← België

Arrest 190744 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.744 Rolnummer: A. 138319/IX-3825 Zaak: Arrest 190744 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-05 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 19:16 Fiche Arrest nr 190.744 van 23 februari 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.744 van 23 februari 2009 in de zaak A. 138.319/IX-

  1. In zake : Ali YEN, wonende te GENK, Wintergroenstraat 82/1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de federale politie DGS/DSJ, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ali YEN op 25 juni 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 9 april 2003 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij zijn beroep tegen de beslissing van 9 april 2002 van de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie, houdende zijn niet-toelating tot de basisopleiding voor de personeelsleden van de politiediensten, ongegrond wordt verklaard; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 12 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 29 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 januari 2009; IX-3825-1/16 Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur K. PEETERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  3. Op 26 februari 2001 dient de verzoeker zijn kandidatuur in om te worden toegelaten tot de basisopleiding voor de personeelsleden van de politiedien- sten. 1.
  4. Met een brief van 9 april 2002 deelt de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie aan de verzoeker mee dat hij niet tot de voornoemde basisopleiding kan worden toegelaten. De directeur motiveert deze beslissing als volgt: “Artikel IV.I.15, alinea 2 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en de artikels IV.14 tot IV.21 van het ministerieel besluit tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 hebben betrekking tot het onderzoek van de omgeving en de antecedenten. Na afloop van dit onderzoek van de omgeving en de antecedenten blijkt dat u betrokken was in volgende zaken : feiten van rechtstreekse bedreiging met wapenvertoon (dossiernummer TG.43.21.101193/1999, verhoor als getuige in feiten waar broers verdachten zijn), verdachte in een zaak van opzettelijke slagen en verwondingen (dossiernummer TG.43.21.103107/1998) (ontkent feiten), parkeerovertreding (29/03/2000), veiligheidsgordel (04/05/1998), verhoor als eigenaar bromfiets met overdreven snelheid (18/11/1997), dossier van heling (dossier 101608/93 rijkswachtbrigade Genk). Tevens blijkt, na het inwinnen van informatie, dat een aantal van uw familieleden gekend zijn in onze bestanden. IX-3825-2/16 Hierdoor voldoet u niet aan de voorwaarde gesteld in artikel IV.I.4,3/ van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 en kan u niet toegelaten worden tot de basisopleiding voor de personeelsleden van de politiediensten.” 1.
  5. Op 21 april 2002 tekent de verzoeker tegen deze beslissing beroep aan bij de minister van Binnenlandse Zaken. 1.
  6. Op 2 oktober 2002 wordt de verzoeker, bijgestaan door een verdediger, een eerste keer gehoord door de paritaire commissie die is opgericht bij de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. De voorzitter van deze commissie stelt ter gelegenheid van het verhoor vast dat in het dossier een niet vertaald Franstalig document is opgenomen en, voorts, dat de samenstelling van het dossier niet toelaat een juiste chronologie van de verschillende uitgevoerde onderzoeken van de omgeving en de antecedenten van de verzoeker te bepalen, evenmin als het eventueel verband tussen “die onderzoeken en de bijbehorende ingediende kandidaturen als politieambtenaar”. De commissie beslist daarom de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie te vragen het Franstalige document in het Nederlands te vertalen en een chronologie met bijbehorende uitleg over de in het dossier aangetroffen onderzoeken van de omgeving en de anteceden- ten van de verzoeker toe te zenden. In de conclusie die hij bij de paritaire commissie neerlegt, vestigt de verzoeker er onder meer de aandacht op dat twee adviezen over hem werden uitgebracht, namelijk een ongunstig advies van de lokale politie en een advies van de brigade Genk, dat luidt: “gunstig advies met beperkte inzet”. De verzoeker verklaart zich bovendien akkoord, “om later eventuele problemen te voorkomen”, met een beperking van zijn territoriale inzetbaarheid, namelijk “niet voor Genk of Hasselt”. 1.
