id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.645 Rolnummer: A. 152335/VII-32278 Zaak: Arrest 190645 - Milieuvergunningen - 19/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-03 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 18:47 Fiche Arrest nr 190.645 van 19 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.645 van 19 februari 2009 in de zaak A. 152.335/VII-32.278. In zake : 1. Ivo LAURENT, 2. Theodorus TEUNISSEN, 3. Sebastiaan SMIT, die woonplaats kiezen bij advocaten E. VAN DER MUSSELE en Y. VANDEN BOSCH, kantoor houdende te ANTWERPEN, Stoopstraat 1, bus 10. tegen : de deputatie van de provincie Antwerpen. tussenkomende partij : de BVBA LEDEWI, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN WYNSBERGE, kantoor houdende te LEUVEN, Diestsevest 113. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ivo LAURENT, Theodorus TEUNISSEN en Sebastiaan SMIT op 1 juni 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 11 maart 2004 waarbij het beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Malle van 23 september 2003 houdende het verlenen van een milieuvergunning aan de BVBA LEDEWI tot hernieuwing en uitbreiding van de exploitatie van haar tuinbouwbedrijf, gelegen aan de Vlimmersendijk 60 te Malle, slechts gedeeltelijk gegrond wordt verklaard; Gelet op het arrest nr. 135.271 van 23 september 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoekers; VII-32.278-1/8 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 6 december 2004 ingediend door de BVBA LEDEWI; Gelet op de beschikking van 3 januari 2005 die de tussenkomst van de BVBA LEDEWI toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 8 mei 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 17 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. VAN DER MUSSELE, die verschijnt voor verzoekers, van bestuurssecretaris M. MICHIELS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. VAN WYNSBERGE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-32.278-2/8 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De tussenkomende partij baat te Malle een tuinbouwbedrijf uit. Zij exploiteert serres voor de kweek van tomaten en komkommers. Verzoekers zijn omwonenden van dit bedrijf. 1.2. De tussenkomende partij wil haar bedrijf uitbreiden en meteen wil zij ook de vergunning voor haar inrichting hernieuwen. Voor de uitbreiding van een loods en een serre heeft zij een bouwvergunning nodig. Een voorwaardelijke bouwvergunning wordt haar uiteindelijk verleend middels een ministerieel besluit van 24 februari 2003. Die vergunning wordt evenwel vernietigd door de Raad van State (arrest nr. 130.490 van 21 april 2004). 1.3. Op 23 september 2003 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Malle aan de tussenkomende partij een milieu- vergunning om haar vergunde inrichting vroegtijdig te vernieuwen en te veranderen door wijziging en uitbreiding. 1.4. Tegen dit vergunningsbesluit dienen onder meer de huidige drie verzoekers administratief beroep in. 1.5. Tijdens de beroepsprocedure worden adviezen uitgebracht :
- a)de afdeling Milieuvergunningen geeft op 24 december 2003 een gunstig advies;
- b)de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen verleent op 24 december 2003 een gunstig advies en op 1 maart 2004 een bijkomend advies dat eveneens gunstig is;
- c)de afdeling Water geeft op 16 december 2003 een gedeeltelijk gunstig advies en op 1 maart 2004 een bijkomend, eveneens gunstig, advies;
- d)de Provinciale Milieuvergunningscommissie verleent op 6 januari 2004 advies. Na verder onderzoek formuleert zij op 2 maart 2004 een advies dat deels gunstig en deels ongunstig is. Zij besluit : "Het besluit van het schepencollege kan bevestigd worden mits aanpassing van het voorwerp van de vergunning door aparte opname van de klasse 3- inrichtingen en aanpassing van rubriek 53.8.2, mits ongunstig advies voor de VII-32.278-3/8 winning van 2.178 m³/jaar grondwater (rubriek 53.8.2.) en mits aanvulling met bijzondere voorwaarden". 1.6. Op 11 maart 2004 wordt het thans bestreden besluit genomen. De beroepen worden gedeeltelijk gegrond verklaard. De beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Malle van 23 september 2003 wordt bevestigd mits : "
