← België

Arrest 190649 - Milieuvergunningen - 19/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.649 Rolnummer: Zaak: Arrest 190649 - Milieuvergunningen - 19/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-27 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 18:49 Fiche Arrest nr 190.649 van 19 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping Samenvoeging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.649 van 19 februari 2009 in de zaken A. (I) 170.364/VII-35.555 (II) 180.630/VII-36.879. In zake : I. + II. 1. Suzanne HANSSENS-DECORTE, 2. Werner BAEKELANDT, 3. Bart BREUGHE, 4. Karim VAN ASSCHE, die woonplaats kiezen bij advocaat Gw. VERMEIRE, kantoor houdende te GENT, Voskenslaan 301 tegen : I. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106, II. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten G. MARTYN en F. VINCKE, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg 82. tussenkomende partij : I. + II. de gemeente WEVELGEM, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te BRUGGE, Baron Ruzettelaan 27. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Suzanne HANSSENS-DECORTE, Werner BAEKELANDT, Bart BREUGHE en Karim VAN ASSCHE op 20 februari 2006 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 24 november 2005 waarbij de beroepen, ingediend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 19 mei 2005, houdende het verlenen van een vergunning op proef aan de gemeente WEVELGEM VII-35.555 en 36.879-1/16 voor de uitbreiding van een gemeentelijke werk- en opslagplaats, gelegen aan de Koningin Fabiolastraat 140 te Gullegem (Wevelgem), ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd (zaak A. 170.364/VII-35.555); Gezien het verzoekschrift dat Suzanne HANSSENS-DECORTE, Werner BAEKELANDT, Bart BREUGHE en Karim VAN ASSCHE op 29 januari 2007 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 16 november 2006 waarbij de beroepen, ingediend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 27 april 2006, houdende het verlenen van een vergunning aan de gemeente WEVELGEM voor de uitbreiding van een gemeentelijke werkplaats, gelegen aan de Koningin Fabiolastraat 140 te Gullegem (Wevelgem), ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd (zaak A. 180.630/VII-36.879); Gezien de verzoekschriften tot tussenkomst van 7 april 2006 (zaak A. 170.364/VII-35.555) en 27 maart 2007 (zaak A. 180.630/VII-36.879) ingediend door de gemeente WEVELGEM; Gelet op de beschikkingen van 13 april 2006 (zaak A. 170.364/VII-35.555) en 2 april 2007 (zaak A. 180.630/VII-36.879) die de tussenkomst van de gemeente WEVELGEM toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord in de beide zaken; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partijen en de tussenkomende partij in de zaak A. 170.364/VII-35.555 en de regelmatig gewisselde laatste memories in de zaak A. 180.630/VII-36.879; Gelet op de beschikkingen van 17 december 2008 waarbij de terechtzitting in de beide zaken bepaald wordt op 22 januari 2009; VII-35.555 en 36.879-2/16 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS in de beide zaken; Gehoord de opmerkingen van advocaat Gw. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partijen in de beide zaken, van advocaat F. TEMMERMAN die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij in de zaak A. 170.364/VII-35.555, van advocaat F. VINCKE, die verschijnt voor de verwerende partij in de zaak A. 180.630/VII-36.879, en van advocaat J. GOETHALS die, loco advocaat A. LUST verschijnt voor de tussenk- omende partij in de beide zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT in de beide zaken; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT: 1. De feiten 1.1. De tussenkomende partij heeft aan de Koningin Fabiolastraat 140 een aantal werk- en stapelplaatsen die fungeren als een depot voor de technische diensten. Op de site bevinden zich onder meer zes loodsen. De verzoekende partijen wonen in de omgeving van deze inrichting. 