertuigen en schroot, met uitzondering van afvalproducten van schadelijke aard". VII-20.464-23.169-32.768-36.988-24/52 Deze bepaling bevat geen criteria om uit te maken of een commerciële inrichting een "ambachtelijk bedrijf" of een "kleine en middelgrote onderneming" (KMO) vormt. De vergunningverlenende overheid heeft terzake dan ook een ruime discretionaire bevoegdheid en het toezicht van de rechter op de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid is marginaal. Artikel 8 van de omzendbrief van 8 juli 1997 bevat terzake de volgende leidraad : "(...) Er is niet verder bepaald op grond van welke criteria onderscheid moet worden gemaakt tussen de verschillende industrieën om ze te kunnen catalogeren als vervuilend, of milieubelastend, dan wel of ze van ambachtelijke aard zijn dan wel of het gaat om kleine of middelgrote ondernemingen. Bij de beoordeling zal men van feitelijkheden dienen uit te gaan. Talrijke beoordelingscriteria spelen hierbij een rol zoals de hinderlijkheid, de grootte van de onderneming, de relatie tot de omgeving, de bestaande wegeninfrastruc- tuur, de tewerkstelling, de aard van de productie of de bewerking, de weerslag op het leefmilieu en dergelijke. In verband met de hinderlijkheid kan men steunen op de gegevens met betrekking tot de milieuvergunning. Nochtans zijn deze bij de beoordeling van de hinderlijkheid niet noodzakelijkerwijze de enige criteria. Zo dient de hinderlijkheid van het bedrijf ten opzichte van zijn omgeving uit stedenbouw- kundig oogpunt nagegaan te worden. Deze hinderlijkheid kan van allerlei aard zijn en zowel betrekking hebben op de vormgeving als op het gebruik van de materialen, of de hinderlijkheid uit verkeerstechnisch oogpunt (verkeersver- wekker). Wat de 'gebieden voor ambachtelijke bedrijven en de gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen' betreft, wordt bij de beoordeling van de vraag of een bedrijf al dan niet als een ambachtelijk bedrijf of een kleine of middel- grote onderneming kan worden beschouwd, rekening gehouden met de omvang van het bedrijf en de aard van de activiteiten. Evenwel kunnen bepaalde onderdelen van een bedrijf zoals de parkeerplaats, de burelen, het sociaal gebouw, de werkplaats en het benzine- en dieselpompstation evengoed deel uitmaken van een grootschalig industrieel bedrijf als van een ambachtelijk bedrijf of een middelgrote onderneming. Zij kunnen dus in een zone voor zulke bedrijven en ondernemingen worden toegelaten indien ze onderdeel uitmaken van het bedrijf". 7.1.8. In het onderhavige geval heeft de deputatie de exploitatie van de inrichting van de eerste tussenkomende partij verenigbaar geacht met de ligging in een gebied voor ambachtelijke bedrijven of voor KMO's. Zij heeft te dien einde, nadat haar eerste besluit van 29 oktober 1998 door de Raad van State geschorst was, de procedure vanaf de vastgestelde onwettigheid hernomen. Zij heeft aldus verwezen naar de nota van de eerste tussenkomende partij en naar de adviezen van AMV en AROHM en daaruit de sub 1.3 geciteerde conclusies gehaald. Daarin worden de concrete gegevens met betrekking tot de inrichting van de eerste tussenkomende VII-20.464-23.169-32.768-36.988-25/52 partij beoordeeld in het licht van de verschillende criteria op grond waarvan de verenigbaarheid met de bestemmingszone KMO moet worden afgewogen. Vervolgens is, in navolging van het advies van AROHM, een uiteenzetting gewijd aan de vraag in welk gebied een bedrijf voor bouwmaterialen thuishoort: omdat het hoe dan ook een zekere hinder met zich brengt, is het uit zijn aard niet verenigbaar met de bestemming woongebied en de onmiddellijke omgeving, maar daarom moet een dergelijk bedrijf niet noodzakelijk naar een gebied voor milieubelastende of vervuilende industrie verwezen worden. Op grond van al die beoordelingselementen besluit de deputatie dan concreet dat er redenen zijn om het bouwstoffenbedrijf van de eerste tussenkomende partij bij voorkeur in te planten in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's. Met die uiteenzetting geeft de verwerende partij duidelijk en concreet aan, met verwijzing naar stukken uit het dossier, waarom zij de vestiging van het bedrijf van de eerste tussenkomende partij in de KMO-zone in overeenstem- ming acht met de indicatieve criteria vermeld in de omzendbrief van 8 juli 1997 en waarom aldus, volgens haar, de aangevraagde uitbating van een opslagplaats van bouwmaterialen in de betrokken KMO-zone past. Blijft dan de vraag of de punctuele kritiek van de verzoekende partij daarop die motivering aan het wankelen brengt. 7.1.9. Volgens de verzoekende partij is de inrichting niet in overeen- stemming met de rond de betrokken KMO-zone gelegen (woon)zones en is geen rekening gehouden met "de draagkracht van de omliggende gebieden". Dat onderzoek gaat evenwel de opdracht van het bestuur te buiten. Bij de beoordeling van de conformiteit van een inrichting met het bestemmingsvoor- schrift moet het bestuur, dat een milieuvergunning verleent, onderzoeken of de inrichting, met de hinder die zij veroorzaakt, kan worden ingepast in de bestem- mingsvoorschriften van de betrokken percelen. Te dezen betreft dit de vraag of de inrichting past in een zone voor ambachtelijke bedrijven en KMO's. Er dient niet onderzocht of de inplanting ook gevolgen kan hebben in naastliggende zones met een andere bestemming. Dat in dit geval naast de KMO-zone een woonzone gelegen is maakt te dien aanzien geen verschil uit, aangezien het gewestplan aangenomen heeft dat de beide zones naast elkaar konden bestaan en de personen die zich in de woonzone vestigen aldus goed weten dat hun gebouw zich vlakbij een zone bevindt waarvan een zekere hinder kan uitgaan. VII-20.464-23.169-32.768-36.988-26/52 7.1.10. Volgens de verzoekende partij beslaat de inrichting van de eerste tussenkomende partij de helft van de zone en kan zij daarom niet als een KMO beschouwd worden. De reglementering verbiedt niet dat één bedrijf de helft van de KMO-zone bezet. Daarin kan dan ook geen reden gevonden worden om de inrichting niet meer als een KMO te beschouwen. Dat het bedrijf een oppervlakte van meer dan 40.000 m² bezet kan dat wel zijn, maar te dien aanzien heeft het bestreden besluit oog gehad voor het feit dat er slechts 8.000 m² bebouwd is, dat er 6.000 m² ingenomen wordt door de bufferzone en dat er 20.000 m² toegangs-, brand- en circulatiewegen zijn. Deze nuancering vindt steun in het dossier en de beoorde- ling is niet kennelijk onredelijk. 7.1.11. Volgens de verzoekende partij horen grote opslagplaatsen niet thuis in een KMO-zone en zij vindt daarvoor een argument in artikel 8.2.1.3 van het inrichtingsbesluit, waarin gesteld wordt dat een zone voor ambachtelijke bedrijven en KMO's "mede bestemd (
