← België

Arrest 190768 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.768 Rolnummer: A. 157407/X-12124 Zaak: Arrest 190768 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-05 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 19:29 Fiche Arrest nr 190.768 van 24 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.768 van 24 februari 2009 in de zaak A. 157.407/X-12.

  1. In zake : de v.z.w. STICHTING OMER WATTEZ, thans de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ, gevestigd te 9700 OUDENAARDE, Kattestraat 23 tegen :
  2. de stad GERAARDSBERGEN,
  3. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
  4. tussenkomende partij : Francine MARTENS (overleden), Rechtsgeding hervat door:
  5. Willy PEEREMAN,
  6. Guy PEEREMAN,
  7. Sonja PEEREMAN,
  8. Linda PEEREMAN, die woonplaats kiezen bij advocaat M. BROECKAERT, kantoor houdende te 9500 GERAARDSBERGEN, Kattestraat
  9. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. STICHTING OMER WATTEZ, thans de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ, op 12 november 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 13 september 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraardsbergen tot “hernieuwing” van de verkavelingsvergunning verleend aan de familie Peeremans-Martens, voor een perceel gelegen te Geraardsbergen (Goeferdinge), Gemeentestraat, kadastraal bekend sectie A, nrs. 359/h, 377/ h en k; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 12 januari 2005 ingediend door Francine MARTENS; X-12.124-1/17 Gelet op de beschikking van 3 februari 2005 die de tussenkomst van Francine MARTENS toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. SPEYBROUCK; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op het uittreksel uit het register der overlijdensakten van de stad Geraardsbergen, waaruit blijkt dat de tussenkomende partij op 9 februari 2007 is overleden; Gelet op het verzoek tot gedinghervatting, op 27 juli 2008 ingediend door Willy PEEREMAN, Guy PEEREMAN, Sonja PEEREMAN en Linda PEEREMAN; Gelet op de beschikking van 3 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 november 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. BIENSTMAN, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat E. VAN BOGAERT, die loco advocaat P. LACHAERT verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de tweede verwerende partij, van advocaat C. SMEYERS, die loco advocaat M. BROECKAERT verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. SPEYBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-12.124-2/17 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1.
  10. In haar memorie van antwoord werpt de eerste verwerende partij op dat de verzoekende partij niet over “het rechtens vereiste (collectief) belang” bij de vordering beschikt. Zij licht dit toe als volgt: “Het verzoek tot schorsing van eiseres is niet ontvankelijk omdat zij niet het rechtens vereiste (collectief) belang bij het verzoek tot schorsing bezit. Desbetreffend verwijst concluante naar het auditoraatsverslag in een geding tussen eiseres en de stad OUDENAARDE en het VLAAMS GEWEST, waarop het arrest d.d. 04/04/2004 nr. 117.949 in de zaak A. 41.875/X-7301 werd gewezen. Dit geding heeft een identiek voorwerp nu eiseres ook tegen een verkavelingsvergunning, zij het in OUDENAARDE, opkwam. Dienaangaande stelt het auditoraatsverslag : 4.2.2.
  11. De verzoekende partij is een vereniging zonder winstoogmerk die zich een algemeen doel ter bescherming van het milieu heeft gesteld. Krachtens artikel 4 van haar statuten heeft zij immers het volgende doel : ‘de bescherming, de valorisatie en het gebeurlijk herstel van leefmilieu, landschap, natuur- en (c)ultuurpatrimonium in de Vlaamse Ardennen, het in stand houden, bevorderen en verbeteren van de natuurlijke omgeving en het leefmilieu. De vereniging kan ook buiten haar werkgebied alle handelingen verrichten die rechtstreeks of onrechtstreeks haar doelstellingen dienen’. Zij is, luidens artikel 3 van haar statuten, een regionale milieuvereniging : haar werkingsgebied strekt zich uit over de Vlaamse Ardennen, omvattend verschillende gemeenten, waaronder o.m. de stad Oudenaarde waar de bestreden verkaveling wordt beoogd. De Raad van State aanvaardt reeds lang dat verenigingen kunnen worden opgericht met het doel op te komen voor bepaalde collectieve belangen en dat die verenigingen in rechte mogen optreden ter verdediging van de collectieve belangen waarvoor ze zijn opgericht. Dit gegeven impliceert evenwel niet dat die verenigingen over een ongebreideld vorderingsrecht beschikken voor de Raad van State. Hoe ruim het (collectief) belang ook moge worden opgevat - wat strookt met de wil van de wetgever om het artikel 19 van de R.v.St.-wet ruim te interpreteren - er is een grens die niet mag worden overschreden zonder in de (niet toegelaten) actio popularis te vervallen. Eén van de regels die deze grens bepalen, is het vereiste van een overeenkomstig de statuten voldoende specifiek belang. Wat deze voorwaarde betreft, is het een gegeven dat (milieu)verenigingen zichzelf al dan niet op expliciete wijze een bepaald werkterrein geven, waarbinnen ze de vrijwaring en de verdediging van hun maatschappelijk doel wensen na te streven. De Raad van State onderzoekt in zijn rechtspraak de rechtstreekse band die moet bestaan tussen het in het maatschappelijk doel bepaald werkterrein van de betrokken vereniging en de aard van de door deze bestreden beslissing. Te dezen is de huidige stand van de rechtspraak de volgende : De rechtspraak wijst verenigingen af waarvan het maatschappelijk doel een werking beoogt op een territorium dat (duidelijk) ruimer is dan datgene wat bestreden wordt door de bestreden bestuurshandeling. - Aldus heeft : een (regionale) milieuvereniging die leden telde in het hele gewest en die het volledige (in casu Waalse) gewest als werkterrein had gekozen, niet het vereiste specifiek belang bij de vernietiging van eender welke