id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.652 Rolnummer: A. 190292/VII-37281 Zaak: Arrest 190652 - Milieuvergunningen - 19/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-24 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 18:50 Fiche Arrest nr 190.652 van 19 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.652 van 19 februari 2009 in de zaak A. 190.292/VII-37.281. In zake : 1. Peter BERT, 2. Alex NOTEBAERT, 3. Mark VANDEMOORTELE, die woonplaats kiezen bij advocaten B. ROELANDTS en T. MALFAIT, kantoor houdende te GENT, Kasteellaan 141. tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. tussenkomende partij : de INTERGEMEENTELIJKE VERENIGING VOOR CREMATO- RIUMBEHEER IN ZUID-WEST-VLAANDEREN (PSILON), die woonplaats kiest bij advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 6, bus 24. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Peter BERT, Alex NOTEBAERT en Mark VANDEMOORTELE op 27 november 2008 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 29 augustus 2008 waarbij het beroep, ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 21 februari 2008, houdende het verlenen van een vergunning aan de INTERGEMEENTELIJKE VERENIGING VOOR CREMATORIUMBEHEER IN ZUID-WEST-VLAANDEREN (PSILON) voor het exploiteren van een crematorium, gelegen aan de Ambassadeur Baertlaan te Kortrijk, slechts gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing in die zin wordt gewijzigd dat de bijzondere vergunningsvoorwaarden worden aangevuld met één bijkomende bijzondere voorwaarde; VII-37.281-1/12 Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 januari 2009 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. MALFAIT, die verschijnt voor verzoekers, van advocaat S. CALLENS die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat D. VAN HEUVEN, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De procedure Met een op 28 november 2008 ter post afgegeven en aangetekend verstuurd verzoekschrift vraagt de INTERGEMEENTELIJKE VERENIGING VOOR CREMATORIUMBEHEER IN ZUID-WEST-VLAANDEREN (PSILON) erom in het aanhangig gemaakte geding te mogen tussenkomen. Als titularis van de bestreden milieuvergunning en toekomstig exploitant van de vergunde inrichting heeft deze vereniging een evident belang bij haar tussenkomst. Het verzoek tot tussenkomst is dan ook ontvankelijk. VII-37.281-2/12 2. De feiten 2.1. Op 13 augustus 2007 dient de tussenkomende partij bij de deputatie van de provincie West-Vlaanderen een vergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een crematorium, gelegen aan de Ambassadeur Baertlaan te Kortrijk. Volgens het Bijzonder Plan van Aanleg (hierna : BPA) nr. 33/4 "Kerkhof- Hoog Kortrijk", goedgekeurd bij ministerieel besluit van 17 november 1994, ligt de inrichting in een zone "kerkhof". Tot het voorwerp van de aanvraag behoren in concreto : - het lozen van 500 m3/jaar huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater; - een noodgenerator met dieselmotor van 500 kW; - een transformator van 630 kVA; - een stalplaats voor zes lijkwagens; - een airco van 200 kW; - een koel-, oven- en filterinstallatie; - een koelcel voor lijkkisten; - twee luchtcompressoren van elk 7,5 kW; - een bovengrondse opslagplaats voor 2.000 liter diesel; - de opslag van 200 liter diverse gevaarlijke stoffen; - een warmtewisselaar van 4.950 liter; - diverse stookinstallaties op aardgas met een totaal vermogen van 3.120 kW; - drie crematieovens. 2.2. Op 21 februari 2008 verleent de deputatie van de provincie West-Vlaanderen de gevraagde vergunning voor een termijn van twintig jaar. Aan de vergunning worden een aantal bijzondere exploitatievoorwaarden verbonden, waarvan de belangrijkste betrekking hebben op de beheersing van en de controle op de luchtemissies. 