id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.765 Rolnummer: A. 78609/X-8148 Zaak: Arrest 190765 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-05 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 19:28 Fiche Arrest nr 190.765 van 24 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.765 van 24 februari 2009 in de zaak A. 78.609/X-8148. In zake : Cyriel DE WINTER, die woonplaats kiest bij advocaat B. ROELANDTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. HEYVAERT, kantoor houdende te 9200 DENDERMONDE, Gentsesteenweg 2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Cyriel DE WINTER op 14 mei 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 4 maart 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 21 augustus 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij hem de bouwvergunning wordt verleend voor het bouwen van een open loods te Deinze, aan de Oostmeersdreef, kadastraal bekend sectie A, nr. 927/v; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 22 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; X-8148-1/16 Gelet op de beschikking van 10 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Op 30 juni 1994 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen aan de verzoeker de vergunning voor het bouwen van een nieuwe rundveestal met sleufsilo, alsook voor het ombouwen van een bestaande rundveestal tot loods, op een perceel gelegen te Deinze, Oostmeersdreef 141, kadastraal gekend sectie A, nr. 926/b. 1.2. Op 19 januari 1995 verleent de bestendige deputatie aan de verzoeker de vergunning “om een inrichting te exploiteren, gelegen op de percelen kadastraal bekend onder DEINZE Afd. 1, sectie A, percnr(s). 926/b, 927/t aan de Oostmeersdreef 141 te DEINZE, met als voorwerp: de aanvraag betreft de uitbreiding (regularisatie) en de toevoeging van een bestaand en vergund landbouwbedrijf” . 1.3. Op 24 februari 1997 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze een regularisatievergunning voor “het bouwen van een open loods” op een perceel, gelegen te Deinze, Oostmeersdreef 141, kadastraal gekend sectie A, nr. 927/v. Het bij het koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde bestemt voornoemd perceel tot woonuitbreidingsgebied. 1.4. Op 23 mei 1997 geeft de gemachtigde ambtenaar het volgende ongunstig advies : X-8148-2/16 “Het perceel is volgens de planologische voorzieningen van het bij K.B. dd. 24.02.77 vastgesteld gewestplan Oudenaarde gelegen in een woonuitbreidingsgebied waarvoor art. 5.1.1. van het K.B. van 28.12.72, van toepassing is. De aanvraag betreft het bouwen van een open loods bij landbouwbedrijf en is aldus fundamenteel strijdig met de bovenvermelde bepalingen, een uitbreiding van het bestaande landbouwbedrijf kan dus niet worden toegestaan. Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van een bestaand vergund gebouw en dat deze uitbreiding geen noodzakelijk gevolg is van voorgeschreven algemene sectoriële of bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning zodat de afwijkingsbepalingen van het decreet van 13 juli 1994 tot wijziging van art. 79 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw niet van toepassing zijn”. 1.5. Op 27 mei 1997 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze de gevraagde vergunning overeenkomstig het geciteerde advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.6. Op 20 juni 1997 stelt Ignaas Declerck, architect, namens de verzoeker tegen voornoemde weigeringsbeslissing administratief beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. Het beroepschrift wordt als volgt geargumenteerd: “Het betreft hier een landbouwbedrijf in volle werking doch inderdaad gelegen in een woonuitbreidingsgebied. Dit landbouwbedrijf bestaat reeds veel langer dan het Gewestplan Oudenaarde van 1972 en is in de familie De Winter steeds overgegaan van vader op zoon en tot op heden nog steeds de enige broodwinning van de familie; De