- is)voor kleine opslagplaatsen van goederen (...)". Zij wijst erop dat er in dit geval sprake is van één grote industriële opslagplaats, ten bewijze waarvan zij een plaatsbezoek adviseert. Dergelijke grote opslagplaats mag niet gelijkgesteld worden met verschillende kleine opslagplaatsen die in KMO-zones kunnen worden toegelaten, want dan gaat het om de opslag ten behoeve van de KMO's die zich in de zone mogen vestigen (schilders, aannemers, pleisterbedrijven) en niet om opslag van grondstoffen die groot materieel (vrachtwagens, bulldozers) vereisen voor het transport en het verwerken. Artikel 8.2.1.3 van het inrichtingsbesluit laat inderdaad toe dat in een KMO-zone kleine opslagplaatsen vergund worden. Daarmee is evenwel niets gezegd over de ondernemingen die zich in de zone mogen vestigen, want daarvoor moet worden uitgemaakt of een bedrijf een KMO is en daarvoor gelden specifieke regels. De grootte van de opslagplaats is te dien aanzien zeker geen decisief criterium. In het bestreden besluit wordt aangegeven waarom de inrichting van de eerste tussenkomende partij, getoetst aan de criteria vermeld in de omzendbrief, als een KMO beschouwd kan worden. Samengevat komt het erop neer dat, aangezien de inrichting hoofdzakelijk de opslag van bouwmaterialen betreft en voldoet aan de verschillende criteria op grond waarvan de veroorzaakte hinder beoordeeld wordt, zij een plaats heeft in een KMO-zone. De deputatie was bij die afweging niet verplicht om haar beoordeling van het KMO-karakter van de inrichting - die precies VII-20.464-23.169-32.768-36.988-27/52 de opslag van materialen tot voorwerp heeft - decisief te laten afhangen van de omvang van de opgeslagen materialen. 7.1.12. De verzoekende partij verwijst naar de ruime parkeermogelijk- heid, hetgeen volgens haar wijst op een intense kleinhandelsactiviteit. Zij voegt daar aan toe dat er inmiddels een self-service voor bouwmaterialen ingericht is en dat er bouwmaterialen aan particulieren verkocht worden. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing overwogen dat de inrichting zal fungeren als lokaal beleveringspunt van bouwmaterialen. Uit de reglementering blijkt niet, en de verzoekende partij toont niet aan, dat uit de omstandigheid dat er bouwmaterialen aan particulieren verkocht worden - weze het "intens" zoals de verzoekende partij afleidt uit het aantal geplande parkeerplaatsen of zoals zij blijkens haar laatste memorie ook concreet kan vaststellen - alleen maar mag worden afgeleid dat de inrichting geen KMO zou zijn. 7.1.13. De verzoekende partij verwijst naar de intentie van de eerste tussenkomende partij om ter plaatse een betoncentrale te exploiteren. Zij expliciteert dat een betoncentrale hoort bij een industriële opslagplaats voor materialen om beton te maken, dat de eerste tussenkomende partij zelf gewag gemaakt heeft van de intentie om later een betoncentrale uit te baten die minder hinderlijk zou zijn dan de oorspronkelijk geplande en dat het absurd is de onderhavige beslissing te onderzoe- ken zonder rekening te houden met dergelijke betoncentrale. De eerste tussenkomende partij heeft in de loop van het besluitvormingsproces uitdrukkelijk afstand gedaan van haar aanvraag voor een vergunning voor de uitbating van een betoncentrale in de KMO-zone. De omstandig- heid dat zij daarbij de oprichting van een nieuwe betoncentrale in het vooruitzicht stelde, belet niet dat het bestuur uitspraak diende te doen over de vergunningsaan- vraag zoals de eerste tussenkomende partij die bij haar verdedigde. Dat is wat de deputatie met het bestreden besluit gedaan heeft. Overigens heeft de verwerende partij inmiddels de gelegenheid gehad zich over die problematiek uit te spreken. In de zaak A. 183.378/VII-36.988 wordt de wettigheid onderzocht van de beslissing waarbij de eerste tussenkomende partij de vergunning verkrijgt om binnen haar bedrijf in de Kwikaard een betoncentrale uit te baten die bovenop de activiteiten komt die met de hier bestreden basisvergunning vergund zijn. VII-20.464-23.169-32.768-36.988-28/52 7.1.14. De verzoekende partij wijst op de onverenigbaarheid van de vergunde inrichting met de bedrijven die reeds in de KMO-zone gevestigd zijn. Zij wijst te dien aanzien in essentie opnieuw naar de grote oppervlakte die de inrichting van de eerste tussenkomende partij inneemt (ongeveer tien bedrijven bezetten een kleine helft van de zone en de eerste tussenkomende partij de andere helft) en stelt dat de toelating van zulk groot bedrijf het onmogelijk maakt om een echte ambachtelijke zone voor de lokale noden te ontplooien, hoewel zulks oorspronkelijk de bedoeling van de gemeente was. De kritiek van de verzoekende partij betreft de relatief grote oppervlakte die de inrichting van de eerste tussenkomende partij inneemt. Hoger is reeds gesteld dat de bezette oppervlakte op zich geen criterium is om aan een bedrijf de hoedanigheid van KMO te ontzeggen en het daarom te weren uit een KMO-zone. De verzoekende partij zet ook niet uiteen in welk opzicht de inrichting, inzonderheid met betrekking tot de hinder die de uitbating met zich brengt, niet zou "aansluiten" bij de reeds in de zone gevestigde bedrijven. Dat het betrokken bedrijventerrein met de vergunde inplanting volzet is, toont de onregelmatigheid van de bestreden beslissing niet aan. 7.1.15. De verzoekende partij stelt dat haar argumenten niet betrokken werden in de afweging van de verschillende criteria vermeld in de omzendbrief van 8 juli 1997 en dat het bestreden besluit tegenstrijdigheden bevat. Blijkens de vermeldingen in de aanhef van het bestreden besluit heeft de verzoekende partij wel degelijk de gelegenheid gehad haar argumenten met betrekking tot de planologische verenigbaarheid ter kennis van het bestuur te brengen. In de motivering vinden die argumenten ook een antwoord. De verzoeken- de partij zet niet uiteen welke concrete argumenten zij aan het bestuur had voorgelegd en waarop het bestreden besluit geen antwoord zou bevatten. Voor het overige vindt de Raad van State in de sub 1.3 geciteerde overwegingen geen tegenstrijdigheden die de regelmatigheid van het besluit aantasten. 7.1.16. Volgens de verzoekende partij is de ruimtelijke draagkracht van het gebied manifest overschreden. Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt dat de inrichting van de eerste tussenkomende partij voldoet aan de criteria om als KMO in de betrokken zone actief te zijn. De uitbating is derhalve verenigbaar met de VII-20.464-23.169-32.768-36.988-29/52 stedenbouwkundige bestemming van de betrokken percelen. Als hoger gesteld dient het bestuur bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag niet te onderzoeken of de vestiging verenigbaar is met de bestemming van de omliggende zones, aangezien het gewestplan die zones onderling verenigbaar heeft bevonden terwijl een industriële bedrijvigheid steeds een bron is van hinder voor de omgeving. Met andere woorden, de regelmatigheid van de toelating van een bedrijf in de KMO- zone, impliceert dat de vestiging ook verenigbaar is met de omliggende zones in het gebied. 