  7. Op 16 januari 2003 wordt de behandeling van verzoekers zaak door de paritaire commissie voortgezet. Het proces-verbaal van de zitting vermeldt met betrekking tot het verhoor van de verzoeker en zijn verdediger: IX-3825-3/16 “[...] Op vraag van de voorzitter deelt de heer Yen Ali zijn persoonsgegevens mee. Hij geeft aan dat hij door de heer Clemmens wenst te worden bijgestaan. Deze laatste geeft daarop mondeling de inhoud van zijn schriftelijke conclusies weer. Hierbij stipt hij o.m. een probleem in verband met de ‘Procureur-generaal van Tongeren’ en diens toelating om gerechtelijke stukken te gebruiken aan, wijst hij op het ontbreken van een document nl. het ontwerp tot antwoord met betrekking tot de kandidatuur van de heer Yen en op het slecht Nederlands in de eerder gevraagde vertaling. De vertaling werd niet voor eensluidend verklaard en enkele stukken van het dossier zijn slecht gefotokopieerd zodat zij bijgevolg uit het dossier zouden moeten verwijderd worden. De heer Clemmens voegt ter zitting nog enkele argumenten aan zijn conclusies toe. Het verslag van de brigade Genk is te verregaand: het onderzoek naar de antecedenten van de familie van de heer Yen Ali is te uitgebreid. Gelet op de vermelding van de afkomst van de moeder van de heer Yen Ali, is het alsof men er de PKK wil bijsleuren. De autoriteit heeft gevraagd om allochto- nen in het politiekorps te hebben en dit om te weten wat er in hun milieu gebeurt. De heer Yen Ali deelt mee dat hij absoluut zijn loopbaan als politieman wenst aan te vangen. Hij wacht al veel te lang op de aanvang van zijn carrière. De heer Clemmens merkt op dat betrokkene al geruime tijd wacht en dat dit wachten slechts een slechte vertaling van een document heeft opgeleverd. Op de vraag van de voorzitter of hij een beroepsactiviteit heeft, antwoordt de heer Yen Ali dat hij interim werk heeft verricht. Zijn c.v. vermeldt dat hij bij de politie heeft gesolliciteerd en dit zou een hinderpaal vormen voor een vaste job. De voorzitter vraagt de heer Yen Ali naar eventuele andere activiteiten. De heer Yen Ali deelt mee dat hij aan fitness doet en dat hij gaat lopen. Wanneer hem door de voorzitter naar zijn culturele activiteiten wordt gevraagd antwoordt de heer Yen dat hij werkt in een buurthuis en dat hij deelneemt aan het Turkse verenigingsleven. De voorzitter vraagt de heer Yen Ali zijn familiekring te beschrijven. Hij zegt dat hij zijn ouders nog graag ziet, hij ontmoet zijn broers -ouder en jonger dan hemzelf- ook nog af en toe en zijn broers hebben nu een vast arbeidscon- tract. Een lid van de commissie vraagt de heer Yen Ali wat zijn houding zal zijn ten opzichte van zijn broers indien tegen één of meerdere van hen een gerechtelijk onderzoek zou worden geopend en of hij zich neutraal zou opstellen. De heer Yen Ali zegt dat er niet veel aan te doen zal zijn, dat zoiets erg zou overkomen, dat hij de nodige vaststellingen zou doen en dat het familielid zeker met zijn activiteiten zou moeten stoppen. De heer Clemmens brengt naar voor dat betrokkene niet kan antwoorden op veronderstellingen en dat de heer Yen nog geen politieman is. De voorzitter repliceert hierop dat de gestelde vraag van algemene aard is. Een lid van de commissie vraagt aan de heer Clemmens welke documenten uit het dossier moeten verwijderd worden. De heer Clemmens antwoordt dat de onleesbare documenten i.e. de uittreksels uit polis, uit het dossier moeten worden verwijderd. IX-3825-4/16 Een lid van de commissie vraagt aan de heer Yen Ali om zijn kandidatuur- stelling voor de rijkswacht toe te lichten. Hij antwoordt dat hij niet geslaagd was in de mondelinge proef. De heer Clemmens vindt het niet slagen een spijtige zaak: naar zijn mening had de heer Yen Ali een tweede test moeten aanvragen maar hij heeft dit niet gedaan omdat hij de procedureregels niet kende. Een lid van de commissie vraagt aan de heer Yen Ali om een bepaalde passage uit een proces-verbaal nl. deze