aangevraagde uitbreiding betreft in feite de afbraak van oude bestaande niet funktionele gebouwen om deze te vervangen door nieuwbouw aangepast aan de huidige behoeften. Deze ingreep brengt tevens bijzondere verfraaiing mee v.d. omgeving; De verhoging van gebouwen t.o.v. de bestaande toestand is in spe geen uitbreiding van de bestaande toestand doch, een aanpassing van de gebouwen aan het moderne landbouwmateriaal (groter en hoger). Gezien de aangehaalde argumenten, meen ik dat, zonder afbraak te doen aan welke voorschriften ook, een bouwvergunning kan worden verleend aangezien eveneens bij de bekendmaking geen enkele opmerking werd gemaakt”. 1.7. Op 21 augustus 1997 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het beroep in en wordt de vergunning verleend. Dit besluit overweegt, onder meer, wat volgt: “Overwegende dat volgens de planologische voorzieningen van het gewestplan Oudenaarde, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 februari 1977, het betrokken perceel gelegen is in een woonuitbreidingsgebied; X-8148-3/16 dat de woonuitbreidingsgebieden volgens artikel 5 § 1.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen, uitsluitend bestemd zijn voor groepswoningbouw, zolang de bevoegde overheid over de ordening van het gebied niet heeft beslist, en zolang, volgens het geval, ofwel die overheid geen besluit tot vastlegging van de uitgaven voor de voorzieningen heeft genomen, ofwel omtrent deze voorzieningen geen met waarborgen omklede verbintenis is aangegaan door de promotor ; dat de Bestendige Deputatie in zitting van 30 juni 1994 de vergunning verleende voor het bouwen van een rundveestal met sleuf- silo op het betrokken bedrijf ; dat de open loods wordt gebouwd ter vervanging van een oude berging en voor dezelfde doeleinden zal gebruikt worden, namelijk het bergen van materialen, zodat de aanvraag niet kan beschouwd worden als een nieuwe inplanting ; dat de gebruikte materialen niet van duurzame aard zijn en gemakkelijk afbreekbaar en herbruikbaar zijn, zodat het ontwerp de toekomstige ordening van het woonuitbreidingsgebied niet in bet gedrang brengt ; dat het gebruik van de open loods inherent is aan de uitbating van een landbouwbedrijf, dat aldaar reeds in uitbating is van voor het in voege treden van het gewestplan ; dat om deze redenen het beroep vatbaar is voor inwilliging”; 1.8. Op 14 oktober 1997 gaat de gemachtigde ambtenaar bij de Vlaamse minister, bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening, in beroep tegen voornoemd deputatiebesluit op grond van de volgende redenen: “De motieven van mijn ongunstig advies dd. 23/05/97 blijven behouden. Er zijn geen argumenten door de Bestendige Deputatie aangehaald om dit advies te herzien”. 1.9. Op 4 maart 1998 willigt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het beroep van de gemachtigde ambtenaar in, vernietigt hij de vergunningsbeslissing van de bestendige deputatie en weigert hij de gevraagde vergunning. Dit is het bestreden besluit waarin onder meer het volgende wordt overwogen: “Overwegende dat de aanvraag strekt tot het bouwen van een open loods in functie van een landbouwbedrijf, na sloping van een kleinere bergplaats; dat de nieuwe loods reeds werd opgericht, zodat het hier om een regularisatieaanvraag gaat; dat de loods 10,20 m breed en 41 m diep is, een totale hoogte van 5,40 m heeft, en opgetrokken is in grijze betonpanelen en rode golfplaten als dakbedekking; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Oudenaarde, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 februari 1977, gelegen is in het woonuitbreidingsgebied; dat volgens artikel 5 § 1.1. