← België

Arrest 190642 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 19/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.642 Rolnummer: A. 85921/VII-19909 Zaak: Arrest 190642 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 19/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-27 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 18:47 Fiche Arrest nr 190.642 van 19 februari 2009 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.642 van 19 februari 2009 in de zaak A. 85.921/VII-19.

  1. In zake :
  2. de Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren-Specialisten in de Fysische Geneeskunde en Revalidatie,
  3. de Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren-Specialisten in Functionele en Professionele Revalidatie van Gehandicapten, die woonplaats kiezen bij advocaten W. GONTHIER, K. KAMERS en C. MARICHAL, kantoor houdende te EKEREN, Kapelsesteenweg 195 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Waterloosesteenweg
  4. tussenkomende partij : Bart GHESQUIERE, die woonplaats kiest bij advocaat B. VAN DORPE, kantoor houdende te KORTRIJK, Loofstraat
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren-Specialisten in de Fysische Geneeskunde en Revalidatie en de Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren-Specialisten in Functionele en Professionele Revalidatie van Gehandicapten op 4 augustus 1999 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de minister van Volksgezondheid en Pensioenen van 23 maart 1999 waarbij Dokter Bart GHESQUIERE, reeds erkend als geneesheer-specialist in de inwendige geneeskunde, wordt toegelaten de titel van geneesheer-specialist in de inwendige geneeskunde en in de functionele en professionele revalidatie van locomotorische gehandicapten te voeren, en wordt ingeschreven op de lijst van de geneesheren die erkend zijn teneinde prestaties te verstrekken inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering; VII-19.909-1/7 Gelet op het arrest nr. 154.423 van 2 februari 2006 waarbij de debatten worden heropend en het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door adjunct-auditeur I. VOS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. KAMERS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat J.-F. DE BOCK, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat B. DE BECKER die, loco advocaat B. VAN DORPE verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur I. VOS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  6. De feiten De feitelijke gegevens van de zaak werden uiteengezet in het arrest nr. 154.423 van 2 februari
  7. De middelen 2.
  8. In een enig middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 11, § 2, van het koninklijk besluit van 6 maart 1968 tot vaststelling van de modaliteiten en voorwaarden van erkenning van de geneesheren-specialisten VII-19.909-2/7 in de revalidatie, inzake sociale reclassering van de minder-validen (hierna: koninklijk besluit van 6 maart 1968). Het middel houdt in essentie in dat het gunstig advies van de Nederlandstalige kamer van de Commissie van beroep voor geneesheren-specialisten in de revalidatie (hierna : de Commissie) van 13 januari 1999, op basis waarvan de bestreden beslissing is genomen, volgens de verzoekende partijen ongeldig zou zijn omdat niet zou zijn voldaan aan het quorumvereiste vermeld in artikel 11, § 2, van het koninklijk besluit van 6 maart
  9. Volgens de verzoekende partijen waren slechts vijf leden van de Commissie aanwezig, terwijl twee derde van de werkende of plaatsvervangende leden van de Commissie aanwezig dienen te zijn. 2.
  10. In de memorie van antwoord merkt de verwerende partij vooreerst op dat de verzoekende partijen ten onrechte verwijzen naar artikel 11, § 2, van het koninklijk besluit van 6 maart 1968, daar het quorumvereiste vermeld staat in artikel 9, § 4, van dit besluit. Dat het vereiste aantal leden niet aanwezig was, verklaart de verwerende partij enerzijds door de leeftijd en de gezondheidstoestand van een aantal leden, en anderzijds doordat het niet meer opportuun is de Commissie te hernieuwen gezien de plannen om de opleiding functionele en professionele revalidatie onder te brengen onder het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen, waardoor de beroepen zouden worden behandeld door de bevoegde kamer van de Hoge raad voor geneesheren-specialisten en huisartsen. Zij stelt dat de Commissie aldus geen andere keuze had dan een advies te verstrekken en dat de minister op de hoogte werd gebracht van het probleem inzake het quorum doch niettemin heeft beslist om de kwestieuze erkenning toe te kennen. Zij benadrukt dat de minister terzake over een discretionaire bevoegdheid beschikt, geenszins gebonden is door het advies van de Commissie en kan beslissen het advies al dan niet te volgen. Bovendien wijst zij er op dat de formaliteit van het advies van de Commissie niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven doch bestaat in het VII-19.909-3/7 belang van de betrokkene en geenszins in het belang van derden. Aldus zouden de verzoekende partijen de niet-naleving van deze formaliteit niet kunnen inroepen om de geldigheid van de bestreden beslissing te betwisten. Ten slotte merkt de verwerende partij op dat de ingeroepen onregelmatigheid geen invloed heeft gehad op de bestreden beslissing en dus niet van aard is om deze onregelmatig te maken. Volgens de verwerende partij zou, zelfs indien de Commissie regelmatig was samengesteld, het advies gunstig zijn geweest aangezien tenminste vijf leden, de voorzitter inbegrepen, een gunstig advies verleenden. 2.
  11. In hun memorie van wederantwoord erkennen de verzoekende partijen dat zij ten onrechte hebben verwezen naar artikel 11, § 2, van het koninklijk besluit van 6 maart 1968, doch stellen zij dat uit de motivering van het verzoek- schrift duidelijk blijkt dat artikel 9, § 4, van dit koninklijk besluit wordt bedoeld. 2.