waarin wordt gesteld dat hij wist dat de voorwerpen van diefstal afkomstig waren toe te lichten. Betrokkene repliceert hierop door te stellen dat hij op het ogenblik dat hij de woning binnenkwam [...] de rijkswachters over de voorwerpen bezig hoorde en dat hij zo vernam dat de goederen van diefstal afkomstig waren. Een lid van de commissie vraagt uitleg aan de heer Yen Ali over het computerspel. Hij antwoordt dat hij ongeveer de prijs van de pc moest betalen, dat hij niet wist dat het goed gestolen was, dat hij de pc verkocht heeft en hem is gaan terughalen toen hij wist dat hij gestolen was. Een lid van de commissie vraagt uitleg aan de heer Yen over de gestolen goederen: ging het om één computer met een spelletje? Wat is er met het Sega-spel? De heer Yen Ali repliceert dat de zin van het proces-verbaal verkeerd is en herhaalt zijn uitleg over de pc. Hetzelfde lid van de commissie vraagt wat er met die vrienden, verwikkeld in voormelde zaak van de gestolen goederen, is gebeurd. De heer Yen Ali antwoordt dat er één in de gevangenis zit en de andere is spoorloos. Het waren geen schoolvrienden maar onrechtstreeks kwam hij met hen in contact. Een lid van de commissie vraagt waarom hij voor de politie heeft gekozen. Hij stelt dat hij eerst voor de rijkswacht had gekozen omdat die nu niet meer tot het leger behoorde maar nog steeds bekend stond als ‘zij die erin vliegen’ en dat hij eigenlijk geen specifieke voorkeur heeft. Hetzelfde lid vraagt waarom de verdediging nu zelf met een inzetverbod naar voor komt. Er wordt gesteld dat de heer Yen Ali wil breken met zijn familie en dat dergelijk verbod dagelijkse contacten zou verhinderen. Hij voegt eraan toe dat er in Turkse milieus nauwe familiebanden bestaan. Hetzelfde lid van de commissie komt terug op het pc-spel en stelt dat in het dossier ook nog sprake is van een Nintendo-spel. De heer Yen Ali antwoordt dat van zodra hij wist dat het spel gestolen was, hij het is gaan terug halen. Een lid van de commissie vraagt naar de prijs die hij voor het spel heeft betaald en of die ongeveer 8 500 BEF (bijna de prijs voor een nieuw spelletje) bedroeg. De heer Yen Ali bevestigt die prijs en voegt eraan toe dat het geen nieuw pc-spel betrof. [...]” 1.
  8. Na beraadslaging brengt de paritaire commissie met meerderheid van stemmen het volgende advies uit: IX-3825-5/16 “Overwegende dat de heer Yen Ali naar aanleiding van de feiten van 27 april 1993, waarvoor hij op 05 mei 1993 werd verhoord, tijdens zijn verhoor opgenomen in de bijlage 1 van het proces-verbaal met nr. 101608/93, heeft verklaard dat hij wel kon vermoeden dat zijn kennissen, [...], het computerspel Super Nintendo ergens gestolen hadden en dat hij zich daar geen zorgen over maakte; Overwegende dat de heer Yen Ali op het ogenblik van die feiten bijna 18 jaar was geworden zodat de aankoop van het gestolen computerspel niet als een jeugdzonde kan worden aanzien; Dat bijgevolg dergelijke houding onverenigbaar is met een onberispelijk gedrag; Overwegende dat de heer Yen Ali erkent dat er in zijn omgeving criminele feiten zijn gepleegd en dat hij blijvend contact onderhoudt met die personen die volgens het dossier aan de paritaire commissie voorgelegd, verantwoordelijk zijn voor die criminele feiten; Dat de heer Yen Ali derhalve onvoldoende waarborgen kan bieden voor een onberispelijk gedrag in de toekomst; Om deze redenen is de Paritaire Commissie van oordeel dat de heer Ali Yen niet voldoet aan de voorwaarde gesteld in artikel IV.I.4, 3/ van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten.” 1.
  9. Op 9 april 2003 beslist de minister van Binnenlandse Zaken dat het door de verzoeker ingediende beroep niet gegrond is en dat de beslissing van de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie moet worden behouden. De minister steunt deze beslissing “op dezelfde argumenten als die naar voorgeschoven door de paritaire commissie”. Dit is de bestreden beslissing. 1.
