← België

Arrest 190762 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 24/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.762 Rolnummer: A. 169446/X-12658 Zaak: Arrest 190762 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 24/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-05 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 19:27 Fiche Arrest nr 190.762 van 24 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.762 van 24 februari 2009 in de zaak A. 169.446/X-12.658. In zake : 1. Philippe VAN ERMEN 2. de v.z.w. VRIENDEN VAN HET HEVERLEEBOS EN MEERDAALWOUD, die woonplaats kiezen bij advocaat J. VERSTRAETEN, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Vaartstraat 70 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. VAN BEVER, kantoor houdende te 1850 GRIMBERGEN, Pastoor Woutersstraat 32 bus 7. tussenkomende partij : de KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Baron Rusettelaan 27. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Philippe VAN ERMEN en de v.z.w. VRIENDEN VAN HET HEVERLEEBOS EN MEERDAALWOUD op 16 januari 2006 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 21 oktober 2005 van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van het planonderdeel “Universiteitspark” van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 november 2005; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 6 juli 2006 ingediend door de Katholieke Universiteit Leuven; X-12.658-1/14 Gelet op de beschikking van 25 augustus 2006 die de tussenkomst van de Katholieke Universiteit Leuven toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 oktober 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VERSTRAETEN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat J. DURNEZ, die loco advocaat M. VAN BEVER verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat E. CASTELEYN, die loco advocaat A. LUST verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. Het gebied gelegen aan de Boudewijnlaan te Leuven (Heverlee), Campus Dijlevallei, is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij het koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven gelegen in een gebied “voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen”. X-12.658-2/14 De Vlaamse regering heeft bij besluit van 27 mei 1997 houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren, dit gebied bestemd tot “universiteitspark”. Bij besluit van 23 juni 1998 stelt de Vlaamse regering definitief het plan vast tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de voormelde gemeenten, en wordt het bovengenoemde gebied bestemd tot “universiteitspark” (kaartblad 32/2). 1.2. Bij arrest nr. 148.037 van 4 augustus 2005 vernietigt de Raad van State het besluit van 23 juni 1998 in zoverre het gebied gelegen te Leuven (Heverlee), Boudewijnlaan, campus Dijlevallei, wordt bestemd tot “universiteitspark”. 1.3. Na op 24 augustus 2005 beslist te hebben tot verlenging van de termijn tot definitieve vaststelling van een onderdeel van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het voormelde gewestplan, verzoekt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, op 8 september 2005, de afdeling wetgeving van de Raad van State om advies over een ontwerp van besluit van de Vlaamse regering “houdende definitieve vaststelling van het planonderdeel Universiteitspark van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren”. Dit advies (39.067/1) wordt op 13 oktober 2005 verstrekt. 1.4. Op 21 oktober 2005 wordt het bestreden besluit genomen. Het betrokken gebied wordt terug bestemd tot “universiteitspark”. 2. Ontvankelijkheid van het beroep 2.1. De verwerende partij werpt de volgende excepties van gebrek aan belang op : “Eerste verzoekende partij voert aan dat zij rechtstreeks hinder (o.m. toenemende verkeershinder) van het geplande ‘universiteitspark’ (zal X-12.658-3/14 ondervinden) en dat de aantasting van landschap en natuur haar ook schade zal berokkenen. Zij toont echter niet aan welke hinder zij zou ondervinden: o.m. wat betreft de verkeershinder dient gesteld te worden (dat) de Kapeldreef nu reeds van belang is voor de ontsluiting van de campus Arenberg. Dit geldt enkel voor het gedeelte waar de universiteit gevestigd is en niet voor het deel in Egenhoven (Kapelberg, Toverberg). In