  12. De tussenkomende partij meent dat de verzoekende partijen noch het bestreden besluit, noch het advies van de Commissie inhoudelijk bestrijden en dat evenmin wordt aangevoerd dat zij niet zou beantwoorden aan de wettelijke en reglementaire erkenningsvereisten. Voorts wijst de tussenkomende partij ook op de specifieke problemen inzake het voldoen aan het quorumvereiste en op het feit dat de minister niet gebonden is door het voorafgaand advies. Aangezien de minister over geen rechtsmiddel beschikt om de Commissie te dwingen met de vereiste twee derde meerderheid bijeen te komen, was hij volgens de tussenkomende partij verplicht een beslissing te nemen rekening houdend met het, volgens haar, wetsconform advies, uitgebracht door vijf van de tien leden van de Commissie. 2.
  13. De relevante bepalingen van het koninklijk besluit van 6 maart 1968 bepalen onder meer : "Art.
  14. §
  15. Het voorzitterschap van de Commissie van beroep voor geneeshe- ren-specialisten in de revalidatie wordt een doctor in de genees-, heel- en verloskunde, ambtenaar bij het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin, opgedragen. Die Commissie bestaat uit een Nederlandstalige en een Franstalige kamer, die hun advies geven over de zaken die in eerste instantie in het Nederlands, respectief in het Frans werden behandeld. Elke kamer is samengesteld uit: VII-19.909-4/7 1/ een voorzitter, doctor in de genees-, heel- en verloskunde, gekozen uit een lijst van twee kandidaten, respectief voorgedragen door de Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde van België, voor de Nederlandstalige kamer, en door de 'Académie royale de médecine de Belgique', voor de Franstalige kamer; 2/ een doctor in de genees-, heel- en verloskunde, gekozen uit een lijst van twee kandidaten, voorgedragen door de Hoge Raad van de Orde der Geneesheren; 3/ twee doctors in de genees-, heel- en verloskunde, gekozen uit een lijst van kandidaten, voorgedragen door de representatieve organisaties van de geneesheren-specialisten in de revalidatie; elke organisatie draagt twee kandidaten voor; 4/ drie doctors in de genees-, heel- en verloskunde, respectief voorgedragen door de Universiteiten te Gent, Brussel en Leuven voor de Nederlandstalige kamer, en door de Universiteiten te Luik, Brussel en Leuven voor de Franstalige kamer; 5/ een doctor in de genees-, heel- en verloskunde, aangewezen door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid onder de ambtenaren van zijn departement; 6/ een doctor in de genees-, heel- en verloskunde, aangewezen door de Minister van Volksgezondheid onder de ambtenaren van zijn departement; 7/ een doctor in de genees-, heel- en verloskunde, aangewezen door de Minister van Sociale Voorzorg. (...) §
  16. De kamers van de Commissie van beroep kunnen slechts een advies uitbrengen indien twee derde van hun leden aanwezig zijn. Zij doen uitspraak bij gewone meerderheid van de stemmen; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend. (...) Art.
  17. Elke kamer van de Commissie van beroep deelt haar met redenen omkleed advies mede aan de Minister van Volksgezondheid. Bij gemotiveerde beslissing doet de Minister uitspraak over de erkenning. Die beslissing wordt bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs aan de betrokkene meegedeeld". Het quorum dat vereist is, wil een collegiaal orgaan rechtsgeldig kunnen beraadslagen en besluiten, speelt een wezenlijke rol in de totstandkoming van de beslissingen die dat orgaan neemt en is een substantiële vormvereiste. Het niet voldoen aan het quorumvereiste of de onregelmatige samenstelling van het orgaan maakt dat de beslissingen ervan door een onwettigheid zijn aangetast. Het bestreden ministerieel besluit steunt onmiskenbaar op het advies van de Commissie van 13 januari
  18. Door de verwerende partij wordt ook niet betwist dat niet is voldaan aan het quorumvereiste uit artikel 9, § 4, van het koninklijk besluit van 6 maart
  19. Uit dit koninklijk besluit blijkt niet dat het quorumvereiste uitsluitend in het belang van de betrokkene zou zijn opgelegd. Het feit dat, enerzijds, het in de praktijk bijna onmogelijk zou zijn om het vereiste quorum te halen gezien VII-19.909-5/7 de leeftijd en de gezondheidstoestand van een aantal leden, en, anderzijds, het niet meer opportuun is de Commissie te hernieuwen gezien de plannen om het wetgevend kader te wijzigen, biedt geen vrijgeleide om een substantieel vormvoor- schrift te miskennen. De bewering van de verwerende partij dat de ingeroepen onregelmatigheid geen invloed heeft gehad op de bestreden beslissing is in dat kader ook niet relevant. Dat de minister over een discretionaire bevoegdheid beschikt en eventueel kan afwijken van het advies, impliceert niet dat hij tevens bevoegd zou zijn om zijn beslissing uitsluitend te nemen op basis van een ongeldig advies en de daarin opgenomen motieven. Aangezien niet werd voldaan aan het quorumvereiste, werd bij de behandeling van het administratief beroep geen geldig advies uitgebracht door de Commissie en is het bestreden besluit dus tot stand gekomen met miskenning van een substantieel vormvoorschrift. Het middel is gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  20. Vernietigd wordt het besluit van de minister van Volksgezondheid en Pensioenen van 23 maart 1999 waarbij Dokter Bart GHESQUIERE, reeds erkend als geneesheer-specialist in de inwendige geneeskunde, wordt toegelaten de titel van geneesheer-specialist in de inwendige geneeskunde en in de functionele en professionele revalidatie van locomotorische gehandicapten te voeren, en wordt ingeschreven op de lijst van de geneesheren die erkend zijn teneinde prestaties te verstrekken inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. Artikel
  21. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-19.909-6/7 Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien februari tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. M.-R. BRACKE. VII-19.909-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.642 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.423 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.