beslissing met een weerslag op het milieu in eender welke plaats van dat landsgedeelte. Zo is het oprichten van een industriële hall in een X-12.124-3/17 landbouwgebied een probleem van lokale aard dat het voorwerp kon uitmaken van een beroep vanwege lokale verenigingen, maar niet van een vereniging waarvan het werkingsgebied territoriaal onbeperkt is; - Een vereniging daarentegen die opkomt voor lokale belangen, heeft wel belang bij het bestrijden van ermee strijdige beslissingen. Bovendien werd aanvaard dat een lokale vereniging belang heeft bij de vernietiging van een BPA dat ratione loci weliswaar is gelegen buiten het gebied waarin zij, volgens haar statuten, haar werkzaamheid uitoefent, doch waarbij ze heeft aangetoond dat de plaats waar het merendeel van haar leden is gevestigd, deel uitmaakt van het bestreden BPA. De voormelde regel wordt door de rechtspraak enigszins getemperd in die zin dat de Raad van State het specifiek belang aanvaardt van een vereniging met een bovenlokaal actieterrein indien: S de betrokken vereniging de bescherming ambieert van een specifiek aspect van het leefmilieu (b.v. de bescherming van wilde vogels) en de bestreden beslissing daaraan een afbreuk doet; S indien de bestreden handeling niet alleen plaatselijke belangen raakt, in die zin dat het milieuverstorend effect ervan het lokale niveau overstijgt. Wat deze laatste hypothese betreft, kan de door een regionale milieuvereniging bestreden beslissing op twee wijzen de lokale belangen overstijgen : S allereerst kan de beslissing uit zichzelf betrekking hebben op een bovenlokale aangelegenheid. Zo zal een regionale aktiegroep ongetwijfeld belang hebben bij het bestrijden van een (ontwerp-) gewestplan, aangezien dat uit zijn aard een bepaald gewest bestrijkt. Om deze reden werd bijvoorbeeld ook (impliciet) aangenomen dat een milieuvereniging belang heeft bij de vernietiging van een besluit waarbij vergunning werd verleend voor het aanleggen van een hoogspanningslijn 150Kv, van Aalst, over Lebbeke, naar Dendermonde; S ten tweede kan een bestreden beslissing, die uit haar aard enkel betrekking heeft op een geografisch lokaal afgelijnd gebied, niettemin gevolgen hebben die zich verder uitstrekken. Inzonderheid kan de verzoekende vereniging aantonen dat de betrokken site een dergelijke bijzonderheid vertoont dat het belang van de inwoners van het gewest bij het bewaren ervan, onafhankelijk is van hun woonplaats of van hun bezigheden. In principe lijkt de Raad van State aldus te aanvaarden dat de aard van het ontworpen bouwwerk of milieu-ingreep (b.v. exploitatievergunning), of de plaats waar dit wordt beoogd het lokale kan overstijgen. De (impliciete) rechtspraak is, wat dit laatste betreft, vrij schaars. Te dezen kan als type-geval inzonderheid worden verwezen naar het arrest (...). Waar deze milieuvereniging steeds bij gebrek aan het vereiste belang, werd afgewezen, werd haar belang in deze zaak (impliciet) aanvaard. Het geschil betrof immers de vergunning die een tussenkomende partij kreeg om een kerncentrale te Tihange te vestigen. Het lijkt hier evident dat deze beslissing weliswaar geografisch een lokale betekenis heeft, maar dat het milieuverstorend effect ervan zich kan uitstrekken over een gans gewest en aldus de bewoners van zelfs een gans gewest kan treffen. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat er duidelijk een geografische band dient te bestaan tussen de vereniging en haar leden enerzijds en de bestreden beslissing anderzijds. Deze band moet voortkomen uit de aard van de bestreden beslissing, of uit het milieuverstorend effect van de bestreden beslissing. Of nog, lapidair uitgedrukt : een lokaal milieu- of stedenbouwkundig probleem dient te worden bestreden door een vereniging met lokale werking, tenzij het milieuverstorend effect zich verder uitstrekt, in welk geval ook een X-12.124-4/17 regionale milieuvereniging een voldoende specifiek belang heeft bij de vernietiging ervan. Met toepassing van de hiervoor uiteengezette principes, meen ik dat de verzoekende vereniging niet getuigt van het vereiste, voldoende specifiek belang en dit op grond van de volgende overwegingen : 1/ Zoals uit de hiervoor hernomen statutaire bepalingen blijkt, streeft de verzoekende partij, als regionale milieuvereniging, inzonderheid de bescherming, de valorisatie en het gebeurlijk herstel van het landschap in de Vlaamse Ardennen - en aansluitende omgeving - na. M.a.w. zij ambieert de bescherming van ‘algemene’ milieubelangen en niet de bescherming van een specifiek aspect van het leefmilieu s.l. op een vrij ruim territoriaal werkterrein. 2/ De bestreden beslissing is een verkavelingsvergunning die uit haar aard een zeer beperkte uitwerking en dus in principe enkel een lokaal belang heeft : per definitie heeft een dergelijke vergunning slechts betrekking op enkele percelen van het grondgebied van een gemeente. Dit gegeven sluit ook aan bij de rechtspraak van de Raad van State met betrekking tot het belang van de derde-belanghebbende bij de vernietiging van verkavelings- en bouwvergunningen : in principe beschikt enkel de onmiddellijke buur over het wettelijk vereiste belang omdat in principe alleen die doet blijken van een voldoende geïndividualiseerde band met de bestreden bouw- of verkavelingsvergunning. 3/ Overstijgen in concreto (het) milieu, stedenbouwkundige en planologische gevolgen van de bestreden verkavelingsvergunning het lokale niveau derwijze dat het voornoemde vermoeden wordt weerlegd? Vertoont de betrokken site een dergelijke bijzonderheid dat het belang van de inwoners van de Vlaamse Ardennen - en aansluitende omgeving - bij het bewaren ervan, onafhankelijk is van hun woonplaats of van hun bezigheden? Ik meen van niet. Overeenkomstig een vaste rechtspraak komt het aan de verzoekende partij toe haar belang aan te tonen, zeker indien dit - zoals te dezen - niet vanzelfsprekend is. De verzoekende partij voert de argumenten aan die hiervoor onder sup pt. 4.2.