de toekomst zal die situatie niet veranderen zodat geen bijkomend deel van de Kapeldreef een ontsluitingsfunctie zal krijgen. Voorts is evenmin aangetoond hoe de inplanting van het universiteitspark haar schade zou kunnen berokkenen. Zo was dit gebied reeds voordien bestemd tot zone voor openbaar nut. (en niet tot bijvoorbeeld natuurgebied) Dit was m.a.w. een gebied dat bestemd was om voorzieningen, zoals scholen, administratieve gebouwen, ... te ontvangen. De natuurfunctie wordt met de gewestplanwijziging juist gevrijwaard door het omzetten van het echte valleigedeelte van de Dijle met de hoogste natuurwaarde van openbaar nut naar natuurgebied! 1.b. onontvankelijkheid van de vordering in hoofde van tweede verzoekende partij bij gebrek aan belang Voordien was dit gebied bestemd tot zone voor openbaar nut. (en niet tot bijvoorbeeld natuurgebied) Dit was m.a.w. een gebied dat bestemd was om voorzieningen, zoals scholen, administratieve gebouwen, ... te ontvangen. Met de gewestplanwijziging wordt een deel van het gebied omgezet in natuurgebied: De natuurfunctie wordt zodoende met de gewestplanwijziging juist gevrijwaard door het omzetten van het echte valleigedeelte van de Dijle met de hoogste natuurwaarde van ‘zone van openbaar nut’ naar ‘natuurgebied’! Zodoende heeft tweede verzoekende partij geen belang bij het instellen van de vordering”. 2.2.1. Het beroep tot nietigverklaring heeft de wijziging van het gewestplan Leuven voor een gebied met een oppervlakte van 13,5 ha van “gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen” in “universiteitspark” tot voorwerp. Artikel. 6. “Universiteitspark” van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan Leuven bepaalt wat volgt: “De gebieden die als universiteitspark zijn aangeduid, zijn bestemd voor de vestiging van onderzoekslaboratoria, instellingen en kleinschalige innoverende bedrijven, waarvan een belangrijke component van de activiteit op wetenschappelijk onderzoek is afgestemd in samenwerking met de universitaire onderzoeksinstellingen. De ermee samenhangende kantoren en diensten (o.a. doorgangsgebouw) zijn eveneens toegelaten. Bij de inrichting van het gebied zal ten zeerste rekening worden gehouden met de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten van het terrein en de onmiddellijke omgeving. Hierbij wordt aandacht besteed aan het parkkarakter, de aard en de omgeving van de bebouwing, het architecturaal karakter, de breedte en de wijze van aanleg van de omringende gebieden, enz ... Het gebied X-12.658-4/14 wordt gerealiseerd door de KULeuven die hiervoor beroep kan doen op een publiek samenwerkingsverband”. In tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij voorhoudt, zijn de bestemmingsvoorschriften die gelden voor “universiteitspark” alleszins van aard een impact te hebben op het leefmilieu in dat gebied en werken, handelingen en exploitaties toe te laten die op grond van de toepasselijke regelgeving niet kunnen worden toegelaten in gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. 2.2.2. De eerste verzoeker wijst er terecht op dat hij woont aan de Kapeldreef 46 C, palende aan het gebied dat door het bestreden besluit tot “universiteitspark” wordt bestemd. Hij doet daardoor blijken van het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van het bestreden besluit wat dit gebiedsdeel betreft. 2.2.3. De tweede verzoekende partij argumenteert haar belang als volgt : “Luidens art. 3 van de statuten van de VZW VRIENDEN VAN HEVERLEEBOS EN MEERDAALWOUD (tweede verzoekende partij) stelt (

  1. de)vereniging (zich) uitdrukkelijk ten doel : ‘Het natuurbehoud en de bescherming van het leefmilieu te bevorderen; de kennis van de natuur te propageren en de natuurbeleving te stimuleren bij de brede lagen van de bevolking. Haar activiteiten richten zich tot de Vlaams-Brabantse gouw, met bijzondere aandacht voor de streek van Leuven. De vereniging kan gelijkaardige initiatieven nemen of steunen buiten hogervermeld geografisch interessegebied.’ Zij kan alle bijkomende verrichtingen doen die bij haar doel aansluiten, alle nuttige en noodzakelijke initiatieven nemen tot het verwezenlijken van dit doel en ook roerende en onroerende goederen huren of verwerven. Essentieel in deze zaak is dat de in het (deels) bestreden besluit doorgevoerde bestemmingswijziging een nefaste invloed zal hebben op de natuurwaarden in het betrokken gebied en dat daarenboven de goede ruimtelijke ordening in het gedrang wordt gebracht door de aansnijding van een waardevolle open ruimte. De hoge ecologische waarde van het gebied gelegen aan de Boudewijnlaan te Heverlee staat buiten kijf Het gebied waarvoor in het (deels) bestreden besluit de bestemming ‘universiteitspark’ is voorzien, is thans een grote groene ruimte van 13, 5 ha (!) (waarvan de structuur in het centrale stuk sterk lijkt op natuurlijk bos), gelegen in de Dijlevallei (de Dijle kent er nog een niet-ingedijkt en natuurlijk verloop) en aansluitend bij Egenhovenbos: De ecologische waarde van het gebied wordt mede bepaald door de nabijheid van Egenhovebos (natuurgebied en EG-Vogelrichtlijngebied). Er is namelijk een intense wisselwerking tussen beide gebieden die als onafscheidelijk moeten gezien worden. X-12.658-5/14 Versnippering (door de geplande infrastructuurwerken) heeft een onomkeerbaar nefast effect. Op de Biologische Waarderingskaart van België wordt dit gebied overigens aangeduid als waardevol, tot plaatselijk zeer waardevol. Het betreft hier ‘oud valleibos’ (Vn), ‘mesofiel grasland’ (Hu) en ‘Rietland’ (Mr). De eerste twee zijn volgens de Europese Habitatrichtlijn 92/43/EEG bedreigde habitats op het grondgebied van de gemeenschap. Relicten van valleibossen (habitattype 44.3) zijn volgends deze richtlijn aangegeven als prioritair te beschermen. Daarenboven behoorde het volgens het ontwerp-Groene Hoofdstructuur (destijds) gedeeltelijk tot een Natuurkerngebied. Jarenlang wordt reeds geijverd voor het statuut van Natuurpark Dijleland. Dit werd onlangs gehonoreerd door de instelling van een proefgebied ‘Regionaal Landschap’ (statuut voorzien in het Decreet op het Natuurbehoud), waarvan de Dijlevallei het ankerpunt vormt. In het studierapport van het Gemeentelijk Natuurontwikkelingsplan (GNOP) wordt als visie en streefbeeld voor dit gebied de stopzetting gevraagd van het verder indringen van gebouwen in het gebied. Dit GNOP werd door de stad Leuven en vervolgens door de Administratie voor Milieu-, Natuur, en Land en Waterbelleer van de Vlaamse Gemeenschap goedgekeurd op 11.06.1997. Bovendien vormt het gebied een strategische buffer aan de westkant van Leuven (o.m. tegen de verstedelijkingsdruk vanuit Brussel) en een natuurlijke afsluiting van het stedelijk gebied Leuven. In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen wordt o.m. verwezen naar de bestaande toestand (als deel van het informatief gedeelte) en daarbij wordt de Dijlevallei gekwalificeerd als zijnde structuurbepalend in Vlaanderen. Er wordt gepreciseerd dat de Dijlevallei zeer belangrijk is door de aanwezigheid van een goed gedifferentieerd stelsel van komgronden en oeverwallen, door de grote variatie aan vegetatie, de aanwezigheid van kwelgemeenschappen, grote vijvers en graslanden. De Dijlevallei speelt tevens een belangrijke rol in de vogeltrek. Ook op hydrologisch vlak dreigt het geplande universiteitspark ernstige schade te berokkenen. Met het volledig volbouwen van dit natuurlijk overstromingsgebied van de rivier de Voer verdwijnt immers opnieuw een deel waterbufferend gebied welke bij wateroverlast stroomafwaartse gebieden kan helpen vrijwaren tegen wateroverlast. Naast de aanleg van een geconcentreerd overstromingsgebied wordt er voor de hoogwaterbescherming van Leuven uitgegaan van de volledige beschikbaarheid van de overgebleven overstromingsgebieden. Tijdens de overstromingsramp (september-oktober 1998) ontstond bij het publiek en de overheid een consensus over de maximale vrijwaring van natuurlijke overstromingsgebieden. Het zonder voorwaarden volbouwen ervan druist volledig in tegen deze logica en houdt bovendien een aanzienlijk gevaar in voor toekomstige waterschade aan de te bouwen campus zelf. Het is, gelet op het voorgaande, dan ook zonder meer duidelijk dat de doorgevoerde bestemmingswijziging leidt tot een vrij verregaande aantasting van natuur, landschap en open ruimte. In het algemeen heeft dit een achteruitgang van de milieukwaliteit en een aantasting van de goede ruimtelijke ordening tot gevolg. Gelet op de te verwachten verkeersoverlast (cfr. bezwaarschriften), waarvoor geen oplossingen worden voorgesteld, zal ook de leefomgeving van de mensen in de buurt worden aangetast. De vordering kadert dus in het statutair doel van de vereniging”. 