id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.763 Rolnummer: A. 155308/X-12031 Zaak: Arrest 190763 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-06 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 19:27 Fiche Arrest nr 190.763 van 24 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.763 van 24 februari 2009 in de zaak A. 155.308/X-12.
- In zake :
- Robert FRANS,
- Emiel KIEBOOMS, die woonplaats kiezen bij advocaat G. JACOBS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Kortenberglaan 75 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. DECLERCQ, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, J.P. Minckelersstraat
- tussenkomende partij : het Commissariaat-generaal voor de Bevordering van de Lichamelijke Ontwikkeling, de Sport en de Openluchtrecreatie (BLOSO), dat woonplaats kiest bij advocaat K. RONSE, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, G. Macaulaan
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Robert FRANS en Emiel KIEBOOMS op 15 september 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van 23 augustus 2004 houdende afgifte van de stedenbouwkundige vergunning aan het BLOSO tot gedeeltelijke omgevingsaanleg van het Blosodomein (grond-, water-, wegenwerken en aanplantingen) te Zemst, Tervuursesteenweg, kadastraal bekend sectie B, 2de blad; Gelet op het arrest nr. 134.851 van 10 september 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen; X-12.031-1/11 Gelet op het arrest nr. 140.688 van 15 februari 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 17 maart 2005 ingediend door Robert FRANS en Emiel KIEBOOMS; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 18 april 2005 ingediend door het Commissariaat-Generaal voor de Bevordering van de Lichamelijke Ontwikkeling (BLOSO); Gelet op de beschikking van 27 april 2005 die de tussenkomst van het Commissariaat-Generaal voor de Bevordering van de Lichamelijke Ontwikkeling (BLOSO) toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur C. BAMPS; Gelet op de beschikking van 27 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 3 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 november 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. JACOBS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat G. HAVET, die loco advocaat P. DECLERCQ verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. RONSE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; X-12.031-2/11 Gehoord het advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Feiten 1.
- Op 14 januari 2003 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij een aanvraag in tot gedeeltelijke omgevingsaanleg van het Blosodomein (grond-, water-, wegenwerken en aanplantingen) op een goed gelegen aan de Tervuursesteenweg te Zemst, kadastraal bekend sectie B, 2de blad. Het betrokken domein is overeenkomstig het gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gedeeltelijk gelegen in recreatiegebied en gedeeltelijk in natuurgebied. De verzoekers zijn op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit elk eigenaar en bewoner van een woning gelegen aan de rand van het Blosodomein. 1.
- Van 31 januari 2003 tot 3 maart 2003 wordt een openbaar onderzoek georganiseerd, naar aanleiding waarvan één bezwaarschrift wordt ingediend. Op 27 februari 2003 wordt de aanvraag gunstig geadviseerd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Boortmeerbeek. De afdeling Natuur verleent op 24 februari 2003 een gunstig advies. De afdeling Bos en Groen geeft na het voorwaardelijke advies van 10 maart 2003 op 2 december 2003 een gunstig advies. Op 7 april 2003 brengt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zemst een ongunstig advies uit. 1.
- Bij besluit van 30 april 2003 wordt de stedenbouwkundige vergunning verleend door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar. Tegen dit besluit wordt door de verzoekers een vordering tot schorsing en een annulatieberoep ingesteld (zaak gekend onder nr. A. 147.762/X-11.772). Bij arrest nr. 134.294 van 13 augustus 2004 wordt de X-12.031-3/11 schorsing van de tenuitvoerlegging van het bovenvermelde besluit van 30 april 2003 bevolen. Het besluit wordt vernietigd bij arrest nr. 158.122 van 28 april
- 1.
- Bij besluit van 23 augustus 2004 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar wordt een nieuwe stedenbouwkundige vergunning aan de tussenkomende partij verleend tot gedeeltelijke omgevingsaanleg van het Blosodomein (grond-, water-, wegenwerken en aanplantingen). Dit is het bestreden besluit.
- Ontvankelijkheid 2.
