← België

Arrest 190878 - Milieuvergunningen - 26/02/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.878 Rolnummer: A. 145479/VII-31267 Zaak: Arrest 190878 - Milieuvergunningen - 26/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-06 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 19:48 Fiche Arrest nr 190.878 van 26 februari 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 190.878 van 26 februari 2009 in de zaak A. 145.479/VII-31.267. In zake : de VZW STICHTING OMER WATTEZ, thans de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ, die woonplaats kiest bij advocaat I. VANDESCHOOR, kantoor houdende te GENT, Lange Kruisstraat 6F tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. tussenkomende partijen : 1. Alfons DANNEELS, 2. Albin DANNEELS, die woonplaats kiezen bij advocaat Chr. CAUWE, kantoor houdende te GENT (SINT-DENIJS-WESTREM), Kerkwegel 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW STICHTING OMER WATTEZ op 18 december 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 3 oktober 2003 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 27 maart 2003, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Alfons DANNEELS en Albin DANNEELS om een inrichting, gelegen aan Sluis te Nazareth, te exploiteren, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 20 februari 2004 ingediend door Alfons DANNEELS en Albin DANNEELS; VII-31.267-1/12 Gelet op de beschikking van 24 februari 2004 die de tussenkomst van Alfons DANNEELS en Albin DANNEELS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 3 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 januari 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. VANDESCHOOR die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat F. TEMMERMAN die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij en van advocaat D. DE SCHEPPER die, loco advocaat Chr. CAUWE verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De tussenkomende partijen exploiteren reeds geruime tijd een steenbakkerij in Nazareth. De klei wordt ter plaatse gewonnen. De bedrijfsterreinen zijn op het gewestplan Oudenaarde, vastgesteld bij het koninklijk besluit van 24 februari 1977, ondergebracht in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's. Bij besluit van de Vlaamse regering van 29 oktober 1999 houdende VII-31.267-2/12 definitieve vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Oudenaarde op het grondgebied van de gemeenten Brakel, Deinze, Gavere, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Wortegem-Petegem, Zingem, Zulte en Zwalm, krijgen de terreinen de bestemming ontginningsgebied, met als nabestemming gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's. Een buurtbewoner dient een annulatieberoep in tegen deze wijziging. Bij arrest van de Raad van State nr. 176.250 van 29 oktober 2007 wordt dit beroep verworpen. 1.2. Op 1 augustus 2000 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nazareth een stedenbouwkundige vergunning voor het dempen van twee oude kleiputten. In navolging van het advies van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) mag de opvulling uitsluitend gebeuren met gronden waarvoor door OVAM een attest is afgeleverd welke het gebruik als secundaire grondstof en de storting als onderwaterbodem toelaat, zolang geen milieuvergunning wordt verleend voor het gebruik van aanvulmateriaal dat valt onder de regelgeving van de afvalstoffen. De werken worden aangevat, met grond waarvoor OVAM enerzijds geen inhoudelijk bezwaar lijkt te hebben, maar waarvoor zij anderzijds zegt geen gebruikscertificaat te kunnen afleveren, omdat de reglementering zulks niet toelaat. 1.3. De werken worden stilgelegd met stakingsbevelen van 27 februari 2001 en 14 november 2001. Er volgt een gerechtelijke procedure. In de maand juni 2002 beveelt het hof van beroep in Gent de opheffing van de stakingsbevelen, op voorwaarde dat er niet verder wordt opgevuld met grond waarvoor een milieu- vergunning is vereist, en op voorwaarde dat binnen twee maanden na het arrest een milieuvergunning wordt gevraagd. Ten tijde van het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning bestond er geen milieuvergunningsplicht voor het "geheel of gedeeltelijk opvullen met niet-verontreinigde uitgegraven bodem van groeven, graverijen en uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers". Door de invoeging van een rubriek 60 in de indelingslijst van bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) is dit sinds 29 juni 2002 wel het geval. VII-31.267-3/12 1.4. Op 9 oktober 2002 dienen de tussenkomende partijen een milieuvergunningsaanvraag in voor het opvullen van de kleiputten met niet- verontreinigde grond, voor een volume van 23.923 m³ (rubriek 60, 2/, van de indelingslijst bij Vlarem I). 