  12. werden weergegeven. Deze argumentatie kan niet worden bijgetreden : S De loutere omstandigheden dat een vordering kadert in het door de verzoekende partij zichzelf gestelde doel, volstaat immers niet, aangezien de bepalingen van het statuut van een vereniging nooit tot het gevolg kunnen hebben dat ze het begrip ‘belang’ zouden vermogen uit te breiden, zoals het is bepaald bij artikel 19 van de R.v.St.-wet. Overigens volstaat - zoals het arrest (...) - de loutere aanhaling van de statuten niet, aangezien dit enkel doet blijken in welke hoedanigheid de vereniging in rechte optreedt, maar dat daarmee echter nog niet haar belang bij de vernietiging is aangetoond; S ook de omstandigheid dat de verzoekende partij sinds meer dan 20 jaar een actieve werking heeft ‘als feitelijke vereniging en als vereniging zonder winstoogmerk, in functie van haar statutair doel, gelet op de vaak speciale aandacht voor de aantasting van natuur en landschap ten gevolge van bouwovertredingen en gewestplanovertredingen en - wijzigingen’, is te dezen niet relevant wat het belang betreft, aangezien deze feitelijke vaststelling niet van rechtswege impliceert dat een milieuvereniging getuigt van het vereiste belang om een verkavelingsvergunning voor de Raad van State aan te vechten; S Ten slotte leidt de omstandigheid dat het belang van de verzoekende partij (op impliciete wijze) werd aanvaard in het arrest (...), m.i. evenmin tot een weerlegging van het hiervoor uiteengezette standpunt. Dit voornoemd arrest had betrekking op de vernietiging van het koninklijk besluit van 17 december 1981 waarbij machtiging werd verleend tot de X-12.124-5/17 realisatie van een verkaveling, samen 6 ha 26 a 90 ca groot in een gerangschikt landschap dat een totale oppervlakte heeft van ca 50 ha. In het voornoemde arrest werd op impliciete wijze het belang aangenomen van de thans verzoekende partij bij het beroep tot nietigverklaring van deze beslissing, vermits de aard van de beslissing die leidde tot het voornoemd arrest nr. (...) - het machtigen tot het verkavelen in (de kern van) een gerangschikt landschap met alle gevolgen van dien wat het behoud van dit landschap betreft -, op de plaats waarop die beslissing betrekking had, het lokale overstijgt. Dit arrest kan derhalve op zich niet doen besluiten dat de verzoekende partij in het voorliggende beroep getuigt van een afdoende specifiek belang, temeer dat de invulling van de Raad van State van dit onderzoek naar het vereiste belang, steeds in concreto geschiedt. 4.2.
  13. Conclusie De verzoekende partij bezit niet het rechtens vereiste (collectief) belang bij het beroep, zodat het beroep niet ontvankelijk is”. 1.
  14. De tweede verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een soortgelijke exceptie op: “
  15. De verenigingen zonder winstoogmerk waaraan krachtens de wet van 26 juni 1921 rechtspersoonlijkheid wordt verleend, mogen in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. 14.Verenigingen zonder winstoogmerk zijn gerechtigd om in rechte op te treden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Milieuverenigingen kunnen voor de Raad van State optreden op voorwaarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, m.n. te doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks en geoorloofd belang, en de vereiste hoedanigheid. De hoedanigheid veronderstelt dat de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dat niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging. (...) De vereniging moet bijgevolg getuigen van een specialiteitsbeginsel. 15.Verzoekende partij meent een belang te hebben bij huidige vordering tot vernietiging, door het werkingsgebied van haar statuten. Verzoekende partij is van oordeel dat het normaal is voor een milieuvereniging dat zij bezig is met de diverse facetten van milieubescherming, aangezien dit haar specifieke doel is. Verzoekende partij verwijst naar haar doelstelling (artikel 4 van de statuten): ‘De vereniging heeft tot doel: de bescherming, de ontwikkeling en het gebeurlijk herstel van de menselijke leefomgeving, het landschap, de natuurlijke en cultuurhistorische waarden in haar werkgebied. De vereniging kan, ook buiten haar werkgebied, alle handelingen verrichten die rechtstreeks of onrechtstreeks haar doelstellingen dienen, onder meer: vorderen voor de rechtbank wanneer inbreuken gepleegd worden op regelgeving inzake bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, natuurbehoud en - b e s c h e r mi n g , l a n d s c h a p s - e n monumentenbescherming, dorpsgezichten, waterlopen, water-, lucht- en bodemkwaliteit, licht, afval, verkeer en wegen, geluid, jacht, landinrichting, waterwinning, milieuaspecten van de landbouw, dierenwelzijn, energie- (deze opsomming is niet limitatief). (...)’. X-12.124-6/17 Verzoekende partij stelt dat huidig verzoekschrift tevens binnen haar werkgebied valt, gelet op artikel 3 van de statuten, die 18 gemeenten, waaronder Geraardsbergen vermelden.