7.1.17. Volgens de verzoekende partij was AROHM tot de bevinding gekomen dat er 45 personen tewerkgesteld zouden worden en heeft het bestreden besluit rekening gehouden met een tewerkstelling van slechts zeven personen. Dit maakt het bestreden besluit onregelmatig, aangezien niet vast staat dat de deputatie een bedrijf met 45 werknemers wel als een KMO beschouwd zou hebben. In het bestreden besluit wordt inderdaad overwogen dat de vergunde inrichting zeven personen tewerkstelt. In het advies van AROHM, dat de verwerende partij tot grondslag van de beslissing genomen heeft, was evenwel rekening gehouden met een tewerkstelling van 45 personen en was erop gewezen dat dergelijk bedrijf "niet van die aard is dat het om economische of sociale redenen moet worden afgezonderd". Uit de omstandigheid dat het bestreden besluit dan verwijst naar de tewerkstelling van zeven werknemers mag niet worden afgeleid dat de deputatie geen oog gehad heeft voor de feitelijke gegevens vermeld in het advies van AROHM. 7.1.18. Volgens de verzoekende partij kunnen de grote loodsen en de uitgestrekte voorraadboxen niet als kleinschalig beschouwd worden en passen zij niet in de stedenbouwkundige bestemming van het gebied. Dit argument ligt in het verlengde van de hoger besproken kritiek dat het bedrijf van de eerste tussenkomende partij wegens zijn grootte niet past in de KMO-zone. De vraag of de inrichting een KMO is vormt het enige criterium om te beslissen over de toelaatbaarheid ervan in de zone. Uit de overwegingen van de bestreden beslissing blijkt dat de deputatie de grootte van de onderneming in haar beslissing betrokken heeft. Die beoordeling is niet kennelijk onredelijk. VII-20.464-23.169-32.768-36.988-30/52 7.1.19. De verzoekende partij verwijst naar de wegeninfrastructuur die niet geschikt zou zijn om het vrachtwagenverkeer naar het bedrijf van de eerste tussenkomende partij te verwerken. Ook te dien aanzien kan worden vastgesteld dat het bestreden besluit uiteenzet waarom de bereikbaarheid van het gebied niet problematisch is. De verzoekende partij toont niet aan dat de feitelijke gegevens die daar vermeld worden onjuist zijn. Zij zijn ook niet kennelijk onredelijk beoordeeld. 7.1.20. De verzoekende partij verwijst naar de hinder (geluids- en stofhinder) verbonden met het laden en lossen van grondstoffen. De opslagplaats voor bouwmaterialen waarvan de uitbating met de bestreden beslissing vergund wordt, is onmiskenbaar een industriële activiteit die hinder veroorzaakt. Een opslagplaats voor bouwmaterialen houdt onmiskenbaar in dat er een zekere geluids- en stofhinder wordt veroorzaakt. Daarom is zij evenwel nog niet ontoelaatbaar in een KMO-zone. Zij is dat enkel wanneer de hinder van die aard is dat het bedrijf niet meer het karakter heeft van een KMO of dat de inrichting om bepaalde redenen uit die zone moet worden geweerd en ingeplant in een industriezone. In dit geval heeft de deputatie met betrekking tot de invloed van de betrokken vestiging op het leefmilieu vastgesteld dat er op het terrein hoofdzakelijk inerte materialen opgeslagen worden en er nauwelijks productie is, terwijl er rond het terrein een bufferzone voorzien wordt. Die beoordeling overtuigt en is niet kennelijk onredelijk. Met betrekking tot de bufferzone stelt de verzoekende partij wel dat deze zone veel te klein is, maar zij ondergraaft daarmee geenszins de stelling van de verwerende partij waar zij vastgesteld heeft dat van de 40.000 m² bedrijfsop- pervlakte, er ongeveer 6.000 m² bufferzone voorzien is en die bufferzone als "groot" bestempelt. 7.1.21. De verzoekende partij stelt dat het gemeentebestuur haar indertijd een andere invulling van de KMO-zone voorgespiegeld heeft. In dit geval rijst de vraag of een bedrijf als dat van de eerste tussenkomende partij past in de KMO-zone Kwikaard. De normen die het bestuur daarvoor moet en kan hanteren liggen niet vervat in een of andere gemeentelijke informatiefolder, maar in de normatieve bepalingen aangaande de invulling van het gewestplan. Indien de gemeente destijds aan de verzoekende partij voorgespiegeld heeft dat de KMO-zone Kwikaard met minder hinderlijke bedrijven zou worden VII-20.464-23.169-32.768-36.988-31/52 opgevuld, dan is dit enkel een politiek gegeven dat nu geen weerslag kan hebben op de regelmatigheid van de bestreden milieuvergunning die past binnen de reglemen- taire voorschriften die gelden voor de invulling van het gewestplan. 7.1.22. Uit de door de verzoekende partij aangebrachte argumenten kan niet worden opgemaakt dat de verwerende partij bij het verlenen van de milieuver- gunning aan de eerste tussenkomende partij zou hebben gesteund op verkeerde feitelijke gegevens of dat zij die gegevens verkeerd zou hebben beoordeeld in het kader van de vraag of de opslagplaats voor bouwmaterialen een plaats kon krijgen in de KMO-zone. Het eerste middel is niet gegrond. 7.2.1. In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 36, 2/,
- c)en 3/, c), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergun- ning (hierna : Vlarem I). Zij stelt dat de gemeentelijke milieudienst de aangelegen- heid niet heeft kunnen onderzoeken en geen advies gegeven heeft. Er kan ook niet rechtsgeldig verwezen worden naar het advies van IGEAN, want dat is geen dienst die de dossiers onderzoekt. Het volstaat ook niet dat de gemeentelijke milieuambte- naar door de Provinciale Milieuvergunningscommissie gehoord is. 7.2.2. De verwerende partij antwoordt dat artikel 49 en volgende van Vlarem I niet voorschrijven dat de gemeentelijke milieudienst in een beroepsproce- dure advies moet uitbrengen. Zij voegt daaraan toe dat het advies van IGEAN, waar de gemeente Zoersel deel van uitmaakt, kan worden beschouwd als een advies van de gemeentelijke milieudienst. De eerste tussenkomende partij formuleert dezelfde bemerking. 7.2.3. De verzoekende partij repliceert dat het niet inwinnen van het advies van de gemeentelijke milieudienst een onregelmatigheid is die de verwerende partij had moeten vaststellen en dat zij op grond van die onregelmatigheid, in de mate zij niet tijdig was gecorrigeerd, de aanvraag had moeten verwerpen. In haar laatste memorie stelt zij nog dat uit de omstandigheid dat IGEAN optreedt voor gemeenten die geen milieudienst hebben, niet volgt dat deze intercommunale in de plaats van een gemeentelijke milieudienst advies mag verlenen. 7.2.4. Het middel heeft betrekking op de beslissing die in eerste aanleg genomen werd. Terecht stelt de verwerende partij dat het advies van de gemeente- lijke milieudienst -of van de intercommunale dienst die daarvoor in de plaats komt- VII-20.464-23.169-32.768-36.988-32/52 door artikel 49 en volgende van Vlarem I niet verplicht is bij de behandeling van beroepen tegen vergunningsbeslissingen van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel. Aangezien de deputatie in geval van beroep het onderzoek van de zaak integraal overdoet, diende zij ook niet vast te stellen dat de eventuele onregelmatigheid, begaan bij de behandeling van de vergunningsaan- vraag in eerste aanleg, doorwerkte naar het beroepsniveau. Het tweede middel is niet gegrond. 