2.3. Op 3 april 2008 stellen een aantal buurtbewoners, waaronder verzoekers, bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het Leefmilieu, een beroep in tegen deze milieuvergunning. VII-37.281-3/12 2.4. Op 29 mei 2008 verleent de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid een gunstig advies. De aanvraag wordt in overeenstem- ming geacht met de bepalingen van het BPA nr. 33/4 "Kerkhof-Hoog Kortrijk". Het advies van de afdeling Milieuvergunningen van 30 mei 2008 is eveneens gunstig voor het verlenen van de vergunning, mits de in eerste aanleg opgelegde bijzondere voorwaarden worden aangevuld met een bijkomende bijzondere voorwaarde met betrekking tot het actualiseren van de uitgevoerde mobiliteitsstudie. De afdeling Onroerend Erfgoed West-Vlaanderen pleit in haar advies van 4 juni 2008 voor het toelaten van een inrichting die "de ruimtelijke draagkracht van de omgeving met waardevolle open ruimtekenmerken niet overstijgt". Door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 3 juni 2008 voorgesteld om het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren, de beroepen beslissing in die mate te wijzigen dat een bijkomende bijzondere voorwaarde wordt opgelegd en ze voor het overige te bevestigen. 2.5. Met een besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 29 augustus 2008 wordt het beroep slechts gedeeltelijk gegrond verklaard en wordt de beroepen beslissing bevestigd mits het opleggen van een bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarde. Dit is het bestreden besluit. Naast de toepasselijke algemene en sectorale milieuvoorwaarden van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), is de bestreden milieuvergunning, door de bevestigde beslissing in eerste aanleg en aangevuld door het besluit na beroep, afhankelijk gesteld van de naleving van de volgende bijzondere voorwaarden : "
- a)De dieselmotor van de noodstroomgenerator wordt voorzien van een geluidsisolerende omkasting.
- b)Het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd via een individuele afval- waterzuiveringsinstallatie (IBA) en dient te voldoen aan de lozingsvoor- waarden voor lozing in oppervlaktewater.
- c)Het aantal crematies wordt beperkt tot maximum 3.065 crematies per jaar. Een logboek wordt bijgehouden en ter beschikking gehouden van de toezichthoudende overheid.
- d)De luchtemissies van stof, kwik, SO2 en dioxines/furanen dienen te voldoen aan de volgende grenswaarden (uitgedrukt bij droge rookgassen en 11 vol% O2) - totaal stof : 15 mg/Nm3 - kwik- en kwikverbindingen, uitgedrukt als kwik (Hg) : 0,1 mg/Nm3 VII-37.281-4/12 - zwaveldioxide, uitgedrukt als S02 : 150 mg/Nm3 - dioxines/furanen : 0,05 ng TEQ/Nm3
- e)De schoorsteenhoogte bedraagt 10 m boven het maaiveld.
- f)De lijkkist wordt pas in de oven gebracht bij een oventemperatuur van minstens 850/C. Deze temperatuur wordt over een voldoende lange termijn aangehouden teneinde de volledige verbranding van alle organische componenten te garanderen.
- g)De exploitant moet instaan voor continue procesmetingen. Dit houdt het volgende in : De werking van de oven, koeling van de rookgassen en rookgaszuivering worden continu gecontroleerd en geregeld door het proces(computer) zelf. De diverse meetgrootheden worden continu gemeten en geschreven. Alle grootheden worden automatisch genoteerd in functie van de tijd. Zo blijft het mogelijk om op elk ogenblik na te gaan of de exploitatie correct is verlopen. De voornaamste grootheden die gemeten worden zijn : - temperaturen van de oven - rookgastemperatuur na de oven - rookgastemperatuur voor en na rookgaskoeling - rookgastemperatuur voor en na de rookgasreiniging - druk rookgassen na de oven; voor en na rookgaskoeling; voor en na rookgasreiniging - druk rookgassen voor en na zuigtrekventilator - injectiehoeveelheid van mengsel kalk en actief kool - debiet en druk aan aardgas - elektriciteitsverbruik zuigtrekventilator (hieruit en rekening houdend met druk rookgassen voor en na zuigtrekventilator kan rookgasdebiet berekend worden) - elektriciteitsverbruik algemeen (technische installatie) - druk perslucht - temperaturen koelwater voor en na warmtewisselaar (boiler) en luchtkoeler - debiet koelwater Naast deze gegevens dient de exploitant bepaalde gegevens zelf aan te vullen zoals aantal crematies per dag met vermelding van uur begin en uur einde. Op basis van deze gegevens wordt maandelijks door de exploitant een evaluatierapport opgesteld. Hieruit worden de verbruiken per crematie berekend. Deze maandelijkse rapporten worden telkens bezorgd aan (
- de)stad Kortrijk en ter beschikking gehouden van de toezichthoudende instanties.