1.5. Op 27 maart 2003 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een milieuvergunning voor een termijn van drie jaar. Als bijzondere vergunningsvoorwaarde wordt opgelegd dat gronden moeten worden gebruikt die voldoen aan bijlage 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering (hierna : Vlarebo), behalve voor wat betreft de parameter minerale olie waarvan het gehalte moet voldoen aan bijlage 7, met name 100 mg/kg droge stof. Er worden drie administratieve beroepen ingediend, onder meer door de verzoekende partij en door de tussenkomende partijen, die zich richten tegen genoemde bijzondere vergunningsvoorwaarde. 1.6. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen verleend : (

  1. a)de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie adviseert gunstig; (
  2. b)de afdeling Natuur adviseert ongunstig als volgt : "Deze twee kleiputten bezitten een hoge natuurwaarde, zowel op vlak van fauna als flora. Ze vormen een verblijfplaats voor verschillende soorten watervogels en een paaiplaats voor de gewone pad en de groene kikker. De putten vormen bovendien een uiterst geschikte paaiplaats voor salamanders. (...) Het vergunnen van de aangevraagde activiteit evenals de activiteit zelf zijn in strijd met artikelen 14 en 16 van het Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu gewijzigd op 19 juli 2002"; (
  3. c)de Vlaamse Milieumaatschappij onthoudt zich van advies; (
  4. d)OVAM adviseert gunstig; (
  5. e)de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert gunstig; (
  6. f)de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; (
  7. g)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie ten slotte adviseert gunstig. 1.7. Op 3 oktober 2003 wordt het bestreden besluit genomen, de vergunning wordt bevestigd. VII-31.267-4/12 De motivering luidt als volgt : "(...) Gelet op de ligging van de inrichting in ontginningsgebied met nabestemming zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen volgens het gewestplan van Oudenaarde, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 en gewijzigd bij ministerieel besluit van 29 oktober 1999; Gelet op het feit dat dit gebied ten noorden en ten westen grenst aan landschappelijk waardevol agrarisch gebied en ten oosten en ten zuiden aan een zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de aanvraag het opvullen van 3 kleiputten met niet-verontreinigde gronden betreft; dat de putten zullen opgevuld worden tot op maaiveldniveau; Overwegende dat bij besluit van de Vlaamse regering op 29 oktober 1999 het gewestplan Oudenaarde gedeeltelijk werd gewijzigd; dat het betreffende gebied toen werd gewijzigd van gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen en ambachtelijke bedrijven naar ontginningsgebied met nabestemming gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen; dat door een omwonende een procedure tot vernietiging van dit besluit werd opgestart bij de Raad van State; dat er op dit moment echter nog geen uitspraak is; Overwegende dat het terrein vroeger al als KMO-zone was ingekleurd; dat bij de wijziging van het gewestplan het terrein veranderd werd in ontginningsgebied opdat het voor de vergunde steenbakkerij mogelijk zou zijn er klei te ontginnen; dat geoordeeld werd om als nabestemming de bestaande functie als KMO-gebied te behouden; Overwegende dat de exploitant na het opvullen voorziet in de bouw van een loods als uitbreiding van de bestaande steenbakkerij; dat dit in overeenstemming is met de nabestemming van het ontginningsgebied, namelijk een zone voor kleine en middelgrote ondernemingen; Overwegende dat de exploitant voorziet dat de putten gevuld zullen zijn binnen een termijn van 3 jaar; dat op de aangevoerde grond steeds een grondonderzoek zal gebeuren door een erkend