id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.732 Rolnummer: A. 124930/X-11069 Zaak: Arrest 190732 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-09 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 19:15 Fiche Arrest nr 190.732 van 23 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.732 van 23 februari 2009 in de zaak A. 124.930/X-11.069. In zake : René DE SCHAEPMEESTER, die woonplaats kiest bij advocaat J. MOMMAERTS, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Philipslaan 20 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. DECLERCQ, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, J.P. Minckelersstraat 33. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat René DE SCHAEPMEESTER op 5 augustus 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 mei 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende de verwerping van zijn beroep tegen het besluit van 11 januari 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij hem de vergunning wordt geweigerd voor het regulariseren van vier studio’s in een dakverdieping en drie bijkomende parkeerplaatsen aan de Patrijzenlaan te Leuven, kadastraal bekend sectie A, nr. 89/c; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 1 februari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; X-11.069-1/9 Gelet op de beschikking van 28 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat Y. MATTHYS, die loco advocaat J. MOMMAERTS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat G. HAVET, die loco advocaat P. DECLERCQ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. Op 26 januari 1999 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven “een bouwvergunning voor regularisatie van 4 studio’s in dakverdieping en regularisatie van 3 bijkomende parkeerplaatsen”, op een terrein gelegen te Kessel-Lo (Leuven), Patrijzenlaan 22 en 24, kadastraal bekend sectie A, nr. 89/c. Het terrein is volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven gelegen in woongebied. Het is gelegen binnen een op 14 november 1968 behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.2. Op 10 juni 1999 weigert het college de vergunning te verlenen wegens onverenigbaarheid met de verkavelingsvoorschriften. 1.3. Op 18 oktober 1999 verleent de directie infrastructuur, dienst ruimtelijke ordening en mobiliteit van de provincie Vlaams-Brabant een advies waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “Overwegende dat het voorstel voorziet in de regularisatie van 4 kleine appartementen in een tweede bouwlaag onder het mansardedak; dat de voorschriften van de verkaveling stellen dat in de betrokken zone gebouwen met 4 verdiepingen zijn toegelaten; dat onder verdiepingen elke X-11.069-2/9 niet-gelijkvloerse bouwlaag kan begrepen worden; dat het gebouw is opgebouwd uit vijf volwaardige bouwlagen en een zesde bouwlaag half onder het mansardedak; Overwegende dat deze zesde vergunde bouwlaag onder het dak reeds tot stand is gekomen door een zeer ruime interpretatie van het voorschrift; dat gezien de nagenoeg volledige bruikbaarheid (voldoende vrije hoogte) van deze bouwlaag, in feitelijk reeds 5 verdiepingen werden vergund; dat blijkbaar bij de vergunning als verdieping slechts elke bouwlaag volledig onder de kroonlijst in rekening werd gebracht; Overwegende dat de vergunning voorzag in duplex appartementen onder het dak; dat het gelijkvloers als parkeergarage werd ingericht; dat dus reeds vijf volwaardige woonlagen en een zesde woonlaag voor occasioneel verblijf werden vergund; dat de huidige aanvraag doelt op het inrichten van een zesde volwaardige- woonlaag (en zevende bouwlaag) voor verblijfsruimtes; dat deze zevende bouwlaag echter slechts over ca. 20% van de vloeroppervlakte de normale minimale vrije hoogte van 2,30m heeft; dat het geen volwaardige bouwlaag betreft; dat het aantal volwaardige bouwlagen niet wordt opgedreven door de betrokken aanvraag; Overwegende dat de eerder vergunde als volwaardig te beschouwen zesde bouwlaag niet bekeken werd als een verdieping; dat onder de gegeven omstandigheden ook de zevende bouwlaag, welke niet volwaardig is bezwaarlijk als een bijkomende verdieping kan beschouwd worden; dat enkel kan gesteld worden dat een bijkomende woonlaag ontstaat; dat de verkaveling hieromtrent geen beperking oplegt; dat gezien de bijzondere omstandigheden en de ligging binnen een strook voor hoogbouw in een verkaveling waar ook zeven verdiepingen mogelijk zijn ook de richtinggevende voorschriften bij het gewestplan hier niet van toepassing kunnen zijn”. 