- h)De exploitant laat zich tijdens de ontwerpfase en de opstartfase begeleiden door een erkend deskundige lucht. De exploitant laat daarom een studie uitvoeren inzake de aangewende zuiveringstechniek. De aangewende techniek dient inzake performantie vergeleken te worden met de andere BBT-technieken. - De studie wordt opgemaakt op basis van 2 wekelijkse emissiemetingen gedurende de eerste 6 maanden. Dioxines worden tijdens de beschouw- de periode 2 maal bepaald. De meting gebeurt overeenkomstig de bepalingen van art. 5.58.3. De emissiemetingen worden uitgevoerd door een erkend labo. Ook moet via de metingen kunnen aangetoond worden dat voor wat betreft zware metalen voldaan wordt aan de algemene emissiegrenswaarden voor lucht (...). - De datum van de ingebruikname van de installatie wordt schriftelijk meegedeeld aan de vergunningsverlenende overheid en de afdeling Milieu-inspectie. VII-37.281-5/12 - Deze studie wordt binnen een termijn van 9 maanden na de ingebruik- name van de installatie bezorgd aan de vergunningverlenende overheid, LNE-afdeling milieuvergunningen, LNE-afdeling milieu- inspectie, stad Kortrijk, de VMM en Toezicht Volksgezondheid. - Uit de eerste beschikbare maandrapporten zoals vermeld onder
- g)moet de erkend deskundige lucht in zijn studie ook nagaan welke procespa- rameters in welke mate kunnen gelinkt worden aan de vastgestelde emissies, en hoe door in te spelen op de procesparameters de luchte- missies kunnen beheerst blijven. - De deskundige moet ook nagaan wat de CO-emissies zijn en op die basis een voorstel formuleren omtrent de zinvolheid van een eventuele CO-norm. - Tijdens die eerste 6 maanden moet de deskundige ook de bijdrage van de exploitatie aan de immissie in de omgeving bepalen, en vergelijken met de immissieprognosecijfers.
- i)de lokalen waarin de rouwmaaltijden bereid en uitgedeeld worden moeten voldoende gescheiden zijn van de lokalen bestemd voor (het) in- en uitladen van de lijken en de lokalen bestemd voor opbaring en bewaring van de lijken.
- j)Een klachtenmeldpunt dient in samenspraak met de milieudienst van de stad Kortrijk opgericht te worden.
- k)Er dient steeds iemand aanwezig te zijn in de inrichting tot de crematies volledig afgelopen zijn.
- l)De exploitant dient alle controleparameters (zoals hierboven besproken bij het aspect 'emissies') en ook de belangrijkste gegevens uit de maandrap- porten (zoals emissiemetingen, aantal crematies per dag en rookgastempe- raturen) online beschikbaar te maken zodat elke geïnteresseerde de emissies en controleparameters kan volgen op de website van de inrichting.
- m)Na afloop van de onder
- h)vermelde periode geldt voor wat betreft de emissiemetingen het volgende : bovenop de in Vlarem II bepaalde verplichtingen inzake emissiemetingen (jaarlijks moeten de emissies per lijn gecontroleerd en geanalyseerd worden) moet de exploitant per jaar een extra controle en analyse laten uitvoeren (per lijn).