- De tussenkomende partij werpt de volgende exceptie van onontvankelijkheid op: “III. HET BEROEP IS ONONTVANKELIJK WEGENS GEMIS AAN BELANG Vooreerst moet worden vastgesteld dat eerste verzoeker, de heer Frans, geen actueel belang meer heeft bij het instellen van het verzoek tot schorsing van tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, vermits hij zijn woning hangende het geding heeft verkocht. Dit blijkt uit de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder van 30 september 2004 en de vaststellingen verricht door verzoeker tot tussenkomst (...). Net zoals het verlies van de hoedanigheid van eigenaar, verliest de verzoeker zijn actueel belang bij het bestrijden van een bouwvergunning die werd verleend voor een constructie op een perceel palend aan zijn eigendom, indien hij deze eigendom in de loop van het geding verkoopt (...). Verder is een verzoek tot nietigverklaring pas ontvankelijk wanneer de verzoekende partijen een rechtstreeks en persoonlijk belang hebben bij de aanvechting van de bestreden beslissing (...). Bovendien moeten de verzoekende partijen belang hebben bij het inroepen van elk middel (...). Het bestaan van een persoonlijk belang wordt volgens de rechtspraak van de Raad van State ‘als het ware’ vermoed in hoofde van verzoekers die aantonen dat zij in de ‘onmiddellijke nabijheid’ wonen van het perceel waarvoor de bestreden bouwvergunning werd verleend. Uit de rechtspraak van de Raad van State kan worden afgeleid dat deze ‘onmiddellijke nabijheid’, ‘vlakbij’, in een kring van ongeveer 100m. moet liggen (...). Concrete elementen kunnen echter het vermoeden van een rechtstreeks en persoonlijk belang van omwonenden weerleggen. Bij ontstentenis van een door de grondwerken en constructies veroorzaakt en aangetoond aanwijsbaar nadeel, doen verzoekers niet blijken van het wettelijk vereiste directe belang om de schorsing te vorderen, indien deze grondwerken en constructies buiten het gezichtsveld van de eigendom van verzoekers worden uitgevoerd of opgetrokken (...). Ook de toevoeging van een stuk geasfalteerde weg aan een bestaand parkeerterrein (in casu de verbindingsweg tussen twee bestaande parkings) toont op zich niet aan dat de gevolgen door het gebruik van deze parkings op nadelige wijze de rust in de buurt zullen storen (...). X-12.031-4/11 Uit de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder van 30 september 2004 blijkt dat verzoekers geen rechtstreeks zicht hebben, noch zullen hebben, op de uitgevoerde werken, noch enige bijkomende hinder zullen ondervinden na uitvoering van de werken. Het Bloso domein wordt in eerste instantie gescheiden van de percelen van verzoekers door een drukke weg, de N
- De bestaande groene gordel waar verzoekers rechtstreeks zicht hebben, blijft behouden waardoor alle werken die binnenin het domein worden gerealiseerd, buiten het gezichtsveld vallen van verzoekers. Verzoekers hebben geen zicht op de nieuw aangelegde ringgracht, noch op het nieuw aangelegde sportveld in het midden van het domein. Ook de speeltuin en evenementenweide zullen ver van de woning van verzoekers worden aangelegd, in ieder geval buiten hun gezichtsveld. Zoals blijkt uit punt IV. i/iii, zijn de overige nadelen die verzoekers verder aanhalen, algemene ecologische, esthetische en levenskwalitatieve nadelen, maar geen rechtstreekse eigen nadelen van verzoekers. Bovendien zijn de ingeroepen nadelen kennelijk ongegrond. Tenslotte moet worden vastgesteld dat de verzoekende partijen in de drie middelen, doch in het bijzonder in het tweede en derde middel, de schending inroepen van wets- of reglementaire bepalingen die betrekking hebben op een gebied dat krachtens het gewestplan is aangeduid als natuurgebied. In casu heeft de zogenaamde onwettigheid van de beslissing betrekking op percelen die in vogelvlucht op minstens 625 m. (noordelijk gebied nabij het natuurreservaat de Wielewaal) of op minstens op 700 m. (gebied nabij de kalkvijver) gelegen zijn. Deze percelen bevinden zich kennelijk niet vlakbij de woning van de verzoekende partijen, waardoor zij niet het vereiste rechtstreekse en persoonlijke belang vertonen bij het instellen van middelen die betrekking hebben op dit gebied. De vordering van verzoekers ontbeert bijgevolg het vereiste rechtstreekse en persoonlijke belang”. 2.
- Beoordeling van de exceptie 2.2.
- In hun memorie van wederantwoord bevestigen de verzoekers dat de eerste verzoeker zijn woning hangende het geding heeft verkocht. Ter terechtzitting gedragen zij zich dienaangaande naar de wijsheid van de Raad. Aldus dient vastgesteld te worden dat de eerste verzoeker, die zijn belang bij het beroep in het inleidend verzoekschrift zag in het feit dat zijn eigendom “vlak aan het Blosodomein” is gelegen, niet langer doet blijken van het vereiste actueel belang. De vordering is derhalve niet ontvankelijk in hoofde van de eerste verzoeker. 2.2.