1.2. Op 8 april 1994 verkrijgt de tussenkomende partij een vergunning voor het bouwen van gemeentelijke werk- en stapelplaatsen. 1.3. Op 3 april 2003 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen aan de tussenkomende partij een milieuvergun- ning op proef voor de exploitatie van gemeentelijke werk- en stapelplaatsen, voor een termijn van één jaar. Nadat hiertegen een administratief beroep werd ingesteld, wordt deze proefvergunning opgeheven en wordt op 19 november 2003 de milieuvergunning geweigerd. In dit weigeringsbesluit wordt overwogen dat grote delen van de inrichting niet verenigbaar zijn met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften. VII-35.555 en 36.879-3/16 1.4. Op 12 november 2004 dient de tussenkomende partij andermaal een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van haar gemeentelijke werk- en stapelplaatsen, en met een beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 19 mei 2005 wordt opnieuw een milieuver- gunning op proef verleend voor een termijn van één jaar. 1.5. Een aantal omwonenden, waaronder de verzoekende partijen, stellen een administratief beroep in tegen deze beslissing. 1.6. In het kader van de beroepsprocedure worden een aantal adviezen uitgebracht: - de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Land- schappen (hierna : AROHM) adviseert gunstig; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert ongunstig en stelt dat de inrichting volgens het gewestplan Kortrijk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 4 november 1977, ten dele gelegen is in een gebied voor dagrecreatie, met dat bestemmingsvoorschrift onverenigbaar is, ten dele ook binnen de grenzen van het Bijzonder Plan van Aanleg (hierna : BPA) Grote Ieperstraat ligt, en daarmee wel verenigbaar is (zone voor openbaar domein - gemeentelijk depot); - de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig, met een minderheidsstandpunt van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen. 1.7. Op 24 november 2005 worden de administratieve beroepen ongegrond verklaard en wordt de proefvergunning bevestigd. Dit is het bestreden besluit in de zaak A. 170.364/VII-35.555. 1.8. Met een beslissing van 27 april 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen wordt de proefvergunning omgezet in een definitieve vergunning voor een termijn van 20 jaar. 1.9. Een aantal omwonenden, waaronder de verzoekende partijen, stellen tegen deze beslissing eveneens een administratief beroep in. VII-35.555 en 36.879-4/16 1.10. In het kader van de beroepsprocedure worden een aantal adviezen uitgebracht: - het Agentschap R-O Vlaanderen stelt dat er geen bedreiging is van erfgoed- waarden; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; - de afdeling Stedenbouwkundig Beleid adviseert gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig. 1.11. Op 16 november 2006 wordt een besluit genomen, waarbij de beroepen ongegrond worden verklaard en de beslissing van 27 april 2006 wordt bevestigd. Dit besluit wordt bestreden in de zaak A. 180.630/VII-36.879. 2. De rechtspleging De proefvergunning die het voorwerp is van de beslissing die in de zaak A. 170.364/VII-35.555 wordt bestreden, werd omgezet in een definitieve vergunning, die het voorwerp is van de beslissing die in de zaak A. 180.630/VII-36.879 wordt bestreden. Beide zaken zijn verknocht en worden met het oog op een goede rechtsbedeling samengevoegd. 