- n)De exploitant moet de mobiliteitsstudie die in samenspraak met de stad Kortrijk wordt uitgevoerd, aanvullen. Hierbij moet voor de verkeersafwik- keling rekening worden gehouden met lokale snelheidsbeperkingen en andere verkeersremmende maatregelen enerzijds, en met de aanwezigheid van zwakke weggebruikers anderzijds. Deze informatie moet online beschikbaar gemaakt worden, en de conclusies van deze studie moeten maximaal geïmplementeerd worden". 2.6. De stedenbouwkundige vergunning voor het nieuwe crematorium werd verleend bij besluit van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar van 21 april 2008. Verzoekers hebben tegen die vergunning eveneens een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing ingesteld bij de Raad van State (zaak A. 188.705/X-13.816). De vordering tot schorsing werd verworpen bij arrest nr. 187.166 van 20 oktober 2008 wegens het niet vervuld zijn van de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. VII-37.281-6/12 3. In rechte De schorsingsvoorwaarden 3.1. Op grond van artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoer- legging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 3.2. Tot staving van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij beweren te lijden door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden milieuvergunning, zetten verzoekers het volgende uiteen : "Uitgangspunt is dat het rustige woonklimaat van de verzoekende partijen door de uitvoering van de milieuvergunning zal teniet gedaan worden. Feit is dat de verzoekende partijen op ernstige wijze zullen worden benadeeld. Door de omvang van het project dreigt het rustig woongenot van verzoekende partijen voor de rest van hun dagen onherroepelijk te zullen worden aangetast. (...) De belangrijkste vaststelling is evenwel dat de impactstudie uitgevoerd door SGS uitgaat van zo'n 3.065 crematies per jaar, dit terwijl het crematorium een capaciteit heeft van meer dan 6.000 crematies per jaar. Het crematorium beschikt immers over 3 ovens waarbij elke oven een maximumcapaciteit van 7 crematies per dag heeft (...). Onnodig te zeggen dat de komst van het crematorium de verzoekende partijen op ernstige wijze zal benadelen. (...) De inrichting zal logischerwijze een grote impact hebben op de luchtkwali- teit in de onmiddellijke omgeving. Aangezien de schouw slechts een beperkte hoogte heeft zal er een belangrijke uitstoot zijn. Uiteraard is de uitstoot in de onmiddellijke omgeving omgekeerd evenredig met de hoogte van de schouw. Omwille van 'esthetische en psychologische redenen' wordt toch voor een lagere schouwhoogte geopteerd. Blijkbaar primeren de esthetische en psychologische aspecten hier op de volksgezondheid van de omwonenden. Ook het feit dat in het BPA een maximale hoogte van 10 meter werd voorzien (voor een crematorium) heeft naar alle waarschijnlijk- heid een rol gespeeld. In dit kader kan worden verwezen naar de studie van de erkende geurdes- kundige PRG ODOURNET (...) waarin de volgende conclusies worden weerhouden: (...) • Wat de verspreiding van stikstofoxiden betreft, kan besloten worden dat ook voor deze parameter een schoorsteenhoogte van 15 meter sterk aanbevolen wordt om de impact op de omgeving zo beperkt mogelijk te houden (...). VII-37.281-7/12 • Momenteel hebben we in Zuidwest-Vlaanderen, een hotspot voor fijn stof, reeds te maken met normoverschrijdingen voor PM10. Elke bijkomende bijdrage, afkomstig van de emissies uit het crematorium of het verkeer van en naar het crematorium in deze berekeningen, dient met andere woorden als negatief beoordeeld te worden. Daarenboven is de aanwezigheid van fijn stof in de lucht negatief voor de verspreiding en inademing van secundaire polluenten, met een negatief gevolg voor de volksgezondheid in de onmiddellij- ke omgeving. Dat het crematorium een belangrijke impact zal hebben op de volksgezond- heid, blijkt daarenboven uit een wetenschappelijke studie naar de impact van een crematorium