  10. Ze wordt met een aangetekende brief van 16 april 2003 ter kennis van de verzoeker gebracht. Grond van de zaak 2.1.
  11. In een eerste onderdeel van het eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. IX-3825-6/16 Vooreerst laat hij gelden dat de bestreden beslissing gebaseerd is op een motief dat feitelijk onjuist is. Hij betoogt dat, in tegenstelling tot wat in het advies van de paritaire commissie wordt gesteld, hij niet heeft erkend dat in zijn omgeving criminele feiten zijn gepleegd en dat hij blijvend contact onderhoudt met de personen die volgens het dossier dat aan de paritaire commissie werd voorgelegd, verantwoordelijk zijn voor die feiten. Volgens de verzoeker is bovendien niet duidelijk welke criminele feiten de paritaire commissie precies voor ogen had en in welke mate ze bewezen en relevant werden geacht. De aanhef van de bestreden beslissing maakt weliswaar melding van diverse feiten, maar sommige daarvan heeft hij ontkend, terwijl hij met betrekking tot andere heeft vermeld dat hij slechts als getuige fungeerde. Voorts meent de verzoeker dat aan de formele motiveringsplicht niet is voldaan, omdat hij geen antwoord heeft gekregen op zijn vraag om een afschrift te verkrijgen van het volledige dossier, in het bijzonder van de documenten die betrekking hebben op de procedure bij de paritaire commissie, met inbegrip van de documenten inzake de hoorzittingen van de paritaire commissie en de documen- ten die de weergave vormen van de beraadslaging en de besluitvorming van die commissie. Ten slotte stelt de verzoeker dat de formele motiveringsplicht is geschonden, doordat de overheid niet duidelijk maakt waarom ze, geconfronteerd met twee tegenstrijdige adviezen, de voorkeur geeft aan het voor de verzoeker ongunstige advies van de lokale politie boven het gunstige advies van de federale politie. 2.1.
  12. In een tweede onderdeel van het eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de materiële motiveringsplicht, artikel 12, eerste en tweede lid, en artikel 14 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, artikel IV.I.4, 3/, artikel IV.I.6, eerste en tweede lid, en artikel IV.I.15, tweede lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: het RPPol), alsook van artikel IV.14, artikel IV.17 en artikel IV.20 van het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: het UBPol). IX-3825-7/16 De verzoeker laat vooreerst gelden dat de bestreden beslissing gesteund is op het advies van de paritaire commissie, waarvan hij niet in het bezit is gesteld. Hij kent alleen de motieven van het advies, zoals weergegeven in de aanhef van de bestreden beslissing. Voorts wijst de verzoeker erop dat een onderzoek van de omgeving en de antecedenten van de kandidaat niet dient om uit te maken of de betrokkene in het recente of verre verleden al dan niet van onberispelijk gedrag was, noch om uit te maken of hij al dan niet voldoende waarborgen kan bieden voor een onberispelijk gedrag in de toekomst, maar wel om uit te maken of de betrokkene op het ogenblik van zijn toelating tot de basisopleiding al dan niet van onberispelijk gedrag is. Hij laat gelden dat de voormelde wettelijke en reglementaire bepalingen, alsook de materiële motiveringsplicht zijn geschonden, doordat de paritaire commissie ten aanzien van hem een feit van het jaar 1993 in aanmerking heeft genomen, maar niet heeft onderzocht of hij anno 2002 van onberispelijk gedrag was. Volgens de verzoeker moet de overheid, in de gevallen dat zij zich een discretionair oordeel vormt over de vraag of een kandidaat al dan niet van onberispelijk gedrag is, en meer in het bijzonder wanneer zij dit doet op basis van gegevens die meer dan negen jaar oud zijn, zich uitspreken over de actuele relevantie van die gegevens, te meer daar te dezen de gegevens in kwestie betrekking hebben op een eenmalig feit begaan door een minderjarige. Overigens, aldus de verzoeker, kan het blijvend contact onderhouden met bepaalde, zelfs criminele, personen geen dienstig element zijn om uit te maken of iemand voldoende waarborgen voor een onberispelijk gedrag biedt. Het al dan niet van onberispelijk gedrag zijn, is immers een voorwaarde die op de kandidaat zelf betrekking heeft en niet op diens omgeving. 2.1.
  13. In een derde onderdeel van het eerste middel voert de verzoeker aan dat de bestreden beslissing is genomen met “machtsoverschrijding door onbevoegdheid”. De verzoeker argumenteert dat zowel het advies van de paritaire commissie als de daarop gesteunde bestreden beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken mede tot stand zijn gekomen op grond van de overweging dat hij zich in de loop van het jaar 1993, toen hij nog minderjarig was, schuldig zou hebben gemaakt aan heling. Hij meent dat het niet de overheid toekomt om feiten, IX-3825-8/16 gedragingen of houdingen die negatief worden beoordeeld, een strafrechtelijke kwalificatie te geven. Aangezien de notie “heling” een strafrechtelijke kwalificatie betreft, zijn de paritaire commissie en de minister hun bevoegdheid te buiten gegaan. 2.2.
