id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.696 Rolnummer: A. 184962/XIV-29676 Zaak: Arrest 190696 - Uitleveringen - 19/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-23 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-29 19:01 Fiche Arrest nr 190.696 van 19 februari 2009 Vreemdelingen - Uitleveringen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.696 van 19 februari 2009 in de zaak A. 184.962/XIV-29.676. In zake : Allan William GOLDER, die woonplaats kiest bij Advocaat J. DEREYMAEKER, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, die woonplaats kiest bij Advocaat B. DERVEAUX, kantoor houdende te 3078 KORTENBERG, Veldstraat 5. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Allan William GOLDER, van Amerikaanse nationaliteit, op 26 september 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Minister van Justitie van 22 augustus 2007 tot uitlevering van verzoeker aan de regering van de Verenigde Staten van Amerika; Gelet op het arrest nr. 174.244 van 4 september 2007 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2007 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 21 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 januari 2009; XIV-29.676-1/7 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. DE LIEN die, loco Advocaat J. DEREYMAEKER verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat B. DERVEAUX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Op 12 maart 2007 vragen de Amerikaanse overheden de uitlevering van verzoeker. 1.2. Op 22 augustus 2007 neemt de Minister van Justitie het besluit tot uitlevering van verzoeker. Dit is het bestreden besluit: “(...) Gezien brief dd. 19.04.2007 van de Federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken alsmede 1/ verbale nota nr. 13 dd. 23.03.2007 en 2/ verbale nota nr. 15 dd. 18.04.2007 van de Amerikaanse Ambassade te Brussel waarbij om de uitlevering, respectievelijk aanvullend om de uitlevering wordt verzocht van de Amerikaanse onderdaan GOLDER Allan William (/09.08.1959, VSA) alias MULLER Robert (/09.08.1955). Gezien de daarbij overgelegde stukken, meerbepaald: 1/ het aanhoudingsbevel dd. 09.02.1998 van de Hogere Rechtbank (Superior Court) van Stamford, Connecticut State wegens roof (burglary) in de tweede graad (15 feiten), poging daartoe (7 feiten), diefstal (larceny) in de eerste graad (13 feiten), in de tweede graad (2 feiten), in de vijfde graad (1 feit), ontvoering (kidnapping) in de eerste graad (1 feit) en roof (robbery) in de eerste graad (1 feit). Deze feiten werden gepleegd tussen 21.09.1996 en 29.10.1997 in Greenwich, Connecticut. 2/ het onherroepelijke vonnis dd. 05.02.1981 van de arrondissementsrechtbank (District Court) van Nassau County, New York State enerzijds en het aanhoudingsbevel in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling (parole warrant) dd. 19.12.1997 van de Dienst voorwaardelijke invrijheidstelling van de Staat New York (New York State Division of Parole) anderzijds. Het vonnis dd. 05.02.1981 veroordeelde de opgeëiste persoon tot een gevangenisstraf van 15 jaar tot levenslang wegens moord (murder) in de tweede graad, roof (robbery) in de eerste graad en inbraak (burglary) in de eerste graad, feiten gepleegd op 04.12.1978, te Old Brookville, County of Nassau, Staat New York. Deze titels werd uitgevaardigd wegens feiten die naar Belgisch recht omschreven zijn als 1/ gekwalificeerde diefstal, poging daartoe en onrechtmatige vrijheidsbeneming en 2/ roofmoord. XIV-29.676-2/7 Gezien het proces-verbaal dd. 14.06.2007 en het proces-verbaal dd. 12.07.2007 waarbij de opgeëiste persoon aangeeft niet af te zien van de voorwaarde en de waarborgen van de uitlevering. Gezien het 1/ advies dd. 10.07.2007 en 2/ het advies dd. 31.07.2007, beide uitgebracht door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Antwerpen; Gelet op de Overeenkomst inzake uitlevering tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika van 27 april 1987; Gelet op de uitleveringswetten van 1 oktober 1833 en 15 maart 1874; Overwegende dat de feiten zowel naar Belgisch als naar Amerikaans recht strafbaar zijn gesteld en dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.1, respectievelijk artikel 2.2 van voornoemde Uitleveringsovereenkomst; Overwegende dat de verjaring van de strafvordering, respectievelijk de verjaring van de straf noch naar Belgisch, noch naar Amerikaans recht is bereikt; Overwegende