2.2.4. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in rechte X-12.658-6/14 optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. De uiteenzetting van de tweede verzoekende partij toont afdoende aan dat de vereiste band van evenredigheid in casu aanwezig is. 2.2.5.1. In haar laatste memorie voert de tussenkomende partij nog aan : “4. Een eventuele annulatie kan echter dat verhoopt rechtsgevolg niet meer met zich brengen. Art. 2 van het decreet van 07 mei 2004 (B.S., 28 april 2004) heeft in het decreet van 18 mei 1999 volgend artikel 145 quinquies ingevoegd : (...) Anderzijds heeft art. 1.5/ van het B.V.R. van 22 februari 2008 (B.S. 25 maart 2008) in art. 2 van het B.V.R. van 05 mei 2000 tot aanwijzing van de werken, handelingen of wijzigingen van algemeen belang en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse bouwmeester een elfde lid ingevoegd, dat luidt als volgt : (...) Art. 14, 3/ van het B.V.R. van 16 mei 2007 houdende subsidiëring van bedrijventerreinen omschrijft een wetenschapspark als : ‘een bedrijventerrein dat voldoet aan de bepaling, vermeld in artikel 1,1/, en dat bestemd is voor de vestiging van onderzoeksintensieve ondernemingen die een band hebben met een universiteit.’ Een bedrijventerrein dat voldoet aan de bepaling, vermeld in art. 1,1/, is ‘een zone, buiten een afgebakend zeehavengebied, die bestemd is of bestemd zal worden voor de vestiging van bedrijven die actief zijn in de handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie, met uitzondering van de zones die hoofdzakelijk bestemd zijn voor kleinhandelsactiviteiten, horeca en kantoren.’ En art. 1.10/ van dat besluit definieert ‘universiteit’ als: ‘een universitaire instelling die de volgende studierichtingen aanbiedt : toegepaste wetenschappen, wetenschappen, medische wetenschappen en biowetenschappen;’ 5. Een eventuele annulatie van het bestreden besluit zou voor gevolg hebben dat de bestemming van het kaartblad 32/2 van het gewestplan Leuven van 07 april 1977 herleeft en dat het gebied opnieuw de bestemming krijgt van een gebied voor gemeenschapsvoorziening en openbare nutsvoorziening. X-12.658-7/14 Ingevolge art. 145 quinquies dro 18 mei 1999 zijn in zulk gebied alle werken en handelingen mogelijk waarvan sprake in art. 103 van dat decreet, onverschillig of de werken en handelingen van een private of publieke initiatiefnemer uitgaan en o(n)verschillig of er al dan niet een winstoogmerk mee gemoeid is. Mitsdien zullen ook na een eventuele annulatie de door de verzoekende partijen gewraakte handelingen en werken ingevolge de sub 4 toegelichte regelgeving mogelijk blijven en niet kunnen worden geweigerd. 6. Daaruit volgt derhalve dat de verzoekende partijen geen actueel belang meer hebben en het beoogde voordeel niet meer kunnen bekomen”. 2.2.5.2. Het staat thans geenszins vast dat de diverse bevoegde overheden, geconfronteerd met de bestemming “gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen”, de door de tussenkomende partij nagestreefde vergunningen zullen verlenen. De Raad van State vermag niet vooruit te lopen op de intenties van de bevoegde overheden, noch vermag hij thans reeds te oordelen of dergelijke hypothetische vergunningen zouden beantwoorden aan die bestemming. 2.2.6. De excepties worden verworpen. 3. Gegrondheid van het beroep 3.1. Het eerste middel Het eerste middel is als volgt geformuleerd : “Eerste middel: Schending van artikel 11 § 7 van het decreet betreffende ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, juncto artikelen 37-53 en artikel 186 van het stedenbouwdecreet van 18 mei 1999. Toelichting: Bij arrest d.d. 4.8.2005 (...) werd het besluit van de Vlaamse Regering d.d. 23.6.1998 vernietigd. Dit besluit wordt geacht nooit te hebben bestaan. Als de overheid opnieuw de bestemming wil vaststellen, dient zij rekening te houden met de actuele wetgeving en had zij de procedure moeten hernemen conform de artikelen 37-53 van het stedenbouwdecreet In casu heeft de overheid er bewust voor gekozen zoals het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State terecht beschrijft, om de procedure NIET te hernemen op grond van de nieuwe