3. Ten gronde 3.1. Zaak A. 170.364/VII-35.555 3.1.1.1. In het verzoekschrift wordt als eerste middel de schending aangevoerd van "de bindende en verordenende kracht van de gewestplanbestemming dagrecreatiegebied volgens het gewestplan Kortrijk", goedgekeurd bij koninklijk besluit van 4 november 1977, en van artikel 16 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- -gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit). De verzoekende partijen stellen, kort samengevat, dat een belangrijk deel van de vergunde inrichting, met name zes loodsen en hetgeen onmiddellijk rond deze loodsen ligt, zich volgens het gewestplan Kortrijk in recreatiegebied bevindt. De loodsen zijn volgens hen in strijd met het bestemmings- voorschrift inzake recreatiegebieden uit artikel 16.5.0. van het inrichtingsbesluit. VII-35.555 en 36.879-5/16 3.1.1.2. In de memorie van antwoord wordt onder meer gesteld dat de verzoekende partijen niet langer belang hebben bij het middel, vermits een definitieve milieuvergunning werd verleend die in overeenstemming is met de bestemmingsvoorschriften voor een stedelijk woongebied, voorzien in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna : GRUP) "Afbakening regionaalstede- lijk gebied Kortrijk", deelplan 7 B. 3.1.1.3. In de memorie van wederantwoord wordt betoogd dat het recent goedgekeurde GRUP niet relevant is, vermits dit plan nog niet bestond op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd goedgekeurd. Bovendien is het volgens de verzoekende partijen geenszins zeker dat de inrichting in overeenstemming is met dit GRUP. Rekening houdend met het advies van de Vlaamse commissie voor ruimtelijke ordening (hierna : VLACORO) en de toelichtingsnota, beantwoorden volgens hen zowel de inplanting als de uitbating van de gemeentelijke werkplaatsen en depots kennelijk niet aan de eisen en de voorwaarden inzake het stedelijk woongebied. De verzoekende partijen menen dat er een voorbehoud moet worden gemaakt bij de wettigheid van dit GRUP. 3.1.1.4. De tussenkomende partij stelt in essentie dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het middel, nu de inrichting volgens de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Kortrijk door de Vlaamse regering op 20 januari 2006 gelegen is in een stedelijk woongebied en de inrichting binnen de voorschriften van dit gebied past. 3.1.1.5. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat de aantasting van een proefvergunning door een planologische tegenstrijdigheid niet met terugwerkende kracht kan worden rechtgezet door een latere vergunningsbeslis- sing, aangezien in dat geval de proefvergunning zou moeten worden aanzien als een niet-zelfstandige beslissing. 3.1.1.6. Het besluit van de Vlaamse regering van 20 januari 2006 heeft het GRUP "afbakening regionaalstedelijk gebied Kortrijk" definitief vastgesteld. Het wordt niet betwist dat de inrichting volgens dit GRUP gelegen is in een stedelijk woongebied. De verzoekende partijen poneren wel dat de inplanting en de uitbating van de gemeentelijke werkplaatsen niet beantwoorden aan de eisen en de voorwaar- den inzake stedelijke woongebieden, maar tonen dit niet aan. VII-35.555 en 36.879-6/16 Een eventuele onwettigheid die kleeft aan de proefvergunning kan, anders dan de verzoekende partijen in hun laatste memorie argumenteren, wel degelijk worden rechtgezet bij het verlenen van een definitieve vergunning. Dit is te dezen gebeurd, aangezien de inrichting gelegen is in een woongebied en de verzoekende partijen niet aantonen dat zij niet beantwoordt aan de bestemmings- voorschriften van dit gebied. Aangezien de minister bij het nemen van een nieuwe beslissing niet anders kan dan de geldende stedenbouwkundige voorschriften toepassen voor de bestemming "stedelijk woongebied", valt niet in te zien welk belang de verzoekende partijen kunnen hebben bij een vernietiging op grond van dit middel en dus welk voordeel een eventuele vernietiging de verzoekende partijen zou kunnen opleveren. Het eerste middel is niet ontvankelijk. 3.1.2.1. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 30, § 4, en 52, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I). De toepassing van artikel 159 van de Grondwet wordt gevraagd omdat de bouwvergunning van 8 april 1994 onwettig zou zijn. Tevens wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), het legaliteitsbeginsel en het adagium "nemo auditur suam turpitudinem allegans". Ook wordt machtsoverschrijding ingeroepen. In een eerste onderdeel stellen de verzoekende partijen, kort samengevat, dat een proefvergunning slechts kan worden verleend indien er geen bouwvergunning voor de inrichting of voor de verandering ervan vereist is en dat voor de toegangsweg tot de inrichting geen bouwvergunning is afgeleverd, hoewel uit artikel 5.15.0.6., § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II) zou volgen dat er een intrinsiek verband bestaat tussen deze weg en de uitbating van de depots. De motivering inzake de ontstentenis van een bouwvergun- ning voor deze toegangsweg is volgens hen niet afdoende. VII-35.555 en 36.879-7/16 In een tweede onderdeel stellen de verzoekende partijen dat de bouwvergunning van 8 april 1994 voor de loodsen kennelijk onwettig is. Zij betogen daarbij dat het verplicht openbaar onderzoek niet plaatsvond en dat bij het afleveren van de bouwvergunning op grond van een ondeugdelijke motivering toepassing werd gemaakt van artikel 20 van het inrichtingsbesluit, zodat de bouwvergunning op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten. 3.1.2.2. In de memorie van antwoord betoogt de verwerende partij, samengevat, dat de milieuvergunning enkel betrekking heeft op de inrichting zelf, en niet op de toegangsweg. Zij stelt dat er maatregelen werden opgelegd in de zin van artikel 5.15.0.6. van Vlarem II en dat de vergunningverlenende overheid ermee kan volstaan te motiveren waarom toepassing kan worden gemaakt van artikel 43, §§ 7 en 8, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : coördinatiedecreet). Zij voegt daaraan toe dat de bouwvergunning van 8 april 1994 nooit rechtstreeks in rechte is aangevochten, en dat de overheid die de milieuvergun- ning moest afleveren, niet vermocht de bouwvergunning op haar wettigheid te toetsen. 3.1.2.3. In de memorie van wederantwoord argumenteren de verzoekende partijen dat de toegangsweg binnen de draagwijdte van de vergunning valt. Zij menen dat de weg "bouwvergunningsplichtig" is en dat hij omwille van de goede ruimtelijke ordening en de verplichting om de milieueffecten te beoordelen bij de beoordeling moest worden betrokken. Wat de bouwvergunning van 8 april 1994 betreft, moet volgens hen worden opgemerkt dat de toepassing van artikel 159 van de Grondwet zowel voor individuele als voor reglementaire besluiten geldt, hetgeen volgens hen ook de zienswijze is van het Grondwettelijk Hof, het Hof van Cassatie en gezaghebbende rechtsleer. Zij stellen daarbij dat zelfs de Raad van State aanvaardt dat bepaalde "grof onregelmatige individuele bestuurshandelingen" geen uitwerking kunnen hebben en noemen te dezen de bouwvergunning "zeer grof onrechtmatig". 3.1.2.4. De tussenkomende partij betoogt, kort samengevat, dat het gebruik van een publieke toegangsweg naar een vergunningsplichtige inrichting zelf geen vergunningsplichtige activiteit is. De relevante deelinrichting waarvoor de vergunning is gevraagd, wordt volgens haar onder rubriek 15.1.2. van bijlage I bij VII-35.555 en 36.879-8/16 Vlarem I omschreven als een ruimte waarin voertuigen worden gestald. Dat artikel 5.15.0.6., § 2, van Vlarem II voor de toegangsweg in bijkomende algemene milieuvoorwaarden voorziet, betekent volgens haar niet dat de toegangsweg zelf tot de inrichting zou gaan behoren. Uit artikel 30, § 4, van Vlarem I blijkt volgens de tussenkomende partij dat enkel de afwezigheid van een stedenbouwkundige vergunning een proefvergunning uitsluit. 