dat de feiten geen politiek misdrijf of een daarmee samenhangend misdrijf uitmaken; Overwegende dat uit de beschikbare informatie geen concrete elementen naar voren komen die er op wijzen dat beide verzoeken tot uitlevering die op misdrijven van gemeen recht berusten, zijn ingegeven om de opgeëiste persoon wegens zijn ras, zijn godsdienst, zijn nationaliteit of zijn politieke gezindheid te vervolgen of te straffen, noch dat zijn positie om een van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed; Overwegende dat evenmin is gebleken dat er concrete en ernstige risico's bestaan dat de persoon, indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende Staat wordt onderworpen aan een flagrante rechtsweigering of aan foltering of onmenselijke en onterende behandeling; Overwegende bijgevolg dat aan de voorwaarden en de formaliteiten inzake de uitlevering is voldaan, Besluit Artikel 1 De uitlevering van GOLDER Allan William (/09.08.1959, VSA) alias MULLER Robert (/09.08.1955). wordt aan de regering van de Verenigde Staten van Amerika toegestaan wegens de feiten op grond waarvan de uitlevering wordt gevraagd. (...).”. 1.3. Bij vonnis van 24 oktober 2008 van het Superior Court van de Staat Connecticut wordt verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar. 2. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat verzoeker in de voorliggende zaak niet langer beschikt over het vereiste belang “omwille van het feit dat de betrokkene definitief werd veroordeeld”; 2.2. Overwegende dat verzoeker hiertegen aanvoert dat zijn veroordeling “zeker niet definitief is”, dat zijn Amerikaanse advocaat beroep zal aantekenen tegen zijn veroordeling, dat de vernietiging van de uitleveringsbeslissing invloed kan hebben op drie vlakken, onder andere, op de lengte van zijn gevangenisstraf en op zijn vervroegde vrijlating; dat verzoekers argumenten bevestigd worden door zijn Amerikaanse raadsman; dat in elk geval de verwerende partij niet aantoont dat er geen beroep meer mogelijk zou zijn tegen de beslissing van de Amerikaanse rechtbank; XIV-29.676-3/7 2.3. Overwegende dat derhalve dient besloten dat verzoeker nog steeds belang heeft bij de afwikkeling van de voorliggende zaak zodat de opgeworpen exceptie dient verworpen; 3. Over de gegrondheid van het beroep. 3.1. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “ENIG MIDDEL: Schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Schending van art. 3 EVRM. Schending van de zorgvuldigheidsplicht. Artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan die beslissing, en dat de gegeven motivering afdoende dient te zijn. Aan de motiveringsplicht is in casu geenszins voldaan. (...) 2. Wat betreft de verwijzing naar voor verzoeker onbekende adviezen Verzoeker stelt vast dat alvorens de bestreden beslissing aan hem werd betekend hij geen kennis heeft gekregen van de door de Kamer van Inbeschuldigingstelling afgeleverde adviezen. Verzoeker meent dat deze handelswijze een grove schending is van art. 3 van de Wet Motivering Bestuurhandelingen. Verzoeker verwijst naar (
- de)een arrest van de Raad van State dd. 16.09.1999 waarin herhaald werd welke principes de overheid dient te volgen ingeval van verwijzing naar adviezen. De Wet Motivering Bestuurshandelingen verplicht de overheid, behoudens uitdrukkelijk vastgelegde uitzonderingen, de handelingen te motiveren die zij beoogt. De rechtspraak aanvaardt de verwijzing naar gegevens die vreemd zijn aan de kern van de beslissing zelf - onder meer naar adviezen - op voorwaarde dat de overheid verzoeker kennis heeft gegeven van deze gegevens of indien bewezen wordt dat verzoeker, uiterlijk ten tijde van de kennisgeving van de betwiste beslissing, ervan kennis heeft gehad. Indien verzoeker krachtens enige tekst de mogelijkheid heeft van deze gegevens kennis te nemen, dan betreft het hier slechts een mogelijkheid, terwijl de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wettelijke verplichting is die rust op de administratieve overheid welke deze bestuurshandelingen heeft gesteld. De eenvoudige bewering van de tegenpartij, in zijn laatste memorie, volgens welke aan verzoeker mondeling kennis zou zijn gegeven van het advies van de beroepskamer, na het vonnis van laatstgenoemde, volstaat niet om te bewijzen dat verzoeker van het advies kennis had. (R.v.St. nr. 82.265, 16 september 1999, A.P.M. 1999 (samenvatting), 161) Verzoeker meent hieruit