7.3.1. In het derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de formele motiveringsverplichting en van artikel 50, 3/, eerste lid, van Vlarem I, doordat het bestreden besluit niet antwoordt op haar bezwaar aangaande de verleende vergunning betreffende rubriek 12.2.2 van de indelingslijst, noch op haar bezwaar aangaande het ontbreken van het advies van de gemeentelijke milieudienst. 7.3.2. De verwerende partij antwoordt dat een bestuurlijke beslissing de motieven moet aanduiden die de overheid tot het besluit hebben gebracht en dat zulks hier ook gebeurd is: het bestreden besluit bevat een bespreking van de hinder die de betrokken inrichting met zich brengt en daaruit blijkt dat de vestiging milieutechnisch en stedenbouwkundig aanvaardbaar is. Bovendien wordt in het bestreden besluit ook geantwoord op de bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek naar voren werden geschoven. De verwijzing in het beschikkend gedeelte naar de toelating van een inrichting uit de rubriek 12.2.2 betreft een materiële vergissing, aangezien de aanvrager zelf verwezen had naar een vergunning voor een transformator van 300 kVA, hetgeen ressorteert onder rubriek 12.2.1. Overigens is de gemaakte fout niet doorslaggevend voor het bestreden besluit. Wat betreft het ontbreken van het advies van de gemeentelijke milieudienst verwijst zij naar de weerlegging van het tweede middel. 7.3.3. Het bestreden besluit is uitvoerig gemotiveerd ten aanzien van de redenen waarom de uitbating van de inrichting van de eerste tussenkomende partij verenigbaar is met de KMO-zone, voorzien in het gewestplan. Terecht wijst de verwerende partij er voorts op dat de rubriek 12.2.2 een materiële vergissing betreft en de vergunning verleend wordt voor de rubriek 12.2.1, die in de aanvraag was vermeld. Voor het overige is bij de bespreking van het tweede middel aangestipt dat geen bepaling van Vlarem I de deputatie, oordelend in beroep, verplicht tot het inwinnen van het advies van de gemeentelijke milieudienst. Dat de deputatie niet formeel geantwoord heeft op het bezwaar dat de verzoekende partij daaromtrent bij VII-20.464-23.169-32.768-36.988-33/52 haar had doen gelden, doet niets af aan de vaststelling dat zij de reglementair voorgeschreven procedure van besluitvorming correct gevolgd heeft. Het derde middel is niet gegrond. 7.4.1. In het vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan van haar rechten van verdediging en van de hoorplicht, alsook de schending van artikel 23 van Vlarem I. Zij betoogt dat zij niet in de gelegenheid gesteld is om aan het bestuur haar opmerkingen te laten kennen aangaande de nota die de eerste tussen-komende partij op 9 juli 1999 aan de deputatie bezorgd heeft, terwijl ook de Provinciale Milieuvergunningscommissie niet de gelegenheid gehad heeft om advies te verlenen over die nota en over de nieuw ingewonnen adviezen van AROHM en AMV. 7.4.2. Volgens de verwerende partij moet de overheid, die na een vernietigingsarrest de zaak heroverweegt, niet de gehele vergunningsprocedure overdoen. In dit geval moest zij de beslissing alleen maar beter motiveren. Daarvoor moest zij de Provinciale Milieuvergunninscommissie niet opnieuw raadplegen. Artikel 23 van Vlarem I is te dezen niet van toepassing en de rechten van verdediging of de hoorplicht zijn evenmin geschonden omdat de vergunningsproce- dure niet overgedaan moest worden. De eerste tussenkomende partij voegt daaraan toe dat haar nota slechts een verduidelijking was omtrent een aantal aspecten van haar inrichting en dat in die nota geen nieuwe standpunten geformuleerd werden. Ook de nieuwe adviezen van AMV en AROHM betroffen slechts verduidelijkingen. 7.4.3. In haar repliek benadrukt de verzoekende partij dat de verwerende partij niet uiteenzet waarom zij rekening gehouden heeft met de argumenten van één partij zonder de andere te horen en de Provinciale Milieuvergunningscommissie in staat te stellen daarvan kennis te nemen. 7.4.4. Met het bestreden besluit heroverweegt de deputatie haar beslissing over de vergunningsaanvraag van de eerste tussenkomende partij, nadat de Raad van State in zijn schorsingsarrest nr. 80.009 van 29 april 1999 vastgesteld had dat het besluit van 29 oktober 1998 niet vermeldde waarom de inrichting verzoenbaar was met de planologische bestemming van het gewestplan. De deputatie heeft zich geschikt naar het schorsingsarrest en heeft, met het oog op het deugdelijk verantwoorden van haar beslissing, aan twee diensten van het bestuur om een bijkomend advies gevraagd, terwijl de eerste tussenkomende partij op eigen initiatief ook een nota met nadere uitleg aan het bestuur had bezorgd. VII-20.464-23.169-32.768-36.988-34/52 De verzoekende partij zet niet uiteen op welk vlak die uitleg en die bijkomende adviezen nieuwe elementen aan het licht zouden hebben gebracht waarmee de deputatie dan geen rekening mocht houden zonder hen te kennen. Door zich, met het voormeld specifiek doel voor ogen, tot de aldus ontvangen inlichtingen te beperken en de verzoekende partij niet meer in de gelegenheid te stellen daarop te repliceren, heeft de deputatie de in het middel vermelde rechtsnormen niet geschonden, zeker nu uit de aanhef van het bestreden besluit blijkt dat de verzoe- kende partij haar argumentatie in de aanvangsfase van het administratief onderzoek ter kennis van het bestuur gebracht heeft en de deputatie daar ook rekening mee gehouden heeft. Het vierde middel is niet gegrond. 8. De gegrondheid van het beroep in de zaak A. 183.378/VII-36.988 Het bestreden besluit betreft de vergunning voor de uitbating van een betoncentrale en voor de opslag van de grondstoffen die daarvoor nodig zijn. Deze vergunning sluit aan bij de basisvergunning waarvan de regelmatigheid hiervoor in de zaak A. 89.454/VII-20.464 onderzocht is, onder meer wat betreft de verenigbaarheid van de vergunde inrichting met de bestemmingszone van het gewestplan. In zoverre de verzoekende partijen in deze zaak dezelfde argumenten ontwikkelen, vinden zij een antwoord in de bespreking van het eerste middel in voornoemde zaak A. 89.454/VII-20.464 en blijft in de onderhavige zaak enkel de vraag over of de vestiging van de betoncentrale in de betrokken KMO-zone Kwikaard krachtens de nieuwe reglementering inzake de ruimtelijke ordening nog wel mogelijk is en of de vestiging van de betoncentrale de hinder van de gehele inrichting niet danig vermeerdert dat zij als geheel niet past in de KMO-zone. 8.1.1. In het eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van artikel 19, § 3, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van het gewestplan Turnhout, van het Ruimtelijk Structuurplan Antwerpen en het Gemeentelijk Structuurplan Zoersel, van de artikelen 8.2.1.2 en 8.2.1.3 van het inrichtingsbesluit en van het beginsel van de goede ruimtelijke ordening. Zij benadrukken dat een milieuvergunning de bindende bestemmingsvoorschriften van het gewestplan moet eerbiedigen en dat ook nagegaan moet worden of het bedrijf verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving. In het kader van het onderzoek van de vraag of het bedrijf als KMO in de betrokken zone kan worden ingeplant moet er, naast het onderzoek van de bestemming van de zone, ook over gewaakt worden dat de zone ontwikkeld wordt overeenkomstig de VII-20.464-23.169-32.768-36.988-35/52 principes van het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Antwerpen en het Gemeente- lijk Structuurplan Zoersel. Het bestreden besluit stelt ten onrechte dat de structuur- plannen buiten de beoordeling moeten blijven. Wat de toetsing aan de structuurplannen betreft, wijzen de verzoekende partijen erop dat het Ruimtelijk Structuurplan Antwerpen in zijn richtinggevend deel, waarvan de bestuursoverheden niet mogen afwijken, het waardevol groene karakter van het landschap benadrukt, dat de maximale open ruimte tot de doelstellingen van het gebied behoort, dat versnippering van het groen moet worden tegengegaan en dat de samenhang moet worden bevorderd. Het Gemeentelijk Structuurplan Zoersel erkent in zijn richtinggevend deel -waarvan de bestuursoverheden evenmin mogen afwijken- dat de KMO-zones slecht gelegen zijn en dat de bestaande vergunde bedrijvigheid slechts kan worden getolereerd wanneer de impact op de omgeving beperkt is en de draagkracht ervan niet overschreden wordt. Voorts zijn de verzoekende partijen van oordeel dat het bedrijf van de tussenkomende partij niet thuishoort in een zone voor ambachtelijke bedrijven en KMO's. Zij steunen die stelling op volgende elementen : - De tussenkomende partij is geen KMO en de opslagplaatsen zijn geenszins kleine opslagplaatsen van goederen. Het bedrijf ligt in een rustige en groene omgeving en past daar wegens zijn omvang -grote bezette oppervlakte, grote opslagplaatsen, grote loodsen, opslag in voorraadtrechters- niet in. Het bedrijf bezet een groot deel van de KMO-zone. Er is een onaanvaardbare impact van zwaar vrachtvervoer op de rust en het karakter van het gebied, meer bepaald in de Kwikaard en de Waterstraat/Delbekestraat. Wat de verkeershinder betreft dient vastgesteld dat het bedrijf vóór de vestiging van de betoncentrale reeds voor een derde van het zwaar verkeer zorgde en dat die hinder na de vestiging van de betoncentrale alleen maar zal vergroten - er moet rekening gehouden worden met minstens 20 bijkomende vrachtwagens en misschien zelfs 40 - ; ook het particulier verkeer zal de verkeers- drukte vergroten. De aanwezige verkeersinfrastructuur is niet voorzien op zoveel zwaar vrachtvervoer. Naast de verkeershinder is er ook aanzienlijke visuele hinder die het natuurlijk landschap in waarde vermindert, aangezien het groenscherm - dat nooit naar behoren gestalte gekregen heeft - de visuele hinder niet wegneemt. Er is ook geluidsoverlast te vrezen en stofhinder is mogelijk. De druk van het zwaar vervoer maakt het bedrijf ook onverzoenbaar met de omliggende woongebieden. VII-20.464-23.169-32.768-36.988-36/52 - Rekening houdend met de veroorzaakte hinder moet het bedrijf wegens sociale redenen worden afgezonderd van het woongebied met landelijk karakter. Het hoort thuis in een zone voor milieubelastende industrieën. - Er worden kleinhandelsactiviteiten uitgeoefend : er zijn 50 parkeerplaatsen voorzien terwijl er slecht tien werknemers zouden zijn. Commerciële activiteiten horen niet thuis in een zone voor ambachtelijke bedrijven en KMO's. - De ruimtelijke draagkracht van de omgeving wordt ruimschoots overschreden. Het bestuur onderzoekt steeds alle beoordelingselementen apart en verliest de gehele impact van het bedrijf uit het oog. Dat er een groenscherm aangelegd is, is een te verwaarlozen argument, want dit scherm stelt weinig voor. 8.1.2. De verwerende partij antwoordt daar, kort samengevat, op als volgt : - De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft reeds geoordeeld dat de bepalingen van de structuurplannen dermate vaag zijn dat er iedere direct- normatieve kracht aan moet worden ontzegd. Artikel 19, § 6, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening stelt overigens dat ruimtelijke structuurplannen geen beoordelingsgrond kunnen vormen voor individuele vergunningsaanvragen. - De verenigbaarheid van de uitbating met het bestemmingsvoorschrift van het gewestplan wordt mede bepaald in functie van de hinderlijkheid van het bedrijf. Het bestreden besluit stelt duidelijk dat de aangevraagde activiteiten in de desbetreffende zone aanvaard kunnen worden en dat de gebouwen en constructies die ermee samenhangen eveneens van aanvaardbare omvang en impact zijn. Het Agentschap Ruimtelijke Ordening heeft terecht opgemerkt dat de loutere omvang van het bedrijf niets zegt over de hinder die gegenereerd wordt. - Wat de verkeershinder betreft dient vastgesteld dat de bereikbaarheid van het bedrijf niet problematisch is. Uit een verkeerstelling is gebleken dat het vervoer van en naar het bedrijf van ondergeschikt belang is ten aanzien van het totale verkeer in de Waterstraat/Delbekestraat die een verbindingsweg is. Over de verkeersimpact van de betoncentrale zijn nog steeds geen gegevens voorhanden, hoewel als bijzondere vergunningsvoorwaarde werd vereist dat er een verkeersstudie zou worden opgesteld. Wat de visuele hinder betreft kan verwezen worden naar het inrichten van een groenscherm, wat ook al was vermeld in de bouwvergunning. In ieder geval moet de visuele hinder beoordeeld worden in het kader van de stedenbouwkundige vergunning. Het groenscherm biedt eveneens een oplossing voor de aangevoerde geluids- en stofhinder, en de exploitant heeft de verplichting opgelegd gekregen om VII-20.464-23.169-32.768-36.988-37/52 een akoestisch onderzoek uit te voeren. Aldus is de hinder aanvaardbaar wanneer de opgelegde voorwaarden nageleefd worden. - Het bedrijf is verenigbaar met de bestemming van de omliggende gebieden. Het gewestplan zelf heeft de bestaanbaarheid vastgesteld van een KMO-zone met de omliggende woongebieden en bijgevolg is het onderzoek van de toelaatbaarheid beperkt tot de aanvaarbaarheid van het bedrijf in de betrokken zone. - De vraag naar de noodzaak van afzondering van het bedrijf komt neer op de vraag naar de verenigbaarheid van het bedrijf met de KMO-zone waarin het zich wil vestigen. Dat is ook zo voor de vraag naar de ruimtelijke draagkracht van het gebied waarin de KMO-zone gelegen is. 8.1.3. De verzoekende partijen repliceren dat het bestuur zich beperkt tot een theoretisch onderzoek omtrent