- Het wordt niet betwist dat de tweede verzoeker eigenaar en bewoner is van een woning die gelegen is tegenover het terrein waarop het bestreden besluit betrekking heeft. Daardoor alleen reeds doet hij blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging. De argumenten van de tussenkomende X-12.031-5/11 partij doen hieraan in casu geen afbreuk. De exceptie kan in die mate dan ook niet worden aangenomen. De vordering is ontvankelijk in hoofde van de tweede verzoeker.
- Ten gronde 3.
- Eerste middel In een eerste middel voert de tweede verzoeker het ontbreken van de feitelijk en rechtens vereiste juridische grondslag aan, evenals de schending van artikel 99 van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, en de schending van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In een derde onderdeel van dat middel voert hij aan wat volgt: “En doordat, derde onderdeel niet valt in te zien in hoever het op een brutale wijze inplanten van recreatieve inrichtingen en de daarbij horende omgevingsaanleg die de plaats inneemt van een gebied waar gedurende tientallen jaren recreatie en natuur hand in hand samen gingen getuigt van een goede ruimtelijke ordening, Terwijl, derde onderdeel, een overheid slechts een vergunning kan afleveren indien zij op afdoende wijze aantoont hoe het aanvaarden van dergelijk grootschalig project met landschapverstorende elementen zoals een monumentale ringgracht te verantwoorden valt, Zodat, door uit te gaan van verkeerde dan wel onvolledige gegevens over het voorwerp van de aanvraag, minstens geen rekening te houden met al deze gegevens, en door na te laten afdoende te motiveren waarom met bepaalde van deze gegevens geen rekening wordt gehouden, en door slechts door middel van een zeer algemene en in vage bewoordingen gestelde motivering te trachten een omstandig gemotiveerd negatief advies te weerleggen, en door niet afdoende te motiveren waar de verantwoording ligt voor dergelijk grootschalig project in dit kwetsbaar gebied, de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen worden geschonden. - Toelichting (...) Derde onderdeel De ecologische waarde van het gebied is algemeen gekend. Gelet op de recreatieve bestemming van het gebied kan natuurlijk niet belet worden dat bepaalde recreatieve activiteiten zouden worden ingeplant in het gebied, doch de wijze waarop dit gebeurt getuigt bezwaarlijk van goede ruimtelijke ordening. De bestaande natuurlijke en recreatieve omgeving maakt plaats voor een zeer grootschalig en artificieel geheel. Voorbeeld daarvan is de monumentale en kunstmatige ringgracht, die rond het gebied wordt aangelegd en die bovendien dwars door natuurgebied loopt. Verzoekende partijen zien niet in X-12.031-6/11 hoe dergelijke ingrepen verzoenbaar zijn met de goede ruimtelijke ordening en de goede plaatselijke aanleg van het gebied. Van enige afweging die het te niet doen van het bestaande landschap, de bestaande natuurlijke elementen en de bestaande aanleg verantwoorden valt in de bestreden beslissing geen spoor te vinden. Naar aanleiding van de procedure in het kader van het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid stelde de Auditeur in haar verslag op de zitting dat het derde onderdeel van het eerste middel ernstig bleek te zijn. Het middel is gegrond”. 3.
- Beoordeling van het derde onderdeel van het middel 3.2.
- Artikel 19, laatste lid van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, bepaalt wat volgt: “De vergunning wordt evenwel, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerp-gewestplan, slechts afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening”. Zolang er voor het gebied geen bijzonder plan van aanleg bestaat of geen verkavelingsvergunning is verleend, is de vergunningverlenende overheid ertoe gehouden geval per geval te onderzoeken of de vergunning de goede aanleg van de plaats niet in het gedrang brengt. Luidens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moet elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Die motivering moet “afdoende” zijn. Wat betreft de beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met de goede ruimtelijke ordening volgt uit de voornoemde bepalingen dat de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de plaatselijke aanleg of de ruimtelijke ordening verband houdende redenen moet opgeven waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt. 3.2.