af te leiden dat de (een) motivering van een beslissing verwijzingen mag bevatten naar gegevens die vreemd zijn aan de kern van de beslissing zelf. Echter er wordt uitdrukkelijk bepaald dat deze gegevens gekend moeten zijn door de bestuurde. In casu is dit geenszins het geval. (...).”; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2. BESPREKING Schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, van artikel 3 E.V.R.M., en van de zorgvuldigheidsplicht Verzoeker besluit in zijn verzoekschrift tot de schending van voormelde bepalingen. (...) XIV-29.676-4/7 2.2. De verwijzing naar de voor verzoeker onbekende adviezen Volgens verzoeker diende hij kennis te verkrijgen van de adviezen van de Kamer van Inbeschuldigingstelling vooraleer de verwerende partij het bestreden besluit nam. a. Dit advies wordt door de Regering ingewonnen op grond van artikel 3, 4e lid, van de Uitleveringswet van 15 maart 1874. Het komt tot stand nadat de verzoeker en zijn raadsman werden gehoord. De wet bepaalt niet dat het advies ter kennis moet worden gebracht van de vreemdeling; het advies is geen arrest vatbaar voor cassatieberoep. Het maakt aldus deel uit van het administratief dossier op grond waarvan de Minister tot een beslissing komt. In casu zijn de beide adviezen van de Kamer van Inbeschuldigingstelling gunstig, zonder enig voorbehoud. De Minister is er niet van afgeweken en diende dan ook geen bijzondere motivering dienaangaande op te nemen in het bestreden besluit. b. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 hebben tot doel de burger in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat hij kan oordelen of het nuttig is zich hiertegen te verweren. Aldus dient de administratieve overheid op een afdoende wijze in de akte de feitelijke en juridische overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen. Het begrip 'afdoende' impliceert enerzijds dat de opgelegde motivering in rechte is verantwoord en in feite evenredig moet zijn met het belang van de genomen beslissing, en anderzijds dat zij draagkrachtig moet zijn. In de bestreden beslissing verwijst de verwerende partij naar de adviezen van de Kamer van Inbeschuldigingstelling, waarna het uitleveringsbesluit verder wordt gemotiveerd. Op impliciete wijze kan hieruit worden afgeleid dat het wel degelijk ging om een gunstig advies. Wanneer er een gunstig advies is uitgebracht door de Kamer van Inbeschuldigingstelling dient de verwerende partij niet expliciet in de bestreden beslissing aan te geven dat zij niet van het advies van de rechterlijke macht afwijkt, nu zulks de logica zelve is. Zelfs al was het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling negatief, quod non, geeft de verzoekende partij niet aan op welk punt deze motivering hem niet in staat zou hebben gesteld te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de door hem bestreden beslissing is(
- n)genomen derwijze dat er niet zou voldaan zijn aan het doel van de formele motiveringsplicht. (...).”; 3.3. Overwegende dat verzoeker repliceert: “ENIG MIDDEL: Schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Schending van art. 3 EVRM. Schending van de zorgvuldigheidsplicht. Artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan die beslissing, en dat de gegeven motivering afdoende dient te zijn. Aan de motiveringsplicht is in casu geenszins voldaan. (...) 2. Wat betreft de verwijzing naar voor verzoeker onbekende adviezen Verzoeker stelt vast dat alvorens de bestreden beslissing aan hem werd betekend hij geen kennis heeft gekregen van de door de Kamer van Inbeschuldigingstelling afgeleverde adviezen. Verzoeker meent dat deze handelswijze een grove schending is van art. 3 van de Wet Motivering Bestuurhandelingen. Verzoeker verwijst naar de een arrest van de Raad van State dd. 16.09.1999 waarin herhaald werd welke principes de overheid dient te volgen ingeval van verwijzing naar adviezen. De Wet Motivering Bestuurshandelingen verplicht de overheid, behoudens uitdrukkelijk vastgelegde uitzonderingen, de handelingen te motiveren die zij beoogt. De rechtspraak aanvaardt de verwijzing naar gegevens die vreemd zijn aan de kern van de beslissing zelf - onder meer naar adviezen - op voorwaarde dat de overheid verzoeker kennis heeft gegeven van deze gegevens of indien bewezen wordt dat XIV-29.676-5/7 verzoeker, uiterlijk ten tijde van de kennisgeving van de betwiste beslissing, ervan kennis heeft