  16. Tweede verwerende partij meent dat de doelstelling van verzoekende partij dermate algemeen en uitgebreid is, dat niet voldaan is aan de vereisten voor een vzw om in rechte op te treden voor uw Raad. 17.Uit de statuten van de verzoekende partij blijkt dat haar maatschappelijk doel o.m. bestaat in de bescherming van leefmilieu, landschap, natuur- en cultuurpatrimonium in het algemeen. Wegens de absoluut algemene draagwijdte van die doelstelling, zo deze in aanmerking wordt genomen als grondslag voor de beoordeling van het belang van de vereniging om bij de Raad van State een annulatieberoep in te dienen, staat het optreden van die vereniging voor de Raad van State gelijk met een actio popularis indien de bestreden beslissing geen algemene draagwijdte heeft - even algemeen als die van de doelstelling waarop de vereniging zich beroept - doch een specifieke strekking heeft. (...) Dat wegens de absoluut algemene draagwijdte van deze doelstellingen, zo deze in aanmerking genomen wordt als grondslag voor de beoordeling van het belang van de vereniging om bij de Raad van State een annulatieberoep in te dienen, het optreden van de vereniging voor de Raad van State op het eerste gezicht gelijk staat met de actio popularis, indien de handeling die wordt aangevochten geen algemene draagwijdte heeft - even algemeen als die van de doelstelling waarop de vereniging zich beroept - doch een specifieke strekking heeft; dat het ter zake gaat om welbepaalde werken en handelingen op een welbepaalde plaats... (...) Deze rechtspraak is in casu van toepassing gelet op de ruime definiëring van de doelstelling van verzoekende partij, waarvan het werkingsgebied verspreid is over 18 gemeenten, en de doelstellingen zelfs vermelden dat kan worden opgetreden buiten het werkingsgebied. De verkavelingsvergunning heeft een zeer beperkte weerslag op de ruimtelijke ordening, gelet op de lintbebouwing en het quasi geheel bebouwde karakter van de omgeving. Ook het effect op de waterhuishouding blijft conform de adviezen beperkt tot de percelen zelf. 18.Verzoekende partij verwijst naar het arrest nr. 100.520 van uw Raad om aan te tonen dat het in casu geen actio popularis betreft. Tweede verwerende partij is echter de mening toegedaan dat dit arrest niet relevant is, gelet op de zeer specifiek omschreven doelstellingen en belangen van de vereniging, m.n. VZW het Koninklijk Belgisch Verbond voor Bescherming van de Vogels. Over het optreden van dergelijke vereniging in het kader van het uitzetten van fazanten met toepassing van artikel 29 jachtdecreet kan dan ook weinig discussie bestaan. De vergelijking met huidige problematiek gaat dan ook niet op. 19.De verwijzing die verzoekende partij maakt naar het arrest van uw Raad (...), bewijst des te meer de onontvankelijkheid van huidige vordering, gelet op de algemene draagwijdte van de doelstelling van verzoekende partij, gecombineerd met de specifieke draagwijdte van de voorliggende problematiek.
  17. Tot slot verwijst verzoekende partij naar de taalkundige uitdrukking van de termen algemeen belang en actio popularis. De gebruikte termen zouden los staan van het meer of minder algemeen/specifiek formuleren van de doelstellingen.
  18. Tweede verwerende partij kan zich niet van de indruk ontdoen dat verzoekende partij met dit argument eigenlijk impliciet erkent dat haar doelstellingen zeer algemeen zijn, zodat zij geen persoonlijk belang noch hoedanigheid heeft bij huidige vernietigingsprocedure”. X-12.124-7/17 1.
  19. De tussenkomende partijen sluiten zich aan bij de door de eerste en de tweede verwerende partij opgeworpen exceptie. 1.4.
  20. De verzoekende partij stelt in haar verzoekschrift : “IV. Het (rechts)persoonlijk belang van de VZW Stichting Omer Wattez bij de vordering tot vernietiging
  21. In bijlage 3 vindt u de statuten van de vereniging zoals gepubliceerd op 2 september 1999 in het Belgisch Staatsblad. In art. 3 van de statuten wordt het werkingsgebied omschreven. Dit omvat 18 gemeenten waaronder Geraardsbergen.
  22. De doelstellingen van de vereniging zijn omschreven in artikel 4 van de statuten. Het is ook door onder meer deze doelstellingen aan te nemen dat een VZW de rechtspersoonlijkheid verwerft. Binnen dit werkingsgebied worden de navolgende doelstellingen nagestreefd: ‘De vereniging heeft tot doel: de bescherming, de ontwikkeling en het gebeurlijk herstel van de menselijke leefomgeving, het landschap, de natuurlijke en cultuurhistorische waarden in haar werkgebied. De vereniging kan, ook buiten haar werkgebied, alle handelingen verrichten die rechtstreeks of onrechtstreeks haar doelstellingen dienen, onder meer: vorderen voor de rechtbank wanneer inbreuken gepleegd worden op regelgeving inzake bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, natuurbehoud, en -bescherming, landschaps- en monumentenbescherming, dorpsgezichten, waterlopen, water-, lucht- en bodemkwaliteit, licht, afval, verkeer en wegen, geluid, jacht, landinrichting, waterwinning, milieuaspecten van de landbouw, dierenwelzijn, energie - (deze opsomming is niet limitatief). De vereniging kan om haar doel te dienen ook overgaan tot de aankoop van gronden en objecten met natuurlijke en/of cultuurhistorische waarde in haar werkgebied. De vereniging kan in het kader van haar doel educatieve acties organiseren, studies opstellen of daartoe opdracht geven. De leden geven mandaat aan de vereniging om namens hen, ook in rechte, op te treden wat betreft de verwezenlijking van de doelstellingen’. Voor een milieuvereniging ligt het persoonlijk belang uiteraard in het milieubelang waarvoor zij bestaat. Daarbij komt het belang van de vereniging als gemandateerde van haar leden. Het is normaal dat een milieuvereniging met de diverse facetten van milieubescherming bezig is, aangezien dit haar specifiek doel is. Voorliggende verkavelingsvergunning die betrekking heeft op gronden gelegen in een natuurlijk overstromingsgebied en voor de helft in planologisch natuurgebied heeft in het bijzonder impact op de ruimtelijke ordening en is daarenboven ook sterk gerelateerd met de domeinen natuurbehoud en -bescherming, en waterkwaliteit. Het vrijwaren van natuurgebieden en natuurlijke overstromingsgebieden is aldus een van dé doelstellingen van de vereniging. Dat de 2e hernieuwing van deze verkavelingsvergunning aangevochten wordt en niet de oorspronkelijke en de eerste hernieuwing, is omwille van het ontstaan van nieuwe rechtsnormen, in het bijzonder deze inzake het integraal waterbeleid. Met een nieuw decreet werd de watertoets en een hele rits aan te toetsen doelstellingen en beginselen ingevoerd. Dergelijke elementen zouden X-12.124-8/17 er o.i. moeten toe leiden dat er fundamenteel andere beslissingen getroffen worden m.b.t. dergelijke vergunningsaanvragen. Verzoekende partij meent echter dat er met de beslissing over deze verkavelingsvergunning een verkeerde toepassing gemaakt wordt van en interpretatie gegeven wordt aan de nieuwe rechtsnormen. Gelet op het feit dat bij handhaving van dergelijke bestuurspraktijken, dit aanleiding kan geven tot een cascade van gelijkaardige beslissingen die geen garanties inhouden voor de vrijwaring van overstromingsgebieden (en ook van natuurgebieden), kan de impact hiervan dermate groot zijn, dat het niveau van deze individuele rechtshandeling ver overstijgt.