  14. Met betrekking tot het eerste onderdeel van het eerste middel repliceert de verwerende partij in haar memorie van antwoord dat de verzoeker tijdens de hoorzitting van 16 januari 2003 ten aanzien van de paritaire commissie heeft verklaard “dat hij zijn ouders nog graag ziet” en dat hij “zijn broers [...] ook nog af en toe [ontmoet]”, zodat deze commissie correct heeft geoordeeld dat de verzoeker blijvend contact onderhoudt met personen die volgens het dossier verantwoordelijk zijn voor criminele feiten, met name zijn broers. Volgens de verwerende partij kan de verzoeker niet beweren dat de motieven waarop de paritaire commissie zich steunt, hem niet bekend waren. Het proces-verbaal van de hoorzitting van 16 januari 2003 geeft immers het verhoor van de verzoeker en zijn verdediger weer, evenals het advies van de paritaire commissie. De verzoeker was tijdens de hoorzitting aanwezig en is bijgevolg op de hoogte van wat hijzelf en zijn verdediger hebben verklaard. De motieven waarop de paritaire commissie haar advies heeft gesteund, werden bovendien integraal overgenomen in de bestreden beslissing. Er is trouwens geen wetsartikel dat haar ertoe verplichtte de verzoeker in het bezit te stellen van de processen-verbaal van de paritaire commissie. Wat het argument van de verzoeker betreft dat hij bepaalde feiten heeft ontkend, merkt de verwerende partij op dat het niet de bevoegdheid van de verzoeker, maar wel van de overheid is om te beslissen of hij voldoet aan de voorwaarde van artikel IV.I.4, 3/, van het RPPol, luidens dewelke de kandidaat van onberispelijk gedrag moet zijn. Bovendien bepalen de voorschriften betreffende het onderzoek van de omgeving en de antecedenten van de kandidaat niet dat de betrokkene de vaststellingen van de overheid niet zou mogen betwisten. Op de bewering van de verzoeker dat hij geen antwoord heeft gekregen op zijn vraag om een afschrift te verkrijgen van het volledige dossier, repliceert de verwerende partij dat de verdediger van de verzoeker op 21 mei 2003 naar de directeur-generaal van de algemene directie personeel van de federale politie een faxbericht heeft verzonden, waarin hij aankondigde dat hij op 22 mei 2003 persoonlijk een kopie van het volledige dossier zou afhalen op de dienst, zodat zij IX-3825-9/16 niet eens de tijd heeft gekregen om te antwoorden en zij er vanuit mocht gaan dat de verdediger zich persoonlijk zou aanbieden bij de directeur-generaal. Met betrekking tot haar voorkeur voor het advies van de lokale politie, betoogt de verwerende partij dat de verzoeker zijn kandidatuur heeft ingediend op 26 februari 2001, dat op dat ogenblik het advies betreffende de morele hoedanigheden van de kandidaat met toepassing van artikel 49 van het koninklijk besluit van 9 april 1979 betreffende de werving en vorming van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, door de commandant van de rijkswacht moest worden uitgebracht, maar dat ingevolge de inwerkingtreding van het RPPol op 1 april 2001 het onderzoek van de omgeving en de antecedenten van de kandidaat door het korps van de lokale politie van de woonplaats van de kandidaat diende te worden uitgevoerd. 2.2.
  15. De verwerende partij repliceert op het tweede onderdeel van het eerste middel dat uit de artikelen IV.I.4 en IV.I.5 van het RPPol en artikel IV.17 van het UBPol volgt dat het onderzoek van de omgeving en de antecedenten van de kandidaat het gedrag van de betrokkene niet alleen op het ogenblik van het onderzoek, maar ook in het verleden moet nagaan. Politieambtenaren moeten immers te allen tijde het vertrouwen van de burgers hebben, op elk moment van onberispelijk gedrag zijn en derhalve op elk ogenblik alle toepasselijke wetten naleven en zich niet schuldig maken aan enig misdrijf. Vermits het voorgeschreven onderzoek de “omgeving” en de antecedenten van de kandidaat tot voorwerp heeft, is de opmerking van de verzoeker dat dit onderzoek een voorwaarde betreft die op de kandidaat zelf en niet op diens omgeving betrekking heeft, niet correct. 2.2.