de verenigbaarheid van de inrichting met de bestemmingsvoorschriften en dat het geen concrete toetsing uitvoert. Zij stellen dat milieuvergunningen wel degelijk getoetst mogen worden aan ruimtelijke structuur- plannen en dat de overheid haar eigen reglementen moet naleven. In dat verband gaat de bestreden vergunning in tegen de toepasselijke structuurplannen, terwijl de daarin opgenomen principes toch een bruikbaar referentiekader kunnen vormen. Voorts wijzen ze er op, wat de veroorzaakte verkeershinder betreft, dat de verwerende partij de verkeerscijfers niet inhoudelijk onderzocht heeft en dat de verkeerstelling van het bedrijf duidelijk is, ook al worden er geen concrete cijfers over de verkeersimpact van de betoncentrale vermeld. In ieder geval zijn de cijfers duidelijk: het bedrijf genereert 976 verkeersbewegingen per dag, waarvan 281 bewegingen van vrachtwagens zijn en het overige verkeer van personenwagens en lichte vrachtwagens is. Zij stellen ook nog dat de verwijzing naar het groenscherm niet opgaat omdat dat scherm nooit behoorlijk aangeplant is, dat er nooit een concreet onderzoek gebeurd is naar de verenigbaarheid van de inrichting met de omliggende woongebieden en dat uit foto's en uit de verkeerstelling blijkt dat er wel degelijk een kleinhandel uitgebaat wordt. 8.1.4. In hun laatste memorie herhalen de verzoekende partijen nog dat bij de toekenning van milieuvergunningen wel degelijk rekening gehouden moet worden met de ruimtelijke structuurplannen. Wat de toetsting van de vergunnings- aanvraag aan de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan betreft, stellen zij dat het bestuur niet verplicht is om de aanvraag te toetsen aan het bestemmingsvoor- schrift van de omliggende zones, maar dat de omzendbrief van 8 juli 1997 het bestuur toch verplicht om rekening te houden met de impact van de inrichting op de omgeving. Wat de gegenereerde verkeershinder betreft, betogen zij dat de VII-20.464-23.169-32.768-36.988-38/52 verkeershinder veroorzaakt door bedrijven in een KMO-zone beoordeeld moet worden in functie van de last die de bewoners van de naastliggende woonzone ondervinden en uit de voorgelegde cijfers blijkt dat die last, die door elke bijkomen- de vergunning vergroot, onaanvaardbaar is. Zij verzetten zich ten slotte ook tegen de redenering dat de veroorzaakte hinder gelijkloopt met de som van de hinder veroorzaakt door verschillende bedrijven in de KMO-zone. 8.1.5. De tussenkomende partij ontwikkelt in haar toelichtende memorie volgende stelling : - De inrichting is stedenbouwkundig verenigbaar met het bestemmingsvoorschrift van het gewestplan. Er zijn maatregelen getroffen om de hinder te voorkomen en de weerslag op het leefmilieu is miniem. Uit het recent mobiliteitsrapport blijkt dat de verkeersdruk in de omgeving verspreid wordt en dat de hinder dienvolgens beperkt is. De Waterstraat/Delbekestraat kan de verkeersintensiteit zeker aan. Slechts 5 tot 7 % van de totale verkeersdrukte in die straat wordt gegenereerd door de tussen- komende partij. Het aandeel vrachtverkeer schommelt tussen 8 en 9 % van de totale verkeersmassa en zij veroorzaakt daar nog niet de helft van. Daaruit volgt dat het aandeel van de vergunde inrichting in de totale verkeersdrukte relatief beperkt is en dat de draagkracht van de omgeving niet overschreden wordt. - Er wordt geen hinder veroorzaakt door de uitbating van de kleinhandelszaak -die overigens inmiddels door het bestuur toegelaten is-, want slechts 10 % van de omzet wordt verkocht aan particulieren en het grootste deel hiervan wordt bij de koper thuis geleverd. - Wat de visuele hinder betreft is er het groenscherm en overigens is dat een probleem dat in de bouwvergunning geregeld wordt. - De geluidsnormen worden gerespecteerd. Wat het laden en lossen betreft gaat het om één vrachtwagen cement per dag en voor de aanlevering van grondstoffen gaat het om vijf vrachtwagens. - De stofhinder wordt opgevangen door het groenscherm en door de specifieke maatregelen ten aanzien van de uitbating van de betoncentrale. - Het landelijk karakter van de omgeving belet niet dat de inrichting terecht in de KMO-zone gelegen is. - Voortgaande op de stapelhoogten en -breedten is er sprake van kleinschalige opslag. 8.1.6. Het bestreden besluit heeft betrekking op de milieuvergunning voor het uitbaten van een betoncentrale - en bijhorende opslag van cement en van minerale producten - die deel uitmaakt van een bedrijf dat over een basisvergunning VII-20.464-23.169-32.768-36.988-39/52 beschikt waarvan de wettigheid in de zaak A. 89.454/VII-20.464 onderzocht is. Het middel geput uit de schending van de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan is in die zaak niet gegrond bevonden. Wat dat betreft blijft te dezen dan ook enkel de vraag over of de toevoeging van de betoncentrale aan de inrichting betekent dat de inrichting als geheel niet meer verenigbaar is met de stedenbouwkundige bestemming of dat zij de hinder voor de omwonenden op ontoelaatbare wijze verzwaart. 8.1.7. De verzoekende partijen wijzen op de strijdigheid van de vergunning met het richtinggevend gedeelte van het Provinciaal Structuurplan Antwerpen en het Gemeentelijk Structuurplan Zoersel. Zij zijn van oordeel dat de vergunningsaanvraag rechtstreeks getoetst diende te worden aan deze structuurplan- nen en dat de vergunning, wegens de onverenigbaarheid van de inrichting daarmee, verplicht geweigerd moest worden. Artikel 19, § 6, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat de structuurplannen "geen beoordelingsgrond (vormen)" voor, onder meer, de bouwvergunning. Dit betekent dat een bouwvergunning niet kan worden geweigerd wegens strijdigheid met een voorschrift van het structuurplan. De verzoekende partijen wijzen er wel op dat de situatie verschilt naar gelang de aanvraag betrekking heeft op een stedenbouw- kundige vergunning dan wel op een milieuvergunning. Die stelling wordt evenwel niet bijgetreden, aangezien het in logica niet opgaat de verplichte toetsing van vergunningsaanvragen aan structuurplannen te verwerpen wanneer het stedenbouw- kundig aspect centraal staat en die toetsing dan wel aan te nemen wanneer het milieuaspect en de hinder voor de omgeving centraal staan. Terecht hebben AMV en de Provinciale Milieuvergunningscom- missie in hun advies, dat door de verwerende partij bijgevallen is, verwezen naar het beleidsmatig karakter van de ruimtelijke structuurplannen. De deputatie moest de vergunning niet weigeren wegens een eventuele onverenigbaarheid met die plannen. 