op het milieu en de volksgezondheid, uitgevoerd door specialisten van het AZ GROENINGE KORTRIJK en dr. R. ZWAENEPOEL, Wetenschappelijk medewerker Subfaculteit geneeskunde KULAK (...). Bij het cremeren is er in principe geen controle van de inhoud van de kist. Hoewel er strenge voorschriften zijn omtrent de materialen van de kist, heeft men met andere woorden geen zicht op de materialen die in de kist zelf aanwezig zijn. Ook gebruiken begrafenisondernemers vaak vervuilende lijkzakken (PVC) en kunnen gedurende het verbrandingsproces ook schadelijke stoffen vrijkomen van bijvoorbeeld pacemakers (deze bevatten cadmium). Daarenboven zorgen pacemakers vaak voor het verstoren van de computerge- stuurde verbrandingsoven. Hieruit blijkt ontegensprekelijk dat ongecontroleerde en onbekende emissies niet kunnen uitgesloten worden. (...) Daarbij komt dus nog de problematiek van fijn stof. Nu Kortrijk één van de probleemgebieden is, is het des te opmerkelijker dat hieromtrent geen verder studiewerk is verricht. In het rapport van SGS wordt immers nergens berekend wat de impact zal zijn van het crematorium zelf, de bijkomende verkeersstroom of de bijkomende verkaveling op de totale concentratie fijn stof. Temeer nu in de studie zelf wordt aangegeven (...) dat de concentratie van fijn stof PM 10 nu al is overschreden, is het zorgwekkend dat het crematorium nog bijkomende uitstoot van fijn stof zal genereren. (...) Feit is dat het betrokken perceel is gelegen in een woonomgeving die zich momenteel reeds kenmerkt door een aantal faciliteiten die veel verkeer genereren (universiteitscampus, sporthal, scholen, enz.). Het crematorium zal zonder enige twijfel bijkomende mobiliteitsproblemen creëren (meer verkeers- bewegingen, parkeerproblemen, zoekverkeer edm.). Feit is dat in het crematori- um twee ceremoniezalen zijn voorzien (één voor 250 personen en één voor 100 personen). Temeer nu verschillende crematies per dag (in weekdagen 7 crematies, op zaterdag zelfs tot 14 crematies) worden voorzien, zal dit evident een toename van de verkeersstroom met zich meebrengen. (...) Het nadeel voor verzoekers is hierbij evident, en zeer ernstig: de normale bereikbaarheid van en naar hun woning komt hierdoor dagelijks en zonder tijdbeperking in het gedrang. Alle verzoekende partijen nemen immers toegang tot de Sint-Denijseweg via de Ambassadeur Baertlaan. Dit betekent een heel groot tijdverlies en zenuwslopende momenten in de wagen. En dit elke dag opnieuw. (...) Vanuit hun woning en tuin zullen de verzoekende partijen permanent uitkijken op het crematoriumgebouw (zeker nu helemaal geen afdoend groenscherm is gegarandeerd). Hoewel het crematoriumgebouw zelf zal 'verzonken' zijn in de grond, dient opgemerkt dat de schouw van het crematori- um wel degelijk zichtbaar zal zijn. Deze schouw zal zo'n 10 m boven de grond uitsteken. Temeer gelet op het feit dat dagelijks verschillende rookpluimen uit deze schouw zullen komen, zal dit ernstige visuele hinder met zich meebreng- VII-37.281-8/12 en, hetgeen een belangrijk aspect is van de aantasting van de woonkwaliteit (...). De verzoekende partijen wonen immers allen in de onmiddellijke omgeving van het betrokken perceel en hebben zicht op deze locatie. De eerste verzoekende partij woont op een afstand van circa 100 m van de betrokken site; de tweede en de derde verzoekende partijen wonen op een afstand van 450 m van de betrokken site (...). De impact op de beleving van het woonklimaat wordt nog aangescherpt door het feit dat verzoekers en hun gezinnen worden geconfronteerd met een industriële installatie (schouw en rookpluim) waarvan wetenschappelijk wordt aangenomen dat de exploitatie ervan een ernstig gezondheidsrisico kan impliceren (zie infra). Het besef omtrent de ernstige gezondheidseffecten geeft in hoofde van verzoekers aanleiding tot een grote ongerustheid die kan worden opgevat als psychologische hinder. Dergelijke hinder impliceert evenzeer een verstoring van het