- a)Vervangen van artikel 1 door : Aan LEDEWI b.v.b.a., gevestigd te 2390 Malle, Vlimmersendijk 60, wordt gedeeltelijk vergunning verleend tot het verder exploiteren en veranderen door uitbreiding en wijziging van een tuinbouwbedrijf, gelegen te 2390 Malle, Vlimmersendijk 60, kadastergegevens (afdeling-sectie-perceelnummer) 2-C-83k, omvattende : - Opslag van max. 12.000 kg oxiderende, schadelijke, corrosieve en/of irriterende stoffen in bulkverpakking (17.3.3.2). - Een dieselnoodstroomaggregaat van 60 kW (31.1.1). - Een nieuwe met aardgas gestookte stookinstallatie met een warmtevermogen van 5.000 kW (stookinstallatie van 2.941 kW reeds vergund) (43.1.2). - Een grondwaterwinning met een opgepompt debiet van max 100 m³/dag en max. 26.822 m³/jaar (53.8.2). De vergunning voor het debiet van de grondwaterwinning boven 26.882 m³ wordt geweigerd (53.8.2.). Akte wordt genomen van volgende klasse 3-inrichtingen : - Het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van sanitair van de serre, in oppervlaktewateren (3.2). - Lozing van huishoudelijk afvalwater van de woning via een kleinschalige waterzuiveringsinstallatie (micro-station) (3.6.1). - Het stallen van drie stuks landbouwvoertuigen (15.1.1). - Opslag van 5.000 l mazout in een dubbelwandige, bovengrondse tank en opslag van 1.200 l mazout in een enkelwandige bovengrondse tank (17.3.6.1.b). - 1 verdeelslang aangesloten op de mazouttank van 1.200 l (17.3.9.1). - Opslag van 2.000 kg gevaarlijke producten in kleine verpakkingen van max. 25 kg of 25 l (meststoffen) (17.4). Vlarem-rubricering : 3.2 - 3.6.1 - 15.1.1 - 17.3.3.2 - 17.3.6.1 B - 17.3.9.1 - 17.4 - 31.1.1 - 43.1.2 -53.8.2;
- b)aanvulling van de bijzondere voorwaarde, opgelegd in artikel 4 § 3 met volgende bijzondere voorwaarden : - Binnen de 6 maand na ingebruikname bezorgt de exploitant aan de vergunningverlenende overheid het bewijs dat de bestaande stookinstallatie buiten gebruik werd gesteld; - De exploitant houdt een register ter beschikking waaruit blijkt dat de plantenresten op regelmatige tijdstippen worden afgevoerd. - Binnen de 90 dagen na het verlenen van de vergunning dient de aanvrager met de nodige documenten te staven dat de grondwaterwinning werd opgevuld met een slurry zoals omschreven in de brochure - Het grondwaterpeil wordt gemeten en de resultaten worden overgemaakt aan de afdeling Water conform de voorwaarden in de artikels 5.53.4.6 en 5.53.4.7 van Vlarem II". VII-32.278-4/8 2. De ontvankelijkheid 2.1.1. De tussenkomende partij betwist het belang van verzoekers, die verwijzen naar het feit dat zij eigenaars zijn van percelen "die op korte afstand liggen van het betrokken perceel". Zij werpt op dat verzoekers hun belang uitsluitend motiveren in het kader van de aanvankelijk voor de uitbreiding van de serre afgeleverde bouwvergunning, aangezien zij louter argumenten ontwikkelen inzake de aantasting van het landschap en visuele hinder. Specifiek met betrekking tot tweede verzoeker stelt de tussenkomende partij voorts dat hij als schipper slechts zelden thuis is en dat hij in Nederland gedomicilieerd is. 2.1.2. Verzoekers antwoorden dat zij allen eigendommen hebben die gelegen zijn op korte afstand (namelijk afstanden tussen 65 meter en 140 meter) van de inrichting van de tussenkomende partij. Zij stellen dat met de uitbreiding van de inrichting een glazen serrewand zal oprijzen die het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, waarin zij wonen, zal teniet doen en verwijzen in dit verband ook naar het administratief beroep van de gemachtigde ambtenaar in het kader van de procedure omtrent de stedenbouwkundige vergunning. Daarnaast wijzen verzoekers ook op "mogelijke problemen met de waterhuishouding in het gebied". 2.1.3. Het wordt niet betwist dat verzoekers allen een eigendom hebben in de nabije omgeving van de inrichting. Een eigenaar van een perceel in de nabijheid van een hinderlijke inrichting doet in principe van een voldoende belang blijken om de milieuvergunning voor die inrichting aan te vechten. Hoewel verzoekers vooral de klemtoon leggen op de visuele hinder die zij verwachten en deze in de eerste plaats voortvloeit uit de bouwvergunning, maken zij toch ook gewag van mogelijke problemen inzake de waterhuishouding. De exceptie wordt verworpen. 