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de X-8148-4/16 ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de woonuitbreidingsgebieden uitsluitend bestemd zijn voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid over de ordening van het gebied niet heeft beslist, en zolang, volgens het geval, ofwel die overheid geen besluit tot vastlegging van de uitgaven voor de voorzieningen heeft genomen, ofwel omtrent deze voorzieningen geen met waarborgen omklede verbintenis is aangegaan door de promotor; dat de aanvraag strijdig is met de planologische bestemming van het gebied; Overwegende dat de voorschriften van het gewestplan verordenende kracht bezitten en bindend blijven zowel voor de vergunningverlenende overheid als voor de particulier die vergunningsplichtige handelingen stelt, en dat ervan slechts kan worden afgeweken bij wijze zoals door de wet zelf voorzien; dat artikel 43 § 2, 6e tot en met laatste lid van de gecoördineerde stedenbouwwet, stelt dat bij het verlenen van een gunstig advies de gemachtigde ambtenaar in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan of gewestplan mag afwijken; dat deze afwijkingsregelen op onderhavige aanvraag niet toepasselijk kunnen worden gesteld; Overwegende dat de bouwaanvraag werd onderworpen aan de speciale regelen van openbaarmaking, zoals bepaald door het koninklijk besluit van 6 februari 1971; en latere wijzigingen; dat naar aanleiding van deze openbaarmaking geen bezwaarschriften werden ingediend; Overwegende dat de bestendige deputatie het bij haar ingestelde beroep heeft ingewilligd omdat de aanvraag niet kan beschouwd worden als een nieuwe inplanting, omdat de gebruikte materialen niet van duurzame aard zijn waardoor de toekomstige ordening van het woonuitbreidingsgebied niet in het gedrang wordt gebracht en omdat het gebruik van de open loods inherent is aan de uitbating van een landbouwbedrijf; Overwegende dat de afdeling Land op 18 maart 1997 een gunstig advies in verband met de aanvraag heeft verstrekt, er op wijzende dat de aanvraag ten behoeve van een jonge landbouwer is die een volwaardig melkveebedrijf uitbaat, dat de bergplaats één geheel vormt met de bestaande bedrijfsgebouwen, en dat er uit landbouwkundig oogpunt geen enkel bezwaar is tegen deze voor het landbouwbedrijf noodzakelijke constructie; Overwegende dat de bovenvermelde argumenten van de bestendige deputatie en de afdeling Land in feite niet terzake doen, aangezien de aanvraag niet in een agrarisch gebied maar wel in een woonuitbreidingsgebied is gelegen, en duidelijk niet in overeenstemming is met de planologische bestemming van het gebied; dat in casu moet verwezen worden naar het arrest nr. (...) van de Raad van State inzake (...), waarin geoordeeld wordt dat het argument als zou een woonuitbreidingsgebied niet daadwerkelijk worden aangetast terzake niet relevant is, aangezien dit gebied krachtens de bestemmingsvoorschriften uitsluitend bestemd is voor groepswoningbouw, en de wet hierop geen uitzonderingen toelaat; dat de aanvraag geen groepswoningbouw betreft en bijgevolg zonder meer strijdig is met de bindende en verordenende voorschriften van het vigerende gewestplan; dat de verwijzing naar de strijdigheid en naar het niet van toepassing zijn van de afwijkingsregelen de grond vormt van het beroep van de gemachtigde ambtenaar; dat de standpunten van de gemachtigde ambtenaar dan ook kunnen worden bijgetreden”; X-8148-5/16 2. De ontvankelijkheid 2.1. De aangevoerde exceptie In de memorie van antwoord voert de verwerende partij de volgende exceptie aan: “De Bestendige Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen heeft in haar besluit, waartegen de gemachtigde ambtenaar beroep instelde, verzuimd het belang en de hoedanigheid van de aanvrager te onderzoeken wat diende te leiden tot de onontvankelijkheid, minstens ontoelaatbaarheid. Dit verzuim wordt niet gedekt door de verdere procedure. Het aanvankelijke beroep werd immers ingesteld door een persoon die dit belang en deze hoedanigheid niet bezat, met name de Heer Ignaas Declerck in zijn schrijven van 20.06.1997. De Heer Ignaas Declerck vermeldt : Hierbij zijn wij zo vrij beroep aan te tekenen tegen de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Deinze dd/ 27.05.1997 