8.1.8. De verzoekende partijen voeren de strijdigheid aan van de vergunning met het gewestplan Turnhout, dat de zone waarin de inrichting van de tussenkomende partij gevestigd wordt, catalogeert als een gebied voor ambachtelijke bedrijven of kleine en middelgrote ondernemingen. VII-20.464-23.169-32.768-36.988-40/52 Bij de bespreking van hetzelfde middel in de zaak A. 89.454/VII- 20.464 is besloten dat de verwerende partij op grond van de gemaakte aftoetsing van de concrete gegevens van de vergunningsaanvraag aan de vooropgestelde criteria regelmatig heeft kunnen besluiten dat de inrichting in een KMO-zone gevestigd kon worden. Die beoordeling geldt ook voor onderhavige zaak. Bovendien wordt niet betwist dat een betoncentrale met bijhorende opslag, zoals te dezen vergund, op zich niet onverenigbaar is met het bestemmingsvoorschrift van de KMO-zone. Hierna wordt ingegaan op de vraag of de toevoeging, aan de vergunde inrichting van de tussenkomende partij, van de betoncentrale met bijhorende opslag de hinder vergroot in de mate dat het bedrijf als KMO geen plaats meer heeft in het betrokken gebied. 8.1.9. De verzoekende partijen verwijzen in de eerste plaats naar de onaanvaardbare verkeersimpact van de vestiging. In de vergunningsaanvraag heeft de tussenkomende partij, in een rubriek "preventieve voorzieningen" het volgende uiteengezet met betrekking tot de verkeershinder : "Bij vervoer van minerale producten, worden de vrachtwagens zodanig geladen en eventueel afgedekt dat geen vrachtverlies mogelijk is. De betoncentrale heeft een beperkte capaciteit. Ze heeft voornamelijk een bijlaadfunctie. Zoals reeds eerder vermeld wordt in totaal slechts 120 m³ per dag betonproducten (beton, zandcement, chape, laitier en argexbeton) geproduceerd. (De centrale van Van Pelt in Schoten heeft een capaciteit van 96 m³ per uur.) Een vrachtwagen (betonmixer) kan 6 m³ beton laden. Dit betekent dus een verkeersimpact van een 20 tal vrachten per dag. Anderzijds zal de afvoer van grondstoffen afnemen en vermindert de globale verkeershinder. Op zater-, zon-, en feestdagen en tussen 19.00 u en 06.00 u is het aan- en afrijden van betonmixers verboden. Een verkeerstelling werd bij een eerder(
- e)vergunningsaanvraag uitgevoerd (27/2/2003). Uit de resultaten van de telling kan gesteld worden dat er geen merkelijke overlast is tengevolge van de exploitatie van de inrichting. (...) In de milieuvergunning die verleend werd op 24 juni 2004 werd geen verkeersstudie meer opgelegd in de bijzondere voorwaarden. De vergunning werd voor de tweede maal slechts voor 3 jaar verleend om de impact van de exploitatie van de betoncentrale op het verkeer te kunnen evalueren. Vermits er tijdens de voorbije twee jaar geen enkele klacht werd gehoord, toont dit, ons inziens, voldoende aan dat er geen extra hinder gekoppeld is aan het exploiteren hiervan en kan de volledige vergunningstermijn worden toegestaan. (...)". In het advies van het Agentschap Ruimtelijke Ordening, opgenomen in de aanhef van het bestreden besluit, is met verwijzing naar een eerder advies van dezelfde dienst van 28 mei 2004, op het betreffende bezwaar volgend antwoord gegeven : VII-20.464-23.169-32.768-36.988-41/52 "De bereikbaarheid van het ambachtelijke gebied is niet problematisch. Via de N12 en de Waterstraat/Delbekelaan die als een doorgaande weg kan worden beschouwd, kan men het bedrijventerrein van de Kwikaard bereiken. De Waterstraat/Delbekelaan is op dit ogenblik reeds een drukke straat. De eerste 50 meter van de Kwikaard is woongebied met landelijk karakter in functie van de Waterstraat/Delbekelaan. De noordzijde van de Kwikaard is woongebied met landelijk karakter, verderop woongebied. De zuidzijde van de Kwikaard is gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen. Na ongeveer 230 meter vanaf de Waterstraat/Delbekelaan is een nieuwe insteekweg in het ambachtelijk gebied voorzien waarlangs de aanvraag is gevestigd. Het is moeilijk in te schatten wat het verschil zou zijn in verkeersbe- wegingen tussen voorliggend bedrijf (als één geheel) en wanneer dezelfde bedrijfsoppervlakte zou worden opgedeeld in een aantal kleinere maar eveneens vervoersgenererende bedrijfjes. De beroeper baseert zich op een getal dat door de aanvrager zelf wordt weergegeven, waar gesproken wordt over 20 bij- komende zware vrachtwagens per dag. Dit getal lijkt stedenbouwkundig aanvaardbaar voor een middelgrote onderneming. Daarbij stelt de gemachtigde ambtenaar eveneens vast dat eventuele hinder van vervoersbewegingen eveneens samenhangt met de toegelaten snelheid en met de inrichting van de betreffende wegen. Het is aan de overeenkomstige gemeentebesturen om op dat vlak de nodige maatregelen uit te werken. Stedenbouwkundig is een vermeerde- ring van de vervoersbewegingen met 20 zware vrachtwagens per dag, bovenop de reeds bestaande vervoersbewegingen bij een middelgroot bedrijf, aanvaard- baar". Ook de Provinciale Milieuvergunningscommissie heeft aandacht gehad voor deze problematiek. Zij heeft het antwoord van het Agentschap Ruimtelijke Ordening bevestigd en zij heeft overigens geadviseerd om de exploitant te verplichten een verkeersstudie te laten uitvoeren. De deputatie heeft in de lijn van deze adviezen de vergunning tijdelijk toegestaan en de tussenkomende partij verplicht tot het redigeren van een verkeersstudie. 8.1.10. In het mobiliteitseffectenrapport dat aldus op 17 september 2007 geredigeerd is, is "de impact van de bedrijvigheid van Van Pelt NV op het omliggend wegennet" onderzocht en is met name "nagegaan hoeveel verkeer gegenereerd wordt en hoe dit zich verhoudt tot de totale verkeersintensiteiten". Daaruit blijkt (hoofdstuk 7) dat de tussenkomende partij in totaal 976 verkeersbewe- gingen (genereert) op de drukste dag (dinsdag). Het daggemiddelde (6.00 - 22.00 uur) bedraagt 60 verkeersbewegingen per uur. Het drukste moment situeert zich tussen 12.00 en 13.00 uur (95 verkeersbewegingen). Op basis van het ingewonnen cijfermateriaal worden volgende conclusies getrokken :
- a)voor wat betreft de ontsluiting van het bedrijf langs de R. Delbekestraat/Waterstraat : VII-20.464-23.169-32.768-36.988-42/52 - aangaande de "totale intensiteit/capaciteit" : "dat de R. Delbekestraat/Waterstraat, bestaand uit 2 x 1 rijstrook en een vrijliggend fietspad, (
- de)totale (spits)intensiteiten zeker aankan"; - aangaande "impact Van Pelt NV" : "het aandeel van Van Pelt NV in de totale verkeersgeneratie is relatief beperkt. De verkeersgeneratie door Van Pelt NV geeft geen aanleiding tot piekintensiteiten op de R. Delbekestraat/Waterstraat. Op tijdstippen dat Van Pelt de meeste verkeersbewegingen genereert, zijn er lage totale verkeersintensiteiten op de R. Delbekestraat/Waterstraat. Er kan niet gesteld worden dat de verkeersgeneratie door Van Pelt NV leidt tot overschrijding van de draagkracht";