3.1.2.5. In de laatste memorie argumenteren de verzoekende partijen nog dat de inplantingsplaats uit de oorspronkelijke bouwaanvraag afwijkt van de plaats waar de loodsen en werkplaatsen vergund en ook werkelijk gebouwd zijn. 3.1.2.6. Artikel 30, § 4, van Vlarem I bepaalt: "Wanneer voor de inrichting, voor de verandering van de inrichting of voor het gedeelte van de inrichting dat het voorwerp uitmaakt van de milieuvergun- ningsaanvraag, krachtens artikel 44 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw geen bouwvergun- ning is vereist, mag de in artikel 5 bedoelde vergunning op proef worden verleend voor een termijn van tenminste zes maanden en ten hoogste twee jaar". Deze bepaling is slechts van toepassing indien voor de inrichting waarvoor de milieuvergunning is gevraagd ook een bouwvergunning vereist is. Aangezien de toegangsweg niet milieuvergunningsplichtig is, is de voormelde bepaling te dezen niet van toepassing. Dat de toegangsweg nodig is om de inrichting te kunnen gebruiken en dat er hinder kan ontstaan door het gebruik van de weg, doet daaraan niets af. Artikel 5.15.0.6., § 2, van Vlarem II waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, is van toepassing op garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen en heeft geen betrekking op niet- vergunningsplichtige toegangswegen. De formele motiveringsplicht vereist niet dat wordt geantwoord op bezwaren die niet pertinent zijn, omdat zij los staan van het voorwerp van de inrichting waarvoor de milieuvergunning is gevraagd. Individuele bestuursbeslissingen kunnen niet buiten toepassing worden gelaten op basis van artikel 159 van de Grondwet. Voorts blijkt niet dat de VII-35.555 en 36.879-9/16 bouwvergunning zodanig onregelmatig is dat zij voor onbestaande moet worden gehouden. Het tweede middel is niet gegrond. 3.1.3.1. Als derde middel wordt in het verzoekschrift de schending ingeroepen van artikel 43, §§ 7 en 8 van het coördinatiedecreet, artikel 5 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergun- ningsdecreet), de artikelen 52, 3/, en 57, § 1, van Vlarem I, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, het ministerieel besluit van 19 november 2003 "houdende (

  1. de)weigering van de milieuvergunning", het redelijkheids- en het zorgvuldigheids- beginsel. De verzoekende partijen stellen, samengevat, dat de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen negatief adviseerde en dat ook in het beroep- schrift werd aangevoerd dat de voorwaarden om toepassing te maken van de regeling inzake de zonevreemde bedrijven niet zijn vervuld. Zo zou het bestreden besluit niet afdoende motiveren dat er een overeenstemming is met de ruimtelijke draagkracht van het gebied en dat er geen verstoring is van de bestemmingen in de onmiddellijke omgeving, zou de bestemming "woonfunctie" verstoord zijn en zou niet voldaan zijn aan de specifieke vereiste dat het moet gaan om constructies die hoofdzakelijk vergund zijn of geacht worden vergund te zijn. 3.1.3.2. In de memorie van antwoord betoogt de verwerende partij dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het middel, gelet op de gewijzigde planologische situatie. 3.1.3.3. In de memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen nog dat de motivering van het bestreden besluit inzake de toepassing van de regeling inzake de zonevreemde inrichtingen niet afdoende is. Te dezen beschikt de minister volgens hen niet eens over het aanvraagdossier en de plannen, zodat de vraag rijst hoe hij de ruimtelijke draagkracht en de situatie in de onmiddellijke omgeving kon inschatten. De Raad van State kan volgens de verzoekende partijen hoe dan ook vaststellen dat het kennelijk onredelijk is om vlak bij de tuinen van verscheidene gezinnen allerlei inrichtingen te vergunnen die onvermijdelijk de leef- en de woonkwaliteit aantasten. VII-35.555 en 36.879-10/16 3.1.3.4. In hun laatste memorie wijzen de verzoekende partijen op de "autonome werking van de proefvergunning" die er volgens hen toe leidt dat de schending van de toen vigerende wetgeving niet ongedaan kan worden gemaakt door een latere beslissing "die de voorgaande niet intrekt en (