woongenot. (...) Omwille van voorgaande redenen staat het zonder meer vast dat de verzoekende partijen niet meer mogelijk zal zijn op een normale, rustige manier van hun eigendom te genieten. Een realistische evaluatie van het voorliggende ontwerp had moeten doen besluiten dat een dergelijk project niet verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving die wordt gekenmerkt door woonwijken, scholen, sportcentra edm. Door de negatieve effecten - inzonderheid door de visuele hinder, de verkeershinder, de geurhinder, de risico's voor de gezondheid - wordt de leefomgeving rond de site in ernstige mate in het gedrang gebracht. Dit alles heeft voor gevolg dat de omwonenden - bij gebrek aan een schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit - hun wooncomfort ook in de komende jaren onherstelbaar aangetast zullen zien en de hiermee gepaard gaande onaanvaardbare hinder lijdzaam zullen moeten ondergaan, zodat - gelet op het bovenstaande - niet kan worden miskend dat het ernstig nadeel dat de verzoekende partijen ingevolge de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit lijden helemaal niet kan worden hersteld". 3.3. In de derde bijzondere vergunningsvoorwaarde wordt het aantal crematies uitdrukkelijk beperkt tot maximum 3.065 per jaar. De door verzoekers aangehaalde capaciteit van 6.000 crematies is niet vergund. Bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan de Raad van State enkel rekening houden met hetgeen effectief is vergund. De bijzondere vergunningsvoorwaarde
- d)legt voor de parameters totaal stof, kwik en kwikverbindingen, zwaveldioxide en dioxines/furanen emissiegrenswaarden op die de helft bedragen van de in artikel 5.58.3. van Vlarem II vastgestelde sectorale emissiegrenswaarden voor de bedoelde parameters. Op het vlak van de toegelaten emissies is de bestreden vergunning dus onderworpen aan voorwaarden die merkelijk strenger zijn dan wat Vlarem II "normaal" van de betrokken sector vereist. Alleen al op grond van deze vaststelling is er reden om de door verzoekers beweerde "grote" impact op de luchtkwaliteit in de onmiddellijke omgeving te nuanceren. VII-37.281-9/12 Om aan te tonen dat het vergunde crematorium een ernstige weerslag zal hebben op de luchtkwaliteit, verwijzen verzoekers in essentie naar de conclusies van een studie die de NV PRG ODOURNET, erkend geurdeskundige, heeft uitgevoerd in september 2007. De studie werd uitgevoerd en beëindigd op een ogenblik waarop nog niet in eerste aanleg uitspraak was gedaan over de milieuver- gunningsaanvraag. De in de aangehaalde studie getrokken conclusies houden dan ook geen rekening met de talrijke bijzondere exploitatievoorwaarden die uiteindelijk zijn opgelegd, inzonderheid betreffende de beperking van het aantal crematies tot 3.065 per jaar, de schoorsteenhoogte van 10 meter, de opgelegde strenge emissie- grenswaarden en de monitoring van de emissies. Dezelfde opmerkingen gelden met betrekking tot de "Evaluatie van de impact van een crematorium op het milieu en de volksgezondheid" die werd uitgevoerd door artsen van het AZ Groeninge Kortrijk en de subfaculteit Geneeskunde van de KULAK. Ook wordt in het bestreden besluit aangegeven dat, uitgaande van het vergunde aantal crematies en de voorziene schoorsteenhoogte van 10 meter, de immissieconcentraties voor de parameters SO2, CO, stof, chloriden en kwik "verwaarloosbaar" zijn. Inzonderheid wordt inzake de toename van de concentratie van fijn stof in het bestreden besluit het volgende gesteld : "Overwegende dat de totale jaarlijkse emissie van stof geraamd wordt op 8 kg; dat aangenomen kan worden dat deze emissie integraal uit fijn stof PM10 en PM2,5 bestaat, gezien de voorziene mouwenfilters; dat de jaarlijkse emissie van fijn stof door een dieselwa- gen geraamd wordt op ongeveer 40 kg; dat de emissie van fijn stof (PM10 en PM2,5) in de omgevingslucht tengevolge van de uitbating van het crematorium bijgevolg verwaarloosbaar is". Verzoekers