2.2.1. De Raad van State heeft met het arrest nr. 130.490 van 21 april 2004 de vergunning voor de bouw van een serre en een loods, waarmee de inrichting van de tussenkomende partij zou worden uitgebreid, vernietigd. Volgens inlichtingen, verstrekt door de tussenkomende partij in haar laatste memorie, heeft de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening, ter uitvoering van dat arrest, op 1 juni 2005 het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingewilligd en de vergunning geweigerd. Dit betekent dat de tussenkomende partij over geen bouwvergunning beschikt voor de uitbreiding van haar infrastructuur volgens de VII-32.278-5/8 plannen die zij oorspronkelijk had ingediend. Zij heeft sindsdien bij ministerieel besluit van 16 augustus 2005 wel een bouwvergunning verkregen voor de uitbreiding van haar inrichting met een loods van 440 m². Deze bouwvergunning, waartegen een annulatieberoep hangende is -de zaak nr. A. 166.885/X-12.530-, heeft een ander voorwerp en is niet in de plaats gekomen van de bouwvergunning voor de oorspronkelijk geplande serres. 2.2.2. De activiteit van de tussenkomende partij -het kweken van tomaten en komkommers- is op zich niet aan een milieuvergunning onderworpen. Slechts bepaalde aspecten van de uitbating zijn vermeld op de indelingslijst en moeten worden vergund. Blijkens de milieuvergunningsaanvraag had de tussenkomende partij de bedoeling om haar inrichting uit te breiden met nieuwe serres en heeft zij, overeenkomstig haar inschatting van de nieuwe behoeften van de uitgebreide inrichting, gevraagd om haar vergunning te vernieuwen en uit te breiden. Ook het bestuur heeft de aanvraag onderzocht met inachtneming van het gegeven dat nieuwe serres zouden worden opgericht. Aldus is de aangevraagde hernieuwing en uitbreiding van de bestaande milieuvergunning onlosmakelijk verbonden met de bouw van de nieuwe serres en dient er rekening te worden gehouden met artikel 5, § 2, derde lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet). De tussenkomende partij verzet zich daartegen omdat de verschillende rubrieken van de milieuvergunning alle kunnen worden ingepast in de bestaande installaties zodat de verwerping van de bouwvergunning de milieuvergunning onverlet laat. 2.2.3. Uit aan de Raad van State verstrekte inlichtingen blijkt dat de plannen betreffende de inplanting van de nieuwe serres, zoals zij bij de milieuvergunningsaanvraag zijn gevoegd, uitgelopen zijn op een stedenbouwkundige weigeringsbeslissing. Die weigering betekent dat de inrichting niet kan functioneren op de wijze, uiteengezet in de milieuvergunningsaanvraag. Uit de weigering van de stedenbouwkundige vergunning die aan de grondslag ligt van de onderhavige milieuvergunning, volgt dat, met toepassing van artikel 5, § 2, derde lid, van het milieuvergunningsdecreet, de hier bestreden milieuvergunning vervallen is. Dat, zoals de tussenkomende partij in haar laatste memorie uiteenzet, de milieuvergunning ook uitwerking kan hebben zonder rekening te houden met de nieuw te bouwen serres, doet aan die vaststelling niets af. De inhoud VII-32.278-6/8 van een milieuvergunning wordt immers, materieel gezien, mede bepaald door de vergunningsaanvraag en de aanvraag was in dit geval toegespitst op de uitbreiding van de activiteiten, waarvan de nieuwbouw een essentieel gegeven was. De aanvraag is ook niet onderzocht in het licht van een aanwending binnen de bestaande activiteiten, noch in het licht van de eenvoudige vernieuwing van de bestaande vergunning. Met de interpretatie die de tussenkomende partij nu aan het bestreden besluit geeft, wijzigt zij de aard van de vergunning die zij heeft verkregen. Een en ander leidt tot het besluit dat de stedenbouwkundige weigering om nieuwe serres te bouwen -essentiële voorwaarde voor de uitbreiding van de activiteit- leidt tot het verval van de milieuvergunning in al haar aspecten. 2.2.4. Het beroep is niet langer ontvankelijk. 2.2.5. Gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, past het de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 525 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 525 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-32.278-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien februari tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. A. VANDENDRIESSCHE. VII-32.278-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.645 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.271 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div