bodemdeskundige; Overwegende dat de putten gelegen zijn in ontginningsgebied met nabestemming zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen (bestemmingstype V); dat bijgevolg de gronden die gebruikt worden voor het vullen van de kleiputten dienen te voldoen aan bijlage 8 van Vlarebo; dat, indien gestort wordt onder water, de gronden voor de parameter minerale olie dienen te voldoen aan bijlage 7 (100 mg/kg DS); Overwegende dat in dit geval het grondwater tot aan het maaiveldniveau komt; dat de putten gelegen zijn in een voor grondwater zeer kwetsbaar gebied, daar de alluviale klei niet dik genoeg is voor de bescherming van het grondwater; dat het dus aangewezen is de bijzondere voorwaarde te behouden; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, mits naleving van de opgelegde milieuvergunningsvoorwaarden, tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de gevraagde vergunning te verlenen voor een termijn van 3 jaar; VII-31.267-5/12 Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen (...)"; 2. De ontvankelijkheid 2.1.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord de laattijdigheid van het beroep aanvoert in de volgende bewoordingen : "Het bestreden besluit werd bij zending van 10 oktober 2003 betekend aan de betrokken partijen. Het verzoekschrift van verzoekende partij dateert van 17 december 2003. In dit verzoekschrift wordt nergens aangeduid op welke datum effectief werd kennis genomen van het bestreden besluit. (...) Gezien het belang van deze zaak in hoofde van verzoekende partij, is het evenwel moeilijk te aanvaarden dat een termijn van zeven dagen zou zijn verstreken tussen het betekenen van het besluit en de kennisname ervan door verzoekende partij. Het ingestelde beroep dient als laattijdig te worden verworpen"; 2.1.2. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord als volgt antwoordt : "Het Vlaams Gewest verwijst naar de datum waarop het verzoekschrift werd ingediend (17 december 2003), terwijl het bestreden besluit bij zending van 10 oktober 2003 zou zijn betekend aan de 'betrokken partijen'. Wanneer het bestreden besluit aan de betrokken partijen werd betekend, doet (dit) evenwel de termijn van 60 dagen tegen een derde belanghebbende, nog niet ingaan. Omer Wattez Stichting heeft vanwege de minister geen kennis gekregen van zijn beslissing. Op welke dag precies verzoekende partij van de milieuvergunning heeft kennis genomen, kan verzoekster niet meer precies bepalen. De termijn van 60 dagen was volgens haar herinneringen toen nog niet verlopen"; 2.1.3. Overwegende dat wanneer de bekendmaking van een beslissing gebeurt door aanplakking gedurende een bepaalde periode, de termijn voor het indienen van een annulatieberoep pas aanvangt wanneer de periode van aanplakking volledig is verstreken; dat ten aanzien van de verzoekende partij de beslissing werd bekendgemaakt door aanplakking gedurende een termijn van 30 dagen; dat de beslissing aan de burgemeester werd betekend op vrijdag 10 oktober 2003, en ten vroegste werd ontvangen op maandag 13 oktober 2003; dat wanneer deze nog dezelfde dag zou zijn overgegaan tot de aanplakking, de periode voor de aanplakking inging op dinsdag 14 oktober 2003, om te eindigen op woensdag 12 november 2003; dat het op 18 december 2003 ingediende annulatieberoep bijgevolg tijdig was; dat die exceptie wordt verworpen; VII-31.267-6/12 2.2.1. Overwegende dat de tussenkomende partijen in hun verzoekschrift tot tussenkomst de volgende exceptie aanvoeren : "Uit het annulatieverzoek blijkt niet dat de oorspronkelijke verzoekster gehandeld heeft conform haar statuten of in uitvoering van een beslissing van het bevoegd orgaan. In het verzoekschrift wordt niet verwezen naar enige beslissing van het bevoegd orgaan. Evenmin blijkt uit de stukken, die dienen gevoegd te zijn bij het verzoekschrift, dat een beslissing werd genomen door de raad van bestuur van de oorspronkelijke verzoekster, nu het stuk 3 niet bij het bundel was gevoegd. De ondertekenende voorzitter bewijst niet over de nodige hoedanigheid te beschikken"; 2.2.2. Overwegende dat artikel 11, eerste, tweede en derde lid, van de statuten van de verzoekende partij bepalen : "De raad van beheer beschikt over alle bevoegdheden die niet door de wet of door