gehad. Indien verzoeker krachtens enige tekst de mogelijkheid heeft van deze gegevens kennis te nemen, dan betreft het hier slechts een mogelijkheid, terwijl de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wettelijke verplichting is die rust op de administratieve overheid welke deze bestuurshandelingen heeft gesteld. De eenvoudige bewering van de tegenpartij, in zijn laatste memorie, volgens welke aan verzoeker mondeling kennis zou zijn gegeven van het advies van de beroepskamer, na het vonnis van laatstgenoemde, volstaat niet om te bewijzen dat verzoeker van het advies kennis had. (R.v.St. nr. 82.265, 16 september 1999, A.P.M. 1999 (samenvatting), 161) Verzoeker meent hieruit af te leiden dat de (een) motivering van een beslissing verwijzingen mag bevatten naar gegevens die vreemd zijn aan de kern van de beslissing zelf. Echter er wordt uitdrukkelijk bepaald dat deze gegevens gekend moeten zijn door de bestuurde. Dat in casu geeneens kon afgeleid worden of het advies nu al dan niet gunstig was of niet. Dat het gaat om een standaardmotivering die de facto kan gebruikt worden voor elke uitleveringsbeslissing. Verzoeker kan onmogelijk op de hoogte zijn van feiten welke ten grondslag liggen van de bestreden beslissing. Dat wanneer verwerende partij in haar memorie stelt dat verzoeker niet aantoont op welk punt of waarom de motivering hem niet in staat hebben gesteld de beslissing te begrijpen, verzoeker antwoord dat verwerende partij klaarblijkelijk niet begrijpt dat wanneer de formele motivering van een bestuurshandeling ontbreekt zij onmogelijk de inhoud ervan kan kennen. In casu is dit geenszins het geval, verzoeker kent de motieven niet. (...).”; 3.4.1. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 3 van het E.V.R.M. en van de zorgvuldigheidsplicht; dat verzoeker, onder andere, stelt dat hij niet op de hoogte was van de adviezen van de Kamer van Inbeschuldigingstelling waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, dat dit een grove schending is van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 3.4.2. Overwegende dat de in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 vervatte uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de burger in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat hij kan oordelen of het nuttig is zich hiertegen te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat voornoemde artikelen 2 en 3 de administratieve overheid ertoe verplichten in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een afdoende wijze; dat verzoeker in een brief van 28 juni 2007 aan de Minister van Justitie te kennen gaf dat er ingeval van uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika een reëel risico zou bestaan dat zijn leven in gevaar is, hierbij verwijzend naar het feit dat hij deel heeft uitgemaakt van het federaal “Witness Security Program”; dat in het tweede advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling van 31 juli 2007 deze door verzoeker aangevoerde vrees voor zijn leven wordt onderzocht; dat dient vastgesteld dat in de aanhef van de bestreden beslissing zonder verdere uitleg wordt verwezen naar de adviezen van de Kamer van Inbeschuldigingstelling; dat uit het administratief dossier niet blijkt dat verzoeker de inhoud van deze adviezen op het ogenblik XIV-29.676-6/7 van de betekening van de bestreden beslissing kende; dat in de bestreden beslissing weliswaar wordt overwogen “dat evenmin is gebleken dat er concrete en ernstige risico’s bestaan dat de persoon indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende Staat wordt onderworpen aan een flagrante rechtsweigering of aan foltering of onmenselijke onterende behandeling”; dat een dergelijke algemene overweging niet kan worden gezien als een inhoudelijke omschrijving van de hierboven bedoelde adviezen; dat dient besloten tot de schending van de formele motiveringsplicht; dat het enig middel, in de mate het werd besproken, gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het ministerieel besluit van 22 augustus 2007 houdende uitlevering van verzoeker aan de regering van de Verenigde Staten van Amerika. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien februari tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.676-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.696 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.244 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div