regels van het decreet van 18/5/1999, het stedenbouwdecreet, om een bestemmingswijziging door te voeren door een ruimtelijk uitvoeringsplan; Conform artikel 11 § 7 van het decreet betreffende ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 stelt de Vlaamse Regering het Gewestplan X-12.658-8/14 vast binnen 180 dagen na het verstrijken van het verloop van het openbaar onderzoek. Deze termijn is conform het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State verlopen medio 1998. Verzoekende partijen zijn zo vrij integraal te verwijzen naar dit advies dat supra is opgenomen en willen alle eer aan dit advies brengen, dat verzoekende partijen slechts kunnen bijtreden. Het advies stelt dat na een vernietigingsarrest de overheid opnieuw over een volle termijn kan beschikken, indien volgens de rechtsleer, de overheid gehouden is opnieuw op te treden, hetgeen in casu niet het geval is. De Vlaamse Regering kon dan ook niet anders dan de gehele procedure over te doen. De gegevens in het dossier zijn verschillende jaren oud evenals de adviezen en het openbaar onderzoek. Ondertussen zijn er PRS (Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan) en GRS (Gemeentelijk) tussengekomen en is de situatie door het stedenbouwdecreet juridisch ernstig veranderd. De voorhanden liggende gegevens zijn aldus juridisch, feitelijk op vlak van ruimtelijke ordening grondig veranderd zodat het geheel dient herzien te worden. Volgens de nieuwe procedure had ook een nieuw openbaar onderzoek plaats kunnen vinden zodanig dat geactualiseerde bezwaren en informatie konden worden ingediend. Het universiteitspark had kunnen ingebracht in de afbakening van stedelijk gebied (RSV). Het verslag van de afdeling Wetgeving verwijst daaromtrent naar het arrest van de Raad van State (...). Tot slot kan nog worden opgemerkt dat andere plannen die werden vernietigd door uw Raad zoals inzake Termunckveld in Leuven volgens de nieuwe procedure zullen worden vastgesteld. Het middel is gegrond”. 3.2. Beoordeling van het eerste middel 3.2.1. Anders dan het middel stelt, is het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State waarnaar het verwijst, zeer genuanceerd. In essentie wordt geadviseerd dat de gekozen weg “mogelijk problematisch” is. Voorts stelt het advies dat het de afdeling wetgeving, binnen de haar toegemeten termijn, “niet mogelijk (
  2. is)om dit punt nader te onderzoeken”, en dat, indien de Vlaamse regering de uiteindelijk gekozen weg bewandelt, het “de afdeling bestuursrechtspraak (zal) toekomen dit rechtspunt te beslechten”. Ten slotte wordt in het advies gesteld : “3.2. De procedure wordt hernomen op het punt waar het fout is gelopen. Aldus wordt een procedure hervat die méér dan zeven jaar geleden haar beloop kreeg. Er wordt derhalve verder gewerkt op gegevens die minstens even oud zijn. Dat geldt voor de adviezen, voor het openbaar onderzoek, enzovoort. Een dergelijke hervatting is in die omstandigheden slechts mogelijk als de gegevens op grond waarvan de nieuwe beslissing zal worden genomen niet achterhaald zijn. Over dit punt kan de Raad van State, afdeling wetgeving, zich bij gebrek aan kennis van feitelijke gegevens in dit advies niet uitspreken. Het staat aan X-12.658-9/14 de Vlaamse Regering om na te gaan of de elementen waarop de nieuwe beslissing zal steunen, nog voldoende actueel zijn”. Uit dit alles volgt dat het middel faalt waar het “integraal” verwijst naar het advies van de afdeling wetgeving, als zou in dat advies worden geargumenteerd dat de gevolgde procedure onwettig is. 3.2.2. Artikel 186 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : DRO) luidt als volgt : “Procedures tot gewestplanwijziging die lopen op het moment van de inwerkingtreding van dit decreet, worden voortgezet overeenkomstig de artikelen 9 tot en met 11 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996”. 