de statuten aan de algemene vergadering worden voorbehouden. De voorzitter of de ondervoorzitter kunnen de besluiten van de raad van beheer verder benaarstigen of tenuitvoerleggen. In dringende gevallen kan de voorzitter of de ondervoorzitter rechtsgeldige beslissingen nemen, in feite en in rechte, op voorwaarde dat deze beslissingen nadien door de raad van beheer worden bekrachtigd"; dat op 21 januari 2004 de raad van bestuur de beslissing van de voorzitter om voorliggend annulatieberoep in te dienen heeft bekrachtigd; dat deze beslissing bij brief van 23 januari 2004 bij het verzoekschrift werd gevoegd; dat de exceptie wordt verworpen; 2.3.1. Overwegende dat de tussenkomende partijen in hun verzoekschrift tot tussenkomst de rechtspersoonlijkheid van de verzoekende partij als volgt in twijfel trekken : "De oorspronkelijke verzoekster bewijst evenmin te hebben voldaan aan de termen van de wet van 27 juni 1921, waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, zoals gewijzigd bij wet van 2 mei 2002, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 11 december 2002"; 2.3.2. Overwegende dat deze opmerking vaag is; dat er niet wordt aangegeven aan welke bepalingen van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen niet zou zijn voldaan; dat in ieder geval bij het verzoekschrift de statuten van de verzoekende partij werden gevoegd, zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, met daarin tevens de benoeming van de VII-31.267-7/12 bestuurders; dat voor zover de opmerking van de tussenkomende partijen als exceptie is bedoeld, zij wordt verworpen; 2.4.1. Overwegende dat de tussenkomende partijen in hun verzoekschrift nog het volgende opmerken : "De oorspronkelijke verzoekster heeft niet voldaan aan de termen van art. 1 en 2 §1 van het procedurereglement, nu het oorspronkelijk verzoekschrift niet op een correcte wijze de verwerende partij aanduidt. Uiteraard kan niet als verwerende partij worden aangeduid 'het Vlaams Gewest of het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, in de persoon van de Minister bevoegd voor het Leefmilieu'. Evenmin wordt de zetel van de verwerende partij aangeduid"; 2.4.2. Overwegende dat het verzoekschrift geen twijfel laat bestaan wie de auteur is van de bestreden beslissing en wie bijgevolg de verwerende partij is; dat de exceptie wordt verworpen; 2.5.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord ook de volgende exceptie opwerpt : "Verzoekende partij is als milieuorganisatie actief in de regio Oudenaarde en heeft tot doel onder meer de bescherming van natuurlijke waarden in het werkgebied te verzekeren, dit middels onder meer het opstarten van vorderingen voor de rechtbanken. Verzoekende partij was reeds actief in 1999 toen het gewestplan Oudenaarde werd gewijzigd, waardoor de desbetreffende percelen werden ingekleurd als ontginningsgebied, niet met nabestemming natuurgebied, maar wel met nabestemming ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen. Verzoekende partij tekende tegen dit besluit houdende wijziging van het gewestplan, geen beroep aan bij de Raad van State. Verzoekende partij tekende evenmin beroep aan tegen de stedenbouwkundige vergunning die werd verleend strekkende tot het dempen van de putten. (...) Huidige vergunning is enkel een logisch gevolg van deze gewestplanwijziging én de verleende stedenbouwkundige vergunning. Het belang van verzoekende partij was derhalve actueel op het ogenblik van de gewestplanherziening, vervolgens op het ogenblik van het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning. Door pas op heden voor het eerst te reageren middels procedure tot nietigverklaring, is verzoekende partij niet enkel laattijdig maar brengt zij tevens de rechtszekerheid die de overheid dient te bieden aan de rechtsonderhorige-vergunningsaanvrager, in het gedrang. Huidige vordering dient te worden afgewezen bij gebreke aan actueel en rechtstreeks belang in hoofde van verzoekende partij. In casu zal de vernietiging van de bestreden beslissing immers niet kunnen strekken tot het door verzoekende partij beoogde voordeel, met name het behoud van de vijvers als blijvende natuurwaarde"; VII-31.267-8/12 2.5.2. Overwegende dat de tussenkomende partijen in hun verzoekschrift tot tussenkomst een