1.4. Op 11 januari 2000 verwerpt de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het administratief beroep van de verzoeker tegen de voormelde weigeringsbeslissing. 1.5. Op 27 mei 2002 verwerpt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening het administratief beroep van de verzoeker tegen voornoemde weigeringsbeslissing. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “Overwegende dat het voorstel de regularisatie van 4 kleine appartementen betreft in een tweede bouwlaag onder het mansardedak; dat de bouwvergunning appartementen in duplex onder het dak voorzag; dat deze zesde vergunde bouwlaag onder het dak reeds tot stand is gekomen door een zeer ruime interpretatie van de verkavelingsvoorschriften; dat gezien de nagenoeg volledige bruikbaarheid, de voldoende vrije bouwhoogte van de bouwlaag er in feite reeds 5 verdiepingen werden vergund; dat het gelijkvloers als parkeergarage werd ingericht; dat er dus reeds 5 volwaardige woonlagen en een zesde woonlaag voor slaapruimtes werden vergund; dat voorliggende aanvraag de inrichting van een zesde volwaardige woonlaag (2 studio’
- s)betreft en een zevende bouwlaag (2 studio’
- s)voor verblijfsruimtes; dat de dato 18 december X-11.069-3/9 1998 een proces verbaal van vaststelling werd opgemaakt; dat de bestendige deputatie het beroep niet heeft ingewilligd; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Leuven, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, gelegen is in een woongebied; dat overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de woongebieden bestemd zijn voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven; dat deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen echter maar mogen worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; Overwegende dat het terrein in kwestie gesitueerd is binnen de verkaveling die werd verleend op 14 november 1968; dat de stedenbouwkundige voorschriften voorzien dat in betrokken zone gebouwen met vier verdiepingen zijn toegelaten; dat onder verdiepingen elke niet-gelijkvloerse bouwlaag kan begrepen worden; dat het uitgevoerde gebouw is opgebouwd uit vijf volwaardige bouwlagen, een zesde en zevende bouwlaag half onder het mansardedak en is derhalve in strijd met de verkavelingsvoorschriften; Overwegende dat uit het stedenbouwkundig-technisch onderzoek blijkt dat slechts een smalle strook (3,50 m bij 13,50 m = 31,6 % van de totale verdiepingsoppervlakte) over een voldoende minimale vrije hoogte beschikt; dat deze zone zich tevens in de circulatie-en dienstruimte bevindt; dat het grootste gedeelte van de woon-, slaap- en sanitaire ruimtes voorzien is onder een dakhelling van 30'; dat een dergelijke inrichting niet in overeenstemming is met een modern, hedendaags wooncomfort; Overwegende dat voor de strook achter betrokken meergezinswoning de regularisatie van de uitgevoerde verharding en 3 bijkomende parkeerplaatsen wordt gevraagd; dat in de verkavelingsvoorschriften wordt gesteld dat betrokken zone voor vrije en groen ruimte dient te worden aangewend; dat een volledige verharding van deze strook met een groenstrook van slechts 2,50 m niet kan aanvaard worden; Overwegende dat de gevraagde te regulariseren werken bijgevolg stedenbouwkundig onaanvaardbaar zijn en in strijd zijn met de verkavelingsvergunning; dat de aanvraag niet voor vergunning vatbaar is; dat het beroep van de particulier wordt verworpen”. 2. Enig middel 2.1. Het aangevoerde middel In het verzoekschrift wordt het volgende enig middel aangevoerd: “Doordat de bestreden beslissing de regularisering weigert onder melding dat de te regulariseren werken enerzijds stedebouwkundig onaanvaardbaar zijn en anderzijds in strijd zijn met de verkavelingsvergunning; zodat de aanvraag zelfs niet voor vergunning vatbaar zou zijn. Terwijl Het dossier een advies bevat, uitgebracht door Mevr. Verschueren, namens de directie infrastructuur - dienst ruimtelijke ordening en mobiliteit van de X-11.069-4/9 Provincie Vlaams-Brabant, voorafgaand aan de behandeling van het beroep door de Bestendige Deputatie welk expliciet bevestigt dat voor inrichting van de woonruimtes, voorwerp van de regularisatieaanvraag de verkavelingsvergunning geen beperking oplegt en tevens expliciet bevestigt dat door inrichting van deze ruimtes geen planologische onverenigbaarheid kan vastgesteld worden, noch een