  23. De vzw. Stichting Omer Wattez werd opgericht op 16 juni 1981 (B.S. 3 december 1981). Al meer dan 23 jaar tracht verzoekende partij zich op permanente wijze in te zetten voor de belangen waarvoor ze opkomt, vooral de kwaliteit van de natuur, landschap en alles wat er bij komt kijken, op peil te houden binnen haar werkingsgebied, o.a. voor haar 800-tal leden. Om haar doelstellingen te realiseren, is het logisch dat zij streeft naar meer in plaats van minder groene ruimtes, naar meer bos, meer natuurgebieden, meer natuurlijke overstromingsgebieden, ook een betere buffering van wel beschermde natuurgebieden, enz.
  24. In de statuten is uitdrukkelijk vermeld, hoewel dit niet hoeft, dat de vereniging ook voor de rechtbanken haar doelstellingen mag zien te verwezenlijken. De bevoegdheid van de Raad van State is trouwens niet afhankelijk van het al dan niet opnemen in de statuten van het vorderingsrecht bij de Raad van State. Het optreden in rechte is immers een recht dat tot de normale handelingsbekwaamheid en vrijheid van iedere rechtspersoon behoort. Het vorderen van de vernietiging om de openruimte gebieden met specifieke waarden te bewaren en te versterken en dit zowel voor de vereniging en voor haar leden, alsook (ongewild voor) de huidige en toekomende generaties, kan beschouwd worden als een manier om haar doelstellingen te realiseren. Dat een milieuvereniging in rechte kan optreden voor de doelstellingen die zij wettig heeft ingeschreven in haar statuten, blijkt uit diverse rechtspraak onder meer van Uw Raad. (...) Ter aanvulling wenst verzoekende partij ook te verwijzen naar het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende de toegang tot de informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Zowel het Belgisch (Wet van 17 december 2002) als het Vlaams parlement (Decreet van 6 december 2002) hebben dit verdrag goedgekeurd en verklaren hierbij dat het verdrag volkomen gevolg heeft. De verdragspartijen hebben zich verbonden dat conform art. 9, punt 2, van het verdrag dat : ‘Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/ of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit Verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en X-12.124-9/17 strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vilde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b. Art. 2 vijfde lid bepaalt: ‘Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn’. Art 3.9 van het verdrag bepaalt dat er geen discriminatie mag plaatsvinden al naar gelang o.a. het ‘feitelijk middelpunt van de activiteiten’ van de rechtspersoon.
  25. VZW Stichting Omer Wattez oefent duurzame activiteiten uit die haar werking als vereniging aantonen. De vereniging is ook als vereniging geloofwaardig in haar belang omdat zij ook daadwerkelijk actief is, zodat op dit punt geen bevraging naar ontvankelijkheid kan zijn. Een aantal belangrijke activiteiten zijn: De uitgifte van een tweemaandelijks tijdschrift ‘Onze Streek’ dat een oplage heeft van 1200 exemplaren (...). Het organiseren van tal van natuureducatieve activiteiten al of niet in samenwerking met andere verwante verenigingen voor de leden maar ook opengesteld voor een ruim publiek van geïnteresseerden. Het jaarlijks promoten van activiteiten die het landschap, de natuur, het milieu en de goede ruimtelijke ordening ten goede komen, zoals aanplanting van houtkanten, fruitbomen e.d., acties rond fietsgebruik, deelname aan de week van de ruimtelijke ordening, Het organiseren van tal van persacties. Actief via diverse plaatselijke werkgroepen zoals de S.O.W. werkgroep Leievallei, de S.O.W. werkgroep Maarkedal, de S.O.W. werkgroep Oudenaarde, de S.O.W. werkgroep Zingem, de S.O.W. werkgroep Ronse, enz. Door te beschikken over een secretariaat (Kattestraat 23, 9700 Oudenaarde), waar mensen uit de streek met hun vragen en oproepen terechtkunnen. Dit secretariaat functioneert ook als archief en documentatiecentrum met zorgvuldig bijgehouden informatie m.b.t. natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Dit documentatiecentrum is toegankelijk en raadpleegbaar voor het ruime geïnteresseerde publiek. Vertegenwoordiging in milieu- en natuurraden en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening in diverse gemeenten in haar werkingsgebied. Vertegenwoordiging in de VZW Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen. Door de indiening van klachten of rechtsvorderingen als noodoplossing, nl. indien gewone middelen, zoals bezwaarschriften en plaatselijke tussenkomsten, het belang niet rechtmatig verdedigd werd. Zo heeft de VZW Stichting Omer Wattez een vordering tot vernietiging ingediend van de bouwvergunning afgraving Coupure (...), stelde zij zich burgerlijke partij voor de correctionele rechtbank Oudenaarde i.v.m. stort in de vallei van de Molenbeek te Lierde, i.v.m. de aanleg van dijklichamen rond een biologisch waardevol valleigebied te Geraardsbergen, vorderde zij de schorsing van de vergunning voor werken in het Dal te Heurne, vorderde zij de schorsing van de milieuvergunning voor een betoncentrale nabij de Eekse Scheldemeersen (...). Ook is er bv. een procedure ingesteld op grond van de wet van 12 januari 1993 inzake het X-12.124-10/17 vorderingsrecht voor milieuverenigingen, om natuurherstel te bekomen van het Vijverbos te Zwalm, waar door een aannemer een stort werd aangelegd (...), ... Samenwerking met andere natuur- en milieuverenigingen zoals als lid van de vzw. Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen, vzw. Natuurpunt.