  16. Op het derde onderdeel van het eerste middel antwoordt de verwerende partij dat in de bestreden beslissing, onder de rubriek “historiek van het dossier” van de verzoeker, slechts éénmaal het woord “heling” is terug te vinden en dat daarvan in de motieven van de bestreden beslissing zelfs geen sprake is. In de bestreden beslissing is de strafrechtelijke kwalificatie “heling”dan ook niet gebruikt. De paritaire commissie en de minister hebben zich te dezen geen bevoegdheden aangematigd die ze niet hebben. 2.3.
  17. In zijn memorie van wederantwoord laat de verzoeker met betrekking tot het eerste onderdeel van het eerste middel nog gelden dat uit niets IX-3825-10/16 blijkt welke criminele feiten de paritaire commissie in hoofde van zijn broers in aanmerking heeft genomen, rekening houdend met de omstandigheid dat hij een aantal van die feiten heeft betwist. Voorts stelt hij nog dat in de bestreden beslissing niet wordt geciteerd uit het proces-verbaal van de hoorzitting van 16 januari 2003 en dat hij evenmin tijdig in het bezit werd gesteld van dit proces-verbaal. Vanzelfsprekend kent hij de essentie van hetgeen hijzelf en zijn verdediger tijdens de hoorzitting van 16 januari 2003 hebben verklaard, maar de weergave daarvan in het proces-verbaal is onvolledig en kan hem derhalve niet worden tegengesteld. Zijn verdediger heeft zich op 22 mei 2003 omwille van andere beroepsverplichtingen niet aangeboden voor het ophalen van een kopie van het dossier. Hij heeft later het dossier wel ontvangen, maar zonder proces-verbaal van de hoorzitting, niettegenstaande een volledig dossier was gevraagd. Volgens de verzoeker is het weliswaar juist dat het de overheid toekomt om te beslissen of hij voldoet aan de voorwaarde van artikel IV.I.4., 3/, van het RPPol, maar is dit niet ter zake voor de beoordeling van het middel. Doordat hij niet in het bezit is gesteld van het proces-verbaal van de hoorzitting van de paritaire commissie, kan hij de daarin gemaakte vaststellingen slechts betwisten na inzage van het administratief dossier ter griffie van de Raad van State, terwijl de bedoeling van de formele motiveringsplicht erin bestaat dat de adressaat van een administratie- ve beslissing een inzicht krijgt in de motieven ervan vooraleer een rechtszaak wordt ingeleid. Op het argument van de verwerende partij, ten slotte, dat het advies van de lokale politie werd gevolgd omwille van de politiehervorming, repliceert de verzoeker dat hij duidelijk heeft gesteld dat noch de stukken die hij in zijn bezit heeft inzake de procedure bij de paritaire commissie, noch de bestreden beslissing zelf toelaten te vernemen om welke reden het advies van de federale politie niet wordt gevolgd en het advies van de lokale politie van Genk wel. Het advies van de paritaire commissie, dan wel de bestreden beslissing waren des te meer verplicht zich over dit aspect van de zaak uit te spreken, nu de verzoeker voor de paritaire commissie uitdrukkelijk had gewezen op de tegenstrijdigheid tussen beide adviezen en op zijn akkoord met een beperkte territoriale inzetbaarheid. 2.3.
  18. Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, voert de verzoeker nog aan dat het gegeven dat een kandidaat een min of meer lange tijd vóór IX-3825-11/16 de toetsing van de onberispelijkheid van zijn gedrag een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, niet zonder meer tot de conclusie leidt dat de betrokkene geen blijk geeft van een onberispelijk gedrag. Die toetsing gebeurt in de uitoefening van een discretionaire appreciatiebevoegdheid en het is precies op dat vlak dat de bestreden beslissing is tekortgeschoten. Het voorgeschreven onderzoek betreft bovendien weliswaar de omgeving van de kandidaat, maar de desbetreffende voorwaarde mag niet in die zin worden geïnterpreteerd dat ook de familieleden, vrienden en kennissen van de kandidaat van onberispelijk gedrag moeten zijn, anders zou die kandidaat worden bestraft op grond van het niet-onberispelijke gedrag van die “omgeving”, wat strijdig zou zijn met het beginsel van de persoonlijke verantwoordelijkheid voor crimineel gedrag, en zou zijn recht op de eerbiediging van zijn privé-leven en gezinsleven, gewaarborgd door de artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag over de Rechten van de Mens, in het gedrang komen. 2.3.