3.2.3. De verwerende en de tussenkomende partijen wijzen er op goede gronden op dat, wanneer een administratieve rechtshandeling door de Raad van State wordt vernietigd, en het noodzakelijke rechtsherstel vereist dat die rechtshandeling wordt overgedaan, de administratieve procedure hernomen dient te worden vanaf het punt waar de vastgestelde onregelmatigheid zich heeft voorgedaan. Bovendien impliceert de vernietiging van een rechtshandeling door de Raad van State dat die rechtshandeling in rechte moet geacht worden nooit te hebben bestaan. Dit betekent dat ten gevolge van die vernietiging de procedure tot gewestplanwijziging geacht moet worden op het ogenblik van de inwerkingtreding van het DRO nog lopende te zijn. Uit een en ander dient te worden besloten dat, na de vernietiging door de Raad van State van het besluit van 23 juni 1998, de verwerende partij de rechtsplicht had opnieuw te oordelen over de kwestieuze bestemming, rekening houdend met het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 11 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het gecoördineerde decreet). 3.2.4. Met zijn arrest nr. 148.037 vernietigde de Raad van State het besluit van 23 juni 1998 op grond van het niet rechtsgeldig vatten van de afdeling wetgeving van de Raad van State binnen een termijn van ten hoogste drie dagen. Bijgevolg diende de vaststellingsprocedure van de gewestplanwijziging te worden overgedaan met een nieuwe adviesaanvraag aan de afdeling wetgeving X-12.658-10/14 Dit gebeurde, en de afdeling wetgeving werd ditmaal gevraagd haar advies uit te brengen binnen een termijn van dertig dagen, welke termijn werd verlengd tot 13 oktober 2005. 3.2.5. Luidens artikel 11, § 7 van het gecoördineerde decreet stelt de Vlaamse regering het gewestplan vast binnen 180 dagen na het verstrijken van de termijn voor het openbaar onderzoek. Deze termijn kan zo nodig met 60 dagen worden verlengd. In casu liep het openbaar onderzoek tot 25 december 1997. Na een vernietiging door de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van een beslissing die aan een welbepaalde termijn was gebonden beschikt de overheid in beginsel opnieuw over de volle termijn om een nieuwe beslissing te nemen. Ten deze heeft de verwerende partij het bestreden besluit onmiskenbaar genomen binnen een termijn van minder dan twee en een halve maand na de betekening van de uitspraak van het arrest nr. 148.037. Aldus zijn de door het gecoördineerde decreet opgelegde termijnen geëerbiedigd. 3.2.6.1. In casu werd een procedure hervat die meer dan zeven jaar eerder haar beloop kreeg, en werd mede beslist op elementen die minstens even oud zijn. Een dergelijke hervatting is slechts in overeenstemming te brengen met een zinvol bezwaarrecht -het openbaar onderzoek werd gehouden eind 1997- en met het zorgvuldigheidsbeginsel -de regionale commissie van advies verleende haar advies reeds op 22 april 1998- indien de gegevens waarop het bestreden besluit steunt, niet achterhaald zijn. Ter zake wordt in het middel enkel aangevoerd dat intussen het provinciaal ruimtelijk structuurplan en een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zijn aangenomen en dat het betrokken gebied “had kunnen ingebracht (worden) in de afbakening van stedelijk gebied (RSV)”. 3.2.6.2. Het bestreden besluit bevat onder meer de volgende motieven : “Overwegende dat het ontwerpgewestplan werd opgemaakt vóór de definitieve vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen; dat daarbij derhalve de principes van het ontwerp-Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen als kader werden gehanteerd; dat deze opties in overeenstemming zijn met de principes en de inhoudelijke opties van het Ruimtelijk Structuurplan X-12.658-11/14 Vlaanderen; dat de motieven voor bestemmingswijziging zijn opgenomen in de toelichtingsnota in bijlage bij dit besluit; (...) Overwegende dat sinds de vaststelling van het gewestplan een gewijzigde wetgeving is tot stand gekomen in verband met de bescherming van de waterwinningsgebieden; dat de begrenzingen van de waterwinningsgebieden derhalve worden aangepast aan de voorstellen van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening; dat het niet aangewezen is de beschermingszone III op het gewestplan aan te geven; (...) Overwegende dat de gegevens op grond waarvan de bestemmingswijziging voor het ‘universiteitpark’ in 1998 werd doorgevoerd, niet achterhaald zijn; dat de nood aan inversteringen in de kenniseconomie vandaag niet kleiner (