  26. De VZW Stichting Omer Wattez streeft geen algemeen maar wel een (rechts)persoonlijk belang na. Zij voldoet aan het specialiteitsbeginsel. De VZW Stichting Omer Wattez wil de belangen behartigen van haar vereniging, en bijkomend ook van de leden die het verenigingsdoel steunen. Het gaat om een relatief beperkte groep van mensen. De vereniging wil niet de belangen van de ruime lagen van de bevolking dienen, zoals bv. een stadsbestuur, of het Vlaams Gewest kan voorhouden te doen. Aldus streeft zij niet het algemeen belang na. Verzoekster verzet er zich dan ook met klem tegen dat zij willens nillens zou opgezadeld worden met de ‘actio popularis’. In het algemeen aanvaardt Uw Raad trouwens dat milieuverenigingen een annulatievordering kunnen instellen ter verwezenlijking van hun verenigingsdoel en er dus kan ingepast worden. Zie bv. het arrest nr (...): ‘Overwegende dat de verzoekende partij een vereniging zonder winstgevend doel is die bij de Raad van State een beroep kan instellen ter verdediging van haar persoonlijke belangen en van de collectieve belangen van haar leden zoals die uit haar statuten blijken; dat blijkens art. 2 van haar statuten, de vereniging tot algemeen maatschappelijk doel heeft: (...)’ Ook het feit dat de statuten van de VZW concreet en specifiek zijn, verhindert te zeggen dat haar doelstellingen te algemeen zijn. De VZW SOW streeft welomschreven milieudoelstellingen na, zoals reeds is gezegd (zie art. 4 van de statuten). Deze doelstellingen zijn ook niet onmogelijk omvangrijk (bvb. niet het klimaat, niet alle mogelijke bronnen en vormen van vervuiling, niet in een oneindig ruim gebied), zodanig dat de vereniging onmogelijk op al deze vlakken haar doelen kan bijhouden. Overigens is het belangrijk hierbij vast te stellen dat 1 /) geen enkele wet verbiedt dat een milieu-VZW meer dan één specifieke milieudoelstelling (bvb. enkel bescherming van bossen) nastreeft; 2/) de vereniging actief is in een tamelijk beperkt werkgebied; 3/) zelfs als een vereniging zelden of nooit actief zou zijn op het vlak van een aantal doelstellingen (bvb. landbouw, dierenwelzijn,...), dit niet verbiedt wel actief te zijn op een aantal andere doelstellingen (bvb. bosbehoud, bescherming landschappen). Een vereniging kan immers allerlei redenen hebben om wel of niet op een bepaald terrein, bvb. op het vlak van overstromingsproblematiek of erosieproblematiek, actief te zijn: bvb. er zijn geen landinrichtingsprojecten in het gebied, de vereniging wenst het ene jaar zich meer of minder te profileren op een bepaald gebied naar de wensen van bvb. de algemene vergadering,... De keuzes om al dan, niet op te treden kunnen gebaseerd zijn op : rekening houden met menselijke aspecten van een zaak, of een zaak is bij voorbaat kansloos, of er ontbreekt een meerderheid in de Raad van Bestuur om in rechte op te treden, of er zijn te weinig financiële middelen, of er is een nieuwe juridische context die de kansen om in rechte op te treden wijzigen, of er is nieuwe rechtspraak van toepassing, enz. Dit is eerder opportuniteit waar allerlei feitelijkheden een rol spelen. Bovendien heeft de mindere of meerdere mate van algemeen/ specifiek formuleren niets te zien met het ‘algemeen belang’ of de ‘actio popularis’, doch enkel met de taalkundige uitdrukking en interpretatie van haar doelstellingen. Trouwens kan men de statuten van de vereniging beschouwen als een vorm van overeenkomst. X-12.124-11/17 Ook verzet verzoekende partij er zich tegen dat de bestreden handeling ‘even algemeen’ zou moeten zijn als de doelstelling van de vereniging. Hierbij vergelijkt men immers uit hun aard gans verschillende zaken. Wanneer mensen overeenkomen een vereniging op te richten, zetten zij in hun statuten de bakens en de richting van hun gezamenlijk streven uit, zonder zich te storten in oneindige details. Bvb. als men het heeft over bescherming van de natuur, kan het toch niet de bedoeling zijn dat men alle mogelijke fauna en flora gaat opsommen, of dat men alle zaken waarvoor men in rechte kan optreden gaat oplijsten (bvb. tegen verkavelingsvergunningen in overstromingsgebied, tegen woningen met een bepaald architectonisch karakter in een beschermd landschap). Het voorwerp van iedere individuele rechtshandeling is dermate specifiek en uniek dat het quasi onmogelijk is een allesomvattende formulering op te nemen in de statuten. Voldoende is dat de bestreden handeling moet kunnen ‘ingepast’ worden in één of meer doelstellingen (...). Wij betwisten dat voorliggende verkavelingsvergunning louter een besluit betreft dat welbepaalde werken en handelingen op een welbepaalde plaats voor gevolg heeft. Het ophogen en bebouwen van gronden in natuurlijk overstromingsgebied, heeft niet alleen gevolgen voor deze beperkte plaats, maar verhoogt het overstromingsgevaar van gronden en gebouwen op andere plaatsen. Daarenboven wenst verzoekende partij te benadrukken dat zij met dit verzoekschrift de verkeerde toepassing en interpretatie van diverse rechtsnormen, die de bescherming van natuurgebieden en natuurlijke overstromingsgebieden kunnen garanderen, aanvecht. Het herhaaldelijk verkeerd hanteren van de bedoelde rechtsnormen, zal een cascade van schadelijke effecten voor gevolg hebben en een ernstige aantasting van de natuurlijke omgeving en het leefmilieu voor gevolg hebben. Het is niet louter een enkele verkavelingsvergunning maar de bedoelde cascade van gevolgen