  19. Met betrekking tot het derde onderdeel van het eerste middel laat de verzoeker nog gelden dat de verwerende partij niet kan ontkennen dat de paritaire commissie criminele feiten als motief heeft gehanteerd. Het bestaan van die feiten staat echter niet vast, vermits zijn broers tot nog toe voor die feiten niet zijn veroordeeld en zij dus geacht moeten worden onschuldig te zijn. 2.
  20. De verwerende partij beklemtoont in haar laatste memorie dat de paritaire commissie zich geenszins bevoegdheden heeft toegeëigend die alleen de strafrechter toekomen. Zij betoogt dat de verzoeker heeft erkend dat er in zijn omgeving criminele feiten zijn gepleegd en dat hij blijvend contact onderhoudt met personen die volgens het dossier voor die feiten verantwoordelijk zijn. De paritaire commissie stelt dus niet dat de broers van de verzoeker effectief criminele feiten hebben gepleegd. De verwerende partij wijst erop dat de verzoeker zelf om een beperking van zijn territoriale inzetbaarheid heeft gevraagd, omdat hij wil breken met zijn familie, waaruit zij afleidt dat de verzoeker zelf verwacht dat de omgang met zijn familie voor problemen kan zorgen en dat hij van oordeel is dat er waarborgen nodig zijn om deze problemen te vermijden. Gelet op de taken van politieambtenaren, is het belangrijk dat de burgers vertrouwen kunnen hebben in de integriteit van de betrokkenen. Daarom IX-3825-12/16 stelt de verwerende partij dat zij niet anders kan dan streng te oordelen over het onberispelijke gedrag van de kandidaten. 2.5.
  21. Krachtens artikel IV.I.4, 3/, van het RPPol kan een kandidaat slechts toegelaten worden tot de basisopleiding voor de personeelsleden van de politiediensten, indien hij van onberispelijk gedrag is. Uit het advies van 16 januari 2003 van de paritaire commissie, dat door de bestreden beslissing wordt bijgevallen, blijkt dat de commissie heeft geoordeeld dat de verzoeker aan de voornoemde toelatingsvoorwaarde niet voldoet, op grond van de volgende motieven: - tijdens zijn verhoor op 5 mei 1993 naar aanleiding van “de feiten van 27 april 1993”, verklaarde de verzoeker dat hij kon vermoeden dat zijn kennissen een computerspel ergens hadden gestolen en dat hij zich daarover geen zorgen maakte; op het ogenblik van die feiten was de verzoeker bijna 18 jaar, zodat de aankoop van het gestolen computerspel niet als een jeugdzonde kan worden aanzien; dergelijke houding is bijgevolg onverenigbaar met een onberispelijk gedrag; - de verzoeker erkent dat er in zijn omgeving criminele feiten zijn gepleegd en dat hij blijvend contact onderhoudt met de personen die, volgens het dossier dat aan de paritaire commissie werd voorgelegd, verantwoordelijk zijn voor die feiten; de verzoeker kan derhalve onvoldoende waarborgen bieden voor een onberispelijk gedrag in de toekomst. 2.5.
  22. Het eerst vermelde motief om de verzoeker niet toe te laten tot de basisopleiding voor de personeelsleden van de politiediensten heeft, blijkens de beslissing van 9 april 2002 van de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie, betrekking op “het dossier van heling (dossier 101608/93 rijkswachtbrigade Genk)”. De verzoeker kan te dezen worden bijgevallen in zijn standpunt dat de toetsing van het voorgeschreven onberispelijke gedrag niet gebeurt in de uitoefening van enige gebonden bevoegdheid, maar wel van een discretionaire bevoegdheid, en dat de loutere vaststelling dat hij meer dan negen jaar geleden als minderjarige, door het aankopen van een computerspel waarvan hij kon vermoeden dat het was gestolen, een houding heeft aangenomen die onverenigbaar was met een onberispelijk gedrag, dienvolgens niet zonder meer tot de conclusie kon leiden dat hij, op het ogenblik waarop de toetsing van het onberispelijke gedrag werd IX-3825-13/16 uitgevoerd, nog steeds niet van onberispelijk gedrag was, maar dat de paritaire commissie zich moest beraden en uitspreken over de actuele relevantie van die in het verleden aangenomen houding, te meer nu die houding als een eenmalig feit voorkomt. Uit het advies van de paritaire commissie en uit de bestreden beslissing blijkt niet dat de commissie zich op 16 januari 2003 over de actuele relevantie van de feiten van 27 april 1993 heeft beraden, laat staan zich daarover heeft uitgesproken. Het eerst vermelde motief verleent dan ook geen wettige grondslag aan de bestreden beslissing. 2.5.