- b)voor wat betreft de ontsluiting van het bedrijf langs de Kwikaard : - aangaande de "intensiteit/capaciteit Kwikaard" : "Er kan gesteld worden dat de Kwikaard de relatief lage intensiteiten aankan. Bovendien dient opgemerkt dat vooral het deel ten westen van de ontsluitingsweg dienst doet als ontsluiting van en naar Van Pelt NV. Langsheen dit wegsegment liggen voornamelijk bedrijven. Het deel ten oosten van de ontsluitingsweg heeft een tonnageverbod en is bovendien zodanig ingericht dat het gebruik van de weg voor doorgaand verkeer wordt ontraden (verhoogde kruispunten, asverschuivingen).Uit de tellingen blijkt wel dat nog een aantal vrachtwagens via Kwikaard oost rijden. Mogelijk betreft het vrachtverkeer van lager (dan) 3,5 ton of is het vrachtverkeer met bestemming in Kwikaard oost (cf. aantal bedrijven). Van Pelt NV maakt geen gebruik van Kwikaard oost. In de toekomst zal het belangrijk zijn dat het geldende tonnagever- bod nageleefd wordt. Handhaving is hiertoe belangrijk"; - aangaande de "impact Van Pelt NV" : "De verkeersgeneratie door Van Pelt NV geeft geen aanleiding tot piekintensiteiten op de Kwikaard. Het aandeel verkeer gegenereerd door Van Pelt is hier groter, in verhouding tot de R. Delbekestraat/Waterstraat. Dit is te verklaren vanuit de beperktere ontsluitende rol van deze lokale weg. Op tijdstippen dat Van Pelt de meeste verkeersbewegingen genereert, zijn er lage totale verkeersintensiteiten op de R. Delbeke- straat/Waterstraat. Er kan dus niet gesteld worden dat de verkeersgeneratie door Van Pelt NV leidt tot overschrijding van de draagkracht". De conclusies van de verkeersstudie zijn duidelijk : er is geen overschrijding van de draagkracht van de toegangswegen voor het bedrijf. De verzoekende partijen betwisten in de memorie van wederantwoord en hun laatste memorie de conclusies van het mobiliteitseffectenrapport. Zij bekritiseren de tellingen niet, maar stellen dat de conclusies niet correct zijn. Wat dat betreft, dient evenwel vastgesteld dat het rapport de belangrijke nuance bevat dat "de piekmomen- VII-20.464-23.169-32.768-36.988-43/52 ten gegenereerd door Van Pelt NV (...) niet samen(vallen) met de piekmomenten van de totale verkeersstroom" en dat voorts, zo de totale verkeersstroom naar de inrichting van de tussenkomende partij de draagkracht van de omgeving niet blijkt aan te tasten - zoals het rapport concludeert -, zulks ook niet het geval kan zijn voor de verkeersstroom naar de betoncentrale die slechts een deel vormt van het geheel. Het antwoord op de argumentatie van de verzoekende partijen dient dan ook te zijn dat geen bewijzen voorliggen dat het vrachtverkeer, dat de inrichting van de tussenkomende partij genereert, eraan in de weg staat dat de inrichting nog als een KMO kan worden beschouwd. 8.1.11. De verzoekende partijen verwijzen ook, om aan de inrichting haar KMO-karakter te ontnemen, naar de visuele hinder, naar de geluidshinder en naar de stofhinder. Visuele hinder is een probleem dat in de eerste plaats de stedenbouwkundige vergunning betreft en dat bij het verlenen van de milieuvergun- ning slechts zijdelings aan bod komt. Bovendien is in dit geval de visuele hinder beperkt door de aanleg van een groenscherm. De inrichting van de tussenkomende partij betreft een betoncentra- le en de opslag en het transport van materialen voor de verwerking ervan. Dergelijke inrichting brengt zeker geluids- en stofhinder voort, maar deze is, gelet op de aard van de materialen waarmee gewerkt wordt en in redelijkheid beoordeeld, niet als zó hinderlijk te beschouwen dat de inrichting niet in een KMO-zone meer zou passen en de verzoekende partijen tonen zeker niet aan dat de maatregelen die de uitbater blijkens de vergunningsaanvraag - bijlage 7 : preventieve voorzieningen - zal nemen niet daadwerkelijk zullen worden gerealiseerd of dat zij niet zullen volstaan om deze hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken. 8.1.12. Het bedrijf van de tussenkomende partij kan als een KMO in de zin van de omzendbrief van 8 juli 1997 beschouwd worden. De inrichting is dan ook verenigbaar met de bestemming van het gebied. De hinder die de uitbating met zich brengt noodzaakt niet dat het afgezonderd moet worden in een ander gebied. De hinder die de inrichting berokkent heeft gewis gevolgen voor de bewoners van de omliggende woongebieden. Dit is evenwel inherent aan de ligging van deze woonzones naast een KMO-zone. Aangezien de hinder die het VII-20.464-23.169-32.768-36.988-44/52 bedrijf te dien aanzien genereert de grenzen van het toelaatbare niet overschrijdt, moest de verwerende partij ook daarin geen reden vinden om de uitbating te verbieden van de KMO van de tussenkomende partij. De verwijzing naar de uitoefening van kleinhandelsactiviteiten door de tussenkomende partij is op zich niet relevant voor de beoordeling van de regelmatigheid van de hier bestreden vergunning, die betrekking heeft op de uitbating van een betoncentrale en dezes aanhorigheden. De verkeersstroom van en naar de inrichting zou dat wel kunnen zijn, maar het mobiliteitseffectenrapport laat het besluit toe dat er op dat vlak geen overbelasting bestaat. 8.1.13. Het eerste middel is niet gegrond. 8.2.1. In het tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 36, 2/,
- c)en 3/, c), van Vlarem I en van artikel 30, § 1, 3/, van Vlarem I, doordat uit de vergunningsbeslissing van 2 februari 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel niet blijkt dat het advies van de gemeentelijke milieudienst ingewonnen werd. 8.2.2. De verwerende partij antwoordt dat artikel 49 van Vlarem I niet voorschrijft dat de gemeentelijke milieudienst advies moet verlenen in de beroepsprocedure en dat in ieder geval het advies van de intercommunale milieudienst IGEAN gevraagd en verkregen is. De tussenkomende partij ontwikkelt een gelijkaardig standpunt. 8.2.3. De verzoekende partijen repliceren dat het advies van IGEAN niet gelijkgesteld kan worden met het advies van de gemeentelijke milieudienst, die ook in de beroepsprocedure moet interveniëren. 8.2.4. Zoals reeds sub 7.2.4 uiteengezet, wordt de beroepsprocedure aangaande een beslissing over een milieuvergunning geregeld door artikel 49 van Vlarem I. Artikel 36, 2/,
- c)en 3/, c), van Vlarem I betreft de procedure in eerste aanleg, en de niet-naleving van bepaalde vormvoorschriften in dat stadium van de procedure werkt, wegens de devolutieve werking van het administratief beroep, niet door naar de beslissing in graad van beroep. Overigens ziet de Raad van State niet in waarom het advies van de gemeentelijke milieudienst niet zou kunnen worden vervangen door het advies van de intercommunale milieudienst IGEAN, waaraan de gemeente Zoersel de desbetreffende taak opgedragen heeft. VII-20.464-23.169-32.768-36.988-45/52 Uit artikel 30, § 1, 3/, van Vlarem I volgt wel dat vergunningsbe- sluiten moeten verwijzen naar de ingewonnen adviezen, maar het bestreden besluit voldoet aan dat voorschrift. Het tweede middel is niet gegrond. 8.3.1. In het derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de formele motiveringsverplichting en van artikel 50, 3/, b), van Vlarem I, doordat het bestreden besluit niet afdoende zou antwoorden op de bezwaren van de beroepsindieners. Volgens de ve