strijdigheid met de voorschriften. Het vergunningsstelsel is uitgewerkt om de overheid in de mogelijkheid te stellen na te gaan of bepaalde werken of handelingen stedebouwkundig aanvaardbaar zijn. Een bouwwerk dient conform de bestaande plannen en voorschriften te zijn. Indien een bouwwerk beantwoordt aan de bestaande plannen en voorschriften kan de overheid slechts beperkend, binnen de perken van de wet oordelen dat een werk stedebouwkundig niet aanvaardbaar is, zijnde indien: - het werk onverenigbaar is met een streek- of gewestplan - het werk onverenigbaar is met een bijzonder plan van aanleg of een verkavelingsvergunning - het werk onverenigbaar is met een plan van aanleg in voorbereiding - het werk strijdig is met algemene of gemeentelijke bouwverordeningen - het bouwperceel gelegen is aan een onvoldoend uitgeruste weg Indien evenwel aan al deze voorschriften voldaan is, behoudt de overheid een beoordelingsmarge, waarbij zij haar beoordeling afdoend dient te motiveren. De weigeringsbeslissing dd. 10.06.1999 van het College van burgemeester en Schepenen te Leuven onder motivering : ‘Het project is niet verenigbaar met de goede plaatselijke ordening gelet op het feit dat het ontwerp voorziet in aparte woongelegenheden verspreid over 5 verdiepingen waar het verkavelingsvoorschrift 4 verdiepingen verplicht stelt. Tevens voorziet het ontwerp 3 parkeerplaatsen in de tuinzone waar de voorschriften aanleg van tuin verplicht stelt.’ was al geenszins als afdoend te aanzien. De ministeriële weigeringsbeslissing op haar beurt stelt geen strijdigheid vast met de op 20.06.1996 door het CBS afgeleverde bouwvergunning waar expliciet opgelegd werd dat ‘het gabarit van het gebouw moet zowel rechts als links aansluiten op de bestaande bebouwing en de materialen (gevel en dak) moeten in harmonie zijn met deze van de aanpalende bebouwing...minimum 20 parkeerplaatsen of garages te voorzien...’. De Bestendige Deputatie diende louter vast te stellen dat de beslissing van het CBS dd. 10.06.1999 strijdig was met de wet van 29 juli 1991. De overheid in beroep, zijnde de Bestendige Deputatie van de Provincie Vlaams-Brabant beperkte zich onterecht niet tot het teniet doen van de niet afdoend gemotiveerde beslissing waartegen hoger beroep werd ingesteld. De beslissing van de Bestendige Deputatie en de bestreden ministeriële beslissing werden niet afdoende gemotiveerd en dit terwijl de bestreden beslissing onmiskenbaar een eenzijdige rechtshandeling is met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt voor verzoekende partij rechtsgevolgen te hebben. De Bestendige Deputatie stelt in de eerste drie door haar weergegeven overwegingen in haar beslissing dd. 11.01.2000 louter vast dat door de aanvraag van verzoeker geen planologische onverenigbaarheid kan vastgesteld worden, noch enige strijdigheid met de voorschriften, zoals reeds duidelijk gesteld in het advies van Mevr. Verschueren, namens de directie infrastructuur - dienst ruimtelijke ordening en mobiliteit van de Provincie Vlaams-Brabant. De motivering om te besluiten tot het feit dat het door verzoeker ingediende ontwerp de goede stedebouwkundige aanleg van de omgeving in het gedrang brengt is niet afdoend. Onterecht werd hiertoe door de Bestendige deputatie aangevoerd dat: - het aantal gevraagde bouwlagen overdreven is X-11.069-5/9 - dat de blok gelegen is aan de rand van de zone voor hoogbouw, gelegen naast een zone voor gegroepeerde bebouwing van het laagbouwtype en dat de druk van de hoge woondichtheid in de woonwijk Kesseldal reeds voor vele problemen zorgt - dat een duidelijk gebrek aan gemeenschappelijke voorzieningen en groen in de wijk kan vastgesteld worden zodat het niet wenselijk is de woningdichtheid nog verder te gaan opdrijven. De bestreden ministeriële beslissing herneemt evenwel niet deze argumenten ontwikkeld door de Bestendige deputatie en beperkt zich enkel tot: - de bewering als zouden de verkavelingsvoorschriften geschonden zijn, hetgeen reeds expliciet als incorrect werd aanzien door herhaalde adviezen in het dossier - de bewering als zouden de studio’s een te beperkt hedendaags wooncomfort hebben gelet op de beperkte vrije hoogte van de studio’s De bestreden beslissing werd genomen in schending met de bepalingen van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (B.S. 12 september 1991) Art. 2 van de Wet van 29 juli 1991 vermeldt dat bestuurshandelingen, zoals ook de beslissing