  23. Het tweede vermelde motief om de verzoeker niet toe te laten tot de basisopleiding voor de personeelsleden van de politiediensten, heeft klaarblijke- lijk betrekking op de in de beslissing van 9 april 2002 van de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie vermelde “feiten van rechtstreekse bedreiging met wapenvertoon (dossiernummer TG.43.21.101193/1999, verhoor als getuige in feiten waar broers verdachten zijn)”. Noch uit het proces-verbaal van de hoorzitting van 16 januari 2003, noch uit enig ander stuk van het administratief dossier blijkt dat, zoals in het advies van de paritaire commissie wordt gesteld, de verzoeker heeft erkend dat er “in zijn omgeving”, met name door zijn broers, criminele feiten zouden zijn gepleegd. De commissie baseert bovendien haar stelling dat de verzoeker “blijvend contact onderhoudt met die personen die [...] verantwoordelijk zijn voor die criminele feiten”, op het dossier dat haar is voorgelegd, terwijl dat dossier slechts betrekking heeft op feiten waarvan de broers van de verzoeker worden verdacht. Door formeel ook te stellen dat de broers van de verzoeker verantwoorde- lijk zijn voor bepaalde criminele feiten, eigenen de paritaire commissie en, door de argumenten van die commissie tot de zijne te maken, ook de steller van de bestreden handeling, zich een bevoegdheid toe die alleen de strafrechter toekomt. Nu niet blijkt dat de strafrechter de verantwoordelijkheid van de broers van de verzoeker voor de bedoelde criminele feiten heeft vastgesteld, mist het desbetreffen- de motief alleszins feitelijke grondslag. IX-3825-14/16 Voorts heeft de verzoeker, blijkens het proces-verbaal van de hoorzitting van 16 januari 2003 van de paritaire commissie, weliswaar verklaard dat hij zijn broers nog af en toe ziet, maar in datzelfde proces-verbaal is tevens genoteerd: - dat de verzoeker, in antwoord op de vraag van een commissielid wat zijn houding ten opzichte van zijn broers zou zijn indien tegen één of meer van hen een gerechtelijk onderzoek zou worden geopend en of hij zich neutraal zou opstellen, verklaarde dat hij de nodige vaststellingen zou doen en dat het familielid zeker met zijn activiteiten zou moeten stoppen; - dat de verzoeker, op de vraag van een commissielid waarom hij zelf met een inzetverbod naar voor komt, antwoordde dat hij wil breken met zijn familie en dat dergelijk verbod dagelijkse contacten zou verhinderen. Uit de naar aanleiding van de hoorzitting neergelegde schriftelijke conclusie van de verzoeker, blijkt inderdaad dat hij zich uitdrukkelijk akkoord heeft verklaard met een beperking van zijn territoriale inzetbaarheid “om later eventuele problemen te voorkomen”. De verwerende partij spreekt als dusdanig niet tegen dat er, op basis van de vroegere regelgeving, een advies “gunstig met beperkte inzet” werd gegeven door de brigadecommandant van de woonplaats van de verzoeker. Uit het advies van de paritaire commissie blijkt niet dat die commissie, vooraleer tot de conclusie te komen dat de verzoeker onvoldoende waarborgen kan bieden voor een onberispelijk gedrag in de toekomst, deze feitelijke gegevens bij haar besluitvorming heeft betrokken. Ook het tweede vermelde motief verleent derhalve geen wettige grondslag aan de bestreden beslissing. 2.5.
  24. Het eerste middel is dan ook gegrond in zoverre de verzoeker daarin de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert. IX-3825-15/16 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  25. Vernietigd wordt de beslissing van 9 april 2003 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij het beroep van Ali YEN tegen de beslissing van 9 april 2002 van de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie, houdende zijn niet-toelating tot de basisopleiding voor de personeelsleden van de politiediensten, ongegrond wordt verklaard. Artikel
  26. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 23 februari 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3825-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.744 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.