die de belangen waarvoor verzoekende partij staat, zeer ernstig in het gedrang brengen. Indien uw Raad zou oordelen dat verzoekende partij niet doet blijken van de vereiste hoedanigheid, dan verhindert uw Raad dat nog op enige en ernstige wijze de wettigheid van de betrokken besluiten onderzocht kan worden. Het is enerzijds onmogelijk een algemeen besluit aan te vechten dat een weerslag heeft op bvb. alle verkavelingsvergunningen in het gehele werkingsgebied van de vzw. SOW, om dat dergelijke besluiten niet bestaan. Anderzijds is het onmogelijk om alle besluiten met individuele strekking aan te vechten. De specifieke keuze om tot annulatie te verzoeken van deze verkavelingsvergunning, is gebaseerd op een weloverwogen keuze en afweging van de Raad van de vereniging om een voorbeeld te stellen naar toekomstige (gelijkaardige) besluiten. Voorliggende verkavelingsvergunning vormt volgens ons een ernstige schending van tal van rechtsnormen, dit in tegenstelling met bepaalde andere vergunningen waar de schending van zowel het aantal rechtsnormen als van de ernst van de schending geringer is, zodat de keuze voor het aanvechten van deze vergunningen verantwoord is in het licht van de doelstellingen van de vereniging. Om deze redenen oordeelt verzoekende partij dat het persoonlijk belang van (de) VZW Stichting Omer Wattez bij de vordering tot annulatie van deze verkavelingsvergunning, samengevat een feit is”. 1.4.
  27. In haar memorie van wederantwoord stelt zij nog : “De verwerende partijen betwisten dat verzoekende partij onvoldoende belang zou hebben bij het aanvechten van de bestreden beslissing. We wensen vooreerst te wijzen op het verdrag van Aarhus en (de) goedkeuringswet X-12.124-12/17 (17 december 2002) en -decreet (6 december 2002) waarin de wet- resp. decreetgever stellen dat het Verdrag volkomen gevolg heeft in België resp. Vlaams Gewest. (...) Vervolgens wenst verzoekende partij duidelijk te maken dat ze in tal van zaken opkomt ter vrijwaring van de natuurwaarden en ter vrijwaring van de nog resterende overstromingsruimte in een beperkt geografisch werkingsgebied dat 21 gemeenten omvat die grosso modo tot de Vlaamse Ardennen kunnen gerekend worden en waarin onder meer de Molenbeekvallei te Brakel-Geraardsbergen gelegen is en die ook door de deelgemeente Goeferdinge stroomt, langs gronden waar de betwiste verkavelingsvegunning betrekking op heeft. Verzoekende partij spitst zich duidelijk toe op een welbepaalde streek met specifieke natuurwaarden en in het bijzonder valleiwaarden. Verzoekende partij diende onder meer tal van bezwaren in ter vrijwaring van beide waarden, tijdens openbare onderzoeken omtrent bouw-, verkavelings- én milieuvergunningsaanvragen in valleigebieden. In bijlage 1 voegt verzoekende partij 9 bezwaarschriften van de laatste twee jaren, tegen vergunningsaanvragen specifiek binnen dat deel van haar werkingsgebied waar ook eerste verwerende partij bevoegdheid over heeft en die uitgaan van verzoekende partij vanuit haar doelstelling om op te komen voor de bescherming van de waarden van overstromingsgebieden. Het gaat meer bepaald over 5 verkavelingsvergunningsaanvragen om op te hogen plus te bouwen in valleigebied, 3 bouwvergunningsaanvragen voor reliëfwijzigingen (i.c. ophogingen) in valleigebieden en een milieuvergunningsaanvraag in valleigebied. Om dit naar de buitenwereld duidelijk te maken, geeft ze niet enkel een tijdschrift (in bijlage 2 een actueel nummer, met op de tweede pagina in de rubriek ‘winnaar-verliezer’ waarbij de eerste verwerende partij als verliezer wordt uitgekozen omwille van het verlenen van onder meer verkavelingsvergunningen ondanks de watertoets (zie eerste middel uit het verzoekschrift) , met verder in het tijdschriftnummer (...) nog een zaak waarin de aantasting in een valleigebied centraal staat) uit maar voert verzoekende partij geregeld acties en stelt ze diverse persberichten op. In bijlage 3 vindt u een persbericht n.a.v. een actie op 22 februari 2005 en een begeleide open brief aan de gemeenteraadsleden van de stad Geraardsbergen die handelt over het verlies van valleigebieden. In haar bezwaarschrift tegen de hier betwiste verkavelingsvergunning wees verzoekende partij er reeds op dat er een natuurtoets (tweede middel uit het annulatieberoep) en een watertoets (eerste middel) diende te gebeuren. Toch werden deze zaken genegeerd tijdens de besluitvorming van eerste en tweede verwerende partij. Hiermee toont verzoekende partij aan dat ze zeer specifiek opkomt ter vrijwaring van de valleigebieden. Ze ziet dan ook geen enkele gegronde reden dat Uw Raad de exceptie van niet-ontvankelijkheid op basis van het gebrek aan belang en de vereiste hoedanigheid zou opwerpen. (...) Het in het kader van het openbaar onderzoek uitgebrachte bezwaarschrift van verzoekende partij tegen de hier betwiste verkavelingsvergunning, werd behandeld en geëvalueerd door beide verwerende partijen. Dit impliceert een erkenning van het belang van verzoekende partij door beide verwerende partijen. Het was niet op basis van het niet getuigen van persoonlijk en/of actueel belang van verzoekende partij dat het bezwaarschrift van verzoekende partij niet weerhouden werd door beide verzoekende partijen. (...) X-12.124-13/17 Samenvattend getuigt verzoekende partij dus van het vereiste persoonlijke belang en de hoedanigheid om de annulatie te vorderen van voorliggende verkavelingsvergunning”. 2.