i.c., ‘uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd’. In art. 3 van bewuste Wet wordt deze motivatieverplichting nog verder (...) geëxpliciteerd : ‘de opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn’. In de bestreden beslissing is evenwel niet de minste consistente en voldoende concrete motivatie te vinden (...) en dit terwijl de motivering dient opgenomen te zijn in de beslissing zelf en niet meer kan blijken uit enige nadien geformuleerde toelichting, zijnde in brief of besluiten, of op basis van het dossier zelf. (Gedr. St. Senaat, B.Z. 1988,nr. 215 3, verslag van de commissie,21; Parl. Hand. Senaat, 24 april 1991,2015; P. HUMBLET, De uitdrukkelijke motivering van rechtshandelingen, R.W., 1991-92, nr.15, p.491) De bestreden beslissing bevat noch de juridische, noch de feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen. (...) ‘De verplichting tot formele redengeving houdt in dat in de beslissing zelf de feitelijke gronden en de rechtsgronden moeten vermeld worden die de aangenomen beslissing kunnen verantwoorden’. De verzoekende partij kan zich dan ook geen zodanig inzicht verschaffen in de motieven van de bestreden beslissing dat zij in staat was terdege te oordelen of het zin had zich tegen de beslissing te verweren met de middelen die het recht haar verschaft, door aan te tonen dat de in de motivering tot uitdrukking gebrachte motieven niet gegrond zijn. (...) Het niet of niet afdoend motiveren levert de illegaliteit op van de bestuurshandeling wegens schending van een substantieel vormvoorschrift. (...) Verzoeker heeft bij de uitvoering van de werken immers geheel rekening gehouden met de hem verleende bouwvergunning en met de erin opgenomen verplichting: - het gabarit van het gebouw moet zowel rechts als links aansluiten op de bestaande bebouwing en de materialen (gevel en dak) moeten in harmonie zijn met deze van de aanpalende bebouwing - minimum 20 parkeerplaatsen of garages te voorzien Waar precies -ondanks het volledig volgen van de bouwvergunning- het ontwerp de goede ruimtelijke ordening zou schade(
- n)blijft onduidelijk te meer daar: 1 De totstandgekomen bouwlagen precies werden opgelegd door het CBS waar zij stelde dat het gabarit van het gebouw van verzoeker zowel ‘links als rechts’ diende aan te sluiten bij de bestaande bebouwing. X-11.069-6/9 De inrichting van de bouwlagen wordt niet beperkt door enig voorschrift waarbij dient benadrukt te worden dat de door het CBS goedgekeurde plannen voorzagen in een bewoning van de bovenste bouwlaag. Het standpunt van de Bestendige Deputatie als zou de woningdichtheid toenemen door de inrichting van de woongelegenheden, voorwerp van de gevraagde vergunning, kan niet gevolgd worden en werd blijkbaar niet hernomen door de bevoegde minister in de bestreden beslissing. Verzoeker is immers niet gemachtigd aan huurders een beperking van de bewoning in zijn appartementen op te leggen. Verzoeker kan onmogelijk contractueel vastleggen dat een woninghuurovereenkomst of verkoopsovereenkomst zou ontbonden worden vanaf het ogenblik dat het gezin van de huurders/kopers zou uitbreiden met een niet vaststaand aantal kinderen. De woningdichtheid van de voorziene ‘duplex-appartementen’ kan dan ook niet vastgelegd worden. Een stijging van de woningdichtheid door inrichting van de woongelegenheden, voorwerp van de gevraagde vergunning, in plaats van de voorziene duplexappartementen is dan ook geen zekerheid, wel in tegendeel. 2 De stelling van de Bestendige Deputatie als zouden de woongelegenheden niet voldoen aan de ‘woonhygiëne’ is manifest strijdig met de werkelijkheid, evenals de hernomen bewering in de bestreden beslissing als zou de inrichting niet in overeenstemming zijn met het ‘hedendaags wooncomfort’. Bedoelde woongelegenheden zijn voorzien van alle modern comfort en voldoen aan alle oppervlaktenormen, zoals voorzien in de Wooncode. Waar de Bestendige Deputatie en later de betreden beslissing stelt dat de woongelegenheden slechts over een vloeroppervlakte van 20% zouden beschikken over een minimale vrije hoogte is zulks strijdig met de werkelijkheid. Verzoeker heeft aangehaald dat de meetresultaten incorrect zijn doch deze werden zonder verdere argumentatie of antwoord op dit argument overgenomen in de bestreden beslissing. Verzoeker doet hierbij opmerken dat de diensten van het kadaster, die de waarde van de woongelegenheid zoals bekend mee raamt op basis van de oppervlakte, een waarde voor de studio’s weerhoudt gelijk aan 60% van de waarde van de ruime ondergelegen appartementen. De woongelegenheden voldoen aan alle oppervlakte- en bezettingsnormen. Het begrip ‘wooncomfort’ wordt door de Minister niet verduidelijkt en onterecht aangewend om het ingestelde beroep niet te moeten inwilligen. 