  3. is)dan een zevental jaar geleden; dat wat de ruimtelijke afwegingen betreft de argumenten die destijds zijn aangehaald, nog gelden; dat bij de voorlopige vaststelling en bij de adviesronde en tijdens het openbaar onderzoek argumenten pro en contra de inname van een stuk tot dan onbebouwde ruimte voor de uitbouw van een universiteitspark aan bod zijn gekomen; dat er geen reden is om aan te nemen dat de afweging van die argumenten op vandaag tot een andere conclusie leidt; dat de bestemmingswijziging verantwoord blijft omwille van de motieven die ook in de toelichtingsnota zijn opgenomen en de motieven op grond waarvan de Commissie de bestemmingswijziging gunstig heeft geadviseerd”. De toelichtingsnota, gevoegd bij het bestreden besluit luidt als volgt : “De voorliggende nota bevat de motivering voor de definitieve vaststelling van het planonderdeel ‘Universiteitspark’ van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven. Het aanvullend voorschrift ‘Universiteitspark’ zoals opgenomen in het ontwerp-plan dat door de Vlaamse regering is vastgesteld op 27 mei 1997, is aangepast aan opmerkingen van de regionale commissie van advies en aan het advies van de Raad van State, afdeling wetgeving. De verwijzing naar de opmaak van een bijzonder plan van aanleg is geschrapt (ze werd ook geschrapt uit het beschikkend gedeelte van het vaststellingsbesluit). Leuven is het ontwerp-Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen geselecteerd als regionaalstedelijk gebied. De voorstellen die in het voorstel verwerkt worden, passen binnen de doelstellingen van het RSV. De multifunctionaliteit van het stedelijk gebied wordt versterkt door het aanduiden van gebieden voor stedelijke ontwikkeling, waar een verweving van functies via uitvoeringsplannen wordt aangemoedigd. Er wordt gestreefd naar een aangepast voorzieningenniveau door het aanduiden van bijkomende bedrijfsterreinen (incl. universiteitspark, gelet op de ligging in de Vlaamse Ruit en de specifieke troeven van Leuven), zones voor openbaar nut en recreatiezones, rekening houdend met de behoeften en de locaties. A23. Heverlee Boudewijnlaan, campus Dijlevallei (kaartblad 32/2) Wijziging van gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen naar universiteitspark (13, 5 ha). Motivering: Universiteitspark: - Leuven profileren als centrum voor hoogtechnologische ontwikkelingen - onmiddellijke nabijheid van campus IMEC X-12.658-12/14 - eigendom of binnen onteigeningsbevoegdheid KUL - komt neer op het verruimen van huidige bestemming - makkelijke ontsluiting naar de Boudewijnlaan - landschappelijk minder waardevol gebied”. 3.2.6.3. De verwerende partij heeft aldus het huidig planningskader en de huidige regelgeving in aanmerking genomen. Bovendien wordt geargumenteerd dat de gekozen bestemming ook door de feiten niet achterhaald is. In het middel worden daarentegen geen concrete feitelijke elementen naar voren gebracht waaruit zou kunnen blijken dat de feitelijke plaatselijke aanleg in de loop van de jaren ingrijpend was gewijzigd. Evenmin wordt concreet aangegeven in welk opzicht en in welke mate de niet nader gespecifieerde gemeentelijke en provinciale structuurplannen ter zake relevant zijn. Afgezet tegen de hierboven vermelde motivering toont het middel niet aan dat het bestreden besluit is gesteund op achterhaalde juridische of feitelijke gegevens. De bewering dat het universiteitspark had kunnen ingebracht worden in de afbakening van stedelijk gebied, is een -overigens niet nader onderbouwd- opportuniteitsoordeel. 3.2.7. Dat in andere gevallen na vernietiging wel de nieuwe procedure werd toegepast, betekent geenszins dat het ten deze bestreden besluit onwettig is. 3.2.8. Het middel is niet gegrond. 3.3. Het auditoraatsverslag is met toepassing van artikel 24, tweede lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, beperkt tot het onderzoek van het eerste middel. Het is noodzakelijk voor de oplossing van het geschil dat ook de overige middelen door een lid van het auditoraat worden onderzocht en dat daarover verslag wordt uitgebracht. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De debatten worden heropend. X-12.658-13/14 Artikel 2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig februari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-12.658-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.762 Gerelateerde publicatie(
  4. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.459 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.