- De tweede verzoeker kan niet worden bijgetreden waar hij stelt dat de motivering met betrekking tot de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening in de bestreden beslissing beperkt is tot “een korte standaardformulering bestaande uit twee nietszeggende zinnen”. De verwerende partij werpt terecht op dat de eigenlijke motieven waarop de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zich X-12.031-7/11 steunt om te besluiten dat de te vergunnen bouwwerken aanvaardbaar zijn, terug te vinden zijn in het bestreden besluit, weze het onder de hoofding “beschrijving van de bouwplaats, de omgeving en het project”. Daarin motiveert de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zijn standpunt als volgt: “Beschrijving van de bouwplaats, de omgeving en het project De aanvraag heeft betrekking op een domein dat deels gelegen is in recreatiegebied, deels in natuurgebied. De recreatiegebieden zijn bestemd voor het aanbrengen van recreatieve en toeristische accommodatie, al dan niet met inbegrip van de verblijfsaccommodatie. Het doel van de werken bestaat er in de eerste plaats in het domein een betere ruimtelijke structuur te geven teneinde de ruimtelijke organisatie begrijpelijk en afleesbaar te maken, maar tevens de verschillende functies (sport, recreatie en natuur) op een efficiënte manier te verweven. Een monumentale as deelt het autovrije binnengebied in twee helften die op hun beurt in twee gedeeld worden door de bestaande en gedeeltelijk te behouden verharding (Fuutlaan). In de vier deelgebieden worden respectievelijk voorzien: een evenementenweide, een speeltuin, sportvelden en een ligweide nabij het openlucht zwembad. Om toegang C opnieuw de hoofdingang van het centrum te maken wordt deze opgewaardeerd. Er wordt een agora toegevoegd aan het bestaande ingangsgebouw. Het vroegere tracé van de op het domein aanwezige ringgrachten wordt hersteld en gedeeltelijk verplaatst volgens een vorm die reeds min of meer bestaat. Als gevolg hiervan krijgt de scheiding tussen de parkings, het verkeer en de wandelaar zijn juiste plaats. Bruggen vormen de verbinding tussen het buiten- en binnengebied. Het tracé van de Zwarte Beek wordt verlegd en in een open bedding gelegd waardoor het natuurlijk karakter van deze waterloop wordt hersteld, de afvoer van hemelwater wordt verbeterd en een bijkomende buffer wordt gevormd tussen de parking en de ringweg. De zone tussen de ringweg en de Trianondreef wordt opnieuw aangeplant. Deze groene zone wordt aan de Trianondreef begrensd door het fietspad (domeingrens langs de Trianondreef) en vormt een dichte groene buffer, die ook het wild parkeren op het gras naast het fietspad onmogelijk moet maken. De beoogde werken (zie hoger) zijn bedoeld om de recreatie en toeristische accommodatie te verbeteren en passen dus binnen het idioom van de bestemming als recreatiegebied. Het deel van de werken dat zal worden uitgevoerd in natuurgebied zijn de verlenging van de ringgracht in het noorden van het domein aan de rand van het vogelreservaat, de aanleg van de fontein in de aanpalende vijver, en het kappen van een aantal bomen. De beoogde werken (en) handelingen mogen uitsluitend dienen om het gebied actief en passief te beschermen (art. 13,4.3.1.van het KB van 28/12/1972). Het aanleggen van de ringgracht in het natuurreservaat is van aard om het gebied af te schermen van het recreatiegebied en de mogelijk storende doortocht van recreanten te belemmeren. Met deze werken wordt tevens een vernatting van het domein beoogd, teneinde de biodiversiteit langs en rond de oevers te stimuleren. Het aanleggen van een fontein in de aanpalende vijver is bedoeld om zuurstof in het water te brengen om zo algengroei tegen te gaan en dus vissterfte te voorkomen. De bomen die in dit gedeelte van het domein zullen worden gekapt zijn bedoeld om een grotere lichtinval te bekomen en de gediversifieerde soorten groei in de kruidlaag te bevorderen. De kapping is ook nodig om de omsluiting X-12.031-8/11 en verbreding van de ringgracht mogelijk te maken (...). De kapping is ook nodig om agressieve exoten, zieke bomen, of bomen die de groei van jongere bomen belemmeren te verwijderen. De kapping situeert zich in de zones 9, 10 en 11 en beperkt zich tot de plaatsen waar de ringgracht moet worden aangelegd en/of verbreed (...). Ter vervanging van de te kappen bomen voor fase 1 werd een beplantingsvoorstel ingediend (plan 928 AL 09/12/00).Voor de overig beplantingswerken zal in een later stadium een voorstel worden ingediend omdat de bodemstructuur voldoende lange tijd moet kunnen rusten vooraleer nieuwe beplantingen kunnen overwogen worden. De bestaande vegetatie blijft zoveel mogelijk bewaard met respect voor de natuurlijke gelaagdheid. Waar nodig worden irrelevante elementen verwijderd en wordt er gebruik gemaakt van