waarbij hogervermelde bouwaanvraag werd geweigerd. Hij vermeldt derhalve nergens dat hij optreedt als wettelijke vertegenwoordiger van de Heer DE WINTER. Bovendien, zelfs indien dit vermeld was geweest - quod non -, dan nog gaf de Heer Declerck geen blijk van een daartoe vereiste bijzondere volmacht. De Heer Declerck kon bijgevolg onmogelijk in eigen naam beroep instellen waardoor deze procedure-akte was aangetast door nietigheid wat leidt tot de onontvankelijkheid, minstens de ontoelaatbaarheid van het toenmalige beroep. Dit heeft voor gevolg dat de Raad van State zal moeten vaststellen dat het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen kracht van gewijsde heeft verworven bij gebreke aan rechtsgeldige voorzieningen”. 2.2. Beoordeling van de exceptie Daargelaten de vraag of deze beweerde tekortkoming in het besluit van 21 augustus 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen kan leiden tot de onontvankelijkheid van onderhavige vordering, moet worden vastgesteld dat Ignaas Declerck, de architect van de verzoeker, in de administratieve vergunningsprocedure is opgetreden als de gevolmachtigde van de verzoeker, zodat de exceptie niet opgaat. De exceptie wordt verworpen. 3. Het eerste middel 3.1. Het aangevoerde eerste middel X-8148-6/16 In het verzoekschrift wordt het volgende eerste middel aangevoerd: “1.1. Voor zover het bestreden besluit steunt op het bij K.B. dd. 24/02/1977 vastgesteld gewestplan Oudenaarde dat het gebied, waarop de hoevegebouwen zich bevinden, bestemt tot woonuitbreidingsgebied, dringt de vaststelling zich op (dat) genoemd K.B. in strijd is met artikel 1, 2/ lid en artikel 10 van het Stedenbouwdecreet en bijgevolg, in toepassing van artikel 159 van de Gecoördineerde Grondwet, buiten toepassing moet worden gelaten. Minstens schendt het besluit het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. 1.2. Artikel 1, 2/ lid van het Stedenbouwdecreet bepaalt dat de ordening van de gebieden niet alleen gebeurt vanuit esthetisch oogpunt en met het doel het natuurschoon van het Vlaamse Gewest te bewaren, maar ook vanuit economisch en sociaal oogpunt. Ieder ordeningsbesluit moet deze drie doeleinden gelijktijdig beogen en op harmonieuze wijze samen betrachten, uitgaande van de reële bestaande toestand en de redelijke realiseerbare toekomstige bestemmingsopties. Anderzijds bepaalt artikel 10, 1/ van het Stedenbouwdecreet dat elk gewestplan de aanduiding van de bestaande toestand moet bevatten. De wet zegt zelf niet wat daaronder moet worden verstaan, wat met zich meebrengt dat die term in zijn spraakgebruikelijke betekenis moet uitgelegd worden, zodat in elk geval de feitelijke toestand moet worden opgenomen (...). Zo moet het plan een grafische voorstelling geven van de bestemming die het te ordenen gebied gekregen heeft, in de staat waarin het zich voordoet op het tijdstip waarop het plan voorlopig wordt vastgesteld (...). Daarbij zijn die gegevens essentieel die onontbeerlijk zijn voor een goed begrip en een juiste beoordeling van de intenties en de voorstellen van de auteurs van het plan m.b.t. de bestemming en de ordening van de verschillende delen van het gebied, zodat de bevoegde overheid (...) bij de vaststelling en de goedkeuring van het plan zich erover met kennis van zaken kan uitspreken. Van zodra de bestaande toestand dermate (i)ncorrect, onvolledig of onjuist is weergegeven dat de overheid erdoor in dwaling is kunnen komen, is niet aan de wet voldaan (...). In casu bestaat de hoeve op de betrokken locatie reeds sinds (...). Het aldaar gevestigde landbouwbedrijf is tot op heden steeds in uitbating geweest. Deze exploitatie werd sinds enige generaties overgedragen van vader op zoon. Anderzijds behoren nagenoeg alle gronden in het woonuitbreidingsgebied (rond het hoevecomplex) tot de eigendom van verzoekende partij en diens ouders. Het woonuitbreidingsgebied valt m.a.w. samen met de landbouwgronden van verzoeker. Dit werd overigens