vergelijkbare exceptie opwerpen : "De oorspronkelijke verzoeker had geen belang bij het indienen van het annulatieverzoek. In tegenstelling tot wat zij voorhoudt worden de door haar aangeklaagde inbreuken op de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening, natuurbehoud, water- en bodemkwaliteit niet veroorzaakt door de aangevochten beslissing, nu deze ingrepen werden toegestaan in de op 1 augustus 2000 door de gemeente Nazareth verleende stedenbouwkundige vergunning voor het dempen van kleiputten, die definitief is geworden. Niet de milieuvergunning, maar de stedenbouwkundige vergunning kan desgevallend bedreigend zijn voor de belangen die zij inroept te willen verdedigen. De oorspronkelijke verzoekster in annulatieberoep kan niet via huidig annulatieberoep haar verzuim om desgewenst op te treden tegen de door de gemeente Nazareth verleende stedenbouwkundige vergunning voor het dempen van kleiputten, goedmaken door op te komen tegen de milieuvergunning"; 2.5.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord daarop als volgt reageert : "Het Vlaams Gewest houdt de boot af want vindt dat deze milieuvergunning een logisch gevolg is van de gewestplanwijziging oktober 1999 en van de bouwvergunning. Doordat SOW geen van beide eerdere beslissingen heeft aangevochten, zou zij nu geen belang meer hebben. Voorwaar een merkwaardige redenering. Wie vroeger bij de pakken is blijven zitten, is gedoemd daarbij te blijven zitten ... Verzoekster kan dit niet volgen. De gewestplanbestemming en de bouw- vergunning, zijn slechts enkele bestanddelen, noodzakelijk om de vijvers te kunnen opvullen. Daarnaast is er ook de milieuvergunning en mogelijks ook de natuurvergunning. Zonder de milieuvergunning kon en mocht dit waterrijke gebied niet aangetast worden. De bouwvergunning was trouwens opgeschort door het ontbreken van de milieuvergunning (art. 5 decreet ruimtelijke ordening). Het exploiteren van 3 kleiputten met niet-verontreinigde uitgegraven bodem met een capaciteit van 23.923 m² kan ook niet in gang gezet worden door middel van een gewestplan. Een gewestplan is een plan met eerder algemene maatregelen van aanleg, en gebruiksmogelijkheden. Een vergunning daarentegen betreft een eerder individuele toelating, die op zich een bestaande feitelijke toestand ook in feite kan wijzigen. Een milieuvergunning of de weigering ervan kan wel degelijk het verschil maken. Vglk. met bv. het arrest nr. 81.397 van 28 juni 1999 inzake NV Grondwerken Van Loo tegen gemeente Sint-Katelijne-Waver. Voor wat betreft de kleiputten had bv. ook vroeger meer dan één dienst erop gewezen dat een milieuvergunning is vereist. Zo bv. de afdeling natuurlijke rijkdommen en energie te Gent, in het advies over de bouwaanvraag voor het opvullen van de kleiputten, dd. 9 mei 2000: 'De afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie heeft geen bezwaar tegen het heraanvullen van de putten. Wel wens ik er uw aandacht op te vestigen dat voor deze activiteiten eventueel een milieuvergunning vereist is.' Verzoekster heeft dan ook een wettig belang bij de vernietiging van deze milieuvergunning. VII-31.267-9/12 Belang dat trouwens reeds aanvaard werd door de Minister die toch het hoger beroep van Omer Wattez ontvankelijk heeft verklaard. Daarbij komt ook dat de gewestplanwijziging van 1999 door een omwonende aangevochten wordt bij de Raad van State, reden trouwens waarom de afdeling natuur in haar advies van 28 juni 2003 schreef: 'Omtrent de gewestplanwijziging loopt een rechtszaak bij de Raad van State. Het is niet aangewezen een vergunning af te leveren alvorens de uitspraak van de Raad van State gekend is.' Ook verzoekende partij stelt zich vragen bij de rechtsgel(d)igheid van deze gewestplanwijziging (Besluit Vlaamse Regering 29 oktober 1999. Het feit dat verzoekster toen niet de vernietiging heeft aangevraagd, verhindert niet dat later de wettigheid ervan nog ter discussie gesteld wordt. (...) Bovendien zou volgens het Vlaams Gewest de vernietiging van de milieuvergunning niet het nagestreefde doel, nl. behoud van de vijvers als blijvende natuurwaarde, kunnen verwezenlijken. Het tegendeel is waar. De vernietiging van de milieuvergunning brengt immers ook (