de reeds aanwezige waardevolle beplantingen teneinde het natuurlijk karakter van het domein te herstellen. De kapmachtiging werd door de afdeling Bos en Groen verleend op 10 maart 2003 (...). De werken kunnen dan ook voorwaardelijk worden vergund vermits zij de passieve en actieve bescherming van het natuurgebied beogen en dus in overeenstemming zijn met het bestemmingsgebied (...). De opmerking opgenomen in het advies van het College van Burgemeester en Schepenen d.d. 7 april 2003 hebben betrekking op de reliëfwijzigingen, de verkeersafwikkeling, de waterhuishouding, de gebruikte materialen, de verhardingen, de uitdieping van de ringgrachten, het kappen van de bomen en het grondverzet. Het aanvraagdossier bevat voldoende elementen om de beoordeling toe te laten. Het ontbreken van sommige detailbeschrijvingen van bepaalde werkzaamheden belet niet dat een afdoende beoordeling en toetsing kan gebeuren van de overeenstemming van het beoogde project met de bestemmingsvoorschriften en met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening en de goede plaatselijke aanleg; daar waar nodig wordt aan de gemaakte opmerkingen in verband met onduidelijkheden of tegenstrijdigheden tegemoet gekomen door in het beschikkend gedeelte specifieke voorwaarden voor de vergunning op te nemen, zoals hierna bepaald. Om voldoende rekening te houden met de nodige optimale landschapsinpassing, de eigentijdse waterhuishouding, het bevorderen van het langzaam verkeer en openbaar vervoer, en de principes van natuurtechnische milieubouw, worden in het beschikkend gedeelte de passende voorwaarden opgenomen. Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. Het project voorziet in een vernieuwing. Om evenwel optimaal rekening te houden met de recente visies en werkwijzen betreffende mobiliteit en milieu dienen de nodige voorwaarden, opgenomen in het beschikkend gedeelte, geïntegreerd te worden in deze heraanleg. Algemene conclusie. Er wordt een voorwaardelijk gunstig advies verstrekt”. Hoewel die elementen ietwat ongelukkig zijn opgenomen onder de voormelde hoofding, maakt het bestreden besluit aldus voldoende duidelijk waarom de vergunningverlenende overheid van oordeel is dat de voorziene bouwwerken beantwoorden aan de goede ruimtelijke ordening. Bij die beoordeling worden zowel de kenmerken van het bouwproject als van de onmiddellijke omgeving onderzocht. Eveneens wordt aandacht besteed aan de door de tweede verzoeker opgeworpen voorziene werken in natuurgebied, met name het aanleggen van de ringgracht en het kappen van een aantal bomen. X-12.031-9/11 De tweede verzoeker geeft klaarblijkelijk wel een andere concrete invulling aan wat volgens hem toelaatbaar is binnen de betrokken omgeving. De concrete beoordeling van wat als bouwwerk verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving en de goede ruimtelijke ordening behoort echter tot de appreciatiebevoegdheid van de bevoegde administratieve overheid. Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling van de eisen van een goede plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. De Raad van State is in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht op een voor hem aangevochten bouwvergunning, enkel bevoegd om na te gaan of de bevoegde overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen. De tweede verzoeker maakt niet aannemelijk dat de vergunningverlenende overheid de appreciatiebevoegdheid die haar is toegekend niet naar behoren heeft uitgeoefend. Evenmin toont hij aan dat de bevoegde overheid haar beslissing heeft genomen op grond van verkeerde gegevens, of dat de opgegeven redenen die beslissing niet voldoende kunnen dragen. De motivering is afdoende. Het derde onderdeel van het eerste middel is ongegrond. 3.2.
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat heeft haar op grond van artikel 12 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State opgemaakte verslag over de zaak met toepassing van artikel 24, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, beperkt tot het onderzoek van het derde onderdeel van het eerste middel. Voor de oplossing van het geschil is het noodzakelijk dat de zaak verder door een lid van het auditoraat wordt onderzocht en dat daarover verslag wordt uitgebracht. Er is derhalve reden om de debatten te heropenen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De debatten worden heropend. X-12.031-10/11 Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig februari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-12.031-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.763 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.851 ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.688 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.463 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div