brengen geen elementen aan die het tegenoverge- stelde aannemelijk maken. Verzoekers hebben het ook over "ongecontroleerde en onbekende emissies". Het besluit van de Vlaamse regering van 21 oktober 2005 tot bepaling van de voorwaarden waaraan een doodskist of een ander lijkomhulsel moet beantwoorden, bevat, naast allerhande voorschriften betreffende de materialen en de stoffen die mogen worden gebruikt bij de vervaardiging van doodskisten, in artikel 6 het voorschrift dat de binnenbekleding van de doodskist enkel uit natuurlijke, afbreekbare stoffen mag bestaan. Artikel 14 van hetzelfde besluit bepaalt, onder meer, dat bij de crematie van lijkwaden geen schadelijke stoffen mogen vrijkomen. Artikel 28 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria bepaalt VII-37.281-10/12 dat "zo de overledene een implantaat draagt dat werkt op een batterij, (...) deze batterij (moet) worden verwijderd voor de begraving of crematie". De bewering van verzoekers dat door de verbranding van pacemakers schadelijke stoffen kunnen vrijkomen, is in het licht van dit voorschrift een loutere hypothese. Verzoekers reiken geen elementen aan die doen veronderstellen dat de voorwaarden die zijn opgenomen in deze besluiten van de Vlaamse regering en die in principe toepasse- lijk zijn op alle crematies op het grondgebied van een gemeente van het Vlaamse Gewest, niet zullen worden nageleefd in het crematorium dat met het bestreden besluit wordt vergund. Er mag dan ook niet van zulke veronderstelling worden uitgegaan bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Tijdsverlies en zenuwslopende momenten, mogelijks ten gevolge van een voorbijtrekkende lijkstoet, zijn niet als ernstige nadelen te beschouwen. Het aangevoerde nadeel overtuigt nog minder nu verzoekers in hun verzoekschrift zelf toegeven dat de omgeving reeds gekenmerkt is door "een aantal faciliteiten die veel verkeer genereren (universiteitscampus, sporthal, scholen, enz.)". De beweerde visuele hinder en de daarmee samenhangende "psychologische" hinder houdt uitsluitend verband met de op te richten constructies en als dusdanig met de tenuitvoerlegging van de stedenbouwkundige vergunning. In het arrest nr. 187.166 van 20 oktober 2008 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de stedenbouwkundige vergunning werd verworpen, heeft de Raad van State met betrekking tot de voormelde nadelen het volgende overwogen : "5.2.2. De verwerende en de tussenkomende partij betwisten met foto's dat de verzoekers een uitzicht zullen hebben op de schouw, behoudens opgaand in het landschap. Bovendien is het eigendom van de eerste verzoeker volgens die partijen afgeschermd door een dik groenscherm bestaande uit wintervaste beplanting. 5.2.3. De eerste verzoeker woont op 150 meter van de bouwplaats. De tweede en de derde verzoeker wonen op 450 meter afstand. De crematoriumschouw zal 10 meter uitsteken boven het maaiveld. Bovendien blijkt tussen de woningen van de verzoekers en het crematorium een verkaveling te zijn gepland. In het licht van die gegevens maken de verzoekers niet concreet aannemelijk dat zij ernstige visuele hinder dreigen te ondergaan van die schouw en de eruit opstijgende rookpluimen. Om dezelfde redenen tonen zij ook het op die hinder geënte 'psychologisch' nadeel niet aan". VII-37.281-11/12 3.4. Aan de grondvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is niet voldaan. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging te verwerpen, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de INTERGEMEENTELIJKE VERENIGING VOOR CREMATORIUMBEHEER IN ZUID-WEST- VLAANDEREN (PSILON) in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien februari tweeduizend en negen, door : de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. E. BREWAEYS. VII-37.281-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.652 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.222.751 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div