bevestigd in het besluit van de Bestendige Deputatie dd. 30.06.1994. In ditzelfde besluit werd eveneens - en terecht - gesteld dat deze gronden rondom het bedrijf enkel voor weiland geschikt zijn en dat het gebruik ervan praktisch uitsluitend via het bedrijf van verzoekende partij kan gebeuren (zodat het voortbestaan van zijn bedrijf een garantie betekent voor het behoud van deze open ruimte) (...).Deze toestand is steeds zo geweest. Gelet op voorgaande redenen staat het vast dat de overheid - bij de vaststelling van het gewestplan in 1977 - er in alle redelijkheid niet kan aan gedacht hebben de betrokken percelen tot woonuitbreidingsgebied te bestemmen. Een dergelijke bestemming kan dus maar begrijpelijk zijn doordat aan de overheid geen of een onvoldoende correct beeld werd gegeven van de werkelijk bestaande toestand, en die overheid - daarop voortgaande - de hoeve en de omliggende landbouwgronden tot woonuitbreidingsgebied heeft bestemd. Die bestemming gaat bovendien voorbij aan het sociaal en economisch X-8148-7/16 oogmerk van een goede ruimtelijke ordening, zoals artikel 1 van het Stedenbouwdecreet dit vereist. In die mate mag met het voornoemde gewestplan ‘Oudenaarde’ van 24.02.1977 geen rekening gehouden worden bij het beoordelen van onderhavige vergunningsaanvraag van verzoekende partij, althans minstens voor zover zij betrekking heeft op het hoevecomplex zelf en zulks op grond van artikel 159 van de Gecoördineerde Grondwet. Huidige exceptie van onwettigheid is ontvankelijk en gegrond”. 3.2. Beoordeling van het eerste middel Het middel komt erop neer dat er geen rekening mocht worden gehouden met het bij het koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde omdat “het vast staat dat de overheid -bij de vaststelling van het gewestplan in 1977- er in alle redelijkheid niet kan aan gedacht hebben de betrokken percelen tot woonuitbreidingsgebied te bestemmen” en dat “een dergelijke bestemming dus maar begrijpelijk kan zijn doordat aan de overheid geen of een onvoldoende correct beeld werd gegeven van de werkelijk bestaande toestand en die overheid -daarop voortgaande- de hoeve en omliggende landbouwgronden tot woonuitbreidingsgebied heeft bestemd”. Er moet worden vastgesteld dat de verzoeker enkel opportuniteitskritiek uit, waaruit geenszins de onwettigheid van het gewestplan blijkt. Overigens zijn plannen van aanleg geen bevestiging van bestaande toestanden, doch, integendeel instrumenten om de ruimtelijke ordening voor de toekomst vast te stellen. Het eerste middel wordt verworpen. 4. Het tweede middel 4.1. Het aangevoerde tweede middel In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de materiële motiveringsplicht alsmede het beginsel dat iedere administratieve beslissing gebaseerd moet zijn op in feite en in rechte aanvaardbare motieven. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: X-8148-8/16 “2.2. Zoals hoger reeds aangeduid betreft het voorliggende ontwerp, waarvoor een bouwvergunning wordt gevraagd, een zonevreemde constructie. Het betreft immers een landbouwloods in woonuitbreidingsgebied. In het bestreden besluit werd inderdaad vastgesteld dat de oprichting van een dergelijke loods in beginsel planologisch onverenigbaar is met artikel 5.1.1 van het K.B. van 28 december 1972 dat bepaalt dat woonuitbreidingsgebieden uitsluitend bestemd zijn voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid over de ordening van het gebied niet heeft beslist, en zolang, volgens het geval, ofwel die overheid geen besluit tot vastlegging van de uitgaven voor de voorzieningen heeft genomen, ofwel omtrent deze voorzieningen geen met waarborgen beklede verbintenis is aangegaan door de promotor. Toch voorziet het Stedenbouwdecreet - in artikel 43, § 2 - een aantal uitzonderingen op deze regel. Er kan van de vigerende gewestplanvoorschriften worden afgeweken indien de aanvraag betrekking heeft op: ‘
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.