3 In de bouwvergunning werd aan verzoeker de verplichting opgelegd te voorzien in ‘minimaal 20 parkeerplaatsen’. Door aanvraag van 3 bijkomende parkeerplaatsen schendt verzoeker niet de verkregen bouwvergunning die hem oplegt minimaal 20 parkeerplaatsen te voorzien. De verharding van de ondergrond, dienstig als parkeerruimte kan op een ‘groenvriendelijke’ wijze worden uitgevoerd, zoals voorzien door verzoeker. Op basis van de verplichting extra parkeerruimte te voorzien kan niet afgeleid worden dat de druk op de omgeving toeneemt, zoals verkeerdelijk voorgehouden door de Bestendige Deputatie. Ook indien de woongelegenheden als duplex-appartement werden ingericht kon verzoeker contractueel niet bedingen dat zijn huurders/kopers per gezin slechts een bepaald aantal wagens in eigendom mochten houden. Zodat de bestreden beslissing art. 3 Wet van 29 juli 1991 schendt en de beperkte motivatie van de bestreden beslissing op geen enkel feitelijk element gestoeld zijn, en bovendien elke juridische grondslag missen; Zodat de bestreden beslissing duidelijk niet aanvaardbaar is met het oog op het recht en met het oog op de feiten. X-11.069-7/9 Zodat de bestreden beslissing de beginselen van behoorlijk bestuur schendt. Het middel is gegrond”. 2.2. Beoordeling van het enig middel 2.2.1. Gelet op de devolutieve werking van het administratief beroep is de bestreden beslissing in de plaats gekomen van de eerdere beslissingen van het college en de deputatie, wat betekent dat deze laatste moeten geacht worden niet meer te bestaan. In zoverre het middel gericht is op de eerdere beslissingen, is het niet ontvankelijk. 2.2.2. Omtrent de feitelijke situatie bevat de beslissing de volgende, door de verzoeker niet betwiste gegevens: “Overwegende dat het voorstel de regularisatie van 4 kleine appartementen betreft in een tweede bouwlaag onder het mansardedak; dat de bouwvergunning appartementen in duplex onder het dak voorzag; dat deze zesde vergunde bouwlaag onder het dak reeds tot stand is gekomen door een zeer ruime interpretatie van de verkavelingsvoorschriften; dat gezien de nagenoeg volledige bruikbaarheid, de voldoende vrije bouwhoogte van de bouwlaag er in feite reeds 5 verdiepingen werden vergund; dat het gelijkvloers als parkeergarage werd ingericht; dat er dus reeds 5 volwaardige woonlagen en een zesde woonlaag voor slaapruimtes werden vergund; dat voorliggende aanvraag de inrichting van een zesde volwaardige woonlaag (2 studio’
- s)betreft en een zevende bouwlaag (2 studio’
- s)voor verblijfsruimtes; dat de dato 18 december 1998 een proces verbaal van vaststelling werd opgemaakt; dat de bestendige deputatie het beroep niet heeft ingewilligd”. 2.2.3. Dit leidt de verwerende partij tot de volgende, door de verzoeker niet betwiste conclusie: “Overwegende dat het terrein in kwestie gesitueerd is binnen de verkaveling die werd verleend op 14 november 1968; dat de stedenbouwkundige voorschriften voorzien dat in betrokken zone gebouwen met vier verdiepingen zijn toegelaten; dat onder verdiepingen elke niet-gelijkvloerse bouwlaag kan begrepen worden; dat het uitgevoerde gebouw is opgebouwd uit vijf volwaardige bouwlagen, een zesde en zevende bouwlaag half onder het mansardedak en is derhalve in strijd met de verkavelingsvoorschriften”. 2.2.4. In tegenstelling tot wat de verzoeker in zijn middel betoogt, bevat de bestreden beslissing dus wel degelijk de nodige juridische en feitelijke overwegingen, evenals een “consistente en voldoende concrete motivatie” om het administratief beroep niet in te willigen wegens de strijdigheid van de aanvraag met de verkavelingsvoorschriften. X-11.069-8/9 2.2.5. Aangezien dit weigeringsmotief volstaat om de weigering te onderbouwen, is het weigeringsmotief gestoeld op de goede plaatselijke ordening een overtollig motief waarvan de eventuele onwettigheid niet kan leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit. 2.2.6. Het middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig februari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.069-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.732 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div