  28. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. 2.
  29. Artikel 3 van de statuten van de verzoekende partij bepaalt het volgende over haar geografisch werkingsgebied: “Art.
  30. Het werkgebied van de vereniging strekt zich uit over de volgende gemeenten: Anzegem, Avelgem, Brakel, Deinze, De Pinte, Gavere, Geraardsbergen, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Lierde, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Waregem, Wortegem-Petegem, Zingem, Zottegem, Zulte en Zwalm”. In diezelfde statuten wordt het maatschappelijk doel van de verzoekende partij in artikel 4 als volgt omschreven: “Art.
  31. De vereniging heeft tot doel : de bescherming , de ontwikkeling en het gebeurlijk herstel van de menselijke leefomgeving, het landschap, de natuurlijke en cultuurhistorische waarden in haar werkgebied. De vereniging kan, ook buiten haar werkgebied, alle handelingen verrichten die rechtstreeks of onrechtstreeks haar doelstellingen dienen, onder meer : vorderen voor de rechtbank wanneer inbreuken gepleegd worden op regelgeving inzake bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, natuurbehoud en - bescherming, landschaps- en monumentbescherming, dorpsgezichten, waterlopen, water-, lucht- en bodemkwaliteit, licht, afval, verkeer en wegen, geluid, jacht, landinrichting, waterwinning, milieuaspecten van de landbouw, dierenwelzijn, energie - (deze opsomming is niet limitatief). (...)”. X-12.124-14/17 2.
  32. Terzake betreft het bestreden besluit een verkavelingsvergunning waarbij de percelen van de tussenkomende partijen worden verdeeld in drie loten met de uiteindelijk bedoeling op elk van de aldus tot stand gebrachte kavels een “open eengezinswoning” op te trekken. Gelet op het actieterrein van de verzoekende partij en haar op algemene wijze geformuleerde doelstellingen, getuigt de verzoekende partij niet van de vereiste hoedanigheid om de bestreden verkavelingsvergunning, die de uitvoering van welbepaalde werken op welbepaalde percelen mogelijk maakt, aan te vechten. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat de bestreden vergunning “een cascade van schadelijke effecten voor gevolg (zal) hebben” en “het overstromingsgevaar van gronden en gebouwen op andere plaatsen (verhoogt)”, zoals zij zelf beweert. Zulks blijkt evenmin uit het advies van de bestendigde deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 25 maart 2004, waarin de bestendige deputatie overigens uitdrukkelijk stelt dat “het schadelijk effect beperkt is tot de veiligheid van het vergunde project zelf” en dat “enige invloed op het watersysteem of de veiligheid van overige vergunde of vergund geachte constructies, gelet op de geringe oppervlakte, niet te verwachten (is)”. Bovendien, zelfs al zou de bestreden vergunning een aantal gevolgen kunnen hebben voor de omliggende percelen, dan nog bestaat er geen band van evenredigheid tussen het actieterrein van de vereniging enerzijds en de draagwijdte van het bestreden besluit anderzijds. 2.
  33. De verzoekende partij beroept zich verder op het Verdrag betreffende de toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 en bekrachtigd door België op 21 januari
  34. Meer bepaald verwijst zij naar de artikelen 2.5, 3.9 en 9.2 van dit verdrag. Artikel 2.5 van het verdrag luidt als volgt: “
  35. Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbend is bij, milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet- gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn”. Artikel 3.9 van het verdrag bepaalt: “
  36. Binnen het toepassingsgebied van de relevante bepalingen van dit Verdrag heeft het publiek toegang tot informatie, heeft het de mogelijkheid van inspraak in besluitvorming en heeft het toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden zonder discriminatie op grond van staatsburgerschap, X-12.124-15/17 nationaliteit of woonplaats en, in het geval van een rechtspersoon, zonder discriminatie op grond van de plaats van de statutaire zetel of een feitelijk middelpunt van de activiteiten”. Artikel 9.2 van het verdrag bepaalt: “2.Elke partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en de formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b. De bepalingen van dit tweede lid sluiten niet de mogelijkheid uit van een herzieningsprocedure voor een bestuursrechtelijke instantie en laten onverlet de eis van het uitputten van de bestuursrechtelijke beroepsgang alvorens over te gaan tot rechterlijke herzieningsprocedures, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht”. De vaststelling dat een niet-gouvernementele organisatie conform de bepalingen van dit verdrag gebeurlijk geacht kan worden een voldoende belang te hebben, impliceert niet dat dergelijke organisatie niet meer dient te voldoen aan de hierboven gestelde voorwaarden met betrekking tot de vereiste hoedanigheid om in rechte te treden. Die voorwaarden zijn niet in strijd met de bepalingen van het verdrag. 2.
  37. De exceptie van de verwerende partijen is gegrond. Het beroep is om deze redenen niet ontvankelijk. X-12.124-16/17 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  38. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  39. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de nalatenschap van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig februari 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-12.124-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.768 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.