  2. ze)in geen enkel opzicht wijzigt of herstelt". 3.1.3.5. Zoals uit de bespreking van het eerste middel blijkt, kan een eventuele onwettigheid van de proefvergunning op stedenbouwkundig vlak worden rechtgezet indien, zoals te dezen, bij het verlenen van de definitieve vergunning bestemmingsvoorschriften gelden waarmee de definitieve vergunning wel verenigbaar is. Het gebied kreeg de bestemming woongebied, zodat de verzoekende partijen geen belang meer hebben bij het middel. Het derde middel is niet ontvankelijk. 3.2. Zaak A. 180.630/VII-36.879 3.2.1. In het verzoekschrift roepen de verzoekende partijen als derde middel de schending in van artikel 30bis van Vlarem I, van de artikelen 1.1.2., 4.5.1.1., § 2, en 5.15.0.6., en de afdelingen 4.5.2. en 4.5.3. van Vlarem II, van de bijlagen 2.2.1. en 4.5.4. bij Vlarem II, van artikel 17 van het milieuvergunningsde- creet en van het redelijkheidsbeginsel. Tevens roepen zij machtsoverschrijding in. In essentie houdt het middel onder meer in dat er een geluidsni- veau van 57 dB(A) is gemeten, waar dit slechts 45 dB(A) zou mogen zijn, zodat de vergunning op grond van artikel 30bis van Vlarem I diende te worden geweigerd. Voorts wordt gesteld dat met de algemene milieuvergunningsvoorwaarden inzake de beheersing van geluid, omschreven in hoofdstuk 4.5. van Vlarem II, onvoldoende rekening wordt gehouden. 3.2.2. In de memorie van antwoord meent de verwerende partij dat de verzoekende partijen zich voor de geluidshinder steunen op een verkeerde richtwaarde. Zij meent dat het te dezen gaat om een gebied dat onder twee of meer punten van de tabel valt, zodat de hoogste richtwaarde van toepassing is. Het gaat volgens haar ook niet om een nieuwe inrichting, aangezien de milieuvergunning betrekking heeft op een uitbreiding, zodat afdeling 4.5.4. van Vlarem II dient te worden toegepast. VII-35.555 en 36.879-11/16 Inzake de overschrijding van de norm ter hoogte van de uiterste hoek van de meest nabijgelegen tuin stelt de verwerende partij dat deze blijkt te zijn veroorzaakt door het verkeer, dat niet in Vlarem II is ingedeeld. Nog volgens de verwerende partij zien de verzoekende partijen, waar zij kritiek geven op het toestaan van voertuigen die op 5 meter van de bron nog 88 dB(A) produceren, over het hoofd dat het in een verstedelijkte omgeving zoals Gullegem niet mogelijk is alle hinder te vermijden, en dat het niet de bedoeling is geweest van de Vlaamse decreetgever om alle hinder te bannen. Het toetsingskader is volgens hen dat van artikel 5.15.0.6., § 2, van Vlarem II. Zij stippen aan dat voor de meest lawaaierige machines een beperking is opgelegd van maximum 72 minuten per dag. 3.2.3. In de memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen nog dat het evaluatieverslag van de afdeling Milieu-inspectie duidelijk niet de diverse voorwaarden van de proefvergunning beoordeelt. Volgens hen wordt in het advies van de afdeling Milieuvergunningen ingegaan op een "scenario 2", doch wordt "totaal onlogisch" besloten dat de geluidsvoorwaarden van Vlarem II kunnen worden nageleefd. Er is volgens hen, integendeel, sprake van een normoverschrijding met 5 dB(A) in de achtertuin van de dichtste woning. De verzoekende partijen stellen dat uit de bestreden beslissing, noch uit de uitgebrachte adviezen blijkt dat een richtwaarde van 50 dB(A) van toepassing zou zijn en dat, ter beantwoording van de vraag of het om een nieuwe of een bestaande inrichting gaat, rekening