  8. de)opschorsing van de stedenbouwkundige vergunning met zich mee. De opvulling van de kleiputten mag dan ook niet plaatsvinden, ook al zijn deze putten inmiddels omzeggens helemaal opgevuld. De verwerende partij zal ook een nieuwe beslissing moeten nemen waarbij rekening zal moeten gehouden worden met de redenen van het arrest plus de dan toepasselijke milieuwetgeving (waarschijnlijk strenger dan de huidige wetgeving). Het behoud of minstens het herstel van de kleiputten is goed mogelijk, hetgeen in de lijn ligt van de statutaire doelstellingen van de VZW S.O.W."; dat op het argument dat haar annulatieberoep de rechtszekerheid in het gedrang brengt, de verzoekende partij antwoordt : "Verzoekende partij meent dat haar belang niet mag afgemeten worden aan de vereiste van de rechtszekerheid. Het indienen van een vordering maakt uiteraard één en ander onzeker, maar dit is altijd zo wanneer een vordering ingesteld wordt. Bij voorbaat weet men immers niet waarop de vordering zal uitdraaien. Rechtszekerheid al dan niet verbonden aan het gewestplan, verhindert dan ook helemaal niet dat verzoekster deze vordering instelt"; 2.5.4. Overwegende dat de omstandigheid dat de verzoekende partij nooit de bestemming van het gebied heeft aangevochten, evenmin als de stedenbouwkundige vergunning, aanneembaar maakt dat zij weinig belang heeft gehecht aan de wijziging van het gewestplan voor het betrokken gebied, dat voorheen gebied was voor ambachtelijke bedrijven en KMO's en gewijzigd is geworden in ontginningsgebied met als nabestemming gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's; dat door die wijziging van het gewestplan de overheid toelaat om in het gebied klei uit te graven waarna het als nabestemming nog aangewend zal kunnen worden door ambachtelijke bedrijven en KMO's; dat wat de verzoekende partij met het voorliggende beroep kennelijk beoogt niet is een milieuvergunning voor het gebied te zien afleveren waarin scherpere eisen voor de exploitatie van de VII-31.267-10/12 inrichting zouden worden gesteld, doch louter en alleen de instandhouding van de kleiputten als vijvers die zich door de tijd heen als natuurlijke vijvers zouden kunnen ontwikkelen; dat dit neerkomt op de bedoeling om middels een arrest van de Raad van State het op 29 oktober 1999 vastgestelde gewestplan te wijzigen, zodat de vastgestelde nabestemming van het gebied geen gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's zou kunnen worden doch een natuurgebied; dat die bedoeling weliswaar het maatschappelijk doel van de verzoekende partij reflecteert, doch dat zulks niet wegneemt dat de bewuste kleiputten, nadien vijvers, in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's liggen en dat dit bijgevolg impliceert dat, om ze in overeenstemming te brengen met het gewestplan, zij moeten kunnen worden gedempt en dat het dempen ervan thans dient te geschieden overeenkomstig de voorwaarden gesteld in hoofdstuk 5.60 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II); dat, weliswaar, er ten tijde van het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning geen corresponderende milieuvergunningsplicht bestond, voor zover geen grond werd gebruikt die als afvalstof diende te worden beschouwd en dat sinds 29 juni 2002 die vergunningsplicht wel bestaat, zodat de stedenbouwkundige vergunning niet verder kan worden uitgevoerd zonder bijhorende milieuvergunning; dat dit echter niet wegneemt dat een milieuvergunning of de weigering om dergelijke vergunning te verlenen de uitvoering van een gewestplan en een stedenbouwkundige vergunning dermate zou kunnen verhinderen; dat het belang van de verzoekende partij dat er kennelijk in bestaat een annulatie te verkrijgen van de bestreden beslissing met het enige doel de in het gewestplan vastgestelde nabestemming van het gebied om te buigen in natuurgebied als niet geoorloofd moet worden beschouwd, zodat de verzoekende partij het rechtens vereiste belang ontbeert en haar beroep bijgevolg als niet ontvankelijk moet worden afgewezen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. VII-31.267-11/12 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig februari tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-31.267-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.878 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.