moet worden gehouden met de omschrijving van een "bestaande inrichting" in artikel 1.1.2. van Vlarem II. Zij besluiten dat de huidige inrichtingen op de in die bepaling vernoemde data niet vergund waren. Wat de aangelegenheid van het verkeer van en naar de werk- en stapelplaatsen betreft, menen de verzoekende partijen dat dit deel uitmaakt van de "vergunde rubriek 5.15" en dat het zeer logisch is om rekening te houden met de milieu-impact van het verkeer, gelet op de omschrijving van het begrip "milieu- technische eenheid" in artikel 1.1.2., § 1, van Vlarem II. Zij wijzen er verder onder meer op dat er geen doeltreffende beschermingsmaatregelen zijn genomen om minstens de geldende milieunormen te VII-35.555 en 36.879-12/16 halen, hetgeen blijkt uit het feit dat de richtwaarde van 45 dB(A) niet wordt gehaald, en dat er voor bepaalde voertuigen gedurende 6 uur per week een geluidsoverlast van 88 dB(A) aan de bron wordt toegestaan, terwijl dit op 100 à 150 meter afstand niet tot 45 dB(A) kan worden herleid. 3.2.4. De tussenkomende partij betoogt dat de kritiek op de manier waarop het evaluatieverslag inzake geluid is opgemaakt, een opportuniteitskritiek is. Zij meent dat uit dit verslag, dat volgens haar pertinent en zorgvuldig is opgesteld, blijkt dat de inrichting, mits nakoming van de getroffen maatregelen, aan de Vlarem II-normen kan voldoen. De verzoekende partijen verwarren volgens de tussenkomende partij het begrip "grenswaarde" met het begrip "richtwaarde". Zij verwijst naar het arrest van de Raad van State nummer 150.906 van 3 november 2005, waarin wordt gesteld "dat uit de bestreden beslissing de concrete elementen moeten blijken op grond waarvan geoordeeld werd dat de overschrijding van die richtnormen een voor de omgeving onaanvaardbare geluidshinder tot gevolg heeft". Zij voegt er aan toe dat de overschrijding van de geluidsnorm op het uiterste punt van de tuin van één van de verzoekende partijen niet tot een weigering van de vergunning kan leiden, aangezien de richtwaarden moeten overschreden zijn in de nabijheid van de woning zelf, wat niet het geval zou zijn, en dat na de meting nog aanvullende maatregelen werden genomen. Zij stelt voorts dat de toegangsweg een openbare weg is, dat het verkeer geen "ingedeelde inrichting" is, en dat de opgelegde bijzondere voorwaarden garanderen dat de inrichting de buurt niet bovenmatig hindert. 3.2.5. In haar laatste memorie betwist de tussenkomende partij dat het verkeersgeluid kan worden toegeschreven aan het in- en uitgaand verkeer van de inrichting. Zij meent dat de motivering van de beslissing terzake overbodig is, aangezien volgens haar de geluidsnormen wel degelijk worden gehaald, en merkt verder op dat de richtwaarden niet op alle punten van het terrein moeten worden gehaald, maar enkel "in de nabijheid van bewoonde gebouwen". Ten slotte meent zij dat de afdeling Milieu-inspectie zich in essentie kon beperken tot de vaststelling dat het personeel niet langer gebruik maakte van de site om de wagens te parkeren. VII-35.555 en 36.879-13/16 3.2.6. De verwerende partij stelt in haar laatste memorie dat de geluidsmeting op de hoek van de meest nabijgelegen tuin, "achterkant tuin", niet in overeenstemming is met artikel 1, § 4, van bijlage 4.5.1. bij Vlarem II, dat een meting voorschrijft "in de nabijheid van" één of meer van de gebouwen. 3.2.7. De voorwaarden voor de bestrijding van de geluidshinder opgelegd bij de proefvergunning werden voor het overgrote deel overgenomen in de bestreden beslissing. Het is niet vereist dat daarbij de geldende voorwaarden uit de proefvergunning in extenso worden hernomen. In het rapport "akoestisch onderzoek depot technische diensten gemeente Wevelgem" van 18 juli 2003 wordt, wat het specifiek geluid afkomstig van het gemeentelijk depot van de technische diensten betreft, gesteld: "(...) Geluid van verkeer: conform ter hoogte van de woningen, niet conform op uiterste hoek van meest nabijgelegen tuin". Uit een latere geluidsstudie van 17 augustus 2005, die specifiek betrekking heeft op de geluidsimmissie van de voertuigen van het depot, blijkt dat er op één meetpunt, namelijk op de hoek van de meest nabijgelegen tuin, een quasi continue overschrijding van de grenswaarde is. Artikel 1.1.2. van Vlarem II stelt inzake "specifiek geluid" het volgende: "(...) tot het specifieke geluid van een inrichting wordt eveneens geluid (lawaai) gerekend, voortgebracht door transport, laad- en losverrichtingen, verkeer, het opwarmen en laten draaien van motoren op het terrein van de inrichting, evenals door het in- en uitgaande verkeer". Blijkens die omschrijving moet het geluid door het in- en uitgaand verkeer in aanmerking worden genomen, ook al is het verkeer als zodanig geen ingedeelde inrichting. Wanneer dit verkeersgeluid in aanmerking wordt genomen, is er op één plaats een overschrijding van de geluidsnormen. Artikel 30bis, §1, van Vlarem I bepaalt onder meer : "Een vergunning kan worden verleend wanneer deze voorwaarden bevat welke garanderen dat de inrichting voldoet aan de eisen die door dit reglement VII-35.555 en 36.879-14/16 en titel II van het Vlarem zijn gesteld. De vergunning wordt geweigerd wanneer dat niet het geval is". Aangezien de bestreden beslissing expliciet stelt dat er in één van de tuinen een overschrijding van de geluidsnorm is, werd de vergunning afgeleverd in strijd met artikel 30bis van Vlarem I. Uit de stukken van het dossier blijkt dat zelfs overschrijdingen werden vastgesteld die hoger zijn dan de soepelere waarden die gelden voor bestaande inrichtingen. De bewering dat de betrokken inrichting geen nieuwe inrichting zou zijn, zodat hogere geluidsnormen zouden toegelaten zijn, is dus niet relevant. Daargelaten of de verwerende partij wel op ontvankelijke wijze in de laatste memorie kan argumenteren dat de voormelde geluidsmeting niet is gebeurd conform Vlarem II, wordt vastgesteld dat de verwerende partij zulks niet aantoont, en dat zij evenmin aantoont dat die meting een overtollig motief vormt van de bestreden beslissing. Het argument van de tussenkomende partij dat de verzoekende partijen geen opportuniteitskritiek moeten geven op het evaluatieverslag, overtuigt evenmin. Het betreft hier immers geen opportuniteitskritiek, maar een kritiek op het feit dat het verslag onvolledig is. Het middel is in die mate gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel 1. De zaken A. 170.364/VII-35.555 en A. 180.630/VII-36.879 worden gevoegd. Artikel 2. Het beroep wordt verworpen in de zaak A. 170.364/VII-35.555. VII-35.555 en 36.879-15/16 Artikel 3. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 16 november 2006 waarbij de beroepen, ingediend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 27 april 2006, houdende het verlenen van een vergunning aan de gemeente WEVELGEM voor de uitbreiding van een gemeentelijke werkplaats, gelegen aan de Koningin Fabiolastraat 140 te Gullegem (Wevelgem), ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Artikel 4. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 5. De kosten van het beroep in de zaak A. 170.364/VII-35.555, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor een vierde. De kosten van het beroep in de zaak A. 180.630/VII-36.879, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verwerende partij De kosten van de tussenkomsten in de beide zaken, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien februari tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. A. VANDENDRIESSCHE. VII-35.555 en 36.879-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.649 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.